de gevangene, na gebiecht te hebben, geworgd werd, en raakte met mijne
hand de bewuste deur aan--die laag en als verborgen was,--door welke
de zware zak naar eene boot werd gedragen, en weggeroeid, en in het
water geworpen, dáár, waar men op doodstraf geen net mocht uitwerpen.
Om dezen hechten kerker en boven eenige gedeelten er van: tegen de
ruwe buitenwallen aanspoelende en ze van binnen door vochtigheid en
drab doende uitslaan: de spleten en scheuren vullende met vochtig wier
en met al hetgeen de zee uitwerpt, alsof zelfs de steenen en tralies
monden hadden, die gestopt moesten worden: een gemakkelijken weg
opleverende voor het wegvoeren van de lichamen der geheime slachtoffers
van den Staat--een zoo bereidwilligen weg, dat hij met hen meeging en
voor hen uitliep, evenals een wreede scherprechter--stroomde hetzelfde
water dat ik in mijn droom gezien had, en deed het zelfs toen naar
een droom gelijken.
Uit het paleis naar beneden gaande, langs eene trap, die, zooals ik
dacht, de Reuzentrap genoemd werd--ik meende mij te herinneren, dat
een oud man afstand deed, en langzamer en zwakker de trappen afklom,
toen hij de klok hoorde luiden, die zijn opvolger verkondigde--vertrok
ik met eene dier donkere booten, tot wij aan een oud tuighuis
kwamen, dat door vier marmeren leeuwen bewaakt werd. Om mijn droom
nog monsterachtiger en onwaarschijnlijker te maken, had één van
dezen woorden en zinspreuken op zijn lichaam, daar gegrift op een
ongekenden tijd en in eene ongekende taal; zoodat hun doel voor
iedereen geheim was.
Daar was een licht gehamer in deze plaats hoorbaar, daar men er
schepen bouwde en kleine werkzaamheden verrichtte; want de grootheid
der stad bestond niet meer, zooals ik gezegd heb. Het scheen inderdaad
een wrak te zijn, dat drijvende op het water was gevonden, met eene
vreemde vlag ten top geheschen en vreemdelingen aan zijn roer.
Een prachtig versierd vaartuig, waarmede zijn vroeger opperhoofd op
zekere tijden van het jaar wegvoer, om den Oceaan te huwen, lag, meen
ik, niet meer hier; maar, in zijne plaats, lag er een klein model,
vervaardigd uit het geheugen, evenals de grootheid der stad vroeger:
en het sprak tot mij van hetgeen geweest was (zoo worden de sterken
en de zwakken in het stof gelijk), bijna even welsprekend als de
hechte pilaren, bogen en zolderingen, opgericht om de fraaie schepen
te overschaduwen, die nu geen andere schaduw hadden, op het water of
op de aarde.
Nòg was er eene wapenkamer. Geplunderd en vernield, maar toch eene
wapenkamer, met een trotschen standaard, op de Turken veroverd,
die kwijnde in de sombere lucht van zijne kooi. Rijk versierde
malierustingen, door voorname krijgslieden gedragen, waren daar
bijeenverzameld; kruisbogen en werpspietsen; kokers vol pijlen, speren,
zwaarden, dolken, knotsen, schilden en zware strijdbijlen. Platen van
bewerkt staal en ijzer, om van het edele ros eene monster te maken,
geheel in metaal gesloten; en een werktuig (dat gemakkelijk op de
borst kon gedragen worden), geschikt om zonder gedruisch dienst te
doen: namelijk om de lieden met vergiftigde pijlen te doorschieten.
Eene kast of een gat zag ik, vol met gevloekte marteltuigen, op
afgrijselijke wijze daargesteld om de beenderen der menschen saam te
drukken, en in elkander te knijpen en te vermalen, en te verpletteren,
en ze vaneen te rijten en te verdraaien onder eene pijn, als stierf
men duizend dooden. Twee ijzeren helmen en borststukken lagen er voor,
om de hoofden der nog levende martelaars te drukken en te omsluiten;
en boven op elken was eene kleine verhevenheid, evenals eene aambeeld,
waarop de duivel, die de marteling bestuurde, zijn elleboog kon doen
rusten en zich vooroverbuigen om naar de klaagtonen en bekentenissen
van de ongelukkigen te hooren. De ijzeren helmen hadden nog een
flauwe gelijkenis met het menschelijk gelaat--zij waren vormen van
aangezichten, waarvan het zweet afliep en die door pijn verwrongen
waren--zoodat het moeielijk viel te denken, dat ze ledig waren; en
vreeselijke kramptrekkingen, die er nog in zweefden, schenen mij te
volgen, toen ik mij weder naar mijne boot begaf en naar eene soort van
publieke wandeling op zee roeide, waar gras en boomen waren. Maar ik
vergat die folteringen toen ik aan het uiterste einde er van stond--ik
stond daar in mijn droom--en langs de kust zag, naar de ondergaande
zon: vóór mij, in de lucht en op de diepte een karmozijnrooden gloed,
en achter mij, de geheele stad, die zich oploste in strepen van rood
en purper op het water.
In de bovenmatige verwondering over een zoo zeldzamen droom, lette ik
niet op den tijd en begreep weinig van zijne vlucht. Maar er waren
dagen en nachten in, en als de zon hoog aan den hemel stond en als
de stralen der lampen weerkaatst werden door het snelvlietende water
dreef ik nog steeds, (zooals ik dacht) met het opkomen van het getij,
dat mijn donkere boot, door de straten deed varen, tegen de slibberige
muren en huizen plassende.
Somtijds klom ik af aan de deuren van kerken en groote paleizen,
en wandelde van kamer tot kamer, van zijvleugel tot zijvleugel,
door doolhoven van rijke altaren, oude gedenkteekenen en vervallen
vertrekken, waar de meubelen, half vreeselijk, half belachelijk
wegrotten. Er waren schilderijen, waaruit zulke eene oneindige
schoonheid en uitdrukking, zulk een hartstocht, waarheid en macht
straalde, dat zij even zoovele jonge en versche wezenlijkheden
schenen, te midden van een leger geesten. Ik verbond ze, in mijne
verbeelding, met de oude dagen der stad; met hare schoonheden,
aanvoerders, burgers, kooplieden, makelaars, priesters; ja, zelfs
met hare steenen en pleinen; allen omringden mij weder, met een
nieuw leven bezield. Vervolgens eenige marmeren trappen afklimmende,
waar het water tegen sloeg en af zijpelde, stapte ik in mijne boot,
en voer, al droomende, verder.
Ik ging door nauwe straten, waar timmerlieden, in hunne winkels met
zaag en beitel aan het werk, lichte krullen in het water slingerden,
waar ze evenals wier lagen, of, door den vloed, als een saamgepakte
hoop langs mij heen werden gevoerd. Ik trok langs openstaande deuren,
vervallen en verrot, omdat ze lang in het nat stonden, door welke
een kleine reep van een wijngaard groen en helder schitterde, en met
zijne lispelende bladen ongewone schaduwen op de straat wierp. Ik
trok langs kaaien en terrassen, waar vrouwen, bevallig gesluierd,
heen en weder gingen, en waar luiaards in den zonneschijn op de
steenen of op de trappen lagen. Ik trok langs bruggen, waar ook
menschen waren, die heen en weder slenterden en nu en dan over de
leuning keken. Daaronder waren steenen balkons, zóó gebouwd, voor de
hoogste vensters van de hoogste huizen, dat ze hem duizelig maakten,
die er naar keek;--trok voorbij tuinen, schouwburgen, reliekenkastjes,
wonderbare groepeering van bouwwerken--Gothische--Saraceensche--grillig
met beelden van alle tijden en landen versierd; trok langs gebouwen,
die hoog en laag, en zwart, en wit, en recht, en krom, gemeen en
grootsch, vervallen en sterk waren;--verwarrende te midden van een
dichten hoop booten, en ten laatste terecht komende in eene groote
gracht! Daar verbeeldde ik mij, in mijn droom, den ouden Shylock heen
en weder over de brug te zien gaan, die geheel met winkels bebouwd
was en van waar een gegons van menschenstemmen oprees. Een vorm, die
mij toescheen Desdemona te zijn, boog voorover, onder een zonneblind
door, om een bloem te plukken. En in den droom dacht ik, dat de geest
van Shakespeare ergens over het water zweefde, en door de stad waarde.
Des avonds, toen er twee lampen brandden voor een beeld van de
H. Maagd, in eene galerij aan de buitenzijde der hoofdkerk, bij het
dak, verbeeldde ik mij, dat het groote Piazza van den Gevleugelden
Leeuw helder verlicht was, en dat zijne geheele rij van bogen vol volk
was, terwijl hoopen menschen zich vermaakten in prachtige koffiehuizen,
die er op uitkwamen--en die, naar mij dacht, nooit gesloten waren,
maar den ganschen nacht open bleven. Toen de bronzen reuzen het
middernachtsuur op de klok sloegen, dacht ik, dat al het leven en de
geestdrift dezer stad hier bijeenverzameld was; en toen ik wegroeide,
langs de stille kaaien, zag ik de lieden nog alleen als kleine stipjes
hier en daar, met slapende roeiers, die in hunne mantels gewikkeld,
zoo lang ze waren, op de steenen lagen.
Maar, dicht bij de kaaien en kerken, paleizen en gevangenissen;
schurende tegen de muren en opwellende in de geheimste plaatsen
der stad, kletst het water altijd. Zonder gedruisch en waakzaam, en
in vele plooien er omheen geslingerd, evenals eene oude slang, den
tijd afwachtende--zoo kwam het mij voor--dat men in zijne diepten
zou kijken, om een steen der oude stad te vinden die zich zijne
beheerscheresse noemde.
En zoo spoelde het mij weg, totdat ik ontwaakte op de oude marktplaats
te Verona. Ik heb meermalen naderhand aan dezen vreemden droom op het
water gedacht, mij half bevreemd vragende of die stad er nog liggen
zou, en of haar naam Venetië is.
DOOR VERONA, MANTUA EN MILAAN OVER DEN BERGWEG VAN DEN SIMPLON,
NAAR ZWITSERLAND.
Ik had half en half geaarzeld, naar Verona te gaan, in de vrees
dat het mij de beguicheling zou ontnemen ten aanzien van Romeo en
Julia. Doch zoodra ik op de oude marktplaats was aangekomen, werd de
vergissing uit den weg geruimd. Het is zulk eene grillige, aardige en
schilderachtige plaats, gevormd door zulk een buitengewone en rijke
verscheidenheid van phantastische gebouwen, dat er niets beters kon
worden gevonden, zelfs in het hartje dier romantische stad, die het
tooneel is van een der meest romantische en schoone geschiedenissen.
Het spreekt vanzelf, dat ik, van de markt, rechtstreeks naar het
huis der Capulets ging, dat nu ontaard is in een hoogst ellendig
herbergje. Luidruchtige voerlieden en bemodderde marktkarren betwistten
elkander het bezit van den hof, waar men tot over de enkels in de
vuilnis trad, en waar zich een troep beslijkte en bespatte ganzen
bevond; verder was er een hond met een grimmigen kop, op kwaadaardige
wijze hijgende bij den ingang eener deur, en die Romeo zeker bij het
been zou hebben gepakt, zoodra hij het over den muur stak, indien hij
namelijk toen bestaan en losgeloopen had. De boomgaard is in andere
handen gevallen, en is er, eenige jaren geleden, van afgescheiden
geworden, maar er was er een die bij het huis behoorde, of in allen
gevalle is het mogelijk, dat er een geweest zij--en de hoed [32],
het oude wapenteeken der familie, kan er nog, boven de deur van den
hof in steen gehouwen, worden gezien. De ganzen, de marktkarren,
de voerlieden van deze en de hond bedierven, het moet erkend worden,
de geschiedenis eenigermate, en het zou veel aardiger zijn geweest
het huis ledig te vinden, en door de onbewoonde vertrekken te kunnen
wandelen; maar het zien van den hoed was mij onuitsprekelijk aangenaam,
en de plaats waar vroeger de tuin was, schier niet minder. Buitendien
ziet er het huis zoo wantrouwend en nijdig uit als men er een kan
wenschen te zien, ofschoon het van zeer middelmatige hoogte is. Ik had
er daarom vrede mede, als het wezenlijke huis van den ouden Capulet,
en was dienovereenkomstig erkentelijk ten aanzien van eene uiterst
on-sentimenteele vrouw van middelbaren ouderdom, de waardin uit het
huis, die werkeloos op den drempel stond en naar de ganzen keek,
en die ten minste in het eenige bijzondere opzicht naar de Capulets
geleek, dat zij--in den dagelijkschen zin van het woord--zwaar was.
Van Julia's huis naar Julia's graf is de overgang, voor den bezoeker,
zoo natuurlijk als naar Julia zelve of naar de meest trotsche Julia om
wie ter eeniger tijd de heldere toortsen zijn ontstoken.--Ik ging alzoo
met een gids naar een ouden, zeer ouden tuin, die eens, naar ik geloof,
behoort had tot een oud, zeer oud klooster, en nadat ons eene vrouw
met schitterende oogen, die bezig was met het wasschen van kleeren,
door een verbrijzelde poort had binnengelaten, ging ik naar eenige
wandeldreven, waar versche planten en jonge bloemen lustig opschoten
tusschen brokstukken van oude muren en borstweringen, welke met klimop
waren begroeid. Daar werd mij een kleinen vijver of watertrog getoond,
welke door de vrouw met glinsterende oogen--terwijl zij de armen met
haar doek afdroogde--"La tomba di Giulietta la sfortuata" (Het graf
der ongelukkige Julia) werd genoemd. Met de sterkste geneigdheid om
te gelooven, kon ik het niet verder brengen dan te gelooven, dat de
vrouw met de schitterende oogen zelve het geloofde, zoodat ik haar
dat groote vertrouwen en bovendien hare gewone fooi in klinkende
munt schonk. Dat Julia's rustplaats vergeten was, baarde veeleer
genoegen dan teleurstelling. Hoe troostrijk het ook voor Yorick's
geest moge geweest zijn, op de steenen boven zijn hoofd voetstappen,
en twintigmalen op een dag zijn naam te hooren herhalen, is het echter
voor Julia beter buiten de treklijn der toeristen te liggen, en geene
andere bezoekers te krijgen dan die in voorjaarsregen, zachte lucht
en zonneschijn op de graven komen.
Verona is streelend! Met zijne schoone oude paleizen en bekoorlijk
landschap in het verschiet, dat zich uit de terraswandelingen,
en uit de statelijke, van hekken voorziene galerijen opdoet. Met
zijne Romeinsche poorten, die nog de fraaie straten bespannen, en
in het zonnelicht van heden de schaduw werpen van tweehonderd jaren
vroeger. Met zijne in marmer gekleede kerken, hemelhooge torens,
rijke bouwversierselen en aardige, stille, oude stegen, waar het
geschreeuw der Montagu's en Capulets eens weergalmde:
En deed Verona's oude burgerschaar,
Hun graf onlvloôn, een passend siersel zijn
Voor 't voeren van een hellebaard.
Met zijne snelvlietende rivier, schilderachtige, oude brug,
groot kasteel, lispelende cipressen, verrukkelijk en vroolijk
verschiet! Streelend Verona!
Tusschen dit alles op de Piazza di Bra--als een geest van de grijze
aloudheid, te midden der gemeenzame werkelijkheid van het vluchtige
thans--staat het groote Romeinsche Amphitheater, zóó wel bewaard en
zorgvuldig onderhouden, dat iedere rij zitplaatsen nog ongeschonden
is. Op enkele der bogen kunnen de Romeinsche cijfers nog gezien
worden, en er zijn gangen en trappen, en onderaardsche wegen voor de
beesten, en slingerpaden, boven en onder den grond, evenals toen de
trotsche duizendtallen er uit- en in snelden, begeerig de bloedige
vertooning van het strijdperk te aanschouwen. Thans nestelen in
sommige der schaduwrijke en holle plaatsen van de muren smeden en
hunne werkplaatsen, en eenige kramers in het klein, die het een
en ander te koop hebben, en op de borstwering is groenend onkruid,
en bladen, en gras. Maar anders is er weinig veranderd.
Toen ik alles met groote belangstelling had doorgeloopen en tot
de bovenste zitplaatsgalerij was gegaan, en, mij afwendende van
het schoone panorama, dat door de nabijgelegen Alpen omsloten werd,
naar beneden zag in het gebouw, scheen het voor mij te liggen als het
inwendige van een verschrikkelijk grooten hoed van gevlochten stroo,
met een zeer breeden rand en een ondiepen bol: de vlechten worden
voorgesteld door de vier en veertig rijen zitbanken. De vergelijking
is huiselijk en phantastisch, ten minste bij herinnering en op papier,
maar zij kwam, desniettemin, oogenblikkelijk onwederstaanbaar bij
mij op.
Eenigen tijd te voren was hier een paardrijderstroep geweest--dezelfde
troep, denk ik, die aan de oude dame in de kerk te Modena verscheen--en
had eene plaats aan het eene einde van het strijdperk opgeruimd,
waar zij hunne kunsten vertoonden en de sporen van de pooten hunner
paarden nog aanwezig waren.
Onwillekeurig stelde ik mij een handvol toeschouwers voor, op een
of twee van deze oude steenen zitbanken bijeen, en een met lovertjes
voorzien ruiter, die beleefd was, of een grappige Polichinello, waar
de barsche wallen op neerzagen. Bovenal dacht ik er aan, hoe vreemd
die Romeinsche zwijgenden naar het geliefkoosde grappige tooneel van
de reizende Engelschen zoude staren, waarin een Engelsch edelman
(Lord John), met een zeer dikken buik, gekleed in een blauwen rok
met panden tot aan de hielen, hooggele broek en een witten hoed,
opkomt, op een steigerend paard zittende met eene Engelsche dame
(Lady Betsey), uitgedost met een strooien hoed, een groenen sluier
en een rood spencer, en die altijd eene reusachtige reticule en eene
opgeslagen parasol met zich voert.
Ik wandelde het overige van den dag de stad door, en kon er, naar ik
geloof, tot nu toe gewandeld hebben. Op eene plaats was er een zeer
aardige nieuwerwetsche schouwburg, waar zij toen juist de opera Romeo
en Julia (die in Verona altijd gaarne gezien wordt) opvoerden.
In een andere was er, onder een zuilengang, eene verzameling Grieksche,
Romeinsche en Etrurische overblijfselen, waarbij een oud man zat,
die zelf wel een Etrurische reliek geleek; want hij was niet sterk
genoeg om het ijzeren hek open te duwen, toen hij het ontsloten
had, en had geen stem genoeg om zich te doen hooren, toen hij de
zeldzaamheden beschreef, noch gezicht genoeg om ze te zien; zoo
heel oud was hij. Op eene andere plaats was er eene galerij van
schilderstukken; zoo schrikkelijk slecht, dat het verrukkelijk was,
die te zien wegrotten. Maar overal, in de kerken, in de paleizen,
in de straten, op de brug, of beneden langs de rivier, was Verona
altijd behaaglijk, en zal het in mijn geheugen altijd blijven.
Ik las dien avond Romeo en Julia in mijne eigen kamer in het
logement--en natuurlijk had een Engelschman dat daar nooit te voren
gelezen--en vertrok den volgenden dag met zonsondergang naar Mantua,
waar ik (gezeten in de coupé van een omnibus en naast den conducteur,
die de Mystères de Paris las, bij mij zelven de regels herhaalde:
Daar is geen wereld, buiten dezen muur,
Maar kwelling, vagevuur, de helle zelf;
Van hier verbannen is verjaagd van de aard,
En zulk een ban is dood-- [33];
waardoor mij werd te binnen gebracht, dat, wanneer men de zaak op
de keper beschouwt, Romeo slechts uit een omtrek van vijf en twintig
mijlen buiten de stad was gebannen, en dit nam wel wat weg van mijn
vertrouwen op zijne geestkracht en fierheid.
Het zou mij bijster verwonderen, dat de weg naar Mantua in zijn tijd
zoo schoon ware geweest! Slingerde hij toen door even groene weiden,
schitterende door dezelfde glansrijke stroomen en geschakeerd door
frissche groepen bevallige boomen! Die purperen bergen lagen er stellig
toen reeds; en de kleeding van die boerendeernen, welke een groote
zilveren pen droegen, die van een knopje voorzien en van achteren door
de haren was gestoken, daarin zal wel kwalijk eenige verandering zijn
gekomen. Het hoopgevend gevoel, door zulk een schoonen ochtend en zulk
een overheerlijken zonsopgang verwekt, voor zoo iets kan geen hart,
ook zelfs dat niet van een uitgebannen minnaar koel blijven, en Mantua
zelf moet hem in het verschiet tegengeblonken hebben, met zijne torens,
en muren, en water, bijna als eene bruiloftskoets vol gasten op een
openbaar plein. Wellicht keerde en wendde hij zich op dezelfde scherpe
wijze over twee rammelende ophaalbruggen en dezelfde lange bedekten
houten brug, en naderde de roestige poort van het stilstaande Mantua,
terwijl hij het drabberige water daarachter verliet.
Zoo er ooit een mensch heeft bestaan, die goed paste voor een
dergelijke woonplaats, en eene woonplaats, die geschikt ware voor
hem, dan pasten de magere apotheker en Mantua volmaakt goed bij
elkander. Wellicht dat het toen woeliger geweest zij. Is dit het geval,
dan was de apotheker een man, die zijn tijd vooruit was, en voorzag
wat Mantua in achttienhonderd vier en veertig zou wezen. Hij vastte
veel en dit hielp hem in zijne voorwetenschap.
Ik stapte af aan het logement de Gouden Leeuw, en was in mijne kamer
met den koerier bezig plannen te maken, toen er een bescheiden tikje
aan de deur werd gedaan, welke op eene buitengalerij uitkwam die om
eene binnenplaats liep. Een zeer haveloos mannetje komt naar binnen,
om te vragen of mijnheer ook een cicerone begeerde om hem de stad te
toonen; zijn gelaat zag er zoo ernstig en ijverig uit, toen hij daar
zoo in de geopende deur stond, en er sprak zooveel armoede uit zijn
kale kleeding en gedeukten hoed, en uit zijne afgesleten handschoenen,
waarmede hij dien vasthield--en dat er niet te minder in uitgedrukt
lag, ofschoon het blijkbaar zijne haastig aangetrokken Zondagsche
kleeren waren--dat ik even gaarne hem zou vertreden als afgewezen
hebben. Ik nam hem op staanden voet aan, en hij kwam dadelijk binnen.
Terwijl ik de redekaveling eindigde met welke ik juist bezig was,
stond hij stralende van vreugd in een hoek en maakte een looze
vertooning alsof hij mijn hoed met zijn arm opwreef. Had zijn loon
zooveel Napoleons bedragen als het nu franken bedroeg, dan had er
over de schemering zijner haveloosheid niet zulk een zonnestraal
kunnen schitteren als er thans op den man glom nu hij aangenomen was.
"Wel," zeide ik, toen ik gereed was, "willen wij nu uitgaan?"
"Als 't mijnheer belieft. 't Is een schoone dag. Wel wat koeltjes,
maar toch aangenaam, recht lief. Gelieft mijnheer, dat ik de deur
open? Dit is de plaats van het logement. De hof van den Gouden
Leeuw. Mijnheer moet oppassen, dat hij op de trap niet uitglijdt."
Wij stonden nu op straat.
"Dit is de straat van den Gouden Leeuw. Dit is de buitenzijde van
den Gouden Leeuw. Het belangwekkende raam, daar boven op de eerste
verdieping, waar die ruit gebroken is, is het raam van mijnheers
kamer!"
Nadat ik al die opmerkelijke voorwerpen had bekeken, vraagde ik,
of er te Mantua veel te zien was.
"Wel, mijnheer! Inderdaad niet. Niet veel! zoo zoo," zeide hij,
zijne schouders, bij wijze van verantwoording, ophalende.
"Veel kerken?"
"Neen. Bijna allen zijn door de Franschen afgeschaft."
"Kloosters?"
"Neen. Alweer door de Franschen! Bijna allen zijn door Napoleon
afgeschaft."
"Is er veel handel?"
"Zeer weinig handel."
"Veel vreemdelingen?"
"Och hemel!"
Ik dacht dat hij in flauwte zou vallen.
"Wat zullen wij," zeide ik, "dan doen als we ginds de twee groote
kerken hebben bezichtigd?"
Hij keek de straat op en af, en wreef op bedeesde wijze zijne kin,
en zeide toen, terwijl hij mij in het aangezicht keek, alsof er een
lichtstraal in zijn geest was gevallen, en tevens met een nederig,
volslagen en onweerstaanbaar beroep op mijne toegeeflijkheid!
"Signore! wij kunnen eene kleine wandeling in de omstreken der stad
doen (Si può far' un piccolo giro delle città)."
Die voorslag kon mij slechts aangenaam wezen en wij gingen te zamen
zeer opgeruimd uit. In zijne vergenoegdheid opende hij zijn hart,
en pakte zooveel van Mantua uit als een cicerone kan doen.
"Men moet eten," zeide hij, "maar Pah! het is ongetwijfeld eene
akelige plaats."