van eene groote menigte andere heeren, die in het zwart waren (er
wordt geen ander paspoort vereischt), en stond er, gedurende de
mis, op mijn gemak. De zangers bevonden zich in een vertrekje van
draadwerk (gelijkende naar eene groote vliegenkast of vogelkooi)
in een der hoeken, en zongen op afgrijselijke wijze. Overal rondom
het vloerkleed was eene menigte volk, dat zich langzaam bewoog, en
met elkander praatte en door kijkglaasjes naar den paus gluurde, en,
in oogenblikken van steelswijze nieuwsgierigheid, de een den ander
afstootte van gevaarlijke plaatsjes op de voetstukken van pilaren,
en de dames op afschuwelijke wijze aangrijnsde. Hier en daar waren
troepjes monniken (Franciskanen of Kapucijnen, in hunne grove,
bruine kleederen en spitse hoeden), welke vreemd afstaken bij de
zwierige geestelijken van hooger rang, en wier nederigheid op het
hoogst voldaan moest zijn over de stooten, die ze rechts en links en
alle aan zijden van schouders en ellebogen ontvingen. Eenigen van hen
droegen bemodderde sandalen en zonneschermen en gevlekte kleederen,
daar zij van het land waren aangekomen.
De gelaatstrekken van het grootste aantal waren zoo grof en plomp als
hunne kleeding; hun grommig, dom en eentonig staren op al den glans
en pracht had iets aan zich, dat half ellendig en half belachelijk was.
Op het groene vloerkleed zelf, en om het altaar geschaard, was een
geheel heir van kardinalen en priesters in het rood, goud, purper,
paars, wit en fijn linnen. Eenige, die van dezen waren afgedwaald,
gingen door het gedrang af en aan, praatten met elkander, stelden
anderen voor, of lieten zich zelven voorstellen en wisselden groeten;
andere ambtenaren in gala-kleeding waren op gelijke wijze bezig. In
het midden van die allen en van gluipende Jezuïeten, welke in- en
uitslopen, en de uiterste rusteloosheid van Engelands jeugd, die
onophoudelijk rondwandelde, zag men eenige weinige deftige personen
in zwarte tabberden, welke, met hun aangezicht tegen den muur
neergeknield, over hunne misboeken gebogen waren en onwillekeurig
eene soort van gevleeschte menschen knippen werden, en met hunne
eigene vrome beenen die van anderen bij dozijnen deden struikelen.
Naast mij op den grond lag een groote hoop kaarsen, welke aan al
de geestelijken met veel ijver werden uitgedeeld, door een zeer
oud man in eene roestige, zwarte kleeding met opengewerkten kraag,
evenals een geknipt papieren zomerversiersel voor een vuurhaard. Elk
kreeg er een. Zij slenterden er eenigen tijd mede rond en hielden ze
onder den arm als een wandelstok, of in hunne handen als een staf van
commando. Op zeker tijdstip der plechtigheid echter bracht een ieder
zijne kaars naar den paus, legde ze dwars op diens knieën om ze te
laten zegenen, nam ze weer weg en trok daarna af. Dit werd, naar gij
kunt vooronderstellen, in een zeer gedunden optocht gedaan en duurde
langen tijd. Niet als werd er veel tijd vereischt om eene kaars door
en door te zegenen, maar omdat er zooveel kaarsen gezegend moesten
worden. Eindelijk waren ze alle gezegend, en werden alle opgestoken;
en toen werd de paus met stoel en al opgenomen en de kerk rondgedragen.
Ik moet bekennen, nooit iets gezien te hebben, dat zoozeer geleek naar
het Engelsche herinneringsfeest van den vijfden November [37]. Een
bos zwavelstokken en eene lantaren zou der gelijkenis de kroon hebben
opgezet. Ook bedierf de paus de gelijkenis volstrekt niet, ofschoon
hij een aangenaam en eerwaardig gelaat had; want daar dit gedeelte
der plechtigheid hem duizelig en misselijk maakt, zoo sluit hij zijne
oogen als ze plaats heeft; en als hij daar nu zoo zijne oogen houdt
gesloten, en een grooten mijter op het hoofd heeft, en zijn hoofd
heen en weer waggelt, naarmate hij onder het dragen geschud wordt,
ziet hij er uit alsof zijn masker op het punt was van af te vallen. De
twee reusachtige waaiers, welke altijd aan weerszijden worden gedragen,
vergezelden hem natuurlijk bij die gelegenheid. Onderwijl hij gedragen
werd, zegende hij het volk met het geheimzinnig teeken; en terwijl
hij voorbijging, knielde het volk neer. Toen hij de kerk rond was
geweest, werd hij weder teruggebracht, en, bedrieg ik mij niet,
dan werd dit in het geheel driemalen gedaan. Voorzeker was er niets
plechtigs of indrukwekkends in, en gewis zeer veel dat snaaksch en
bont was. En deze aanmerking geldt de geheele plechtigheid, behalve
het opheffen der hostie, toen elk man van de garde dadelijk op ééne
knie viel en het bloote zwaard tegen den grond sloeg, dat eene schoone
vertooning maakte.
Den volgenden keer toen ik de hoofdkerk zag, was het twee of drie
weken naderhand. Ik klom toen naar den koepel; en daar men de gordijnen
af- en het vloerkleed opgenomen, maar al het latwerk er gelaten had,
zagen de overblijfselen van die versiersels er uit als een afgestoken
vuurpijl.
Daar Vrijdag en Zaterdag plechtige feestdagen waren geweest,
en de Zondag altijd een dag is welke niet meetelt in de
carnavalsvermakelijkheden, hadden wij met eenig ongeduld en
nieuwsgierigheid naar het begin der volgende week verlangd: dewijl
Maandag en Dinsdag de laatste en beste carnavalsdagen zijn.
Des Maandagnamiddags ten een of twee uur begon er een groot geratel van
rijtuigen op de plaats van het hotel, en liepen al de bedienden heen
en weer. Nu en dan kwam er uit eene deur of op een balkon een of ander
achtergebleven vreemdeling in eene maskerade-kleeding voor den dag, aan
welk gewaad de persoon te weinig gewoon was om er zich met gemak in te
bewegen en de volksmeening te trotseeren. Al de rijtuigen waren open,
terwijl de voering zorgvuldig bedekt was met wit of gedrukt katoen,
om te beletten, dat de zindelijke versiersels er van bedorven wierden
door het aanhoudend werpen van suikergebak. Men zag de menschen in
elk rijtuig, dat op het gezelschap wachtte, aan het daarin pakken
en stoppen van verbazende zakken en manden vol suikergebak, en ook
zulke hoopen bloemen in ruikertjes gebonden, dat sommige rijtuigen
niet slechts vol waren van bloemen, maar er werkelijk van overliepen,
en bij elken schok en dreun van de veeren iets van den overvloed op
den grond wierpen. Om in die wezenlijke bijzonderheden niet achter
te blijven, zorgden wij, twee tamelijk groote zakken suikergoed
(waarvan elk omtrent drie voet hoog was) en eene groote baliemand, met
bloemen gevuld, in alle haast in ons huurrijtuig, te doen plaatsen:
welke schikkingen wij van onze plaats op een van de bovenste balkons
met de levendigste voldoening gadesloegen. Daar de rijtuigen nu hun
gezelschap begonnen in te nemen en weg te rijden, stapten ook wij
in het onze en reden af, terwijl wij ons gelaat bedekten met kleine
maskers van draadwerk; aangezien het suikergoed, evenals Falstaffs
[38] vervalschte kanariewijn, met lijm was vermengd.
De Corso is eene straat van een mijl lang; eene straat van winkels,
paleizen en burgerhuizen, die somtijds uitkomen op een ruim plein. Er
zijn bijna aan elk huis veranda's en balkons, van alle gedaanten en
vormen--alleen op ééne verdieping, maar dikwijls voor een of andere
kamer op iedere verdieping--en, in het algemeen, daar met zoo weinig
orde en regelmaat aangebracht, dat, indien het, jaar op jaar en
jaargetij op jaargetij, balkons geregend, of gehageld, of gesneeuwd,
of gewaaid had, zij ternauwernood op eene meer ongeregelde wijze
konden neergevallen zijn.
Dit is de voornaamste bron en het hoofdbrandpunt van de
carnavalsvreugd. Maar al de straten, waarin men vastenavond houdt,
worden nauwkeurig door dragonders bewaakt en daarom is het voor
rijtuigen noodzakelijk, dadelijk en naar volgorde door een anderen
doortocht te rijden, en zoo op het Corso te komen, nabij het uiteinde
dat het verst is verwijderd van de Piazza del Popolo, die het aan eene
zijde begrenst. Alzoo kwamen wij tusschen de reeks van rijtuigen, en
hotsten gedurende eenigen tijd vrij gerust mede, nu eens zeer langzaam
voortsukkelende, dan weder eenige ellen dravende, en dan weer eens heel
en al ophoudende, naarmate de voorsten meer of minder in het gedrang
waren. Als eenig onstuimig rijtuig uit de reeks snelde en voorwaarts
reed, met het wilde denkbeeld bezield, spoediger vooruit te komen,
werd het plotseling ontmoet, of tegengehouden, door een dragonder,
die, evenals zijn eigen getrokken zwaard, voor alle vertoogen doof,
het onmiddellijk verzelde naar het uiterste eindje der rij, en het in
het verschiet als een klein stipje deed voorkomen. Nu en dan hielden
wij schutgevaarte van confetti met het rijtuig, dat het dichtst voor
of achter ons reed, maar tot nog toe was het veroveren dezer zwervende
en ronddolende rijtuigen door de militairen, het voornaamste vermaak.
Daarop kwamen wij in eene nauwe straat, waar eene reeks van rijtuigen
op-, en eene andere afreed. Hier begonnen het suikergebak en de ruikers
vrij aardig rond te vliegen; en ik was gelukkig genoeg een heer op
te merken, uitgedost als een grieksch krijgsman, en welke een licht
gesnorbaarden roover (die bezig was een ruiker te werpen naar een jonge
dame, welke voor een venster op de eerste verdieping stond) op den neus
raakte, met eene juistheid, die zeer sterk door de aanschouwers werd
toegejuicht. Terwijl deze zegepralende Griek eene koddige aanmerking
maakte tegen een dik heer, die in de deur stond--en half zwart en half
wit was, alsof hij ter halver lijve afgeschilderd was--en die hem met
het volvoeren van zijne heldendaad gelukgewenscht had, ontving hij,
van den top van een huis, een oranje-appel juist op zijn linkeroor
en was zeer verbluft. Voornamelijk daar hij toen overeind stond en
het rijtuig op hetzelfde oogenblik plotseling voortging, zoodat hij
schandelijk waggelde en zich onder zijne eigene bloemen begroef.
Nadat wij omstreeks een kwartier op die wijze waren voortgegaan,
kwamen we op het Corso; en het zou moeielijk zijn, zich iets zóó
vroolijks, zóó schitterends en levendigs voor te stellen, als het
geheele tafereel daar was. Van de tallooze balkons (van de verste
en hoogste even als van de laagste en meest nabij zijnde) fladderden
in het schitterende zonlicht helder roode, groene, blauwe, witte en
gouden gordijnen. Uit vensters, en van borstweringen, en van de toppen
der huizen wapperden vlaggen van de rijkste kleuren, en draperieën
van de vroolijkste en schitterendste tinten in de straten neer. De
huizen schenen letterlijk het binnenste buiten gekeerd en al hunne
vroolijkheid naar de straat gewend te hebben.
Uitstallingen van winkels werden ingenomen en de vensters, evenals
loges in een schitterenden schouwburg, met gezelschap gevuld;
deuren werden uit hare scharnieren gelicht en deden lange gangen
zichtbaar worden, met tapijten versierd en met festoenen van bloemen en
palmtakken behangen. Metselaars-stellages waren in prachtige tempels
veranderd, schitterende van het zilver, goud en scharlaken; en in
iederen hoek, en in elk holletje, van de voetpaden tot aan de toppen
der schoorsteenen waar vrouwenoogen glinsteren konden, daar dansten
en lachten en flonkerden zij, evenals het licht op het water. Iedere
soort van betooverende, malle kleeding was daar aanwezig. Kleine,
gekke, scharlaken buisjes; rare oude rijglijven, ondeugender dan
de netste korsetten; Poolsche jassen, gespannen en nauw om het lijf
sluitend, evenals rijpe kruisbessen; kleine Grieksche mutsjes, die
schuins op het hoofd stonden en, de hemel weet op welke wijze, stevig
op het donkere haar vastzaten. Iedere wilde, rare, stoute, bloode,
korzelige dollemanssmaak werd opgeluisterd door eene kleederdracht;
en iedere smaak was in de vroolijke drukte even spoedig door zijn
vinder vergeten alsof de drie oude waterleidingen, die nog in haar
geheel staan, dienzelfden morgen, over hare sterke bogen, de Lethe
naar Rome hadden gevoerd.
De rijtuigen stonden nu bij drieën naast elkander; op breedere
plaatsen vier; dikwijls moesten zij allen langen tijd stilstaan. Zij
vertoonden zich altijd als een saamgepakten hoop van afwisselende
schittering; en langs de geheele straat, te midden van een regen van
bloemen, deden zij zich voor als bloemen van een grootere soort. Van
sommige waren de paarden met prachtige dekken en tuigen versierd,
bij andere waren zij van den kop tot de pooten met fladderende linten
getooid. Enkele werden gereden door koetsiers met verschrikkelijke
groote, dubbele mommen, waarvan het eene gezicht naar de paarden keek
en het andere zijne buitengewone oogen naar het rijtuig wendde, en
beide kletterend onder den hagel van suikergebak. Andere koetsiers
waren als vrouwen gekleed, met krullen gekapt en zonder mutsen,
en die, wanneer er eenige wezenlijke moeielijkheden met de paarden
plaats hadden (dat bij zulk een samenloop van omstandigheden niets
zeldzaams was,) er nog belachelijker uitzagen dan men verhalen of
beschrijven kan. In stede van op de banken, in de rijtuigen te zitten,
plaatsen zich de schoone Romeinsche vrouwen om beter te kunnen zien
en gezien te worden, in dezen tijd van algemeene teugelloosheid,
voorop, met hare voeten op de kussens--en o! de fladderende rokken en
aardige middeltjes, de gezegende vormen en lachende gezichten, het
vrije, goed geluimde, bevallige figuur dat ze vertoonden! Er waren
ook groote rijtuigen, vol bekoorlijke meisjes--dertig of misschien
meer te zamen,--en de volle lagen, die uit en naar deze branders
vol toovernimfen gevuurd werden, vervulden de lucht gedurenden
tien minuten, met bloemen en bonbons. Rijtuigen vol menschen,
die lang op eene plaats moesten wachten, begonnen een geregelden
aanval tegen andere rijtuigen, insgelijks met volk opgepropt, of
tegen de lieden aan de benedenvensters; en somtijds mengden zich de
toeschouwers, van een hooger gelegen balkon of venster in de grap,
en ledigden, terwijl ze beide partijen aanvielen, groote zakken
confetti, die als eene wolk neerkwamen, en ze, in een oogenblik,
zoo wit maakten als molenaars. Weder volgen rijtuigen op rijtuigen,
kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen
zonder ophouden. Mannen en jongens die zich aan de wielen en achter
aan de rijtuigen vasthouden, en hun spoor volgen, en onder de pooten
der paarden bukken, om de verspreide bloemen op te rapen en ze weer te
verkoopen. Gemaskerden te voet (meestal de grappigsten) in phantastisch
overdreven hofkleedingen, die het gedrang door monsterachtig groote
lorgnetten beschouwen en altijd een aanval van liefde krijgen, op
het gezicht van eene of andere oude dame aan een venster. Geheele
rijen Policinelli, die in de rondte slaan met blazen, aan stokken
vastgehecht; een wagen vol uitgelaten, razende en tierende dollemannen;
een rijtuig vol ernstige mammelukken, benevens hun standaard met
paardestaarten, in het midden; eene partij heidinnetjes, die het
erg te kwaad hadden met een schip vol matrozen. Een man verkleed
als een aap op een kruk, omgeven door vreemdsoortige dieren, met
varkenskoppen en leeuwenstaarten, door hen onder den arm meegesleept
of bevallig op den schouder gedragen. Rijtuigen volgen op rijtuigen,
kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen,
en dat zonder ophouden.
Wanneer men het aantal gemaskerden in aanmerking neemt, dan werden er
misschien niet veel wezenlijke karakters volgehouden of voorgesteld,
maar het hoofdvermaak van het tafereel is in de volkomen goede
luim er van gelegen; in de schitterende, oneindige en flikkerende
verscheidenheid, en dáárin, dat men zich geheel aan de gekke gril
van het oogenblik overgeeft--en zóó geheel en al besmettelijk,
onweerstaanbaar is het, dat de bedaardste vreemdeling, tot aan zijn
middel in bloemen en suikergoed staande, evenals de wildste van al
de Romeinen van zich afslaat, en tot halfvijf uur aan niets denkt,
wanneer hij door het steken der trompet en door de dragonders, die
hij (tot zijne bittere smart) de straten ziet schoonvegen, plotseling
herinnerd wordt, dat hij daarvoor alléén niet op de wereld is.
Hoe de straat ooit schoongeveegd wordt voor den wedren, die ten vijf
uur zal plaats hebben, en hoe de paarden voortrennen, zonder eenige
lieden te vertrappen, is meer dan ik zeggen kan. Maar de rijtuigen
vertrekken door de dwarsstraten, of langs de Piazza del Popolo,
en een aantal menschen zitten in tijdelijk opgeslagen galerijen op
het laatstgenoemde plein, en duizenden staan aan beide zijden er van,
als de paarden op de Piazza gebracht worden, aan den voet van dezelfde
kolom, welke, eeuwen geleden, neerzag op de spelen en wedrennen van
den Circus Maximus.
Op een gegeven teeken vertrekken zij. Zij snellen, als de wind, voorbij
de levende laan op het Corso: zonder berijders, zooals iedereen
weet: met glinsterende versiersels op hunne ruggen en door hunne
gevlochten manen gedraaid: en met kleine zware kogeltjes, vol punten,
aan hunne zijden slingerende, om ze aan te prikkelen. Het gerinkel
der versiersels, en het gekletter hunner hoeven op de harde steenen;
de woede en snelheid van hunne vaart langs de weergalmende straten;
ja, zelfs het kanon dat afgevuurd wordt--al dit geraas is niets bij
het gejoel der menigte, hare kreten, het klappen in de handen. Maar
het is spoedig gedaan--bijna dadelijk. Nog meer kanonschoten doen de
stad dreunen. De paarden zijn door de tapijten gegaan, die over de
straat zijn gespannen om ze tegen te houden; de eindpaal is bereikt;
de prijzen zijn gewonnen (zij worden gedeeltelijk door de arme joden
gegeven, als eene vergoeding, dat zij zelven niet in het renperk
behoeven te loopen), en nu is er een einde aan de pret van den dag.
Maar indien het tafereel op den voorlaatsten dag schitterend en
vroolijk en volgepropt is, bereikt het, den volgenden dag, zulk
een rijkdom van glinsterende kleuren; er is zulk eene krioelende
menigte en dartel rumoer, dat alléén de herinnering er van mij op
het oogenblik nog duizelig maakt. Dezelfde vermaken, grootendeels
verhoogd en versterkt door den ijver, waarmede ze nagejaagd worden,
duren een langen tijd. De wedren vangt weder aan, de kanonnen
worden afgevuurd, de kreten en het handgeklap worden herhaald;
weder hoort men kanonschoten; de wedren is voorbij en de prijzen
zijn gewonnen. Maar de rijtuigen, van binnen gevuld met suikergoed,
zijn van buiten zoo bepoeierd en stoffig, dat men ze ternauwernood
voor dezelfde voertuigen herkennen kan van drie uren vroeger. In
plaats van zich in alle richtingen te verspreiden, verzamelen zij
zich op het Corso, waar zij spoedig in elkander geklemd worden,
als eene zich ternauwernood bewegende massa. Want het vermaak met
de Moccoletti, de laatste vroolijke dolheid van den vastenavond, zal
nu plaats grijpen; en verkoopers van kleine waskaarsen, evenals die,
welke in Engeland kerstmiskaarsjes genoemd worden, schreeuwen lustig
aan beide zijden van den weg: "Moccoli, Moccoli! Ecco Moccoli (ziehier
waskaarsjes)!" een nieuwe kreet in het rumoer, die den anderen kreet,
welke men reeds bij tusschenpoozen den ganschen dag boven alle andere
heeft gehoord, den kreet namelijk van: "Ecco Fiori! Ecco Fior-r-r-i
(ziehier bloemen)!" geheel en al overschreeuwt.
Wanneer de schitterende behangsels en kleedingen tegen het vallen van
den avond eene nare, zwaarmoedige, algemeene tint aannemen, beginnen
hier en ginds lichten te flikkeren: voor de ramen, op de toppen der
huizen, op de balkons, in de rijtuigen, in de handen van voetgangers:
langzamerhand; trapsgewijs; al meer en meer; totdat de gansche, lange
straat ééne glansrijke en schitterende vlam is. Dan zoekt iedereen,
daarbij tegenwoordig, maar één doel te bereiken, namelijk, de kaarsjes
van andere lieden uit te dooven, en zijn eigen brandend te houden;
en iedereen, man, vrouw of kind, heer of dame, vorst of landman,
ingeboren of vreemdeling, gilt en schreeuwt en joelt zonder ophouden,
om den overwonnene te bespotten: "Senza Moccolo, Senza Moccolo (zonder
kaarsje)!" totdat men niets meer verneemt dan een reusachtig koor,
dat deze beide woorden herhaalt, met een schaterend gelach vermengd.
Op dien tijd is het tafereel een der buitengewoonste dat men zich
verbeelden kan. Rijtuigen, die langzaam voortrijden, terwijl iedereen
op de zitplaatsen of voor op den bok staat, en zijn kaarsje, tot
meerdere zekerheid, op armslengte van zich af houdt; sommigen in een
papier als een peperhuisje: anderen met een hoop onbeveiligde kaarsjes,
allen brandende; eenigen met brandende fakkels; anderen met kleine
dunne kaarsjes; voetgangers, die tusschen de wielen doorkruipen om
hunne kans af te wachten en naar een bijzonder licht te springen en
het uit te slaan; anderen tegen de rijtuigen opklimmende, om zich met
geweld van de lichtjes meester te maken. Eenigen jagen een ongelukkigen
voetganger om zijn eigen rijtuig heen, ten einde het licht, dat hij
ergens gekregen of gestolen heeft, uit te blazen, vóórdat deze bij
zijn gezelschap, in het rijtuig stapt, en het in staat kan stellen
hunne uitgeblazen kaarsjes te ontsteken. Weder anderen, die, met den
hoed in de hand, aan het portier van een rijtuig staan en nederig eene
of andere goedhartige dame een vlammetje verzoeken, om eene sigaar
op te steken; en wanneer zij nog in twijfel staat of ze het doen zal
of niet, deze de kaars uitblaast, welke zij met zooveel teederheid
in haar handje gevat hield; andere lieden aan het venster, die met
lijnen en hoeken naar kaarsjes visschen, of lange wilgen-teenen,
aan welker einde zakdoeken gebonden zijn, naar beneden houden, en
de kaarsjes behendig uitslaan, wanneer de eigenaar er trotsch op is
dat ze nog branden; anderen, die hun slag waarnemen, op hoeken van
straten, met verschrikkelijk groote dompers evenals hellebaarden,
en die plotseling op vlammende fakkels nedervallen; weder anderen,
die om eene koets staan en daar blijven staan; anderen, die eene kleine
koppige lantaren onder een regen van oranjeappelen en ruikers pogen te
bedelven, of in geregelden aanval eene piramide van menschen bestormen,
die een man in de hoogte beuren, welke een klein, dun kaarsje boven
zijn hoofd houdt, waarmede hij ze allen tart! Senza Moccolo! Senza
Moccolo! Schoone vrouwen, die in de rijtuigen staan, en spottend naar
uitgedoofde lichten wijzen en onder het voorbijrijden in hare handen
klappen, en uitroepen: "Senza Moccolo! Senza Moccolo!" Lage balkons vol
lieve gezichtjes en bevallige kleedingen, strijdende tegen aanvallers
op straat. Eenige houden ze terug als zij er tegen opklimmen, eenige
die zich naar omlaag buigen, eenige die overleunen en eenige die
achteruitspringen--keurig gevormde armen en borstbeelden--figuren vol
bevalligheid--brandende lichten, fladderende kleederen. Senza Moccolo,
Senza Moccolo, Senza Mo-cco-loo-o-o-o!--totdat, in de allergrootste
geestdrift van het geschreeuw en de dolste verrukking van de pret,
de klokken het Ave-Maria luiden en de vastenavond terstond is
geëindigd--als eene waskaars uitgeblazen, met één ademtocht.
Des avonds was er een gemaskerd bal in den schouwburg, even naar
en vervelend als een te Londen, en alléén opmerkelijk wegens de
bondige wijze, waarmede de zaal ten elf uur ontruimd werd; hetwelk
geschiedde door eene rij soldaten, die zich op den achtergrond van
het tooneel tegen den muur schaarde, en, evenals een groote bezem,
het geheele gezelschap voor zich uitdreef. De pret met de Moccoletti
(in het enkelvoud is het Moccoletto, dat eene verkleining van Moccolo
is, en eene kleine lamp of kaars beteekent) wordt door sommigen
voorondersteld eene belachelijke rouw plechtigheid te zijn voor de
overlijdende vastenavondvreugd--daar kaarsen bij een katholieken rouw
onmisbaar zijn.
Maar of het zoo is, dan of het een overblijfsel der oude Saturnalia
zij, of eene samenstelling van beide, of zijn oorsprong aan iets
anders te danken hebbe--altijd zal ik mij de pret herinneren als een
allerschitterendst en bekoorlijkst gezicht; niet minder opmerkelijk
wegens de goede luim van allen, die er bij tegenwoordig waren, zelfs
tot de heffe des volks (en onder degenen, welke op de rijtuigen
klommen, waren onderscheidene mannen en jongens van de gemeenste
klasse), als om zijne onschuldige levendigheid. Want, hoe vreemd
het ook moge klinken, voor een spel, zóó vol gedachteloosheid en
waardoor de persoonlijke bevalligheden zoozeer aan den dag worden
gelegd, is het zoo vrij van eenige smet van onzedelijkheid als eenige
algemeene vergadering der beide geslachten met mogelijkheid zijn kan;
en terwijl het aan den gang is, schijnt er in het algemeen een gevoel
van bijna kinderlijke eenvoudigheid en vertrouwen te bestaan, dat men
zich met smart herinnert, als het Ave-Maria het voor een geheel jaar
heeft uitgeluid.