Gebruik makende van een gedeelte van de stille verpoozing tusschen het

einde van de vastenavondvreugde en het begin der Heilige Week, gingen

wij gemoedelijk aan het werk, om Rome te zien; en daar wij iederen

ochtend vroegtijdig uitgingen, en elken avond laat terugkwamen, en den

geheelen dag hard werkten, zoo geloof ik, dat wij bekend raakten met

iederen paal en pilaar der stad en van de naastbijgelegene streken,

en voornamelijk zoovele kerken bezochten, dat ik dit gedeelte van de

onderneming geheel opgaf vóór het half voleindigd was; daar ik anders,

wat mij betreft, zoo lang ik leef nooit weder een voet in eene kerk

gezet zou hebben. Maar ik droeg er zorg voor, dat ik bijna iederen

dag, hetzij vroeg of laat, naar het Coliseum ging, of naar buiten in

het open veld, aan gene zijde der graftombe van Cecilia Metella.

Op deze tochten ontmoetten wij dikwijls een gezelschap Engelsche

toeristen; en steeds had ik een grooten, maar nooit voldanen lust, een

gesprek met hen aan te knoopen. Het bestond uit zekeren mijnheer Davis

en eenige zijner vrienden. Het was onmogelijk den naam van mevrouw

Davis niet gewaar te worden, daar zij in groot aanzien stond bij haar

gezelschap, dat overal was. Gedurende de Heilige Week was het bij elk

gedeelte van ieder tooneel, van elke plechtigheid. Veertien dagen of

drie weken te voren bezochten zij iedere grafplaats en kerk, en galerij

van schilderstukken en elken bouwval; en gedurende al dien tijd heb

ik bijna niet gemerkt, dat mevrouw Davis een oogenblik stilzweeg.

Diep onder den grond, boven op de St.-Pieterskerk, buiten op het

veld, en bijna stikkende in het Joden-kwartier, bleef mevrouw Davis

altijd dezelfde. Ik geloof niet, dat ze ooit naar iets zag; en ze

had altijd iets verloren uit eene strooien mand, die ze vasthield,

en hetwelk zij met al hare macht beproefde te vinden van onder eene

aanzienlijke hoeveelheid Engelsche halfstuiverstukken, die op den

bodem er van lagen, evenals zand op den oever der zee. Ambtshalve was

er altijd een Cicerone aan het gezelschap verbonden (dat bij contract

van Londen was overgevoerd, vijftien à twintig koppen sterk), en als

hij maar naar mevrouw Davis keek, dan berispte zij hem onmiddellijk,

door te zeggen: "Wel, God zegen je, man, maak het me niet lastig! Ik

versta geen woord van al wat je kakelt, en zal het ook niet verstaan,

al zou je babbelen tot je blauw in je gezicht werdt!" Mijnheer

Davis droeg altijd eene snuifkleurige overjas, en eene groote groene

paraplu in zijne hand, en bezat eene talmende nieuwsgierigheid die

voortdurend in hem brandde en die hem aanspoorde buitengewone dingen

te verrichten, zooals de deksels van lijkbussen op te lichten, en er

in te kijken alsof zij zuurgoed inhielden; met de punt zijner paraplu

langs opschriften te strijken en met diepdenkendheid te zeggen: "Ziet

ge, hier is eene B, en daar is eene R, en zoo zullen wij het vinden;

is het niet?" Zijne oudheidkundige gewoonten waren oorzaak, dat hij

dikwijls achterbleef; en een van de doodsangsten van mevrouw Davis,

en van het gezelschap in het algemeen, was eene eeuwigdurende vrees

dat Davis verloren zou raken. Dit was oorzaak, dat ze om hem riepen

in de allervreemdste plaatsen en op de meest ongelegene tijden. En

wanneer hij dan eindelijk langzaam uit een of andere begraafplaats kwam

stappen, evenals eene vreedzame vampyr, uitroepende: "Hier ben ik,"

dan was het onveranderlijk antwoord van mevrouw Davis: "Je zult nog

levend begraven worden in een vreemd land, Davis; en er helpt niets

aan of men u waarschuwt of niet."

Mijnheer en mevrouw Davis en hun gezelschap waren waarschijnlijk

binnen negen of tien dagen van Londen overgevoerd. Achttienhonderd

jaren geleden wilden de Romeinsche legioenen, onder Claudius, niet

naar het land van mijnheer en mevrouw Davis gevoerd worden, voor

reden gevende, dat het buiten de grenzen der wereld lag.

Onder de ploerten (of mindere lieden naar de mode van Rome) was er een

die mij bijzonder vermaakte. Men kan er hem ten allen tijde vinden;

en zijn hol is op de trappen van de Piazza di Spagna (het spaansche

plein), welke naar de kerk van Trinita del Monte voeren. Duidelijker

gesproken, zijn die trappen de groote verzamelplaats voor kunstenaars'

"Modellen", en daar wachten ze geduldig tot ze gehuurd worden. De

eerste maal dat ik die trappen opklom kon ik niet begrijpen, waarom

die gezichten mij zoo bekend voorkwamen, of waarom zij mij reeds voor

jaren schenen omgeven te hebben, in alle mogelijke verscheidenheid

van kleeding of handeling, en wat de oorzaak was, dat zij in Rome in

het heldere daglicht voor mij oprezen, evenals zoovele gezadelde en

getoomde nachtmerries. Ik zag spoedig, dat wij reeds sedert eenige

jaren de kennis hadden aangeknoopt en voortgezet langs de muren der

verschillende schilderijtentoonstellingen. Daar is een oud man, met

lange witte haren en een verschrikkelijk grooten baard, die, zoover

mij bekend is, den halve catalogus van de Koninklijke Academie heeft

doorgewandeld. Dit is het eerwaardige of aartsvaderlijke model. Hij

draagt een langen stok, en iedere kwast en draai van den stok heb ik,

getrouw nageteekend, herhaalde malen gezien. Daar is een andere man,

in een blauwen mantel, die zich altijd het voorkomen geeft alsof

hij in den zonneschijn (als dezen er is) ligt te slapen, en die,

ik behoef het, geloof ik, niet te zeggen, altijd klaar wakker is en

zeer nauwkeurig op de schikking zijner beenen acht geeft. Dit is het

dolce far niente model. Daar is een ander man, in een bruinen mantel,

die tegen een muur leunt, met zijne armen in den mantel gevouwen, en

rondziet met gluipende oogen, die juist zichtbaar zijn onder zijn breed

geranden hoed. Dit is het moordenaarsmodel. Daar is een ander man, die

gedurig over zijn schouder ziet, en altijd doet, alsof hij vertrekt,

maar nimmer weggaat. Dit is het trotsch en versmadend model. Wat

huiselijk geluk en heilige families betreft, deze moeten zeer goedkoop

zijn, want zij zitten bij hoopen op de trappen; en het aardige van

de zaak is, dat zij de meest valsche landloopers der wereld zijn,

voornamelijk te dien einde afgericht en huns gelijken niet hebbende

in Rome of in eenig ander gedeelte van den bewoonbaren aardbol.

Ik herinner mij, dat ik in mijne vorige vermelding van de

vastenavondvreugd gezegd heb, dat men die voor een snaaksche vrouw

hield (want zij eindigt met deze plechtigheid) om de grappen en

vroolijkheden van de Vasten, en dit herinnert mij weder aan de

wezenlijke begrafenissen en rouwprocessiën van Rome, welke hier,

evenals in andere gedeelten van Italië, voornamelijk door een

vreemdeling opgemerkt worden, wegens de onverschilligheid waarmede men,

in het algemeen, het aardsch omhulsel beschouwt, nadat het leven er

uit is ontvloden. En dit geschiedt niet omdat de overlevenden den tijd

gehad hebben de nagedachtenis der dooden van hunne wel-herinnerde

verschijning en vorm op aarde af te scheiden; want de begraving

volgt te spoedig op den dood, daar zij bijna altijd binnen de vier

en twintig, en somtijds binnen de twaalf uren plaats heeft.

Te Rome zijn de grafputten in eene groote, vlakke, open, akelige

ruimte, evenals ik ze reeds te Genua beschreven heb. Toen ik ze

omstreeks den middag bezocht, zag ik eene enkele kist van geschaafde

planken, niet gedekt door eenig doodkleed en zóó licht gemaakt,

dat de hoef van een of anderen voorttredenden muilezel haar zou

hebben ingetrapt. Men had haar zorgeloos, op eene zijde liggende,

aan den ingang van een dezer graven, alleen gelaten, in regen en

zonneschijn. "Hoe komt die hier?" vroeg ik den man, die mij de

plaats rondvoerde. "Zij is een half uur geleden hier gebracht,

Signor!" zeide hij. Ik herinnerde mij, dat ik de processie ontmoet

had, toen zij terugkwam en die vrij stevig aanstapte. "Wanneer zal

zij in het graf neergelaten worden?" vraagde ik hem. "Als de kar komt

en de put heden avond geopend wordt," antwoordde hij. "Hoeveel kost

het om op zulk eene wijze hier gebracht te worden, in plaats van met

de kar?" vraagde ik hem. "Tien scudi," zeide hij, (ongeveer vijf en

twintig gulden en vijftig centen Nederlandsch courant). "De andere

lijken, waarvoor men niets betaalt, worden naar de kerk van Santa

Maria della Consolazione gevoerd," vervolgde hij, "en hier des nachts

gezamenlijk met de kar gebracht." Ik stond een oogenblik naar de kist

te turen, op welker deksel twee letters gekrast waren, en wendde het

hoofd af, met eene uitdrukking op mijn gelaat, waaruit hij, zooals ik

vooronderstel, geene goedkeuring van zijne wijze van zien bespeurde;

want hij zeide, terwijl hij zijne schouders met groote levendigheid

optrok en vriendelijk glimlachte: "Maar hij is dood, Signor, hij is

dood. Waarom niet?"

Onder de talrijke kerken is er eene, die ik verkozen heb om er

bijzonder melding van te maken. Het is de kerk van de Ara Coeli, die

men vooronderstelt, op de plaats van den ouden tempel van Jupiter

Teretrius gebouwd te zijn, en aan eene zijde genaderd wordt door

eene hooge steile trap, die onvolmaakt schijnt zonder eene groep

gebaarde wichelaars er bovenop. Zij is opmerkenswaardig, omdat zij een

wonderdadig Bambino of houten pop bezit, den Zaligmaker, als kind,

voorstellende, en ik zag het eerst dit wonderdadig Bambino (kind:

het is de vaste naam er van) op de volgende wijze:

Wij doolden op zekeren achtermiddag door de kerk en zagen langs hare

reeks sombere pilaren, (want al deze oude kerken, op de puinhoopen van

oude tempels gebouwd, zijn duister en treurig), toen de brave koerier

kwam binnenloopen met een grijns op zijn gelaat, die zich van het

eene oor naar het andere uitstrekte, en ons verzocht hem zonder een

oogenblik oponthoud te volgen, daar zij aan eenige uitverkorenen het

Bambino zouden laten zien. Diensvolgens snelden wij naar eene soort

van kapel of sacristie, vlak bij het hoofdaltaar, maar niet in de

kerk zelve, waar de uitverkorenen, die uit twee of drie katholieke

heeren en dames (geen Italianen) bestonden, reeds vergaderd waren:

en waar een jonge monnik, met ingevallene wangen, verscheidene kaarsen

aanstak, terwijl een ander eenige kerkelijke gewaden over zijn grof,

bruin kleed aantrok. De kaarsen stonden op een soort van altaar,

en daarboven waren twee fraaie beelden, zooals gij ze op iedere

Engelsche kermis zien kunt, die, zooals ik denk, de Heilige Maagd

en Sint Jozef voorstellen, welke godvruchtig gebogen zijn over eene

houten doos of koffer, welke gesloten was.

Nadat de monnik met de ingevallen wangen, nummer een, de kaarsen had

aangestoken, viel hij, in een hoek, voor het belangrijk stuk op zijne

knieën, en de monnik nummer twee lichtte, na een paar fraai versierde

en met goud gewerkte handschoenen aangetrokken te hebben, den koffer

met grooten eerbied op en zette dien op het altaar. Vervolgens, na de

knieën vele malen gebogen en zekere gebeden gemompeld te hebben, opende

hij hem, lichtte er het deksel af en nam er verscheidene satijnen en

kanten kleedjes uit, die er binnenin lagen. De dames hadden van het

begin af aan geknield; en de heeren vielen nu ook godvruchtig neder,

toen hij eene kleine houten pop ten toon stelde, die in uiterlijk

zeer geleek naar generaal Tom Thump, den Amerikaanschen dwerg,

prachtig uitgedost in satijn en gouden kant, en als in een gloed

staande van de schitterende juweelen. Er was nauwelijks eene plaats

op de kleine borst, of nek, of maag, of het flonkerde van de kostbare

offeranden der geloovigen. Onmiddellijk daarop lichtte hij haar uit

de doos, en terwijl hij haar te midden der knielenden ronddroeg,

raakte hij het voorhoofd van iedereen aan met haar gelaat en stak

haar lompen voet uit, om gekust te worden--eene plechtigheid, die

zij allen volbrachten, tot zelfs een kleine, smerige straatjongen,

die van de straat was binnengeslopen. Toen dit gedaan was, legde hij

het beeldje weder in de doos; en nadat het gezelschap opgestaan was en

nader bij trad, sprak het al fluisterende over de meerdere of mindere

schoonheid der juweelen. Vervolgens plaatste hij er het deksel weer op,

sloot de doos, zette haar op hare plaats, sloot alles weder (Heilige

Familie en al) achter een paar dichtslaande deuren, ontdeed zich van

zijne geestelijke kleeding, en ontving de gewone "kleine belooning,"

terwijl zijn metgezel, door middel van een domper, aan het einde van

een langen stok vastgemaakt, de lichten achter elkander uitdoofde. Toen

de kaarsen alle uitgedoofd en de gelden verzameld waren, vertrokken

zij, en dit deden de toeschouwers ook.

Ik ontmoette datzelfde Bambino eenigen tijd daarna, toen het in groote

staatsie naar het huis van een zieke ging. Het wordt te dien einde

steeds naar alle gedeelten van Rome gedragen; maar ik heb vernomen dat

het niet altijd zulke goede gevolgen heeft als men wel verwachten kon;

want, wanneer dit het bed van zwakke en zenuwachtige menschen nadert,

die op het uiterste liggen, verzeld door eene talrijke menigte, dan

gebeurt het niet zelden, dat zij doodelijk schrikken. Het is vooral

populair in bevallingen, waar het zulke wonderen heeft verricht,

dat, indien eene dame langer dan gewoonlijk in arbeid verkeert, een

bode met alle haast wordt afgezonden, om de onmiddellijke komst van

het Bambino te verzoeken. Het is een zeer voordeelgevend eigendom,

en men stelt er veel vertrouwen in--voornamelijk de godsdienstige

corporatie waaraan het behoort.

Het verheugt mij te weten, dat het door sommige goede Katholieken,

die niet al te kortzichtig zijn, voor niet onfeilbaar wordt gehouden;

zooals mij verhaald is geworden door den naasten bloedverwant van

een priester, zelven een Katholiek, en een geleerd en vernuftig

mensch. Deze priester nam van mijn berichtgever de belofte af, dat hij,

wat er ook gebeuren mocht, nimmer zou toestaan dat het Bambino in de

kamer zou gevoerd worden van eene zieke dame, waarin zij beiden belang

stelden. "Want," zeide hij, "als zij (de monniken) haar daarmede

lastig vallen, en in hare kamer dringen, zal het haar zekerlijk

dooden." Diensvolgens keek mijn berichtgever uit het venster, toen

het er heen werd gedragen, en weigerde, onder vele dankbetuigingen,

de deur te openen.

Hij beproefde in een ander geval, waarvan hij niet meer kennis droeg

dan die, welke hij als voorbijganger, juist op het oogenblik verkregen

had, te voorkomen dat het in eene kleine, ongezonde kamer werd gevoerd,

waar een arm meisje lag te sterven. Maar het gelukte hem niet, en

zij stierf, terwijl de menigte zich rondom haar bed verdrong.

Te midden van het volk, op hun gemak in de St.-Pieterskerk komende

om op den grond te knielen en in stilte te bidden, zijn de leerlingen

van zekere scholen en seminariums voor priesters en anderen, twintig

of dertig in getal. Deze jongens knielen altijd op eene rij, de

een achter de ander, met een langen knorrigen meester, in een lang

zwart pak gekleed, en die de achterste is; evenals een spel kaarten,

die gerangschikt zijn om met ééne aanraking om te vallen, en een

verschrikkelijk grooten schoppenboer aan het einde hebben. Als zij

eenige oogenblikken voor het hoofdaltaar gelegen hebben, staan zij op

en gaan naar de kapel der Madonna, of naar het sacrament, en vallen

daar in dezelfde orde neder; zoodat, indien iemand tegen den meester

aan zou vallen, eene algemeene en plotselinge omverwerping van de

geheele reeks er noodzakelijk op moet volgen.

Het tooneel in al de kerken is zoo vreemd mogelijk. Dezelfde eentonige,

ziellooze, slaperige zang, die altijd voortduurt; hetzelfde sombere

gebouw, welks somberheid nog sterker wordt door het schitterende van

de straat er buiten; dezelfde lampen, die dof branden; hetzelfde volk,

hier en daar knielende, van een of ander altaar naar u toegekeerd;

dezelfde priesterrug met hetzelfde groote kruis er op geborduurd. Hoe

verschillend in uitgebreidheid, vorm, rijkdom en bouwstijl de eene

kerk van de andere moge wezen, het is altijd hetzelfde. Er zijn

dezelfde vuile bedelaars, met het binnensmonds prevelen hunner gebeden

ophoudende om te bedelen; dezelfde ellendige verminkten, die hunne

wanstaltigheid aan de deuren ten toon spreiden; dezelfde blinden, die

met kleine potjes, als peperbossen--hunne aalmoesbossen--rammelen;

dezelfde onhebbelijke zilveren kronen, gesteld op het geschilderde

hoofd van enkele Heiligen en Maagden, in volgepropte schilderstukken;

zoodat een klein beeldje op een berg een hoofdsieraad heeft, dat

grooter is dan de tempel op den voorgrond, of mijlen omtreks van het

nabijgelegen landschap; hetzelfde geliefkoosde reliekkastje of beeld,

bedolven onder kleine zilveren harten en kruisen en wat dies meer

zij; die tevens de hoofdzakelijke voorwerpen van den handel en de

uitstalling van al de juweliers zijn; dezelfde gekke mengeling van

eerbied en onwelvoegelijkheid, van ijverig geloof en koelheid; daar

zij op de steenen knielen en er met gedruisch op spuwen; uit hun gebed

opstaan om eventjes te bedelen, of om zich met eenige andere wereldsche

aangelegenheid te bemoeien, en dan weer neerknielen, om de deemoedige

smeekbeden te hervatten bij het punt waar zij ze hebben afgebroken. In

eene kerk stond eene knielende dame een oogenblik uit haar gebed op, om

ons haar adreskaartje als onderwijzeres in de muziek te overhandigen,

en in eene andere brak een deftig heer, met een zeer dikken wandelstok,

zijne gebeden af en stond op om zijn hond te ranselen, die tegen een

anderen hond blafte, en wiens gekef en gejank door de kerk weergalmden,

toen zijn meester bedaard den draad zijner vroegere bespiegelingen

weer opvatte--maar evenwel tevens een oog op den hond bleef houden.

Bovenal is er voor de bijdragen der geloovigen steeds eene inzamelbos

in den een of anderen vorm. Soms is het eene geldbos, geplaatst

tusschen het houten, levensgroote beeld des Verlossers en den

aanbidder; soms is het een kistje voor het onderhouden der H. Maagd;

somtijds een beroep op de mildheid, ten behoeve van een populair

Bambino; soms is het een zak, op het eind van een langen stok,

hier en daar tusschen het volk gestoken, en waarmede een wakkere

sacristijn ijverig rinkelt; maar men vindt ze er altijd, en vaak in

verschillende vormen in dezelfde kerk, en over het algemeen goede

zaken makende. Deze ontbreekt ook niet in de vrije lucht--de straten

en wegen,--want zoo dikwijls ge wandelt en daarbij aan alles denkt,

behalve aan eene blikken geldbos, springt u zulk een voorwerp uit een

klein huisje aan den weg in de oogen, aan welks top is geschilderd:

"Voor de zielen in het vagevuur," een beroep, dat meermalen wordt

herhaald door hem, die de bos houdt, terwijl hij ze voor u schudt,

bijna evenals Janklaassen de gebarsten schel doet klinken waarvan

zijn driftige aard een orgel maakt.

Dit herinnert mij, dat eenige Romeinsche altaren van buitengewone

heiligheid het opschrift voeren: "Elke mis, op dit altaar gelezen,

bevrijdt eene ziel uit het vagevuur." Ik ben nooit in staat geweest,

de kosten van zoodanig een dienst te weten te komen; maar zij moeten

nogal aanzienlijk wezen. Er zijn ook onderscheiden kruisen te Rome,

die, als men ze kust, aflaten voor onderscheiden tijdruimte geven. Dàt

in het midden van het Coliseum verschaft er een van honderd dagen;

en men kan er van den ochtend tot den avond menschen zien, die

het kussen. Het is zonderling, dat eenige van die kruisen eene

willekeurige populariteit schijnen te verkrijgen. Het genoemde is

er een van. In een ander gedeelte van het Coliseum, is een kruis op

eene marmeren plaat, met het opschrift: "Wie dit kruis kust, heeft

aanspraak op tweehonderd veertig dagen aflaat." Maar ik zag niet,

dat het door iemand werd gekust, ofschoon ik dagen achtereen in het

strijdperk zat, en het door troepen op troepen boeren zag voorbijgaan,

op weg om het andere te kussen.

Enkele bijzonderheden te kippen uit den grooten drom van Romeinsche

kerken, zou de dolste daad der wereld zijn. Maar St. Stefano Rotondo,

een vochtig, beschimmeld gewelf eener oude kerk in den omtrek van Rome,

zal mij bovenal in het geheugen zweven, uithoofde van het afschuwelijke

schilderwerk, waarmede de muren er van zijn versierd. Dit verbeeldt

de marteling van Heiligen en Christenen uit den vroegsten tijd; en

zulk een panorama van afgrijselijkheden en slachting zou zich geen

mensch in zijn slaap kunnen voorstellen, al zou hij een geheel en

rauw speenvarken tot avondmaal gebruiken. Mannen met grijze baarden

worden er gekookt, gebraden, geroost, geschroeid, door wilde dieren

verscheurd, door honden vaneengereten, levend begraven, door paarden

vaneengetrokken of met bijlen kleingehakt; aan vrouwen worden de

borsten met ijzeren tangen afgescheurd, de tongen uitgesneden, de

ooren afgedraaid, de kaken gebroken; lichamen, die op de pijnbank

uitgerekt of aan een paal gevild of verpletterd worden, of in het

vuur verteren. Deze behooren tot de minst erge onderwerpen, die

zulk een indruk op u maken en u de ziel doorvlijmen, dat elk lijder

u dezelfde gelegenheid geeft u te verwonderen als toen de arme oude

Ducan verscheen in Macbeth, en de Lady verbaasd stond, dat hij zooveel

bloed in zich had [39].

In de Mamertijnsche gevangenis is eene bovenkamer, boven welke gezegd

wordt--en licht mogelijk dat het aldus was--de kerker van St.-Petrus

te zijn geweest.

Deze kamer is thans ingericht als een bedehuis, aan dien Heiligen

gewijd, en ook die blijft als eene afgescheidene plaats in mijne

herinnering levendig. Zij is zeer klein en laag van verdieping, en het

akelig sombere der verschrikkelijke, harde, oude gevangenis zweeft er

nog over, als ware het er in een dichten nevel door den grond naar

boven gekomen. Onder de massa gelofte-offeranden, welke er aan den

muur hangen, zijn voorwerpen van welke het vreemd is dat zij bewaard

worden en die zonderling afsteken bij de plaats--geroeste dolken,

messen, pistolen, knuppels en verschillende werktuigen van geweld

en moord, welke, pas gebruikt, hier gebracht en opgehangen zijn, om

den beleedigden Hemel te verzoenen, alsof het bloed, hetwelk er nu op

zat, er af zou druipen in gewijde lucht, en geen stem zou hebben tot

schreien. Het is daar alles zóó stil en zóó eng en zóó grafachtig,

en de kerkers er onder zijn zóó donker en zóó verborgen en doodsch en

naakt, dat die kleine donkere plek tot een droom in een droom wordt;

en in het droomgezicht van groote kerken, die langs mij heen kwamen

rollen als eene zee, vormde zij eene kleine golf op zich zelve,

die in geene andere versmolt en met de overige niet voortrolde.

Men wordt angstig als men denkt aan de verbazende groeven, waarin men

uit sommige kerken toegang krijgt, en die de stad ondermijnen. Vele

kerken hebben crypta en onderaardsche kapellen van grooten omvang,

welke in oude tijden badvertrekken waren en geheime kamers van

tempels en wat niet al; maar daarvan spreek ik niet. Onder de kerk van

St. Giovanni en St. Paulo zijn de kaken van eene verschrikkelijke rij

holen in de rots uitgehouwen, en waarvan gezegd wordt, dat ze nog een

uitgang onder het Coliseum hebben--verbazende duistere ruimten van eene

groote uitgebreidheid, half onder de aarde bedolven en onbegaanbaar;

waar de doffe fakkels, in de handen der oppassers zwaaiende, langs

uitgestrekte gangen schemeren van verafgelegen bogen, met rechts

en links vertakkingen van dwarsgangen, als straten in eene stad van

dooden, en het zichtbaar doen worden, hoe de vochtigheid hier langs

de muren sijpelt: drip-drop, drip-drop, en zich gaat vermengen met

de waterpoelen, die hier en daar liggen, en geen straal der zon ooit

gezien hebben of immer zullen zien. Volgens eenige berichten zouden

dit de bewaarplaatsen zijn geweest der wilde dieren, welke voor het

strijdperk waren bestemd; volgens sommigen zouden het de kerkers zijn

geweest voor veroordeelde kampvechters; volgens anderen, beide. Maar de

legende, die den geest het meest verplet, is, dat in de bovenste reeks

(want er zijn twee verdiepingen van deze holen) de eerste Christenen,

die er toe bestemd waren bij de vertooningen in het Coliseum door

de wilde dieren te worden verscheurd, die naar hen hongerende wilde

dieren beneden hoorden brullen, totdat, na den nacht en de eenzaamheid

hunner gevangenschap, zich plotseling de middag en het gewoel van

het kamptooneel, tot aan de borstweringen volgepropt, aan hunne oogen

vertoonde, en zij tevens hunne gevreesde naburen er in zagen springen.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 42 / 48 段