Onder de kerk van San Sebastiano, twee mijlen buiten de poort van

dien naam, aan den Appiaanschen weg, is de ingang naar de catacomben

van Rome--oudtijds steengroeven, maar naderhand de schuilplaatsen

der Christenen.--Deze ijselijke plaatsen zijn twintig mijlen ver

uitgehold en vormen eene keten van doolhoven, die zestig mijlen in

den omtrek heeft.

Een magere Franciskaner monnik, met schitterend oog, was onze eenige

gids in die diepgelegen en verschrikkelijke plaats. De nauwe wegen en

openingen, die hier en daar zijn, en daarbij de dompige en zware lucht,

wischte in ons allen ook de laatste heugenis uit van den weg, langs

welken wij waren gekomen; en ik kon het denkbeeld niet onderdrukken:

"Goede Hemel, als hij nu eens in een aanval van krankzinnigheid de

fakkels ging uitdooven, of als hij eens daar een toeval kreeg, wat

zou er dan van ons worden!" Wij gingen altijd voort tusschen graven

van martelaren en kwamen langs groote onderaardsche gewelfwegen, die

naar alle richtingen liepen, en door steenhoopen verstopt waren, opdat

er zich geene dieven en moordenaars verschuilen en onder Rome eene

bevolking vormen zouden, erger zelfs dan die tusschen haar en de zon

leeft. Graven, graven en nog al graven; graven van mannen, van vrouwen,

van hunne kleine kinderen, die al aansnellende hunne vervolgers

toeriepen: "Wij zijn Christenen! Wij zijn Christenen!" opdat zij met

hunne ouders omgebracht mochten worden. Graven met den palm van het

martelaarschap, ruwelijk gehouwen in hunne steenen wanden, en kleine

nissen, gemaakt om eene vaas met des martelaars bloed te bevatten;

graven van sommigen, die jarenlang hier beneden leefden, aan de

overigen tot herders strekten, en waarheid en hoop en troost predikten

van de ruwe altaren, die getuigenis gaven van hunne zielskracht in dat

uur; nog ruimere maar veel verschrikkelijker graven, waar honderden,

die overvallen waren, ingesloten en ingemetseld, voor het sterfuur

begraven, en gedood werden door langzamen hongerdood.

"De zegepralen van het geloof zijn niet boven den grond in onze

prachtige kerken," zeide de monnik, in de rondte en op ons ziende,

toen wij stilhielden om te rusten in een van de lage gangen, terwijl

beenderen en stof ons overal omringden. "Zij zijn hier! te midden van

de graven der martelaren!" Hij was een aardig, ernstig man, en zeide

het van harte; maar als ik bedacht, hoe Christenen met elkander hebben

gehandeld, hoe zij, onzen hoogst liefderijken godsdienst bedervende,

elkander hebben gejaagd en gepijnigd, verbrand en onthoofd, verworgd,

geslacht en onderdrukt, dan schilderde ik mij een doodangst, die veel

erger was dan die, welke doorgestaan werd door dit stof, toen er nog

adem in was, en hoezeer die groote en standvastige harten geschokt

zouden zijn geworden--hoe zij zouden hebben gekwijnd en genokt--indien

een voorgevoel van de daden, welke door erkende Christenen bedreven

zouden worden, in den grooten naam voor welken zij stierven, hen

met de eigen onuitsprekelijke smart zou hebben verscheurd op het

vreeselijke rad, en het bittere kruis, en in het verschrikkelijke vuur.

Dit zijn de plekken en strepen in mijn droom van kerken, die

afzonderlijk staan en hare afgescheiden eenzelvigheid bewaren. Soms

heb ik eene flauwere herinnering van de relieken; van het fragment

des pilaars van den tempel, die in tweeën scheurde; van het stuk

der tafel, waarop het Laatste Avondmaal is gehouden; van den put,

uit welken de vrouwen van Samaria den Heiland water gaven; van twee

kolommen van het huis van Pontius Pilatus; van den steen, aan welken

de heilige handen werden gebonden, toen de geeseling werd verricht;

van den rooster van Sint Laurentius en den steen er onder, waarop de

merkteekens van het braden van zijn vet en bloed: dit alles gaf aan

sommige hoofdkerken iets schaduwachtigs, hetwelk geleek naar eene oude

geschiedenis of eene fabel, en ze een oogenblik tegenhielden, toen zij

voor mij wegsnelden. Het overige is eene uitgestrekte woestenij van

gewijde gebouwen, van alle vormen en smaak en die met elkander vermengd

zijn; gebroken zuilen van Heidensche tempels, uit den grond gegraven,

en, als waren het gevangen reuzen, gedwongen tot het dragen der daken

van Christelijke kerken; van schilderstukken, slechte en verwonderlijke

en goddelooze en bespottelijke; van knielend volk; van wierookdampen,

die onder het opstijgen in en door elkander krullen; van luidende

klokken, en soms (maar niet dikwijls) van een spelend orgel; van

Madonnen, wier borst bestoken is met zwaarden, in een halven cirkel

geschikt als een nieuwerwetsche waaier; van nog bestaande geraamten

van doode Heiligen, op afschuwelijke wijze opgetooid met zwierige

satijnen, zijden en fluweelen stoffen, met goud versierd, en wier

uitgebleekte schedel versierd is met kostbare juweelen of met kransen

van verwelkte bloemen; van het volk, dat soms was vergaderd rondom

den kansel, en een monnik er in, die het kruisbeeld uitstrekte en op

stoute wijze preekte; van de zon, die juist door een hoog venster

binnenstroomt op het zeil, dat boven hem en dwars over de kerk is

gespannen, om te voorkomen, dat zijne forsche stem zich verlieze in

den galm der zoldering. Dan bestijgt mijn vermoeid geheugen eene trap,

waar hoopen menschen liggen te slapen of zich in de zon koesteren,

en dwaalt rond tusschen de vodden, die uitwasemingen en paleizen en

hutten een Italiaansche straat.

Op een Zaterdagochtend (den achtsten Maart) werd hier een man

onthoofd. Negen of tien maanden te voren had hij eene Beiersche gravin

aangevallen, die als bedevaartgangster naar Rome reisde--alleen, en

natuurlijk te voet--en, naar men zegt, dit vrome werk ten vierden male

verrichtende. Hij zag haar te Viterbo, waar hij woonde, een goudstuk

wisselen; volgde haar; hield haar, meer dan veertig mijlen ver, op hare

reis gezelschap, onder het verraderlijk voorwendsel haar te beschermen;

vervulde zijn onafgebroken voornemen door haar op de Campagna, op een

kleinen afstand van Rome, aan te vallen, in de nabijheid van hetgeen

het graf van Nero wordt genoemd (maar het niet is); beroofde haar

en sloeg haar met haar eigen pelgrimsstaf dood. Hij was kortelings

gehuwd, en schonk iets van hare sieraden aan zijne vrouw, aan wie

hij zeide, dat hij het op eene kermis had gekocht. Zij nochtans,

die de ter bedevaart gaande gravin hare stad had zien doortrekken,

herkende eene kleinigheid, als haar hebbende toebehoord. Toen vertelde

de man haar wat hij had gedaan. Zij verhaalde het in de biecht aan

een priester; en binnen vier dagen na het bedrijven van den moord

was de man gevangengenomen.

In dit onbegrijpelijk land zijn geen bepaalde tijden voor de bedeeling

of de uitvoering des rechts, en hij was na dien tijd aanhoudend

in de gevangenis gebleven. Des Vrijdags, toen hij des middags met

de andere gevangenen at, kwamen ze hem zeggen, dat hij den anderen

dag zou worden onthoofd, en namen hem mede. Het is zeer ongewoon,

doodstraffen in de Vasten ten uitvoer te leggen; maar daar deze

misdaad zeer erg was, achtte men het raadzaam, door hem op dien tijd

ter dood te brengen, een voorbeeld te stellen; dewijl er alsdan een

groot aantal pelgrims uit alle streken naar Rome komen om de Heilige

Week. Ik hoorde het Vrijdagavond en zag de plakkaten aan de kerken,

die het volk vermaanden, voor de ziel van den misdadiger te bidden. Ik

besloot er heen te gaan om hem ter dood te zien brengen.

Het onthoofden was bepaald ten veertien en een half uur, Romeinsche

tijdrekening: of kwartier voor negenen des ochtends. Ik had twee

vrienden bij mij; en daar wij niet anders dachten dan dat er eene

overgroote menigte menschen zou zijn, waren wij reeds ten halfacht

ter plaatse. De plaats waar de straf zou worden uitgevoerd, was in

de nabijheid der kerk van San Giovanni de collato (Sint Johannes

de onthoofde)--een twijfelachtig compliment aan Sint Johannes den

dooper, in eene van de onbegaanbare straten zonder voetpad, waaruit

een groot gedeelte van Rome bestaat--eene straat van vergane huizen,

die niemand schijnen te behooren, en nooit bewoond te zijn geweest,

en welke voorzeker nooit naar eenig plan of met eenig doel werden

gebouwd, en geene schuiframen hebben, en er eenigermate uitzien

als verlaten brouwerijen, en magazijnen konden wezen, als er maar

iets in ware. Tegenover een van deze--een wit huis--was het schavot

opgeslagen, een onzindelijk, ongeschilderd, misselijk ding, dat

er, natuurlijk, heel gek uitzag: 't was zoo wat zeven voet hoog:

met een hoog, galgvormig raam er op staande, waarin het mes hing,

dat, bevracht met eene schrikkelijke massa ijzer, geheel gereed was

neer te vallen, en helder blonk in de morgenzon, als die, nu en dan,

eens van achter eene wolk uitkeek.

Er was niet veel volk in de nabijheid; en dit werd door troepen

pauselijke dragonders op een aanmerkelijken afstand van het schavot

gehouden. Er waren twee- of driehonderd infanteristen onder de wapens,

op hun gemak hier en daar in groepen bijeen staande, en officieren

wandelden bij tweeën en drieën op en neer, en snapten met elkander

en rookten sigaren.

Aan het einde der straat was eene open ruimte, waar stellig een

vuilnishoop was, en stapels gebroken aardewerk en hoopen van

groente-afval, daar zulke dingen in Rome door ieder overal worden

neergeworpen, en er geen bijzondere plek mee wordt begunstigd. Wij

kwamen binnen een soort van waschhuis, dat behoorde tot eene woning,

op die plaats gelegen; en dáár staande op eene oude kar en op een hoop

karrewielen, die er tegen den muur waren opgestapeld, hadden wij,

door een groot getralied venster, het uitzicht op het schavot en de

straat die er achter lag, tot door het plotselijk links wenden van

deze, ons perspectief eensklaps afbrak, en gesloten werd door een

dikken officier, met een steek op het hoofd.

Het sloeg negen, het sloeg tien uur, en er gebeurde niets. Al de

kerkklokken luidden als naar gewoonte. Een klein parlement van honden

kwam op de open plaats bijeen, en jaagde elkander na, binnen en buiten

den kring der soldaten. Trotsch ziende Romeinen der gemeenste klasse,

in blauwe mantels en rosse mantels en onbemantelde lompen, gingen af

en aan en praatten met elkander. Vrouwen en kinderen scharrelden aan

de zijden van de smerige menigte. Eene groote modderige ruimte was

geheel onbezet gelaten, gelijk eene kale plek op een menschenhoofd. Een

sigarenverkooper, met een aarden pot met glimmende houtskolen in de

eene hand, ging op en neer, terwijl hij zijne waar uitventte. Een

pasteiverkooper verdeelde zijne aandacht tusschen het schavot en

zijne klanten. Jongens beproefden de muren te beklimmen en buitelden

weer naar omlaag. Priesters en monniken maakten zich tusschen het

volk met de ellebogen ruimte, en stonden op de teenen om een kijkje

van het mes te kunnen nemen, en gingen toen weer heen. Kunstenaars

met allerzonderlingste hoeden uit de middeleeuwen, en baarden (den

hemel zij dank) uit geene eeuw hoegenaamd, wierpen schilderachtige

blikken rondom zich. Een heer (ik denk dat hij met de schoone kunsten

in betrekking stond) ging op en neer, in een paar rijlaarzen en een

rooden baard, die op zijne borst neerhing; en zijn lang en schitterend

rood haar, in twee vlechten gestrengeld, waarvan er, aan de voorzijde,

langs elken schouder één tot aan de middel neerhing, was met zorg

gevlochten en geschikt.

Het sloeg elf uur, en nog al gebeurde er niets. Onder de menigte liep

het gerucht, dat de misdadiger niet wilde biechten; in welk geval de

priester bij hem bleef tot het Ave Maria luidde (zonsondergang);

want het is hunne liefderijke gewoonte, nimmer het kruisbeeld

vóór dat oogenblik voorgoed weg te wenden van iemand, die, in zulk

een toestand zijnde, weigert te biechten, en dus een zondaar is,

dien de Heiland verlaten heeft. Het volk begon af te zakken. De

officieren haalden hunne schouders op en schenen te twijfelen. De

dragonders, die elk oogenblik tot onder ons raam kwamen rijden,

om eene ongelukkige huurkoets of kar weg te jagen, zoodra zij zich

gemakkelijk had geplaatst, en bedekt was met vroolijk volk (maar nooit

vroeger), werden trotsch en driftig. De kale plek had geen enkel

haartje gekregen, en de dikke officier, die het perspectief sloot,

verbruikte eene schrikkelijke hoeveelheid snuif.

Plotseling klonk er trompetgeschal. "Geef acht!" luidde het dadelijk

onder de infanterie. Zij trokken op naar het schavot en werden

er romdom geschaard. Ook de dragonders galoppeerden naar hunne

standplaatsen meer in de nabijheid. De guillotine werd het middelpunt,

van een bosch van glinsterende bajonetten en blinkende sabels. Het volk

drong naderbij tot naast de soldaten. Een lange slingerende stroom van

mannen en knapen, die den optocht van de gevangenis af had verzeld,

kwam naar de open plaats toevloeien. De kale plek was nauwelijks van

het overige te onderkennen. De sigaren- en pasteiverkoopers lieten alle

gedachten van handel voor het oogenblik varen, en zich geheel aan het

genoegen overgevende, zochten zij naar een goed plaatsje tusschen de

menigte. Nu eindigde het perspectief in een troep dragonders. En de

dikke officier, die den degen had getrokken, zag strak naar eene kerk

in zijne nabijheid, welke hij kon zien, maar die voor ons, de menigte,

onzichtbaar was.

Na eene korte poos zag men eenige monniken uit die kerk en het schavot

nabij komen, en, boven hunne hoofden uit, het beeld van Christus

aan het kruis, onder een zwart verhemelte, langzaam en treurig

naderen. Dit werd rondom het schavot gedragen, naar de voorzijde en

toen naar den misdadiger gekeerd, opdat hij 't tot zijne laatste

oogenblikken zou kunnen zien. Het was nauwelijks geplaatst of hij

verscheen barrevoets op het plat. Zijne handen waren gebonden, en de

boord en het halsgedeelte van het hemd was bijna tot aan de schouders

weggesneden. Het was een jong man--zes en twintig jaren,--sterk

gebouwd en welgevormd. Bleek aangezicht; kleine donkere knevels en

donkerbruine haren.

Het bleek, dat hij had geweigerd te biechten alvorens men hem zijne

vrouw zou hebben gebracht, om hem te bezoeken: men had een escorte

naar deze gezonden, waardoor de vertraging veroorzaakt was geworden.

Hij knielde dadelijk onder het mes, zijn nek plaatsende in eene holte,

daartoe gemaakt, in eene dwarsplank, welke holte gesloten werd door

eene andere, daarop passende plank, geheel gelijk aan de pillory

[40]; onmiddellijk onder hem was een lederen zak. En daarin rolde

zijn hoofd dadelijk.

De scherprechter vatte het bij de haren, wandelde er het schavot mede

rond, en toonde liet aan 't volk, vóór iemand goed wist dat het mes

zwaar en ratelend was neergevallen.

Toen het de vier zijden van het schavot was rondgedragen, werd het op

een paal aan de voorzijde geplaatst--eene kleine streep zwart en wit,

opdat er de lange straat op mocht staren en de vliegen zich er op

konden neerzetten. De oogen waren naar boven gekeerd, als vermeden

zij het gezicht van den lederen zak, en waren naar het kruisbeeld

gericht. Elke blos en kleur van leven was er op dat oogenblik uit

vervlogen. Het was dof, koud, lijkkleurig, als was. Het lichaam

evenzeer.

Er was veel bloed. Toen wij het raam verlieten en dicht bij het

schavot kwamen, was het zeer morsig; een van de beide mannen, die

er water overheen goten, zich omkeerende, om den ander behulpzaam

te zijn het lijk in eene kist te lichten, trippelde naar hem toe als

ging hij door de modder. Vreemd was het, de schijnbare vernietiging

van den hals na te gaan. Het hoofd was zoo glad afgesneden, dat het

scheen alsof het mes rakelings langs de kaak was gegaan, en die bijna

beschadigd of het oor afgeschaafd had; en het lijk zag er uit als

ware er niets boven den schouder gelaten.

Niemand bekreunde er zich om, of was in het minst aangedaan. Men zag

geene blijken van walging, of medelijden, of verontwaardiging, of

droefheid. Mijne ledige zakken werden onmiddellijk onder het schavot

eenige malen in het gedrang onderzocht, toen het lijk in de kist werd

gelegd. Het was een leelijk, morsig, slordig tooneel, dat misselijk

maakte en alleen slachting vertoonde; uitgezonderd het belang van

het oogenblik voor den ongelukkigen handelenden persoon. Ja! zulk

een gezicht bevat eene beteekenis en eene waarschuwing, die ik niet

wil vergeten. Zij, die in de loterij speculeeren, plaatsen zich op

gunstige punten, om de bloeddroppels te tellen die er hier en daar

uitspatten, en bezetten dat getal. Men acht zich tamelijk zeker een

prijs daarop te krijgen.

Ten behoorlijken tijde werd het lichaam weggereden, het mes

schoongemaakt, het schavot afgebroken en den geheelen afschuwelijken

toestel weggenomen. De scherprechter, ex officio buiten de wet gesteld

(welk een schotschrift op de straf) die op doodstraf de brug van

St. Angelo niet mag overgaan, behalve om zijn werk te verrichten,

keerde naar zijn hol terug en de vertooning was uit.

Aan het hoofd der verzamelingen in de paleizen van Rome staat,

natuurlijk, het Vatikaan met zijne kunstschatten, zijne verbazende

galerijen en trappen, en reeksen op reeksen van onmetelijke kamers,

in den hoogsten en eersten rang. Er zijn veel edele standbeelden en

overheerlijke schilderijen; maar het is geene ketterij wanneer men

zegt, dat er eene groote menigte prulwerk ook is. Vindt eenig oud stuk

beeldhouwwerk, dat opgedolven werd, plaats in eene galerij omdat het

oud is, en zonder de inwendige verdiensten in aanmerking te nemen; en

vindt het honderden bewonderaars omdat het daar is, en om geene andere

reden ter wereld; daar zal er ook geen gebrek wezen aan voorwerpen,

die geheel onverschillig zijn in het eenvoudige gezicht van hem,

die zulk een alledaagsch eigendom bezichtigt, als het hem zoo weinig

zou kosten door den bril van anderen te zien, en zich, alleen door

de kleine moeite van napraten, als een man van smaak voor te doen.

Ik voor mij erken volmondig, dat ik mijn natuurlijk gevoel van

vatbaarheid voor hetgeen natuurlijk en waar is, in Italië of elders

niet kan achterlaten, zooals ik met mijne schoenen zou doen als ik in

het Oosten reisde. Ik kan niet vergeten, dat er zekere uitdrukkingen

des gelaats bestaan, die eigen aan zekere hartstochten, en zoo

onveranderlijk van aard zijn als de gang van een leeuw of de vlucht

van een arend. Zaken, zóó algemeen bekend als de gewone evenredigheden

van menschenarmen en beenen en hoofden, kan ik uit mijne stellige

wetenschap niet wegwisschen; en als ik voorstellingen voor oogen krijg,

die deze ondervinding en herinneringen geweld aandoen, dan kan ik,

't moge wezen waar het wil, ze niet met een eerlijk gemoed bewonderen

en acht het best dit te zeggen, in spijt van een verheven critischen

raad, dat wij soms bewondering moeten aan den dag leggen ofschoon

wij ze niet gevoelen.

Daarom beken ik: Als ik een jongen, vroolijken kadraaier een

cherubijntje zie voorstellen, of den sleper eener bierbrouwerij als

een Evangelist zie geschilderd, dan zie ik in de voorstelling, hoe

groot de beroemde schilder er ook van zij, niets te prijzen of te

bewonderen. Even weinig ben ik vooringenomen met schendige engelen,

die op violen en bassen spelen, ter stichting van monniken die op

sterven liggen, en er uitzien als stonden zij op spiritus; noch met

Sint Franciscussen en Sint Sebastiaans, die wriemelen in galerijen,

welke beide, zoo denk ik er over, als kunstwerken, zeer ongemeene,

zeldzame verdiensten moeten bezitten, om hunne vermenigvuldiging op

allerlei wijze door Italiaansche schilders te rechtvaardigen.

Het schijnt mij ook toe, dat de verwarde en bepaalde verrukkingen,

waarin sommige kunstrechters vervallen, niet is overeen te brengen

met de wezenlijke waardeering van werken, die inderdaad groot en

uitmuntend zijn.

Ik kan mij, bij voorbeeld, niet verbeelden, hoe de vastberaden

kampioen van schilderijen zonder verdienste het kan uitschreeuwen bij

de bewonderenswaardige schoonheid van Titiaan's groote schilderij van

de Hemelvaart der Heilige Maagd te Venetië; of hoe hij, die wezenlijk

aangedaan wordt door het verhevene van dit keurig kunstvoortbrengsel,

of die waarlijk de schoonheid gevoelt van Tintoretto's groote

schilderij van de Vergadering der Zaligen, ter zelfder plaatse, in

Michaël Angelo's Laatste Oordeel, in de Sixtijnsche Kapel, eenige

algemeene gedachte of een doorloopend denkbeeld kan onderscheiden in

overeenstemming met het verheven onderwerp.

Hij, die Raphaël's meesterstuk, de Transfiguratie, zal beschouwen en

in eene andere kamer van hetzelfde Vatikaan zal gaan, en eene andere

teekening van Raphaël beziet, die (als eene ongeloofelijke caricatuur)

het miraculeus blusschen van een grooten brand door Leo den Vierden

voorstelt,--en dan zal zeggen dat hij ze beiden als werken van een

buitengewoon genie bewondert,--moet, naar het mij voorkomt, in een

der beide gevallen, en waarschijnlijk in het hooge en verhevene,

van zijn opmerkingsvermogen zijn beroofd.

Het is gemakkelijk een twijfel op te werpen, maar ik twijfel inderdaad

zeer, of somtijds de regels der kunst niet al te nauwkeurig worden

gevolgd, en of het wel geheel goed en aangenaam is, dat wij te

voren weten, waar dit beeld zal omdraaien, en waar dat beeld zal

neerliggen, en waar de draperieën en de plooien zullen zijn, en veel

van dien aard meer. Wanneer ik in schilderijen van verdienste, in

Italiaansche galerijen, koppen gadesla, die het onderwerp onwaardig

zijn, verwijt ik dit den schilder niet; want het komt mij voor, dat

deze groote mannen, die, uit nood, zeer vaak in de handen van monniken

en priesters vervielen, ook wat al te dikwijls monniken en priesters

schilderden. Ik zie meermalen, in wezenlijk schoone schilderijen,

koppen, die het onderwerp en den schilder onwaardig zijn; en ik

heb steeds opgemerkt, dat deze koppen er altijd zeer kloosterachtig

uitzien en tot heden toe nog huns gelijke onder de bewoners van een

klooster hebben; daarom ben ik het met mij zelven eens geworden,

dat, in dergelijke gevallen, de schuld niet aan den schilder lag,

maar aan de ijdelheid en onwetendheid van eenigen zijner begunstigers,

die apostelen wilden zijn--ten minste op doek.

De keurige bevalligheid en schoonheid der standbeelden van Canova;

de verwonderlijke ernst en rust van vele der oude beeldhouwwerken,

zoowel in het Kapitool als het Vatikaan; en de kracht en het vuur

van vele anderen, kunnen, in hunne verscheidenheid, door geene

woorden beschreven worden. Zij zijn vooral vol uitdrukking en

behaaglijk voor het oog nadat men de werken van Bernini en zijne

leerlingen aanschouwd heeft, waarvan de kerken van Rome, van die

van St. Petrus af, overvloeien; en die, zooals ik zeker geloof,

de erbarmelijkste voortbrengselen van de geheele wereld zijn. Ik

zou oneindig liever (als zuivere kunstwerken) de drie godheden van

het Verledene, het Tegenwoordige en het Toekomende in de Chineesche

verzameling beschouwen, dan de beste van deze opgeblazen verdwaasden;

in welker werken elke draperie-plooi het binnenste buiten is gedraaid;

de kleinste ader of slagader zoo groot als een gewone wijsvinger,

het haar evenals een nest vol schuifelende slangen is; en de houding

van elk beeld alle andere buitensporigheden beschaamt. Daarom geloof

ik waarlijk, dat er geene plaats ter wereld is, waar dergelijke

ondraaglijke misgeboorten, door des beeldhouwers beitel voortgebracht,

in zoo grooten overvloed gevonden worden als in Rome.

Er is eene fraaie verzameling Egyptische oudheden op het Vatikaan,

en de zolderingen der kamers, waarin zij zijn gerangschikt, zijn in

dier voege beschilderd, dat zij een met sterren bezaaiden hemel in

de woestijn voorstellen. Het mag een zonderling denkbeeld schijnen,

maar het maakt een vreemd effect. De grijnzende, half menschelijke

monsters der tempels zien er nog boozer en monsterachtiger uit onder

het hard donkerblauw, hetwelk aan alles een vreemden, onzekeren,

somberen toon mededeelt--eene geheimzinnigheid, die wel past bij de

voorwerpen; en gij verlaat ze, zooals gij ze gevonden hebt, in een

statigen nacht gehuld.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 43 / 48 段