Hij maakte zooveel hij maar kon van de hoofdkerk van St. Andreas--eene

statige kerk--en van een afgesloten gedeelte van het plaveisel,

om hetwelk waskaarsen brandden en eenigen knielden; en onder welke,

naar men zegt, de Sangreal der oude romancen is bewaard. Toen wij

deze kerk en nog eene andere (de hoofdkerk van San Pietro) hadden

bezichtigd, gingen wij naar het Museum, dat gesloten was. "Dat

beteekende niet veel," zeide hij. "Bah! Er binnen is niet veel te

zien!" Toen gingen wij het Piazza del Diavolo (het Duivelsplein)

zien, dat door den duivel (met geen bijzonder doel) in een enkelen

nacht was gebouwd; vervolgens het Piazza Virgiliana, daarna het

standbeeld van Virgilius--onze dichter, zooals mijn kleine vriend

zei, een oogenblik zijn geest eene vaart doende nemen, en zijn hoed

een weinigje schuin opzettende. Toen gingen wij naar eene akelige

soort van werf eener hoeve, langs welke men toegang verkreeg tot

eene schilderij-verzameling. Op het oogenblik dat de poort van dit

verblijf werd geopend, kwamen er eene groote vijfhonderd ganzen om

ons heen waggelen, en strekten hare halzen uit, en kwaakten op de

akeligste wijze, alsof ze riepen: "O! daar is volk om de schilderijen

te kijken! Ga niet naar boven! Ga niet naar boven!" Terwijl wij

opklommen, wachtten zij, tot een hoop samengeschoold, heel stil bij de

deur, en kakelden daar, eens te hooi en te gras, op halfluiden toon;

maar op het oogenblik dat we ons weer vertoonden, kwamen hunne halzen

weer vooruitsteken als kleine verrekijkers, en begonnen ze een groot

rumoer te maken, dat ongetwijfeld moet beteekenen: "Hoe! wilt ge

alweer heengaan? Wat zegt ge er van! Hoe vindt ge 't!" Zij wachtten

ons af aan het buitenhek en vervolgden ons spottend tot aan Mantua.

De ganzen, die het Kapitool hebben gered, waren, in vergelijking met

deze, niet meer dan zwijnenvleesch in verhouding tot een geleerd

speenvarken. Welk eene galerij! Ten aanzien van een onderwerp van

kunst, zou ik hunne meening zelfs hooger stellen dan de redevoeringen

van Sir Joshua Reynolds.

Nu we weer op straat stonden, nadat we op schandvolle wijze daarheen

waren geëscorteerd was mijn kleine vriend volstrekt bepaald bij de

"Piccolo giro" of kleine wandeling door de stad, welke hij vroeger

had voorgeslagen. Maar mijn inval het Palazzo Tè te bezoeken (waarvan

ik veel had gehoord als van een vreemd en wild gebouw), schonk hem

nieuw leven, en we gingen heen.

Het geheim van de lengte der ooren van Midas zou nog meer algemeen

zijn bekend geworden, ingeval zijn bediende, die het tusschen het riet

uitfluisterde, in Mantua had gewoond, waar riet en biezen genoeg zijn

om het aan geheel de wereld te verkondigen.

Het Palazzo Tè staat op een veenachtigen grond, te midden van

dergelijke plantgewassen, en is voorzeker een van de zonderlingste

plaatsen, welke ik ooit heb gezien.

Niet om zijn treurigheid, ofschoon het droevig genoeg is. Noch om zijne

vochtigheid, ofschoon het zeer vochtig is. Noch om zijn berooiden

toestand, ofschoon die zoo berooid en veronachtzaamd is als een

huis het kan wezen. Maar hoofdzakelijk om de ontelbare nachtmerriën,

waarmede het inwendige (onder andere voorwerpen van eene meer malsche

behandeling) is versierd door Giulio Romano. Daar is een glurende

reus boven zekeren schoorsteenmantel, en er zijn reuzen bij dozijnen

(Titans, die tegen Jupiter strijden); op de muren van een ander

vertrek, die zoo onbegrijpelijk leelijk en grotesk zijn, dat men er

over verwonderd staat, hoe eenig mensch zich zulke schepsels kan hebben

voorgesteld. In de kamer, waarin men er een overvloed van vindt, zijn

die gedrochten met opgezwollen aangezichten en bolle wangen, en alle

soort van verdraaide blikken en ledematen, afgemaald, als wankelende

onder de zwaarte van neerstortende gebouwen, en onder de puinhoopen

bedolven, en rotsmassa's oplichtende, en zich er onder begravende;

terwijl zij tevergeefs pogen de zuilen in stand te houden van zware

zolderdaken, die op hunne hoofden neervallen; en in één woord, hoe

zij alle soort van uitzinnige en duivelachtige vernieling ondergaan

en uitvoeren.

De beelden zijn van eene verbazende grootte, en overdreven tot

den hoogsten graad van onhebbelijkheid; het koloriet is hard en

onaangenaam; en het effect van het geheel doet, naar ik meen, veel

meer dan eenig werkelijk tafereel door de hand eens kunstenaars

voor oogen gesteld, het bloed op geweldige wijze naar het hoofd

der aanschouwers opstijgen. Deze tafereelen, waarvan men kippevel

krijgt, werden vertoond door een ziekelijk schijnende vrouw,

wier voorkomen, naar ik het waag te zeggen, het gevolg is van de

schadelijke uitwasemingen der moerassen. Het was echter moeielijk

zich vrij te houden van de gedachte, of zij niet al te zeer werd op-

en nagejaagd door de reuzen, die haar door verschrikking den dood op

het lijf joegen; haar, die geheel alleen was in dat paleis, dat als

een uitgedroogde regenbak stond tusschen riet en biezen, met al den

nevel, die er buiten omheen hing en er zich aanhoudend omheen bewoog.

Onze wandeling door Mantua vertoonde ons, in bijna elke straat,

eenige buiten dienst gestelde kerk; nu eens voor een magazijn van

koopwaren, dan eens voor niemendal gebruikt; alle op den hoogst

mogelijken graad gebrekkig en verwaarloosd, en op het punt van in te

vallen. De moerassige stad was zoo dof en eentonig, dat de morsigheid,

die er op zat, daar niet scheen gekomen te zijn op de gewone wijze,

maar op hare oppervlakte te zijn bezonken, en aangeslibd als in

stilstaand water. En echter ging er nogal wat handel om, en werd

er nog wat voordeel verkregen; want er waren bogen, waaronder vele

Israëlieten aan de buitenzijde hunner winkels zaten, en hunne stapels

stoffen en wollen goederen en schitterende zakdoeken en snuisterijen

ten toon spreidden, en er in alle opzichten zoo spraakzaam en druk

bezig uitzagen als hunne geloofsbroeders in Houndsditch te Londen.

Toen ik een Vetturino had gekozen uit de nabijzijnde christenen,

die aannam ons in derdehalven dag naar Milaan te brengen, en den

volgenden ochtend met het openen der poorten te vertrekken, keerde

ik naar den Gouden Leeuw terug en gebruikte een lekker middagmaal op

mijn kamer, in een engen doorgang tusschen twee bedsteden, waarover

een rookend vuur en aan de andere zijde eene latafel was. Op den

volgenden ochtend ten zes uur rinkelden wij, in het donker, door den

natte, kouden mist, die de stad bedekte: en vóór het middaguur begon

de voerman (een inboorling van Mantua en omstreeks zestig jaren oud),

den weg naar Milaan te vragen.

Deze leidde door Bozzolo: voorheen eene kleine republiek, en thans een

van de meest verlaten en met armoede bezochte steden; waar de kastelein

uit het ellendige logement--'t was zijne wekelijksche gewoonte (God

zegene hem daarvoor!)--zeer kleine muntstukjes uitdeelde onder een

luidruchtigen troep vrouwen en kinderen, wier lompen fladderden in

den wind en den regen buiten de deur, waar zij te hoop geloopen waren

om zijne aalmoes te ontvangen.

De weg leidde dien dag en den geheelen volgenden door mist, en slijk,

en regen, en wijnstokken, die laag bij den grond waren. De eerste

rustplaats was Cremona, gedenkwaardig om hare sombere kerken, van

tichelsteenen gebouwd, en hare verbazend hooge torens: de Torazzo--om

van hare violen te zwijgen--van welke zij in deze ontaarde tijden

geen enkele voortbrengt; en de tweede Lodi. Toen gingen wij voort,

door nog meer slijk, mist en regen en moerassige gronden, en door

zulk een dikken nevel, dat de Engelschen, die sterk zijn in het

geloof aan hunne eigene grieven, geneigd zijn te gelooven, dat zij

een dergelijken in hun eigen land alléén aantreffen; dit duurde tot

wij de geplaveide straten van Milaan binnenreden.

De nevel was daar zóó dik, dat men evenveel van de torenspits der wijd

vermaarde hoofdkerk kon zien, als stond zij te Bombay. Maar daar wij

er eenige dagen bleven om ons te ververschen, en tegen den volgenden

zomer er weder terugkeerden, had ik ruime gelegenheid den heerlijken

bouwstijl er van in al zijne majesteit en schoonheid te aanschouwen.

Elk christen behoort hulde te doen aan den Heilige die er in rust. Er

mogen vele goede en echte heiligen in den almanak staan, maar San

Carlo Borromeo bezit--als ik bij zulk een onderwerp juffrouw Primrose

[34] mag aanhalen--"mijn warm hart." Hij was een liefderijk geneesheer

voor de zieken, en weldadig vriend voor de armen, en dit alles niet

door een geest van blind bijgeloof, maar als de fiere tegenstander

van geweldige gebruiken in de kerk van Rome: zijne nagedachtenis

vereer ik. Ik vereer ze er niet te minder om, dewijl hij bijna

werd omgebracht door een priester, door priesters omgekocht om

hem voor het altaar te vermoorden, ter vergelding zijner pogingen,

ter hervorming van eene valsche en huichelachtige broederschap van

monniken. De hemel bescherme alle navolgers van San Carlo Borromeo,

zooals Hij hem beschutte! Een hervormingsgezinde paus zou zelfs nu

wel een weinigje bescherming noodig hebben.

De onderaardsche kapel, in welke het lichaam van San Carlo Borromeo

wordt bewaard [35], vertoont een contrast zoo treffend en akelig,

als er in eenige plaats kan worden gezien. De waskaarsen, welke daar

beneden branden, blikkeren en glimmen tegen haut-reliefs (verheven

beeldwerk) in goud en zilver, op kunstige wijze bewerkt door bekwame

handen, en de voornaamste gebeurtenissen voorstellende uit het leven

van den Heilige. Edelgesteenten en edele metalen blinken en glinsteren

aan alle zijden. Door een windas wordt de voorzijde des altaars

langzaam op zijde geschoven, en daarbinnen, in eene prachtige kist

van goud en zilver, ziet men, door albast heen, de gerimpelde mummie

van een man; de priesterlijke gewaden die het versieren, schitterend

als zij zijn van diamanten, smaragden, robijnen en alle soorten van

kostbare en prachtige steenen. De ineengeschrompelde hoop ellendige

aarde, te midden dier groote schittering, wekt meer medelijden dan

indien het op een mesthoop lag. Er is geen straal van weergekaatst

licht in al de schittering en het vuur der juweelen, of hij schijnt

te spotten met de donkere holten, die eens oogen hebben bevat. Elke

draad zijde in de rijke kleederen schijnt slechts voorraad van wormen,

die spinnen ten gerieve van wormen, die in graven voorttelen.

In de oude eetzaal van het vervallen klooster van Santa Maria delle

Grazia is het kunstwerk wellicht meer dan eenig ander ter wereld

bekend: Het Avondmaal door Leonard Da Vinci--waarin de snuggere

Dominicaner monniken eene deur hebben gemaakt, om de bezigheden van

den maaltijd met meer gemak te kunnen volbrengen.

Met het practische gedeelte der schilderkunst ben ik niet bekend, en

heb geene andere middelen om over eene schilderij te oordeelen, dan

wanneer zij de natuur gelijkt en verfraait en bevallige samenstellingen

van vormen en kleuren aanbiedt. Daarom behoeft men mij niet te

gelooven, wat de "behandeling" van dezen of genen meester betreft;

hoewel ik zeer wel weet, (zooals iedereen weten kan, die over de zaak

nadenkt) dat zeer weinig voorname meesters, met eenige mogelijkheid,

in hun leeftijd de helft van de schilderijen kunnen vervaardigd hebben,

die hun naam dragen en die door vele menschen, aanspraak makende op

een goeden smaak, als ontwijfelbaar oorspronkelijke werken erkend

worden. Maar dit tusschen twee haakjes.

Over het Laatste Avondmaal, te Milaan, zal ik alleen opmerken,

dat zij, wat compositie en ordonnantie aangaat, eene wonderschoone

schilderij is, maar dat zij het niet is om hare oorspronkelijke

kleur of hare eigenaardige uitdrukking van eenig gezicht of van

gelaatstrekken. Behalve de schade, welke zij door de vochtigheid, het

verval en verzuim geleden heeft, is het (zooals Bary [36] aantoont) zoo

bij- en overgeschilderd, en nog wel zóó ellendig, dat verscheidene der

koppen volstrekt mismaakt zijn met strepen verf en kalk, smetten, die

er aanhangen evenals wennen en de uitdrukking geheel verwringen. Dáár,

waar de oorspronkelijke kunstenaar de indruksels van zijn genie aan

een gelaat mededeelde, dat hem door eene enkele lijn of toets van

mindere schilders onderscheidde, en hem maakte wat hij was, volgden

broddelaars hem op, scheuren en spleten opvullende en beschilderende,

en die buiten staat waren zijne manier na te bootsen; en zij hebben

er strepen, en wenkbrauwfronsingen en rimpels van hun eigen maaksel

bijgevoegd en het meesterstuk beklad en bedorven.

Dit is eene zoo geschiedkundige daadzaak, dat ik haar niet zou

herhalen, en daardoor de kans loopen van vervelend te worden, had

ik niet een Engelsch heer voor de schilderij opgemerkt, die zich

groote moeite gaf, in zachte stuiptrekkingen (zoo zou ik ze ten minste

beschrijven), te vallen, op het zien van eenige fijne bijzonderheden

van uitdrukking, die er niet meer in aanwezig zijn. Waarom het, voor

reizigers zoowel als voor beoordeelaars, aangenaam en niet meer dan

billijk zou zijn, om eindelijk te begrijpen, dat het volstrekt ééns een

werk van groote verdiensten moet geweest zijn, wanneer, bij zoo weinig

van hare overgebleven oorspronkelijke schoonheden, het grootsche van

de oorspronkelijke teekening thans nog voldoende is om haar naam op

te houden als eene schilderij vol belangstelling en waardigheid.

Wij beschouwden, natuurlijk, ook al het andere bezienswaardige in

Milaan; en het is een fraaie stad, hoewel niet zoo onbedrieglijk

Italiaansch, dat men dit op het eerste gezicht zien zou; evenmin

bezit zij de eigenaardige hoedanigheden van vele steden, die op

zich zelve minder belangrijk zijn. Het Corso, waar de Milaneesche

rijken in hunne koetsen op en neer rijden (en liever dan dit niet

te doen, binnenshuis half van honger zouden willen sterven), is

een allerstatigste publieke wandelweg, door lange lanen van boomen

overschaduwd. In den prachtigen schouwburg, van La Scala werd, na de

opera, een heldenballet opgevoerd, Prometheus genaamd; waar, bij den

aanvang er van, een paar honderd mannen en vrouwen ons sterfelijk ras

voorstelden, zooals het was voordat de verfijningen der kunsten en

wetenschappen, der liefde en der bevalligheden op aarde kwamen om het

te beschaven. Ik heb nooit iets gezien, dat meer effect maakte. In

het algemeen is de gebaren-taal der Italianen opmerkelijker wegens

haar plotselingen en onstuimigen aard dan wegens hare keurige

uitdrukking; maar in dat geval werden de kwijnende eentonigheid;

het matte, ellendige, lustelooze, vadsige leven; de schraapzuchtige

hartstochten en begeerten van menschelijke schepsels, beroofd van dien

geestverheffenden invloed, waaraan wij zooveel verschuldigd zijn, en

aan welker voorstanders wij zoo weinig er voor in de plaats geven,

op eene inderdaad krachtige en aandoenlijke wijze uitgedrukt. Ik

zou het bijna onmogelijk geacht hebben, een zoodanig denkbeeld zoo

krachtig op het tooneel voor te stellen zonder behulp der spraak.

Ten vijf uur des ochtends hadden wij Milaan reeds verlaten, en

vóórdat het vergulde beeld op den top van de spits der hoofdkerk

met den blauwen hemel ineensmelt, vertoonden zich de Alpen voor onze

oogen, als een verwarde hoop van bergtoppen en kruinen, door wolken

en sneeuw omgeven.

Evenwel vervolgden wij onzen koers daarheen, tot het donker werd;

en den geheelen dag namen de bergtoppen, wanneer de weg ze ons van

verschillende kanten deed beschouwen, vreemdsoortige, veranderlijke

vormen aan. De schoone dag spoedde juist ten einde, toen wij het Lago

Maggiore (groote meer) met zijne bekoorlijke eilanden bereikten. Want

hoe grillig en phantastisch het Isola Bella (schoone eiland) ook zijn

moge, het is nochtans schoon. Alles wat uit dit blauwe water opduikt,

omringd door zulk een landschap, moet schoon zijn.

Ten tien uur des avonds kwamen wij te Domo d'Ossola, aan den voet der

bergengte van den Simplon. Maar daar de maan helder scheen en er geen

wolkje in de met sterren bezaaide lucht zweefde, was het geen tijd

om naar bed te gaan, of iets anders te doen dan voort te reizen. Na

dus een weinig uitgerust te hebben, kregen wij een klein rijtuigje,

en begonnen wij naar boven te rijden.

Het was op het einde van November en de sneeuw lag vier of vijf voet

hoog op den gebaanden weg op den bergtop; op andere gedeelten was

de nieuwe laag alreeds dik; de lucht was doordringend koud. Maar

de helderheid van den nacht, en het grootsche uitzicht op den weg,

met zijne ondoordringbare schaduwen en dikke duisternis, en zijne

plotselinge wendingen bij het maanlicht, en het onophoudelijk geraas

van het neerstortend water, maakten de reis bij iedere schrede meer

en meer verheven.

De weg begon, na van de kalme Italiaansche dorpen, die onder ons

in het maanlicht sluimerden, te zijn afgeweken, tusschen de sombere

boomen te loopen, en kwam na eenigen tijd in eene barre, steile en

moeielijk te genaken streek, waar het maanlicht helder en schitterend

scheen. Trapsgewijze werd het geraas van het vallend water luider; en

het wonderbare spoor, na den stroom op eene brug te zijn overgestoken,

schoot tusschen twee hechte, steile rotsmuren, die het schijnsel

der maan geheel uitsloten en alleen eenige weinige sterren lieten

schijnen in de nauwe streep van den hemel er boven. Maar ook dit

ging teloor in de diepe duisternis van een hol in de rots, waardoor

de weg gegraven was; daar de verschrikkelijke waterval er vlak onder

klaterde en donderde, met zijn schuim en zijne wateren, die als een

nevel voor den ingang hangen. Uit dit hol opnieuw in het maanlicht

komende, en over eene vreemdsoortige brug gaande, kruipt en wendt de

weg zich opwaarts, door de bergengte van Gondo, woest en grootsch,

boven eenige beschrijving verheven, met bevallige uitziende afgronden,

die aan beide zijden in de hoogte rezen en elkander bijna boven onze

hoofden ontmoetten.

Zoo trokken wij den geheelen nacht, langs den ruwen weg, al hooger en

hooger, zonder ons een oogenblik vermoeid te gevoelen, verloren als

wij waren in de beschouwing der donkere rotsen, der verschrikkelijke

hoogten en diepten, der zachte sneeuwvelden, die thans tusschen spleten

en holen lagen, en de trotsche stroomen, die eensklaps in den diepen

afgrond nederstortten.

Met het aanbreken van den dag bereikten wij de sneeuwvelden, waar een

scherpe wind vinnig woei. Na met eenige moeite de bewoners opgeklopt

te hebben van een houten huis, dat in deze eenzame plaats stond,

en waar de wind akelig omheen huilde, en de sneeuw wegblies en

deed rondwarrelen, kregen wij een soort van ontbijt in eene kamer

vervaardigd van ongeschaafde planken, maar goed verwarmd door middel

van eene kachel en goed ingericht (zooals het ook noodig was) om de

zware stormen er buiten te houden. Nadat er eene slede gereed was en

vier paarden er voor gespannen waren, trokken wij verder, de sneeuw

doorploegende. Steeds opwaarts; maar nu in de koude morgenlucht,

die door de groote witte woestijn, waar wij doorreisden, duidelijk

en helder werd.

Wij waren op den top van den berg: vóór ons was het ruwe houten kruis,

dat zijne grootste hoogte boven de oppervlakte der zee aanduidt--toen

de stralen der opkomende zon plotseling op de smeltende sneeuw vielen

en haar een donkerroode kleur deden aannemen. Het grootsche van dit

eenzame tooneel vertoonde zich toen ten top zijner verhevenheid.

Toen wij zoo voortgleden, kwam er uit het godshuis, door Napoleon

gesticht, een troep reizende landlieden, met stokken en knapzakken,

die er hadden overnacht. Zij werden verzeld door een paar monniken,

hunne gastvrije verzorgers, die langzaam met hen voortstapten om

hun gezelschap te houden. Het was prettig hun een goeden morgen te

wenschen, en aardig ze een goed eind wegs na te staren, ten einde te

zien hoe ze naar ons omkeken, en, als een van onze paarden struikelde

of viel, dadelijk weifelden of zij al of niet zouden terugkeeren, om

ons te helpen. Maar het was dan weder spoedig op de been, door de hulp

van een ruwen voerman, wiens span hier ook was blijven vastzitten,

en toen we hem tot vergelding uit dien tegenspoed hadden geholpen,

verlieten wij hem, daar hij langzaam naar hen heen zwoegde, en gingen

gemakkelijk en snel voort, langs den zoom van een steilen afgrond,

tusschen de pijnboomen die op den berg groeiden.

Toen wij kort daarop weder in het rijtuig waren, begonnen wij snel

den berg af te rijden, onder eeuwige ijsbergen komende, die den vorm

hadden van boogvormige galerijen, van welke eene menigte ijskegels

neerhingen; boven en onder schuimende watervallen; in de nabijheid van

schuilplaatsen, en galerijen om er opkomende gevaren te ontgaan, door

holen, over welker boogvormige zolderingen de sneeuwvallen in de lente

heenglijden, en zich in de niet doorzochte kloof daar beneden begraven;

naar beneden, over hooge bruggen en door schrikbarende ravijnen: eene

kleine afgescheiden plek in de uitgestrekte en woeste tooneelen van ijs

en sneeuw en monsterachtige granietrotsen. Naar omlaag door den diepen

bergpas van Saltine, waar men verdoofd wordt door den stroom, die

tusschen de naakte rotsblokken, in het vlakke land, daar ver omlaag,

woedend naar beneden valt. Naar omlaag langs heen en weer slingerende

wegen, en liggende tusschen een hooger en een lager gelegen afgrond,

naar warmer weder, kalmer lucht, en liefelijker landschap, tot wij

de kerken en kerktorens van eene Zwitsersche stad, met metaal gedekt,

met roode, groene en gele kleuren als goud en zilver vóór ons in den

dauw en den zonneschijn zagen glinsteren.

Daar de onderwerpelijke herinneringen alleen Italië betreffen,

en het dus mijne zaak is, zoo snel als mogelijk is daarheen terug

te hollen, wil ik (hoewel ik degelijk de verzoeking er toe gevoel)

niet vermelden, hoe de Zwitsersche dorpen, groepsgewijze liggende

aan den voet van reusachtige bergen, er uitzien als speelgoed;

en hoe verward de huizen opeengehoopt en opgestapeld zijn; of hoe

de straten er nauw zijn, om den huilenden wind des winters geen te

grooten toegang te verschaffen; en hoe de gebroken bruggen door de

woedende stroomen, in de lente plotseling van banden ontslagen waren

medegesleurd. Of hoe daar boerinnen waren met groote, ronde, bonte

kappen, die als zij het venster uitkeken en alleen het hoofd deden

zien, het voorkomen hadden eener bevolking van zwaarddragers van

den Lord Mayor te Londen; of hoe schoon de stad Vevay zich voordeed,

aan het bekoorlijke meer van Genève gelegen; of hoe het standbeeld

van St. Pieter, in de straat van Freyburg, den grootsten sleutel in

de vuist klemt, die er ooit is gezien; of dat Freyburg beroemd is om

de twee hangbruggen en het groote orgel der hoofdkerk.

Of hoe tusschen die stad en Bazel de weg als een doolhof loopt,

tusschen welvarende dorpen van houten hutten, met overhangende

rieten daken en lage, vooruitstekende vensters, beglaasd met kleine,

ronde vensterruiten als drieguldenstukken; of hoe er in elk klein

Zwitsersch erf, met de kar of wagen, zorgvuldig naast het huis onder

dak geplaatst, en het tuintje, pluimgedierte en de groepen van kinderen

met blozende wangen, een voorkomen van welvaart heerschte, dat, na

Italië te hebben gezien, zeer nieuw en zeer streelend was; hoe de

kleeding der vrouwen weder veranderde, en er geen zwaarddragers meer

waren te zien, maar in plaats daarvan, zich helderwitte borstlappen, en

groote, zwarte, waaiervormige gaasachtige kappen in menigte vertoonden.

Of hoe bekoorlijk de streek was in de nabijheid van het Jura-gebergte,

met sneeuw besprenkeld, door de maan verlicht en met de muziek van

het neerstortende water; of hoe, onder de vensters van het groote

hotel de Drie Koningen te Bazel, de gezwollen Rijn met snellen loop

en groene kleur voortstroomde; of hoe hij te Straatsburg, even snel

maar minder groen, en, naar men zegt, lageraf mistig was: en dat hij,

zóó laat in het jaar, eene veel minder zekere reisbaan opleverde dan

de groote weg naar Parijs.

Of hoe Straatsburg zelf met zijne prachtige, oude, Gothische hoofdkerk

en ouderwetsche huizen, met hunne spitse daken en gevels, eene kleine

galerij van vreemde en belangwekkende gezichten opleverde; of hoe

er binnen in de hoofdkerk, tegen den middag, eene menigte menschen

verzameld waren, om het beroemde uurwerk in beweging te zien, bij het

slaan van het middaguur. Hoe bij het slaan daarvan een geheel leger

van poppen eene menigte vernuftig bedachte bewegingen verrichtten; en

hoe, onder deze, een groote kunstmatige haan, die op den top stond,

twaalf maal luid en helder kraaide. Of welk een wonderlijk gezicht

het opleverde, hoe die haan groote moeite deed om te klapwieken en

zijn hals uit te rekken, maar blijkbaar geen verband had met zijne

eigen stem, die een groot eind lager uit de klok voortkwam.

Of hoe de weg naar Parijs, een enkele zee van slijk was; en vandaar

naar de kust, door eene ingevallen harde vorst, een weinig beter

werd. Of hoe Dover's duinen een behaaglijk gezicht opleverden, en

Engeland zoo verwonderlijk lief er uitzag--ofschoon het, dit dient

erkend, op een winterdag donker en kleurloos is.

Of hoe het, een paar dagen naderhand, koud was bij het weder

oversteken van het Kanaal, met ijs op het dek en tamelijk veel

sneeuw in Frankrijk; of hoe de postkoets door de sneeuw krabbelde,

in de heuvelachtige streken door een aantal moedige paarden op een

klein galopje voortgetrokken; of hoe er, vóór 't dag was, buiten

het plein van het postkantoor te Parijs, zonderlinge avonturiers in

hoopen lompen, met kleine harken, in de besneeuwde straten rakelden,

om naar prullen en vodden te zoeken.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 38 / 48 段