Of hoe tusschen Parijs en Marseille terwijl de sneeuw er zeer hoog

lag, dooi inviel, en dat de mail, de volgende driehonderd mijlen

of daaromtrent, meer waadde dan reed; hoe er, des Zondagsavonds, de

veeren van braken, en zij hare twee passagiers uitzette, opdat deze

zich, middelerwijl zij hersteld werd, konden verwarmen en ververschen

in ellendige biljartkamers, waar een harig gezelschap om de kachel

vergaârd zat en kaart speelde; welke kaarten zeer veel naar hen zelven

geleken, daar ze uiterst slap en morsig waren.

Of hoe wij te Marseille werden opgehouden door stormweer, en

stoombooten aankondigden dat ze zouden vertrekken, en het toch niet

deden; of hoe de goede stoompakket Charlemagne (Karel de Groote)

eindelijk uitvoer en zulk weer trof, dat ze nu eens dreigde binnen

te loopen in Toulon, en dan eens in Nizza, doch, doordat de wind ging

liggen, geen van beide deed, maar in plaats er van, de haven van Genua

binnenliep, waar mij de bekenden klokken zoet in de ooren klonken. Of

hoe er een reisgezelschap aan boord was, waarvan een lid zeer ziek

lag in het vertrekje dat naast het mijne was, en, door zijne ziekte

korzelig geworden, weigerde het woordenboek te geven, dat hij onder

zijne peluw bewaarde, en daardoor zijn reisgezelschap noodzaakte

elk oogenblik bij hem naar beneden te komen, om te vragen, hoe men

een klontje suiker, een glas brandewijn en water--hoe laat is het,

enz. in het Italiaansch zeide; hetwelk hij altijd met zijne eigene,

zieke oogen wilde opzoeken daar hij weigerde het boek aan eenige

levende ziel toe te vertrouwen.

Evenals Grumio, had ik u dit en nog iets meer kunnen vertellen--maar

het zou weinig hebben gebaat ware ik er niet in belet door de

herinnering, dat ik mij met Italië moet bezighouden. Dus zal het,

zooals Grumio's geschiedenis, "in de vergetelheid sterven."

NAAR ROME DOOR PISA EN SIËNA.

Voor mij bestaat er in Italië niets schooners dan de kustweg

tusschen Genua en Spezzia. Aan de eene zijde ziet men, soms veraf,

soms nabij en gelijk met den grond, en vaak omzoomd door gebroken

rotsen van veelsoortigen vorm: dáár de blauwe zee met hier en daar eene

schilderachtige feluca (een soort vaartuig), die zachtkens voortglijdt;

op de andere zijde, hooge heuvels, bergkloven met witte stulpjes

bestrooid, plekken van donkere olijfbosschen, dorpskerken met hare

ranke, opengewerkte torens en vroolijk geschilderde landhuizen. Op

alle heuveltjes en dijken langs den weg, de wilde cactus en de aloë in

kwistigen overvloed bloeiende, en de tuinen der schoone dorpen langs

den weg, des zomers gloeiende van groepen der Belladonna, terwijl

zij in den herfst en den winter rieken van de oranje- en citroenboomen.

Eenige van de dorpen zijn bijna uitsluitend door visschers bewoond,

en het is aardig, hunne groote booten op het strand gehaald te zien, en

eene geringe oppervlakte beschaduwende waarin zij liggen te slapen, of

waar de vrouwen en kinderen zitten te snateren en naar de zee te zien,

terwijl zij hunne netten op den oever herstellen. Daar is eene stad,

Camoglia, met hare kleine haven, honderden voeten lager dan de weg,

aan de zee gelegen, waar huisgezinnen van zeevarenden wonen, die,

zeer lang geleden, te dezer plaatse reeders van kustvaarders waren

en op Spanje en op andere landen handel dreven. Van den weg gezien

die er boven ligt, doet zij zich voor als eene schrale afspiegeling

aan den kant der gerimpelde watervlakte, schitterende in het licht

der zon. Daarheen afgedaald zijnde, langs de slingerende sporen der

muilezels, is zij eene volmaakte afbeelding in het klein van eene

oorspronkelijke zeeplaats: de zoutwaterigste, ruwste, roofziekste,

kleine stad, die er ooit gezien is. Groote verroeste ijzeren ringen

en meer-kettingen, kaapstanders en brokken van oude masten en sparren

verstoppen den weg; kloeke booten, om in slecht weer uit te varen,

en zeemansplunjes fladderen in de kleine haven of liggen op de

zonnige steenen te drogen; op de borstwering van den ruwen steiger

liggen eenige kerels te slapen, die er als waterrotten uitzien,

met hunne voeten over den wal slingerende, alsof land en water hun

hetzelfde was; en glipten zij er in, zij zouden wegdrijven, genoeglijk

voortsluimerende te midden der visschen; de kerk schittert van de

gedenkteekenen, uit zee medegebracht, en van de gelofte-offeranden,

ter herinnering aan redding uit storm of schipbreuk. De woonhuizen, die

niet onmiddellijk op de haven uitkomen, zijn toegankelijk door middel

van donkere, lage gewelfde gangen en uitgesleten trappen, alsof ze,

in duisternis en moeielijkheid om te genaken, gelijk moesten zijn aan

het ruim van een schip, of aan ongemakkelijke kajuiten onder water;

en overal riekt het naar visch, en zeewier en oud touw.

De kustweg, van waar men Camoglia reeds van verre in de laagte kan zien

liggen, is in het warme jaargetijde, voornamelijk in eenige gedeelten

der omstreken van Genua, beroemd door de St.-Jans-torren. Op een

duisteren nacht daar langs wandelende, heb ik deze schoone insecten

één schitterend uitspansel zien daarstellen; zoodat de verafzijnde

sterren verbleekten bij den glans en het geflonker, welke op ieder

olijfboschje en langs elke helling der heuvelen schitterden en de

geheele lucht vervulden.

Het was evenwel niet in zulk een tijd van het jaar, dat wij langs

dezen weg trokken om ons naar Rome te begeven. Het midden van

Januari was juist voorbij, en het was zeer somber en donker weer,

en zeer vochtig bovendien. Toen wij door den schoonen bergpas van

Bracco trokken, overviel ons zulk eene mist- en regenbui, dat wij

den geheelen weg als in eene wolk voorttrokken. Wij zagen daar zòò

weinig van de Middellandsche Zee alsof er geene in de wereld was,

behalve wanneer eene plotselinge windvlaag, den mist, die haar omgaf,

voor een oogenblik opklarende, de onstuimige zee verre beneden ons

vertoonde, hoe zij de verwijderde rotsen geeselde en haar schuim

woedend opspatte. Het regende onophoudelijk; iedere beek en stroom

was hevig gezwollen; en zulk een oorverdoovend klotsen, en bruisen,

en hol gonzen des waters, heb ik in mijn leven niet meer gehoord.

Toen wij van daar te Spezzia kwamen, vonden wij dat de Magra, eene

rivier zonder brug op den grooten weg naar Pisa, te gezwollen was,

om ons zonder gevaar in de pont te doen overzetten; en wij waren

genoodzaakt te wachten, tot op den achtermiddag van den volgenden

dag, toen zij gedeeltelijk gevallen was. Spezzia evenwel is eene

goede plaats om er te wachten; ten eerste, wegens hare schoone baai;

ten tweede, wegens haar spookachtig logement; ten derde, wegens het

hoofddeksel der vrouwen, die, aan de eene zijde van haar hoofd, een

kleinen poppenstroohoed dragen in het haar vastgestoken; zekerlijk

het zonderlingste en zotste hoofddeksel, dat ooit is bedacht.

Nadat wij de Magra zonder gevaar in de pont waren overgestoken--de

overtocht is geenszins aangenaam, wanneer de stroom sterk en gezwollen

is--kwamen wij binnen eenige uren te Carrara aan. Den volgenden morgen

kregen wij vroegtijdig eenige hitjes, en reden uit om de marmergroeven

te zien.

Er zijn vier of vijf groote bergkloven, oploopende tusschen eene rij

hooge heuvelen, totdat zij niet hooger kunnen en plotseling door de

natuur worden ineengewrongen. De groeven of "kelders", zooals zij

ze hier noemen, zijn zoovele openingen, boven aan de heuvels, op

beide zijden dezer engten, waarin men groeven en uithollingen maakt

om marmer te zoeken, dat goed of slecht kan uitvallen, en zeer snel

iemands fortuin kan maken, of hem arm doen worden, door de hooge

arbeidsloonen voor iets, dat niets waard is. Eenige dezer groeven

zijn door de oude Romeinen geopend, en zijn thans nog in denzelfden

staat waarin zij ze gelaten hebben.

Velen anderen zullen nog heden, andere weder morgen, de volgende

week, de volgende maand ontgonnen worden, andere groeven blijven

onverkocht, en er wordt zelfs niet eens aan gedacht. Er ligt overal

nog meer marmer verborgen dan er noodig is voor een aantal eeuwen,

gelijk aan die er zijn vervlogen sedert men voor het eerst tot deze

plaats zijne toevlucht nam; en dat geduldig den tijd afwacht, waarin

het ontdekt zal worden.

Als gij langs een dezer steile bergengten klimt en klautert (nadat

gij den buikriem van uw hitje, een mijl of twee lager, in het

water bevochtigd hebt), hoort gij elk oogenblik de waarschuwende

en droefgeestige tonen van de hoorn, stiller dan de vorige stilte,

tusschen de heuvelen weergalmen,--een sein voor de mijngravers om

weg te spoeden. Dan hoort men een donderenden slag, die van den eenen

heuvel tot den anderen teruggekaatst wordt, en groote stukken der rots

worden dan soms in de lucht geworpen; en gij klimt hooger, totdat een

nieuw hoorngeschal, van eene andere zijde komende, u onmiddellijk doet

ophouden, om niet in de nabijheid eener nieuwe ontploffing te komen.

Boven op die heuvelen--aan de zijde--was een aantal mannen bezig,

de brokken steen en aarde uit den weg te ruimen en naar beneden te

werpen, om plaats te maken voor de marmerblokken, die opgegraven

waren. Deze stukken, door onzichtbare personen geworpen, kwamen naar

beneden rollen in de nauwe vallei, en onwillekeurig dacht ik aan de

steile bergengte (juist eene als deze), waarin de vogel Roc, Sinbad

den zeeman achterliet, en waar de kooplieden groote stukken vleesch

van boven afwierpen opdat er de diamanten zouden aankleven. Hier waren

geene arenden, om in hunne vlucht de stralen der zon te onderscheppen

en op het vleesch neer te schieten, maar het was er even wild en

woest alsof er honderden tegenwoordig waren.

Maar welk een weg is het, waarlangs het marmer komt, hoe groot ook

de blokken zijn! Moge de genius van het land en de beschermgeest van

zijne instellingen dien weg bestraten; dien herstellen; er over waken;

dien in stand houden! Verbeeld u een stroom die over een rotsachtig

bed loopt, dat met steenen van alle grootte en vorm bezaaid is,

en door het midden der vallei slingert; en dit is de weg--omdat het

voor vijfhonderd jaren de weg was.

Verbeeld u de lompe karren van voor vijfhonderd jaren, die tot heden

toe, evenals vroeger, nog gebruikt en voortgetrokken worden door ossen,

waarvan de voorouders, voor vijfhonderd jaren zich doodgewerkt hebben,

evenals hunne ongelukkige nakomelingen thans in twaalf maanden sterven,

door het lijden en den doodsangst bij dit wreede werk. Twee paren,

vier paren, twintig paren voor een blok, naarmate van de grootte;

langs dezen weg moet het naar beneden. Zoo tobben zij van steen tot

steen, terwijl zij verschrikkelijk zware lasten achter zich slepen,

totdat zij meermalen op de plaats zelve den laatsten snik geven; en

zij niet alleen; want hunne hartstochtelijke drijvers, die somtijds in

hunne drift nedervallen, worden dan onder de wielen verpletterd. Maar

het was goed vijfhonderd jaren geleden, en het moet ook nu goed

zijn; en een spoorweg langs eene dezer steilten aan te leggen (het

gemakkelijkste ding ter wereld) zou godslasterend zijn.

Toen wij er bij stonden, om eene dezer karren, slechts door een paar

ossen voortgetrokken, naar beneden te zien komen (want er lag maar

een klein blok marmer op), begroette ik in mij zelven den man, die

op het zware juk zat, om het de arme beesten op den nek te houden--en

nog wel ruggelings--als den duivel van het zuivere despotisme. Hij had

een grooten stok, met eene ijzeren punt, in de hand, en als zij niet

meer konden voortzwoegen of hun weg vervolgen, door het losse bed van

den stroom, en een oogenblik ophielden, stak hij ze hun in het lijf,

sloeg hen op het hoofd, draaide haar in hunne neusgaten heen en weder,

en kreeg ze, door de hevigheid hunner woedende pijnen, eenige ellen

verder voort; herhaalde, brandende van verlangen zijn doel te bereiken,

wanneer zij weer ophielden, al zijne overtuigingsmiddelen in dubbele

mate, en kreeg ze nog eens voort, dwong en dreef ze tot aan een meer

afloopend gedeelte der helling: en wanneer de hevige pijnen en de

zwaarte achter hen ze aanzetten om, onder eene wolk van opspattend

water, door den afgrond te gaan, dan zwaaide hij den stok boven

zijn hoofd en slaakte een vreugdekreet, alsof hij iets van belang

verricht had; maar scheen er niet aan te denken, dat de beesten hem

konden afwerpen, en blindelings zijne hersenen op den weg vertrappen,

te midden zijner zegepraal.

Dezen achtermiddag in een van de menigvuldige werkplaatsen van

Carrara staande--want het is een groot atelier, vol van de schoonste,

afgewerkte kopieën in marmer, van bijna ieder beeld, elke groep en

buste die ons bekend zijn--kwam het mij in het eerst zoo vreemd voor,

dat die keurige vormen, vol bevalligheid, geest en heerlijke standen,

uit al dit werk en zweet en uit al deze martelingen ontstaan zouden.

Maar ik vond spoedig eene parallel en eene uitlegging er voor in

iedere deugd die op een ellendigen grond ontspringt, en elke zaak

die ontstaat te midden van kommer en ellende; en van uit het groote

raam van het atelier des beschouwers naar de bergen ziende, waar de

marmergroeven zijn, die rood en gloeiend waren bij het vallen van den

avond, dacht ik: hoevele groeven van menschelijke harten en zielen, die

veel fraaier uitkomsten konden opleveren, zijn niet ontgonnen en liggen

weg te rotten; terwijl reizigers, die het leven slechts vermaakshalve

schijnen door te trekken, hunne aangezichten onder het voorbijgaan

afwenden, en sidderen voor de somberheid en ruwheid die ze bedekt.

De toen regeerende hertog van Modena, wien dit grondgebied gedeeltelijk

toebehoorde, maakte op de hooge onderscheiding aanspraak, de eenige

vorst in Europa te zijn, die Lodewijk Philips niet heeft erkend als

koning van Frankrijk! Hij boertte niet, maar meende het ernstig. Ook

hij was een tegenstander van spoorwegen, en zou, als sommige lijnen tot

stand kwamen, die in overweging genomen waren door de andere vorsten,

waartusschen zijn gebied gelegen is, waarschijnlijk het genoegen smaken

een omnibus te bezitten, die over zijne niet uitgestrekte bezittingen

reed, om reizigers van de eene wachtplaats naar de andere te brengen,

Carrara, door hooge heuvelen omringd, ziet er zeer schilderachtig

en fier uit. Slechts toeristen verwijlen hier; en de bewoners staan

allen op de eene of andere wijze in betrekking met het bewerken

van het marmer. Bij de groeven zijn ook dorpen, waar het werkvolk

woont. De stad bezit een fraaien kleinen schouwburg, onlangs gebouwd:

en het is hier eene zeer belangwekkende gewoonte, de koren saam te

stellen uit lieden die in de marmergroeven arbeiden, en welke zich

zelven onderrichten en alleen op het gehoor zingen. Ik heb een komiek

zangspel en een bedrijf van Norma van hen gehoord, en ze voerden het

vrij goed uit; niet gelijk de geringe klasse in Italië gewoonlijk

doet, welke (behalve eenige uitzonderingen onder de Napolitanen)

erg valsch zingt en eene zeer onaangename stem heeft.

Van den top van een heuvel aan gene zijde van Carrara, is het

eerste uitzicht over de vruchtbare vlakte, waarin de stad Pisa

ligt--benevens Livorno, als eene purperen vlek in het verwijderd

verschiet--verrukkend. Ook is het niet het verschiet alléén, dat

het uitzicht betooverend maakt; want de vruchtrijke streek en de

boschjes van olijfboomen, door welke de weg zich heenslingert, maken

het verrukkend.

De maan scheen toen wij Pisa bereikten, en nog lang zagen wij

achter den muur den overhellenden toren in het weifelende licht;

het schaduwachtig oorspronkelijke van de oude prent-afbeeldingen in

schoolboeken, die "de wonderen der wereld" beschrijven.

Evenals de meeste zaken, die in verband staan met schoolboeken en

schooljaren, was hij te klein. Ik gevoelde het innig. Hij stak in het

geheel niet zoo hoog boven den muur uit als ik gehoopt had. Het was

weder eene van die menigte bedriegerijen, uitgeoefend door mijnheer

Harris, aan den hoek van St.-Paul's-kerkhof te Londen. Zijn toren was

eene hersenschim, maar dit was wezenlijkheid. Evenwel zag hij er toch

vrij goed uit, en was wel zooveel buiten de loodlijn als men hem had

voorgesteld. Ook het stille voorkomen van Pisa; het groote wachthuis

aan de poort met slechts twee kleine soldaten er in; de straten, waarin

men ternauwernood eenig volk bemerkte; en de Arno, die bevallig door

het midden der stad stroomde, waren uitmuntend goed. Aldus koesterde

ik geen wrok meer tegen mijnheer Harris (daar ik mij zijn goeden wil

herinnerde), maar vergaf 't hem, alvorens te gaan dineeren, en ging

uit in het vertrouwen den volgenden morgen den toren te zien.

Ik zou het beter hebben kunnen weten; maar ik verwachtte hem op de eene

of andere wijze te zien, hoe hij zijne lange schaduw in eene straat

liet vallen, waar den geheelen dag volk uit- en inging. Het baarde mij

verwondering, hem te vinden op eene ernstige, stille plaats van het

algemeen gewoel verwijderd, en met zachte, groene zoden bedekt. Maar

de hoop gebouwen, op en rond dit groenend vloertapijt geschaard:

bestaande uit den toren, het doophuis, de hoofdkerk en de kerk van

het Campo Santo, is misschien de opmerkenswaardigste en schoonste

van de geheele wereld; en dewijl ze aldaar te zamen opgehoopt zijn,

verwijderd van de gewone bezigheden en neringen der stad, zoo bezitten

ze een zeldzaam, eerwaardig en indrukwekkend voorkomen. Ze zijn de

uitgelezen bouwwerken eener oude, rijke stad, welke van al de gewone

gebouwen is ontdaan en gezuiverd.

Sismondi vergelijkt den toren met de gewone afbeeldingen in

kinderboekjes van den Toren van Babel. Het beeld is gelukkig gekozen,

en geeft een beter denkbeeld van het gebouw, dan geheele hoofdstukken

eener uitvoerige beschrijving. Niets kan de bevalligheid en lichtheid

der bouworde te boven gaan; niets kan opmerkenswaardiger zijn, dan zijn

geheel voorkomen. Wanneer men naar den top klimt (door middel van eene

gemakkelijke trap), is de overhelling niet zeer merkbaar, maar wordt

dit aan den top, en doet eene gewaarwording ontstaan, als ware men op

een schip dat door de eb overhelt. De uitwerking aan den lagen kant om

het zoo te noemen--als men van de galerij naar beneden kijkt, en den

koker naar zijne basis ziet terugwijken--is om er van te schrikken;

en ik zag een zenuwachtig reiziger, die naar beneden had gezien,

onwillekeurig den toren vasthouden, als dacht hij hem te stutten.

Het gezicht aan de binnenzijde van den grond af--naar boven ziende,

als door eene schuine buis--is zeer zonderling. Hij helt zekerlijk

zooveel over als de bloedrijkste toerist verlangen kan. De natuurlijke

aandrift van negen en negentig menschen van de honderd, die op het

punt stonden zich op het gras er onder neer te leggen en de naburige

gebouwen te beschouwen, zou waarschijnlijk zijn: niet onder de

overhellende zijde te gaan liggen;--zoo schuin is hij.

De veelvuldige schoonheden van de hoofdkerk en het doophuis behoeven

niet door mij herhaald te worden; maar wanneer ik ze mij herinner,

dan vind ik 't in dit geval en in honderd andere moeielijk, mijn eigen

vermaak af te scheiden van uwe verveling, als ik ze zou uitmeten. In

de eerste is de beeltenis van Sinte Agnes, door Andreas del Sarto,

en in het laatste zijn eene menigte rijk versierde kolommen, die mij

sterk in verzoeking brengen.

Ik breek, zoo ik hoop, geenszins mijn besluit om in geene uitvoerige

beschrijvingen te vervallen, wanneer ik mij het Campo Santo herinner;

waar graven, met gras begroeid, zijn gemaakt in aarde, meer dan

zeshonderd jaren geleden uit het Heilige Land aangevoerd; en hetwelk

omringd wordt door zulke kloosters, met zoodanig beweegbaar licht

en schaduwen, door hun keurig beitelwerk op het steenen plaveisel

vallende, dat zeker het verstomptste geheugen het nimmer zou

vergeten. De muren van deze statige en bekoorlijke plaats zijn

versierd met oude fresco's, zeer beschadigd en vervallen, maar zeer

bezienswaardig. Zooals gewoonlijk het geval is in iedere verzameling

van schilderstukken in Italië, van welken aard ook, waar vele koppen

zijn afgebeeld, is er, in een van dezen, eene toevallige treffende

gelijkenis met Napoleon. Er was een tijd dat ik er behagen in vond,

mij zelven af te vragen, of deze oude schilders, al werkende, een

voorgevoel hadden van den man, die eens zou opstaan om zulk eene

vernieling in de kunst aan te richten, wiens soldaten mikschijven van

groote schilderijen zouden maken en te midden van de pronkstukken der

bouwkunde hunne paarden zouden stallen. Maar hetzelfde Korsikaansche

gelaat wordt, op den huidigen dag, in sommige streken van Italië

zóó overvloedig gevonden, dat eene meer alledaagsche oplossing der

toevalligheid onvermijdelijk is.

Indien Pisa, krachtens zijn toren, het zevende wonder der wereld is,

mag het vorderen, ten minste het tweede of derde te zijn uit hoofde

van zijne bedelaars.

Deze pogen telkens den ongelukkigen bezoeker te belagen, vergezellen

hem tot aan iedere deur waar hij binnentreedt, en liggen, aanzienlijk

versterkt, voor elke deur op hem te wachten, waaruit zij weten

dat hij moet komen. Het gekras van de deur op hare scharnieren is

het teeken voor een algemeenen kreet, en op het oogenblik dat hij

verschijnt, wordt hij omringd en aangevallen door hoopen van lompen

en grijnzende lieden. De bedelaars schijnen zich van al den handels-

en ondernemingsgeest van Pisa meester te maken. Niets verroert zich

in de straten, dan de warme lucht. Wanneer men de straten doorgaat,

zien de voorgevels der slaperige huizen er als achterhuizen uit. Zij

zijn allen zoo stil en rustig, en gelijken zóó weinig naar huizen

waarin menschen wonen, dat het grootste gedeelte der stad er uitziet

evenals eene stad in den vroegen morgen, of als hield de gansche

bevolking de siesta (het middagslaapje). Of het gelijkt nog meer naar

de achtergevels op gewone prentverbeeldingen, of oude platen, waar de

vensters en deuren ternauwernood zijn aangetoond, en men een beeld

(natuurlijk een bedelaar) eenzaam op en neder ziet wandelen in een

grenzenloos perspectief.

Dit is niet het geval met Livorno, (bekend doordien Smolet er begraven

ligt, waar lediggang verdreven wordt door den handel. De wetten op den

handel en voor de kooplieden zijn hier zeer vrijzinnig; en de stad

heeft er, natuurlijk, veel voordeel van. Livorno heeft een slechten

naam, wat moordenaars aangaat, en men moet het bekennen, met eenig

recht. Weinige jaren geleden was daar eene moordenaars-club, waarvan

de leden niemand in het bijzonder eenigen haat toedroegen, maar des

nachts op straat iemand (die hun geheel onbekend was) vermoordden,

alleen ter aanprikkeling en vermaakshalve. Ik geloof, dat de voorzitter

van dat lieve gezelschap een schoenmaker was. Hij werd echter gevat

en de club ging uiteen. Waarschijnlijk zou die in den natuurlijken

loop der gebeurtenissen verdwenen zijn, vóór de spoorweg tusschen

Livorno en Pisa geopend ware; die vrij goed is, en reeds Italië

verwonderd heeft, door een voorbeeld te geven van nauwkeurigheid,

orde, eerlijke handelwijze en verbetering--de gevaarlijkste en meest

naar ketterij riekende reden, die verwondering baart over alles. Er

moet zekerlijk eene kleine onaangename gewaarwording, evenals die

bij eene aardbeving, op het Vatikaan gevoeld zijn geworden, toen de

eerste Italiaansche spoorweg geopend werd.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 39 / 48 段