Wij keerden naar Pisa terug en huurden een goed geluimd Vetturino

en zijne vier paarden, om ons naar Rome te brengen. Wij trokken door

bevallige Toskaansche dorpen en hadden den geheelen dag een vroolijk

uitzicht. De kruisen aan den weg zijn in dit gedeelte van Italië

talrijk en zonderling. Zelden is er een beeld aan het kruis, doch

soms een aangezicht; maar zij zijn opmerkelijk wegens de kleine houten

modellen waarmede zij versierd zijn, van ieder mogelijk voorwerp dat

betrekking heeft op den dood van den Zaligmaker. De haan, die kraaide

toen Petrus zijn Meester driemaal verloochend had, is gewoonlijk

bovenop geplaatst, en een wonder onder de vogelen. Beneden dezen is

het opschrift (I. N. R. I.). Dan hangen aan het dwarshout: de speer,

het riet, met de spons vol azijn en water aan het einde vastgehecht,

de rok zonder naad waarom de krijgslieden dobbelden, de beker waarmee

zij de dobbelsteenen wierpen, de hamer die de ijzeren nagels indreef,

de nijptang die ze er uithaalde, de ladder welke tegen het kruis was

gezet, de doornenkroon, de geeselroeden, de lantaren, waarmede Maria

naar den grafkelder ging (ten minste zoo denk ik), en het zwaard,

waarmede Petrus den dienaar van den hoogepriester versloeg--een

volmaakte poppenwinkel van kleine voorwerpen, welke iedere vier of

vijf mijlen langs den geheelen straatweg herhaald wordt.

Op den avond van den tweeden dag nadat wij Pisa verlaten hadden,

bereikten wij de fraaie, oude stad Siëna. Er was, wat zij een

Carnavalsvreugd noemen, aan den gang; maar daar het geheim bij een

paar hoopjes volk berustte, die er zeer droefgeestig uitzagen, de

voornaamste straten, met grof beschilderde momaangezichten, op en neder

liepen en, indien het mogelijk ware, nog treuriger zagen dan hetzelfde

slag van volk in Engeland, zoo zal ik er niets meer van zeggen. Wij

gingen den volgenden morgen vroegtijdig de hoofdkerk bezichtigen,

die, zoowel van binnen als van buiten, er hoogst schilderachtig

uitziet, voornamelijk aan de buitenzijde--benevens het marktplein

of de groote Piazza, dat vrij ruim is, en waarop eene groote fontein

staat met eene gebroken voorzijde, eenige vreemdsoortige, gothische

huizen, en een hoogen vierkanten, tichelsteenen toren, aan welks

buitenzijde--een vreemd verschijnsel bij dergelijke gezichten in

Italië, eene vervaarlijk groote klok hangt. De stad gelijkt wel iets

naar Venetië, zonder het water.

Er zijn eenige bezienswaardige, oude paleizen in de stad, die zeer

oud is, en die, zonder mij de belangstelling van Verona en Genua in

te boezemen, zeer droomerig en phantastisch en allerbelangwekkendst is.

Zoodra wij deze zaken gezien hadden, reden wij verder, door eene vrij

schrale landstreek (daar waren tot nu toe niets dan wijngaarden,

die om dezen tijd van het jaar veel naar wandelstokken geleken) en

hielden, als gewoonlijk, tusschen een en twee uren op het midden van

den dag stil, om de paarden te laten rusten--daar iedere Vetturino

zulks te voren bedingt. Daarna reden wij verder, door eene streek,

die trapsgewijs schraler en woester en eindelijk zoo bar en akelig

werd als de Schotsche moerassen. Toen het duister was geworden,

hielden wij op aan de osteria (herberg) van La Scala, een geheel

eenzaam huis, waar het huisgezin om een vuur zat, dat in de keuken

op een steenen verhevenheid, drie of vier voet boven den grond,

aangelegd was, en dat groot genoeg was om er een os voor te braden.

Op de bovenste en ook de eenige verdieping van dit logement was eene

groote zaal, die er woest uitzag, met een klein venstertje in een

hoek, en vier zwarte deuren, die in verschillende richtingen toegang

verleenden naar vier donkere slaapkamers. Om nog niet eens te spreken

van eene andere groote, zwarte deur die toegang verleende naar eene

andere groote, donkere zaal, waar men, door een soort van luik in den

vloer, dadelijk op eene trap kwam en waar de daksparren boven uw hoofd

zichtbaar waren; noch van een kleinen hoop argwaanwekkende lieden,

die zich in een donkeren hoek van de kamer verborgen, in welke al de

messen van het huis in verschillende richtingen verspreid lagen. De

haard was van de zuiverste Italiaansche bouworde, zoodat het, door

den rook, volslagen onmogelijk was dien te kunnen onderscheiden. De

herbergierster geleek naar de vrouw van een roover uit een drama,

en droeg hetzelfde hoofddeksel. De honden blaften alsof ze dol waren;

de echo's weerkaatsten die wellevendheden. Daar was geen ander huis,

twaalf mijlen in het rond, en de zaken hadden een treurig voorkomen,

of liever dat van een moordhol.

Dit verbeterde niet, toen ons geruchten van roovers ter oore kwamen,

die, weinige nachten geleden, sterk in aantal en stoutmoedig

ronddoolden, en den postwagen in de nabijheid dezer plaats hadden

aangehouden. Het was bekend dat zij, nog niet lang geleden, eenige

reizigers op den berg Vesuvius zelven overvallen hadden, en men sprak

van hen in al de herbergen, aan den weg gelegen. Daar wij er evenwel

niets mede te maken hadden (omdat wij weinig verliezen konden), zoo

lachten wij er mede, en waren spoedig zoozeer op ons gemak als noodig

was. Wij namen het gewone middagmaal in dit eenzame huis; en wanneer

men er zich aan heeft gewend, is het een zeer goed middagmaal. Er

wordt iets opgebracht met groenten of rijst er in, dat eene soort

van vergoeding is van een willekeurigen aard voor soep, en dat vrij

wel smaakt als ge het gekruid hebt met veel geraspte kaas, rijkelijk

zout en overvloedig peper. Er is een halve vogel, waarvan de soep is

gekookt geworden. Er is eene gestoofde duif, waaromheen de maag en

de lever van haar zelve en die van andere vogels liggen. Er is een

stukje gebraden vleesch, zoo groot als een klein Fransch broodje. Er

is een stukje Parmezaansche kaas, en vijf kleine, verkleurde appelen,

alles door elkander op een kleinen schotel gehoopt, en tegen elkander

aangedrukt, alsof ze beproefden de kans te ontkomen van opgegeten te

worden. Dan is er koffie, en een bed. Gij maalt niet om een steenen

vloer; gij maalt niet om onsluitbare deuren of open- en dichtslaande

vensters; gij maalt er niet om of uwe eigen paarden onder het bed

gestald en zoo dicht bij u zijn, dat ge iederen keer wakker wordt,

als er een paard hoest of niest. Als gij goed geluimd zijt tegen de

menschen in uwe nabijheid, en aardig spreekt, en er vroolijk uitziet,

geloof mij vrij, dan kunt ge, zelfs in de ergste Italiaansche herberg,

wel onthaald worden, en altijd op de verplichtendste wijze;--en van

het eene eind van de landstreek naar het andere gaan (in weerwil

van alle vertelseltjes, die het tegendeel verhalen) zonder dat uw

geduld ergens geducht op de proef zal gesteld worden. Voornamelijk

niet indien gij zulken wijn in mat-flesschen krijgt, als de Orvieto

of de Monte Pulciano.

Het was een gure ochtend toen wij deze plaats verlieten; en wij

trokken, gedurende twaalf mijlen, door eene streek, even bar, even

steenachtig en even woest als Cornwallis is in Engeland, totdat wij

Radicofani bereikten, waar eene spookachtige geestenherberg is, vroeger

een jachtslot, toebehoord hebbende aan de hertogen van Toskane. Het

is zóó vol van slingergangen en groote kamers, dat al de spook- en

moord verhalen, die ooit geschreven zijn, in dit huis hun oorsprong

kunnen gehad hebben. Daar zijn eenige verbazend oude paleizen in Genua;

één voornamelijk, dat er van buiten veel naar gelijkt; maar dit huis

te Radicofani is zulk een winderig, krakend wormstekig, rammelend

verblijf, waarvan de deur gedurig open- en dichtslaat, en waar men

geen voet op de trappen kan zetten zonder uit te glijden, als ik

nooit ergens anders gezien heb. De stad, zooals ze dan is, ligt langs

de helling van een heuvel boven het huis, en er vlak tegenover. De

inwoners zijn allen bedelaars; en zoodra zij een rijtuig zien aankomen,

gieren ze naar omlaag en er op aan, als zoovele roofvogels.

Toen wij de bergengte bereikt hadden, die aan gene zijde der stad

ligt, begon de wind (gelijk zij ons in de herberg gewaarschuwd hadden)

zoo hevig op steken, dat wij verplicht waren mijne wederhelft uit het

rijtuig te halen, om haar niet met rijtuig en al te laten omverwaaien,

en ons aan den kant, van waar de wind kwam, er aan vast te klemmen

(zoo goed als wij van 't lachen konden), om het rijtuig te verhinderen

weggevoerd te worden, de Hemel weet waarheen. Wat de kracht van

den wind betreft, zoo zou die landorkaan kunnen wedijveren met eene

windvlaag in den Atlantischen Oceaan en eene redelijke kans hebben

om de zege te behalen. De rukwind kwam aanzetten, gierende door

de breede kloven, tusschen de rij bergen ter rechterzijde; zoodat

wij met wezenlijken angst naar een groot moeras, ter linkerzijde,

staarden, en zagen dat er geen heester of takje was om er ons aan

vast te houden. Het scheen alsof wij, eenmaal door een wind opgenomen,

naar zee of in de ruimten moesten gedreven worden.

Het sneeuwde en hagelde en regende en bliksemde en donderde,

en er heerschte eene neveljacht, die met ongeloofelijke snelheid

voortdreef. Het was uiterst donker en akelig; er waren bergen boven

bergen, in sombere wolken gehuld; en er was overal zulk eene vinnige,

jagende, hevige, woelige haast, dat het tooneel er onuitsprekelijk

opwekkend en grootsch door werd.

Desniettemin was het eene groote verlichting, toen wij het achter

den rug hadden, zelfs nu wij het nare, morsige Kerkelijk Gebied

moesten overtrekken. Wij kwamen door twee stadjes; in een van welke,

Acquapendente, juist een carnavalsfeest gevierd werd, bestaande in een

man, gekleed en gemaskerd als eene vrouw, en eene vrouw, gekleed en

gemaskerd als een man, die op droefgeestige wijze tot over de enkels in

het straatslijk liepen. Daarna kwamen wij tegen donker in het gezicht

van het meer van Bolsena, op welks oever eene stad van denzelfden naam

ligt, die beroemd is om hare moeraskoorts. Buiten die armoedige stad

is er op de oevers van het meer of in de nabijheid er van geen enkel

stulpje (want niemand waagt het er te slapen), noch eene boot op het

water, noch een stronk of struik om de akelige eentonigheid van zeven

en twintig waterige mijlen te breken. Wij kwamen laat aan, daar de

wegen door de sterke regens slecht waren geworden; en toen het donker

werd, was het tooneel zóó akelig, dat het volstrekt niet te dulden was.

Den volgenden avond kwamen wij met zonsondergang op een geheel ander

en nog schooner tooneel van verwoesting. Wij waren Montefiascone

(beroemd om zijn wijn) en Viterbo (om zijne fonteinen) doorgetrokken,

en nadat wij een heuvel, van acht of tien mijlen uitgestrektheid

hadden beklommen, kwamen wij plotseling aan den zoom van een eenzaam

meer. In een gedeelte was het zeer schoon met een welig bosch, en in

een ander zeer onvruchtbaar, en ingesloten door zwarte vulkanische

heuvels. Waar zich nu het meer bevindt was voorheen eene stad,

welke op zekeren dag werd verzwolgen; en in plaats er van kwam er

dit water. Er bestaan oude overleveringen (welke men in onderscheiden

streken der wereld vindt), dat men de verdronken stad kon zien, als

het water helder was; doch hoezeer de mogelijkheid er van bestaat,

van deze plek gronds is zij verdwenen. De grond kwam daar opborrelen

tegelijk met het water, en daar staan ze nu als geesten, achter wie

de andere wereld zich heeft gesloten, en die geen middel hebben om

er terug te keeren. Zij schenen op de naastvolgende aardbevingen,

in den loop der eeuwen, te wachten, wanneer zij weder in den grond

zouden duiken, zoodra die zijne kaken opsparde, en niet weer gezien

zullen worden. De ongelukkige stad daaronder is niet meer verloren

en treurig dan deze verschroeide heuvels en het stilstaande water er

boven. De roode zon zag er vreemd op neer, als ware het deze bewust,

dat zij voor holen en duisternis waren gemaakt, en het landziekige

water kabbelde en kletste over het slijk, en kroop traag tusschen het

moerassige gras en riet, alsof het verzwelgen van al de oude torens en

nokken van huizen, en de dood van al het vroegere volk daar geboren,

thans zwaar zijn geweten drukte.

Een kleine rit bracht ons van dit meer naar Ronciglione; eene kleine

stad, die naar een groot varkenskot geleek, waar wij den nacht

doorbrachten. Den volgenden dag ten zeven uur reisden wij naar Rome af.

Dadelijk nadat we 't varkenskot hadden verlaten, kwamen wij in de

Campagna Komana (eene golvende vlakte, naar gij weet), waar weinige

menschen kunnen leven; en waar, mijlen en mijlen ver, niets is dat

de schrikbarende eentonigheid en naargeestigheid afwisselt. Van alle

soort van omstreken, welke bij eenige mogelijkheid buiten de poorten

van Rome kunnen liggen, is deze de meest gepaste en geschiktste

begraafplaats voor de Doode Stad, zoo somber, zoo doodsch; zoo geheim

in het overdekken en verbergen van groote massa's puinhoopen; zoo

geheel gelijk aan de woeste plaatsen in welke de menschen, door duivels

bezeten, in de oude dagen van Jeruzalem gewoonlijk hun akelig gehuil

gingen maken en zich verscheuren. Wij moesten dertig mijlen van die

Campagna doortrekken; en gedurende twee en twintig van deze, gingen wij

voort en voort, zonder iets te zien dan nu en dan een afgezonderd huis,

of een herder met een schurkachtig voorkomen, met gevlochten haren,

die hem over het geheele gezicht hingen, en hij zelf tot aan de kin in

een smerigen bruinen mantel gewikkeld, zijne schapen weidende. Toen wij

dien afstand hadden afgelegd, hielden wij stil om de paarden te voeren

en een twaalf-uurtje te gebruiken in eene gemeene, afschrikkende,

kleine herberg, die er uitzag als ware zij door de moeraskoorts

aangetast; waarvan elke plek van muur en balk er binnen (als naar

gewoonte) op zulk eene ellendige wijze beschilderd en versierd was,

dat elk vertrek er uitzag als ware het de buitenzijde eener andere

kamer, en, met zijne ellendige nabootsing van draperieën en de kleine,

hoekige, gekladde liertjes, het voorkomen had alsof men daartoe het

tooneel van een reizenden paardrijderstroep had uitgeplunderd.

Toen wij weder weggereden waren, begonnen wij met volslagen

koortsachtige inspanning naar Rome uit te zien; en toen, nog een paar

mijlen verder, de Eeuwige Stad eindelijk in het verschiet voor ons

gezicht oprees, geleek zij--ik ben half en half bevreesd het woord

terneder te schrijven--op Londen!!! Daar lag zij onder eene dikke

wolk, met tallooze torens en torenspitsen en daken van huizen ten

hemel stijgende; en boven dat alles stak een koepeldak uit. Ik geef

de verzekering, dat, hoe sterk ik ook de blijkbare ongerijmdheid der

vergelijking gevoelde, zij op een afstand zoozeer op Londen geleek,

dat, had ge haar mij door een kijkglas getoond, ik haar voor niets

anders zou hebben gehouden.

ROME.

Wij reden op den dertienden Januari, omstreeks vier uur in den

achtermiddag, door de Porta del Popolo, de Eeuwige Stad binnen, en

kwamen onmiddellijk--het was een donkere, modderige dag, en het had

hevig geregend--aan de uiterste grenzen van de vastenavondvreugd. Wij

wisten toen nog niet, dat wij alleen het uitschot der gemaskerden

zagen, die langzaam de Piazza rondreden, totdat zij eene goede

gelegenheid konden vinden om tusschen de massa rijtuigen en ter goeder

tijd in het midden van de vreugd te geraken. Maar wij voor ons, zoo

plotseling er tusschen te komen, bestoven en vermoeid door de reis,

waren niet goed voorbereid om het tooneel te genieten.

Wij waren twee of drie mijlen te voren over den Tiber getrokken, bij

de Ponte Molle. Hij zag er zoo geel uit als hij behoorde te zien, en

beloofde, terwijl hij tusschen zijne oude en modderige oevers stroomde,

een gezicht van verval en verwoesting. De vermommingen aan het einde

der vastenavondvreugd weerspraken deze belofte. Daar waren geene groote

bouwvallen, geene statige teekens der oudheid, te zien;--zij liggen

allen aan de andere zijde der stad. Daar schenen lange straten met

gewone huizen en winkels te zijn, zooals in iedere andere Europeesche

stad kunnen gevonden worden; er was bezig volk, rijtuigen, gewone

wandelaars en eene menigte kakelende vreemdelingen. Het was evenmin

mijn Rome (het Rome van iemands verbeelding, hetzij man of jongen:

ontaard en vervallen en sluimerende in de zon te midden van eenige

puinhoopen), als de Place de la Concorde te Parijs er op gelijkt. Een

bewolkte hemel, een akelige, koude regen en morsige straten, alles had

ik verwacht, maar niet dit; en ik beken, dat ik mij dien avond naar

bed begaf in een vrij ontstemd humeur en met eene vrij aanmerkelijk

verminderde geestdrift.

Zoodra wij den volgenden dag uitgingen, snelden wij naar de

St.-Pieterskerk. Zij deed zich in de verte verschrikkelijk groot voor;

maar toen wij er naderbij kwamen, zag zij er vergelijkenderwijze, vrij

klein uit. Niets kan de schoonheid van het plein, waarop zij staat,

met zijne rijen keurige kolommen en zijne spuitende fonteinen--zoo

frisch, zoo ruim, en vrij, en schoon--te boven gaan. Het eerste gezicht

op het inwendige, met al die uitvoerige majesteit en glorie, en het

allermeest het opzien naar den koepel, verwekt een gevoel dat nimmer te

vergeten is. Maar, er waren toebereidselen voor een Festa gemaakt. De

pilaren van trotsch marmer werden met eenige uitstekend roode en

gele lappen omwikkeld; het altaar en de ingang tot de onderaardsche

kapel (die er voor is, in het midden der kerk) waren gelijk aan een

goudsmidswinkel of een der eerste tooneelen van een zeer schitterende

pantomime. En hoewel ik (naar ik hoop) de schoonheid van het gebouw zoo

diep mogelijk gevoelde, werd ik niet sterk getroffen. Ik ben oneindig

sterker aangedaan geworden in vele Engelsche hoofdkerken, wanneer het

orgel speelde, of in menige Engelsche dorpskerk, als de gemeente aan

het zingen was. In de hoofdkerk van St. Marcus te Venetië had ik eene

veel sterker gewaarwording van geheimzinnigheid en verwondering.

Toen wij weder buiten de kerk kwamen (wij stonden omtrent een uur

te staren naar den koepel, en zouden de hoofdkerk toen voor geen

prijs ter wereld hebben voorbijgegaan), zeiden wij tot den voerman:

"naar het Coliseum." Binnen een kwartier hield hij stil voor de poort

en wij gingen er binnen.

Het is geene verbeelding, maar klare, droge, eerlijke waarheid,

als ik zeg, dat het op dit uur zoo duidelijk is en u zoo bezielt,

dat, wie het ook begeert,--door er binnen te treden--gedurende een

oogenblik, het geheele groote beeld zich voor den geest kan halen,

zooals dit er vroeger uitzag, met duizenden van vinnige aangezichten,

die in het strijdperk neerzagen, benevens een maalstroom van gevechten,

en bloed en stof, welken geen taal vermag te beschrijven.

De eenzaamheid, sombere schoonheid en volslagen verwoesting er van

vallen den vreemdeling in het volgende oogenblik op het hart als

eene gelenigde smart; en wellicht zal hij nooit in zijn leven zich

derwijze bewogen en getroffen gevoelen door een gezicht, hetwelk niet

onmiddellijk in verband staat met zijne eigen genegenheid of verdriet.

Het daar te zien, hoe het elk jaar een ziertje afkruimelt; zijn muren

en bogen met groenende kruiden begroeid; zijne portalen voor den dag

geopend; het lange gras in zijne portieken groeiende; jonge boompjes,

die opschieten uit zijne gehavende borstweringen en vruchten dragen, en

een toevallig voortbrengsel zijn van de zaden, die er de vogels hebben

laten vallen, welke hunne nesten hebben gebouwd in zijne scheuren

en spleten; zijne kampruimte met aarde gevuld en het vreedzame kruis

in het midden geplaatst te zien; naar de bovenverblijven te klimmen

en van daar neder te zien op puinhoopen, niets dan puinhoopen en

puinhoopen overal; de zegebogen van Constantijn, Septimus Severus en

Titus; het Romeinsche Forum, het paleis der Cesars; de tempels van

den ouden godsdienst, ingestort en verdwenen: dit alles is het zien

van den geest van oud Rome, de snoode, wonderbaarlijke, oude stad,

op denzelfden grond spokende waarop zijne bevolking trad. Het is het

indrukwekkendste, statigste, luisterrijkste en treurigste gezicht,

waarvan men zich een denkbeeld kan vormen. Nooit kan het gezicht

van het reusachtig Coliseum in den bloedigsten bloei er van, en toen

het vol en overvol was van het wakkerste leven, het hart zóó bewogen

hebben als het allen moet treffen, die er thans op neerzien, nu het

een puinhoop is. God zij geloofd, een puinhoop!

Evenals het uitsteekt boven de andere bouwvallen, en er staat als een

berg tusschen graven, zoo heeft zijn vroegere invloed al de andere

overblijfselen van de oude godenleer en oude slachtwoede van Rome,

in Rome's trotsche en wreede bevolking overleefd. De Italiaansche

gelaatstrekken veranderen naarmate de vreemdeling de stad nadert;

de schoonheid er van wordt duivelsch en onder het gemeene volk op

straat is er onder de honderd aangezichten nauwelijks één, dat zich

morgen in een hernieuwd Coliseum niet thuis zou gevoelen.

Hier was eindelijk Rome inderdaad; en zulk een Rome als niemand zich

in de volle en ontzaglijkste grootschheid er van zou kunnen voor

den geest brengen! Wij gingen langs den Appiaanschen Weg er uit, en

trokken mijlen ver voort, tusschen graven die in puinhoopen lagen en

vernielde muren, met hier en daar een vervallen en onbewoond huis. Wij

kwamen voorbij den Circus van Romulus, waar de renplaats der wagens,

de plaatsen der rechters, der mededingers en toeschouwers nog even

duidelijk zijn te zien als in ouden tijd. Wij kwamen voorbij het

graf van Cecilia Metella--en elke omheining, heg, of stuk muur,

of schutting--naar de open Campagna, waar, aan deze zijde van Rome,

niets is te zien dan puinhoopen. Uitgezonderd dáár, waar de afgelegen

Apennijnen het uitzicht ter linkerzijde bepalen, is het geheele, ruime

verschiet één onafgebroken veld van ruïnen. Gebroken waterleidingen,

waarvan de schilderachtigste partijen van bogen zijn overgebleven;

gebroken tempels; gebroken graven. Eene woestenij van ruïnen, wier

somberheid en verwoesting geene uitdrukking vermag af te schilderen,

en waarvan elke steen, die er op den grond verspreid ligt, eene

geschiedenis verhaalt.

Op Zondag nam de paus deel aan het bedienen der hoogmis in

de St.-Pieterskerk. De indruk, door de hoofdkerk bij dat tweede

bezoek op mijn geest gemaakt, was volkomen gelijk aan den eersten,

en aan wat die is gebleven nadat ik ze veel malen had bezocht. Zij

maakt geen godsdienstig effect. Het is een verbazend groot gebouw,

waarin geen enkel punt is waarop het oog kan rusten, dat vermoeid

wordt van het aanhoudend omdwalen. De ware bestemming der plaats is

niet uitgedrukt in iets van hetgeen gij er ziet, tenzij ge het in

de bijzonderheden onderzoekt--en alle onderzoek van détails is niet

overeenkomstig met de plaats zelve.

Zij kan een Pantheon, of een Senaathuis, of een groot architectonisch

zegeteeken wezen, dat geen ander doel heeft, dan een triomf der

bouwkunst. Wel is waar, er is onder een rood verhemelte, een zwart

standbeeld van St. Pieter, dat meer dan levensgroot is, en welks groote

teen aanhoudend wordt gekust door goede Katholieken. Dit nu moet u

wel in de oogen vallen, daar het zoozeer vooruitspringt en populair

is. Maar het verhoogt den indruk der kerk, als kunstgewrocht, niet,

en drukt--voor mij althans--hare verheven bestemming niet uit.

Eene breede ruimte achter het altaar was voorzien van loges, in

vorm gelijk aan die van de Italiaansche opera te Londen, maar wat

de versiering aangaat, veel zwieriger. In het midden van die soort

tooneelzaal, aldus afgeperkt, was eene zitplaats met verhemelte, waar

's pausen zetel stond. Het plaveisel was bedekt met een helder groen

vloerkleed, hetwelk met dat groen, en met het onverdraaglijke rood

en karmozijn en de gouden randen der behangsels, een geheel vormde,

dat er uitzag als een verbazend groot bonbon. Op elke zijde van het

altaar was eene groote loge voor vreemde dames in zwarte kleederen

en zwarte sluiers. De heeren van de pauselijke lijfwacht, met roode

rokken, leeren broeken, en rij-stevels, bewaarden die afgesloten

ruimte met getrokken zwaarden, die in elk opzicht tot sieraad dienden;

en van het altaar langs het geheele schip was er een breede doorgang

afgezet, door de Zwitsersche garde van den paus, die een wonderlijk

gestreepten rok droegen en gestreepte spanbroeken, en hellebaarden,

gelijk aan dezulke, welke gewoonlijk rusten op de schouders van

zoodanige tooneelmatige bijvoegsels, die nooit snel genoeg van het

tooneel kunnen gaan, en die men gewoonlijk kan zien slenteren in het

vijandelijke legerkamp, zoo eenige stuip der natuur het open veld,

door de andere partij bezet, in het midden doorspleet.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 40 / 48 段