Ik stond met mijn voet op de plaats, waar, op hetzelfde gevreesde uur,

de gevangene, na gebiecht te hebben, geworgd werd, en raakte met mijne

hand de bewuste deur aan--die laag en als verborgen was,--door welke

de zware zak naar eene boot werd gedragen, en weggeroeid, en in het

water geworpen, dáár, waar men op doodstraf geen net mocht uitwerpen.

Om dezen hechten kerker en boven eenige gedeelten er van: tegen de

ruwe buitenwallen aanspoelende en ze van binnen door vochtigheid en

drab doende uitslaan: de spleten en scheuren vullende met vochtig wier

en met al hetgeen de zee uitwerpt, alsof zelfs de steenen en tralies

monden hadden, die gestopt moesten worden: een gemakkelijken weg

opleverende voor het wegvoeren van de lichamen der geheime slachtoffers

van den Staat--een zoo bereidwilligen weg, dat hij met hen meeging en

voor hen uitliep, evenals een wreede scherprechter--stroomde hetzelfde

water dat ik in mijn droom gezien had, en deed het zelfs toen naar

een droom gelijken.

Uit het paleis naar beneden gaande, langs eene trap, die, zooals ik

dacht, de Reuzentrap genoemd werd--ik meende mij te herinneren, dat

een oud man afstand deed, en langzamer en zwakker de trappen afklom,

toen hij de klok hoorde luiden, die zijn opvolger verkondigde--vertrok

ik met eene dier donkere booten, tot wij aan een oud tuighuis

kwamen, dat door vier marmeren leeuwen bewaakt werd. Om mijn droom

nog monsterachtiger en onwaarschijnlijker te maken, had één van

dezen woorden en zinspreuken op zijn lichaam, daar gegrift op een

ongekenden tijd en in eene ongekende taal; zoodat hun doel voor

iedereen geheim was.

Daar was een licht gehamer in deze plaats hoorbaar, daar men er

schepen bouwde en kleine werkzaamheden verrichtte; want de grootheid

der stad bestond niet meer, zooals ik gezegd heb. Het scheen inderdaad

een wrak te zijn, dat drijvende op het water was gevonden, met eene

vreemde vlag ten top geheschen en vreemdelingen aan zijn roer.

Een prachtig versierd vaartuig, waarmede zijn vroeger opperhoofd op

zekere tijden van het jaar wegvoer, om den Oceaan te huwen, lag, meen

ik, niet meer hier; maar, in zijne plaats, lag er een klein model,

vervaardigd uit het geheugen, evenals de grootheid der stad vroeger:

en het sprak tot mij van hetgeen geweest was (zoo worden de sterken

en de zwakken in het stof gelijk), bijna even welsprekend als de

hechte pilaren, bogen en zolderingen, opgericht om de fraaie schepen

te overschaduwen, die nu geen andere schaduw hadden, op het water of

op de aarde.

Nòg was er eene wapenkamer. Geplunderd en vernield, maar toch eene

wapenkamer, met een trotschen standaard, op de Turken veroverd,

die kwijnde in de sombere lucht van zijne kooi. Rijk versierde

malierustingen, door voorname krijgslieden gedragen, waren daar

bijeenverzameld; kruisbogen en werpspietsen; kokers vol pijlen, speren,

zwaarden, dolken, knotsen, schilden en zware strijdbijlen. Platen van

bewerkt staal en ijzer, om van het edele ros eene monster te maken,

geheel in metaal gesloten; en een werktuig (dat gemakkelijk op de

borst kon gedragen worden), geschikt om zonder gedruisch dienst te

doen: namelijk om de lieden met vergiftigde pijlen te doorschieten.

Eene kast of een gat zag ik, vol met gevloekte marteltuigen, op

afgrijselijke wijze daargesteld om de beenderen der menschen saam te

drukken, en in elkander te knijpen en te vermalen, en te verpletteren,

en ze vaneen te rijten en te verdraaien onder eene pijn, als stierf

men duizend dooden. Twee ijzeren helmen en borststukken lagen er voor,

om de hoofden der nog levende martelaars te drukken en te omsluiten;

en boven op elken was eene kleine verhevenheid, evenals eene aambeeld,

waarop de duivel, die de marteling bestuurde, zijn elleboog kon doen

rusten en zich vooroverbuigen om naar de klaagtonen en bekentenissen

van de ongelukkigen te hooren. De ijzeren helmen hadden nog een

flauwe gelijkenis met het menschelijk gelaat--zij waren vormen van

aangezichten, waarvan het zweet afliep en die door pijn verwrongen

waren--zoodat het moeielijk viel te denken, dat ze ledig waren; en

vreeselijke kramptrekkingen, die er nog in zweefden, schenen mij te

volgen, toen ik mij weder naar mijne boot begaf en naar eene soort van

publieke wandeling op zee roeide, waar gras en boomen waren. Maar ik

vergat die folteringen toen ik aan het uiterste einde er van stond--ik

stond daar in mijn droom--en langs de kust zag, naar de ondergaande

zon: vóór mij, in de lucht en op de diepte een karmozijnrooden gloed,

en achter mij, de geheele stad, die zich oploste in strepen van rood

en purper op het water.

In de bovenmatige verwondering over een zoo zeldzamen droom, lette ik

niet op den tijd en begreep weinig van zijne vlucht. Maar er waren

dagen en nachten in, en als de zon hoog aan den hemel stond en als

de stralen der lampen weerkaatst werden door het snelvlietende water

dreef ik nog steeds, (zooals ik dacht) met het opkomen van het getij,

dat mijn donkere boot, door de straten deed varen, tegen de slibberige

muren en huizen plassende.

Somtijds klom ik af aan de deuren van kerken en groote paleizen,

en wandelde van kamer tot kamer, van zijvleugel tot zijvleugel,

door doolhoven van rijke altaren, oude gedenkteekenen en vervallen

vertrekken, waar de meubelen, half vreeselijk, half belachelijk

wegrotten. Er waren schilderijen, waaruit zulke eene oneindige

schoonheid en uitdrukking, zulk een hartstocht, waarheid en macht

straalde, dat zij even zoovele jonge en versche wezenlijkheden

schenen, te midden van een leger geesten. Ik verbond ze, in mijne

verbeelding, met de oude dagen der stad; met hare schoonheden,

aanvoerders, burgers, kooplieden, makelaars, priesters; ja, zelfs

met hare steenen en pleinen; allen omringden mij weder, met een

nieuw leven bezield. Vervolgens eenige marmeren trappen afklimmende,

waar het water tegen sloeg en af zijpelde, stapte ik in mijne boot,

en voer, al droomende, verder.

Ik ging door nauwe straten, waar timmerlieden, in hunne winkels met

zaag en beitel aan het werk, lichte krullen in het water slingerden,

waar ze evenals wier lagen, of, door den vloed, als een saamgepakte

hoop langs mij heen werden gevoerd. Ik trok langs openstaande deuren,

vervallen en verrot, omdat ze lang in het nat stonden, door welke

een kleine reep van een wijngaard groen en helder schitterde, en met

zijne lispelende bladen ongewone schaduwen op de straat wierp. Ik

trok langs kaaien en terrassen, waar vrouwen, bevallig gesluierd,

heen en weder gingen, en waar luiaards in den zonneschijn op de

steenen of op de trappen lagen. Ik trok langs bruggen, waar ook

menschen waren, die heen en weder slenterden en nu en dan over de

leuning keken. Daaronder waren steenen balkons, zóó gebouwd, voor de

hoogste vensters van de hoogste huizen, dat ze hem duizelig maakten,

die er naar keek;--trok voorbij tuinen, schouwburgen, reliekenkastjes,

wonderbare groepeering van bouwwerken--Gothische--Saraceensche--grillig

met beelden van alle tijden en landen versierd; trok langs gebouwen,

die hoog en laag, en zwart, en wit, en recht, en krom, gemeen en

grootsch, vervallen en sterk waren;--verwarrende te midden van een

dichten hoop booten, en ten laatste terecht komende in eene groote

gracht! Daar verbeeldde ik mij, in mijn droom, den ouden Shylock heen

en weder over de brug te zien gaan, die geheel met winkels bebouwd

was en van waar een gegons van menschenstemmen oprees. Een vorm, die

mij toescheen Desdemona te zijn, boog voorover, onder een zonneblind

door, om een bloem te plukken. En in den droom dacht ik, dat de geest

van Shakespeare ergens over het water zweefde, en door de stad waarde.

Des avonds, toen er twee lampen brandden voor een beeld van de

H. Maagd, in eene galerij aan de buitenzijde der hoofdkerk, bij het

dak, verbeeldde ik mij, dat het groote Piazza van den Gevleugelden

Leeuw helder verlicht was, en dat zijne geheele rij van bogen vol volk

was, terwijl hoopen menschen zich vermaakten in prachtige koffiehuizen,

die er op uitkwamen--en die, naar mij dacht, nooit gesloten waren,

maar den ganschen nacht open bleven. Toen de bronzen reuzen het

middernachtsuur op de klok sloegen, dacht ik, dat al het leven en de

geestdrift dezer stad hier bijeenverzameld was; en toen ik wegroeide,

langs de stille kaaien, zag ik de lieden nog alleen als kleine stipjes

hier en daar, met slapende roeiers, die in hunne mantels gewikkeld,

zoo lang ze waren, op de steenen lagen.

Maar, dicht bij de kaaien en kerken, paleizen en gevangenissen;

schurende tegen de muren en opwellende in de geheimste plaatsen

der stad, kletst het water altijd. Zonder gedruisch en waakzaam, en

in vele plooien er omheen geslingerd, evenals eene oude slang, den

tijd afwachtende--zoo kwam het mij voor--dat men in zijne diepten

zou kijken, om een steen der oude stad te vinden die zich zijne

beheerscheresse noemde.

En zoo spoelde het mij weg, totdat ik ontwaakte op de oude marktplaats

te Verona. Ik heb meermalen naderhand aan dezen vreemden droom op het

water gedacht, mij half bevreemd vragende of die stad er nog liggen

zou, en of haar naam Venetië is.

DOOR VERONA, MANTUA EN MILAAN OVER DEN BERGWEG VAN DEN SIMPLON,

NAAR ZWITSERLAND.

Ik had half en half geaarzeld, naar Verona te gaan, in de vrees

dat het mij de beguicheling zou ontnemen ten aanzien van Romeo en

Julia. Doch zoodra ik op de oude marktplaats was aangekomen, werd de

vergissing uit den weg geruimd. Het is zulk eene grillige, aardige en

schilderachtige plaats, gevormd door zulk een buitengewone en rijke

verscheidenheid van phantastische gebouwen, dat er niets beters kon

worden gevonden, zelfs in het hartje dier romantische stad, die het

tooneel is van een der meest romantische en schoone geschiedenissen.

Het spreekt vanzelf, dat ik, van de markt, rechtstreeks naar het

huis der Capulets ging, dat nu ontaard is in een hoogst ellendig

herbergje. Luidruchtige voerlieden en bemodderde marktkarren betwistten

elkander het bezit van den hof, waar men tot over de enkels in de

vuilnis trad, en waar zich een troep beslijkte en bespatte ganzen

bevond; verder was er een hond met een grimmigen kop, op kwaadaardige

wijze hijgende bij den ingang eener deur, en die Romeo zeker bij het

been zou hebben gepakt, zoodra hij het over den muur stak, indien hij

namelijk toen bestaan en losgeloopen had. De boomgaard is in andere

handen gevallen, en is er, eenige jaren geleden, van afgescheiden

geworden, maar er was er een die bij het huis behoorde, of in allen

gevalle is het mogelijk, dat er een geweest zij--en de hoed [32],

het oude wapenteeken der familie, kan er nog, boven de deur van den

hof in steen gehouwen, worden gezien. De ganzen, de marktkarren,

de voerlieden van deze en de hond bedierven, het moet erkend worden,

de geschiedenis eenigermate, en het zou veel aardiger zijn geweest

het huis ledig te vinden, en door de onbewoonde vertrekken te kunnen

wandelen; maar het zien van den hoed was mij onuitsprekelijk aangenaam,

en de plaats waar vroeger de tuin was, schier niet minder. Buitendien

ziet er het huis zoo wantrouwend en nijdig uit als men er een kan

wenschen te zien, ofschoon het van zeer middelmatige hoogte is. Ik had

er daarom vrede mede, als het wezenlijke huis van den ouden Capulet,

en was dienovereenkomstig erkentelijk ten aanzien van eene uiterst

on-sentimenteele vrouw van middelbaren ouderdom, de waardin uit het

huis, die werkeloos op den drempel stond en naar de ganzen keek,

en die ten minste in het eenige bijzondere opzicht naar de Capulets

geleek, dat zij--in den dagelijkschen zin van het woord--zwaar was.

Van Julia's huis naar Julia's graf is de overgang, voor den bezoeker,

zoo natuurlijk als naar Julia zelve of naar de meest trotsche Julia om

wie ter eeniger tijd de heldere toortsen zijn ontstoken.--Ik ging alzoo

met een gids naar een ouden, zeer ouden tuin, die eens, naar ik geloof,

behoort had tot een oud, zeer oud klooster, en nadat ons eene vrouw

met schitterende oogen, die bezig was met het wasschen van kleeren,

door een verbrijzelde poort had binnengelaten, ging ik naar eenige

wandeldreven, waar versche planten en jonge bloemen lustig opschoten

tusschen brokstukken van oude muren en borstweringen, welke met klimop

waren begroeid. Daar werd mij een kleinen vijver of watertrog getoond,

welke door de vrouw met glinsterende oogen--terwijl zij de armen met

haar doek afdroogde--"La tomba di Giulietta la sfortuata" (Het graf

der ongelukkige Julia) werd genoemd. Met de sterkste geneigdheid om

te gelooven, kon ik het niet verder brengen dan te gelooven, dat de

vrouw met de schitterende oogen zelve het geloofde, zoodat ik haar

dat groote vertrouwen en bovendien hare gewone fooi in klinkende

munt schonk. Dat Julia's rustplaats vergeten was, baarde veeleer

genoegen dan teleurstelling. Hoe troostrijk het ook voor Yorick's

geest moge geweest zijn, op de steenen boven zijn hoofd voetstappen,

en twintigmalen op een dag zijn naam te hooren herhalen, is het echter

voor Julia beter buiten de treklijn der toeristen te liggen, en geene

andere bezoekers te krijgen dan die in voorjaarsregen, zachte lucht

en zonneschijn op de graven komen.

Verona is streelend! Met zijne schoone oude paleizen en bekoorlijk

landschap in het verschiet, dat zich uit de terraswandelingen,

en uit de statelijke, van hekken voorziene galerijen opdoet. Met

zijne Romeinsche poorten, die nog de fraaie straten bespannen, en

in het zonnelicht van heden de schaduw werpen van tweehonderd jaren

vroeger. Met zijne in marmer gekleede kerken, hemelhooge torens,

rijke bouwversierselen en aardige, stille, oude stegen, waar het

geschreeuw der Montagu's en Capulets eens weergalmde:

En deed Verona's oude burgerschaar,

Hun graf onlvloôn, een passend siersel zijn

Voor 't voeren van een hellebaard.

Met zijne snelvlietende rivier, schilderachtige, oude brug,

groot kasteel, lispelende cipressen, verrukkelijk en vroolijk

verschiet! Streelend Verona!

Tusschen dit alles op de Piazza di Bra--als een geest van de grijze

aloudheid, te midden der gemeenzame werkelijkheid van het vluchtige

thans--staat het groote Romeinsche Amphitheater, zóó wel bewaard en

zorgvuldig onderhouden, dat iedere rij zitplaatsen nog ongeschonden

is. Op enkele der bogen kunnen de Romeinsche cijfers nog gezien

worden, en er zijn gangen en trappen, en onderaardsche wegen voor de

beesten, en slingerpaden, boven en onder den grond, evenals toen de

trotsche duizendtallen er uit- en in snelden, begeerig de bloedige

vertooning van het strijdperk te aanschouwen. Thans nestelen in

sommige der schaduwrijke en holle plaatsen van de muren smeden en

hunne werkplaatsen, en eenige kramers in het klein, die het een

en ander te koop hebben, en op de borstwering is groenend onkruid,

en bladen, en gras. Maar anders is er weinig veranderd.

Toen ik alles met groote belangstelling had doorgeloopen en tot

de bovenste zitplaatsgalerij was gegaan, en, mij afwendende van

het schoone panorama, dat door de nabijgelegen Alpen omsloten werd,

naar beneden zag in het gebouw, scheen het voor mij te liggen als het

inwendige van een verschrikkelijk grooten hoed van gevlochten stroo,

met een zeer breeden rand en een ondiepen bol: de vlechten worden

voorgesteld door de vier en veertig rijen zitbanken. De vergelijking

is huiselijk en phantastisch, ten minste bij herinnering en op papier,

maar zij kwam, desniettemin, oogenblikkelijk onwederstaanbaar bij

mij op.

Eenigen tijd te voren was hier een paardrijderstroep geweest--dezelfde

troep, denk ik, die aan de oude dame in de kerk te Modena verscheen--en

had eene plaats aan het eene einde van het strijdperk opgeruimd,

waar zij hunne kunsten vertoonden en de sporen van de pooten hunner

paarden nog aanwezig waren.

Onwillekeurig stelde ik mij een handvol toeschouwers voor, op een

of twee van deze oude steenen zitbanken bijeen, en een met lovertjes

voorzien ruiter, die beleefd was, of een grappige Polichinello, waar

de barsche wallen op neerzagen. Bovenal dacht ik er aan, hoe vreemd

die Romeinsche zwijgenden naar het geliefkoosde grappige tooneel van

de reizende Engelschen zoude staren, waarin een Engelsch edelman

(Lord John), met een zeer dikken buik, gekleed in een blauwen rok

met panden tot aan de hielen, hooggele broek en een witten hoed,

opkomt, op een steigerend paard zittende met eene Engelsche dame

(Lady Betsey), uitgedost met een strooien hoed, een groenen sluier

en een rood spencer, en die altijd eene reusachtige reticule en eene

opgeslagen parasol met zich voert.

Ik wandelde het overige van den dag de stad door, en kon er, naar ik

geloof, tot nu toe gewandeld hebben. Op eene plaats was er een zeer

aardige nieuwerwetsche schouwburg, waar zij toen juist de opera Romeo

en Julia (die in Verona altijd gaarne gezien wordt) opvoerden.

In een andere was er, onder een zuilengang, eene verzameling Grieksche,

Romeinsche en Etrurische overblijfselen, waarbij een oud man zat,

die zelf wel een Etrurische reliek geleek; want hij was niet sterk

genoeg om het ijzeren hek open te duwen, toen hij het ontsloten

had, en had geen stem genoeg om zich te doen hooren, toen hij de

zeldzaamheden beschreef, noch gezicht genoeg om ze te zien; zoo

heel oud was hij. Op eene andere plaats was er eene galerij van

schilderstukken; zoo schrikkelijk slecht, dat het verrukkelijk was,

die te zien wegrotten. Maar overal, in de kerken, in de paleizen,

in de straten, op de brug, of beneden langs de rivier, was Verona

altijd behaaglijk, en zal het in mijn geheugen altijd blijven.

Ik las dien avond Romeo en Julia in mijne eigen kamer in het

logement--en natuurlijk had een Engelschman dat daar nooit te voren

gelezen--en vertrok den volgenden dag met zonsondergang naar Mantua,

waar ik (gezeten in de coupé van een omnibus en naast den conducteur,

die de Mystères de Paris las, bij mij zelven de regels herhaalde:

Daar is geen wereld, buiten dezen muur,

Maar kwelling, vagevuur, de helle zelf;

Van hier verbannen is verjaagd van de aard,

En zulk een ban is dood-- [33];

waardoor mij werd te binnen gebracht, dat, wanneer men de zaak op

de keper beschouwt, Romeo slechts uit een omtrek van vijf en twintig

mijlen buiten de stad was gebannen, en dit nam wel wat weg van mijn

vertrouwen op zijne geestkracht en fierheid.

Het zou mij bijster verwonderen, dat de weg naar Mantua in zijn tijd

zoo schoon ware geweest! Slingerde hij toen door even groene weiden,

schitterende door dezelfde glansrijke stroomen en geschakeerd door

frissche groepen bevallige boomen! Die purperen bergen lagen er stellig

toen reeds; en de kleeding van die boerendeernen, welke een groote

zilveren pen droegen, die van een knopje voorzien en van achteren door

de haren was gestoken, daarin zal wel kwalijk eenige verandering zijn

gekomen. Het hoopgevend gevoel, door zulk een schoonen ochtend en zulk

een overheerlijken zonsopgang verwekt, voor zoo iets kan geen hart,

ook zelfs dat niet van een uitgebannen minnaar koel blijven, en Mantua

zelf moet hem in het verschiet tegengeblonken hebben, met zijne torens,

en muren, en water, bijna als eene bruiloftskoets vol gasten op een

openbaar plein. Wellicht keerde en wendde hij zich op dezelfde scherpe

wijze over twee rammelende ophaalbruggen en dezelfde lange bedekten

houten brug, en naderde de roestige poort van het stilstaande Mantua,

terwijl hij het drabberige water daarachter verliet.

Zoo er ooit een mensch heeft bestaan, die goed paste voor een

dergelijke woonplaats, en eene woonplaats, die geschikt ware voor

hem, dan pasten de magere apotheker en Mantua volmaakt goed bij

elkander. Wellicht dat het toen woeliger geweest zij. Is dit het geval,

dan was de apotheker een man, die zijn tijd vooruit was, en voorzag

wat Mantua in achttienhonderd vier en veertig zou wezen. Hij vastte

veel en dit hielp hem in zijne voorwetenschap.

Ik stapte af aan het logement de Gouden Leeuw, en was in mijne kamer

met den koerier bezig plannen te maken, toen er een bescheiden tikje

aan de deur werd gedaan, welke op eene buitengalerij uitkwam die om

eene binnenplaats liep. Een zeer haveloos mannetje komt naar binnen,

om te vragen of mijnheer ook een cicerone begeerde om hem de stad te

toonen; zijn gelaat zag er zoo ernstig en ijverig uit, toen hij daar

zoo in de geopende deur stond, en er sprak zooveel armoede uit zijn

kale kleeding en gedeukten hoed, en uit zijne afgesleten handschoenen,

waarmede hij dien vasthield--en dat er niet te minder in uitgedrukt

lag, ofschoon het blijkbaar zijne haastig aangetrokken Zondagsche

kleeren waren--dat ik even gaarne hem zou vertreden als afgewezen

hebben. Ik nam hem op staanden voet aan, en hij kwam dadelijk binnen.

Terwijl ik de redekaveling eindigde met welke ik juist bezig was,

stond hij stralende van vreugd in een hoek en maakte een looze

vertooning alsof hij mijn hoed met zijn arm opwreef. Had zijn loon

zooveel Napoleons bedragen als het nu franken bedroeg, dan had er

over de schemering zijner haveloosheid niet zulk een zonnestraal

kunnen schitteren als er thans op den man glom nu hij aangenomen was.

"Wel," zeide ik, toen ik gereed was, "willen wij nu uitgaan?"

"Als 't mijnheer belieft. 't Is een schoone dag. Wel wat koeltjes,

maar toch aangenaam, recht lief. Gelieft mijnheer, dat ik de deur

open? Dit is de plaats van het logement. De hof van den Gouden

Leeuw. Mijnheer moet oppassen, dat hij op de trap niet uitglijdt."

Wij stonden nu op straat.

"Dit is de straat van den Gouden Leeuw. Dit is de buitenzijde van

den Gouden Leeuw. Het belangwekkende raam, daar boven op de eerste

verdieping, waar die ruit gebroken is, is het raam van mijnheers

kamer!"

Nadat ik al die opmerkelijke voorwerpen had bekeken, vraagde ik,

of er te Mantua veel te zien was.

"Wel, mijnheer! Inderdaad niet. Niet veel! zoo zoo," zeide hij,

zijne schouders, bij wijze van verantwoording, ophalende.

"Veel kerken?"

"Neen. Bijna allen zijn door de Franschen afgeschaft."

"Kloosters?"

"Neen. Alweer door de Franschen! Bijna allen zijn door Napoleon

afgeschaft."

"Is er veel handel?"

"Zeer weinig handel."

"Veel vreemdelingen?"

"Och hemel!"

Ik dacht dat hij in flauwte zou vallen.

"Wat zullen wij," zeide ik, "dan doen als we ginds de twee groote

kerken hebben bezichtigd?"

Hij keek de straat op en af, en wreef op bedeesde wijze zijne kin,

en zeide toen, terwijl hij mij in het aangezicht keek, alsof er een

lichtstraal in zijn geest was gevallen, en tevens met een nederig,

volslagen en onweerstaanbaar beroep op mijne toegeeflijkheid!

"Signore! wij kunnen eene kleine wandeling in de omstreken der stad

doen (Si può far' un piccolo giro delle città)."

Die voorslag kon mij slechts aangenaam wezen en wij gingen te zamen

zeer opgeruimd uit. In zijne vergenoegdheid opende hij zijn hart,

en pakte zooveel van Mantua uit als een cicerone kan doen.

"Men moet eten," zeide hij, "maar Pah! het is ongetwijfeld eene

akelige plaats."

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 37 / 48 段