ligt eene aangename duisternis over gespreid, zoodat zij zelfs boven
vele steden een duidelijken en onderscheiden indruk op den geest
zou achterlaten, indien zij zich niet nog meer in het geheugen van
den reiziger vestigde, door de beide steenen hellende torens (op
zich zelven, 't moet erkend worden afzichtelijk genoeg), kruiswijs
overhellende alsof zij stijf tegen elkander bogen--waardoor het
perspectief, van eenige der nauwe straten, op zonderlinge wijze wordt
gesloten. Ook de colleges, kerken en paleizen, en vooral de academie
der schoone kunsten, waar een menigte belangwekkende schilderijen zijn,
voornamelijk van Guido, Domenichino en Ludovico Caracci, doen haar
bijzonder heugen. Zelfs indien men er niet deze, en ook niets anders
vond, dat haar in het geheugen kon terugroepen, dan zou de groote
Meridiaan (middaglijn) op het plaveisel der kerk van San Petronio,
waar de zonnestralen den tijd, te midden van het knielende volk,
aantoonen, haar een fantastisch en behaaglijk belang doen inboezemen.
Daar Bologna vol toeristen [30] was, die hier opgehouden werden door
eene overstrooming, welke den weg naar Florence ontoegankelijk maakt,
had ik mijn kwartier boven in den top van een hotel, in eene afgelegene
kamer, die ik nooit kon vinden, waarin eene bedstede was, groot
genoeg voor eene kostschool, waarin ik niet in slaap kon komen. De
voornaamste der bedienden, die dit eenzaam vertrekje bezocht, waar
geen ander gezelschap was dan de zwaluwen op de breede bogen boven
het venster, was een man, met betrekking tot de Engelschen, met ééne
gedachte bezield; en het onderwerp dezer onschuldige monomania was
Lord Byron. Ik ontdekte het bij toeval, toen ik, bij het ontbijt, hem
de opmerking maakte, dat de matten, waarmede de vloer bedekt was, in
dezen tijd van het jaar zeer aangenaam waren; waarop hij onmiddellijk
antwoordde, dat Mylor Bryon zeer gehecht was geweest aan dat soort
matten. Ter zelfder tijd bemerkende, dat ik geene melk gebruikte, riep
hij met geestdrift uit, dat Mylor Bryon die nooit had aangeraakt. In
het eerst hield ik mij in mijne eenvoudigheid verzekerd, dat hij een
van Byron's bedienden was geweest; maar neen, hij zeide neen, hij
had de gewoonte met Engelsche heeren over Mylor te spreken, dat was
alles. Hij wist alles van hem, zeide hij; ten bewijze hiervan bracht
hij hem in verband met ieder mogelijk onderwerp, van den wijn bij het
middagmaal (die op een landgoed was gegroeid, dat hem toebehoord had)
tot zelfs met het groote bed, dat juist als het zijne was.
Toen ik het logement verliet, voegde hij bij zijne laatste buiging
op het plein eene laatste verzekering, dat Mylor Bryon het liefst
den weg had bereden, langs welken ik vertrok, en vóór de hoeven der
paarden zich op de steenen deden hooren, snelde hij vlug de trappen op,
waarschijnlijk om een anderen Engelschman, in eene andere afgelegene
kamer, te verhalen, dat de gast zoo even vertrokken, het levend
evenbeeld van Lord Byron was.
Ik was Bologna op den laten avond binnengetrokken--bijna te
middernacht--en langs den geheelen weg er naar toe, zoodra wij op
Pauselijk grondgebied waren--dat nergens bijzonder wel bestuurd wordt,
daar de sleutels van Sint Petrus thans wel wat geroest zijn--was de
voerman zóó gejaagd, door het gevaar van door roovers aangevallen
te worden als men in het donker reisde, en had die vrees zóózeer
aan den braven koerier medegedeeld, en beiden hadden zóó gedurig
stilgehouden, en waren uit- en afgeklommen, om naar een valies te zien,
hetwelk achterop gebonden was, dat ik hem, die het had weggenomen,
bijna bedankt zou hebben. Van toen af werd het bepaald, dat, wanneer
wij Bologna verlieten, wij op zulk een uur zouden vertrekken, dat
wij te Ferrara niet later dan omstreeks acht of negen uur zouden
aankomen; en het was eene aangename achtermiddag- en avondreis,
niettegenstaande zij door laag liggende landen ging, die trapsgewijs
moerassiger werden door het overstroomen der beekjes en rivieren,
sedert de onlangs plaats gehad hebbende hevige regenbuien.
Toen ik tegen zonsondergang alleen voortwandelde, terwijl de paarden
rustten, bereikte ik eene kleine plaats, welke, door eene dier
zonderlinge werkingen van den geest, welke wij allen ondervinden,
mij volmaakt bekend toescheen, en die ik thans nog duidelijk voor mij
zie. Er stak niet veel bijzonders in; in het donkerroode licht werd een
somber meertje door den avondwind in beweging gebracht; aan den kant
eenige boomen. Op den voorgrond was eene groep zwijgende boerenmeisjes,
liggende over de leuning van eene kleine brug en ziende, nu eens naar
den hemel, dan weder naar het water; in de verte eene doffe klok;
de schaduw van den naderenden nacht rustte op alles. Ware ik daar
in eenig vroeger leven vermoord geworden, dan had ik mij de plaats
niet beter of met eene dieper gevoelde huivering kunnen herinneren;
en de wezenlijke heugenis daarvan, in dat oogenblik verkregen, is
zóó versterkt door de hersenschimmige, dat ik bijna betwijfel of ik
het zou kunnen vergeten.
Oud Ferrara is eenzamer, meer ontvolkt en verwoest, dan eenige deftige
zusterstad. Het gras groeit zoo hoog in de stille straten, dat iedereen
er, in den letterlijken zin van het woord, zoolang de zon schijnt, hooi
zou kunnen maaien. Maar de zon schijnt met verminderde vroolijkheid
in het barsche Ferrara; en er gaat zoo weinig volk langs de markten,
dat het vleesch van hare bewoners inderdaad gras zou kunnen zijn en
op de pleinen groeien.
Het verwondert mij, dat de voornaamste smid in eene Italiaansche stad
altoos naast een logement woont, of er tegenover, en bij den bezoeker
een gevoel verwekt, alsof de slaande hamers zijn eigen hart waren,
dat met eene doodelijke drift klopte! Ik verwonder mij er over, waarom
de slaapkamer van alle zijden omgeven is door gangen, uit argwaan
vervaardigd, die haar met onnoodige deuren vullen, en niet gesloten
of geopend kunnen worden, en eene akelige duisternis veroorzaken.
Ik verwonder mij, waarom het niet voldoende is, dat deze wantrouwende
geniën den geheelen nacht iemands droomen staan aan te gapen, maar
dat er nog ronde gaten moeten zijn, hoog in den muur, die er u van
verwittigen wanneer er eene muis of rat achter het beschot wordt
gehoord, of iemand den muur met zijne teenen schraapt, terwijl hij
poogt een dezer gaatjes te bereiken en er door te zien.
Ik verwonder mij, waarom de takkenbossen zoodanig zijn gemaakt, dat zij
geen ander uitwerksel kennen dan eene overmatige hitte, wanneer ze in
vlam geraken, en op alle andere tijden doen rillen van kou en stikken
van de rook. Vooral verwonder ik mij, waarom het 't eigendommelijk
kenmerk van burgerlijke bouwkunde in de Italiaansche logementen is,
dat al het vuur in den schoorsteen trekt, behalve de rook.
Het antwoord doet niets af. Smeden, deuren, kijkgaten, rook-
en takkenbossen zijn mij welkom. Toon mij het glimlachend gelaat
van den bediende, hetzij man of vrouw; de hoffelijke manieren, het
beminnelijke verlangen om te behagen, het luchthartig, aangenaam,
eenvoudig voorkomen--als zoovele juweelen in het slijk--en morgen
ben ik er weer.
Het huis van Ariosto, de gevangenis van Tasso, eene zeldzame,
oude, gothische hoofdkerk en, natuurlijk, nog meer kerken, zijn het
bezienswaardigste van Ferrara. Maar de lange stille straten, en de
vervallen paleizen, waar het klimop waait in plaats der banieren,
en waar weelderig onkruid traag over de trappen kruipt, die sinds
lang door geen menschelijken voet betreden waren, zijn het schoonst.
Het gezicht van deze treurige stad, een half uur voor het opgaan
der zon, op zekeren schoonen morgen, toen ik haar verliet, was even
schilderachtig als het fantastisch en spookachtig scheen. Het kwam er
niet op aan, dat de menschen nog niet waren opgestaan; want al waren
zij allen op, en bezig geweest, dan zou het in deze woestenij nog
weinig onderscheid hebben gemaakt. Het was 't best het te aanschouwen,
zonder een enkel beeld in het tafereel: eene stad der dooden zonder
een enkelen overgeblevene.
De pest zou de straten, pleinen en markten gevaagd kunnen hebben, en de
plundering en inneming der stad de oude huizen doen instorten, hunne
deuren en vensters nedergeworpen en hunne zoldering vaneen gereten
hebben.--In een gedeelte verhief zich een oude toren hemelwaarts;
het eenige in dit droefgeestig uitzicht, waarop het oog rustte.
In een ander gedeelte stond in de verte een wonderbaarlijk kasteel,
omgeven door eene gracht, eene onvriendelijk uitziende stad op zich
zelve. In de donkere kerkers van dit kasteel werden Parisina en haar
minnaar, in het holste van den nacht, onthoofd. Toen ik er opnieuw
naar zag, kleurde het morgenlicht, dat aanbrak, zijne buitenmuren
rood, evenals zij, in vroegere dagen, meer dan eens van binnen waren
bepurperd; maar bij het minste geritsel zou het kasteel en de stad
door alle menschelijke schepsels geschuwd worden, sedert het oogenblik
dat de bijl op de laatste der beide minnenden nederviel en er nooit
een anderen klank weer is teruggekaatst,
Dan van de bijl, die forsch en met een doffen schok,
En spier en wervel klieft en neerploft op het blok.
Aan de Po gekomen, die zeer gezwollen was en trotsch voortrolde,
trokken wij eene schipbrug over, bereikten zoo het Oostenrijksch
grondgebied, en vervolgden onze reis door eene landstreek, die eenige
mijlen in het rond grootendeels onder water stond. De brave koerier
en de soldaten hadden in het eerst, gedurende een half uur of meer,
gekeven over ons eeuwig paspoort.
Maar dit was eene dagelijksche uitspanning voor den braven koerier,
die altijd stokdoof was, als armoedig gekleede ambtenaren in uniform
naar ons toekwamen, zooals zij voortdurend deden, en houten doosjes
uitstaken opdat we er naar zouden zien--of, met andere woorden, om
te bedelen--en die, onwillig tot het voldoen aan mijne verzoeken,
dat men den man eene kleinigheid zou geven, opdat wij onze reis in
vrede konden vervolgen, gewoon was de beambten in gebroken Engelsch te
vermanen; terwijl het gezicht van den ongelukkigen man, die volstrekt
niet begreep, wat er te zijnen nadeele gezegd werd, een afbeeldsel
was van de diepste zielesmart, waarvan het portierraam de lijst vormde.
In den loop van de dagreis hadden wij tot postiljon een zoo
wilden en woesten, knappen landlooper, als ge verlangen zoudt te
zien. Hij was eene lange, forsch-gebouwde, donkerkleurige kerel,
met een overvloed van zwart haar, dat over zijn gezicht hing, en
groote zwarte bakkebaarden, die tot onder zijne keel doorliepen. Zijne
kleeding bestond uit een gescheurd pak van jagers-groen laken, hier en
daar met rood versierd; een spits toeloopenden, kalen hoed, met eene
bemorste en gebroken veer tusschen het lint gestoken; en een vuurrooden
halsdoek die over zijne schouders hing. Hij zat niet op den zadel,
maar rustte geheel op zijn gemak op een soort van laag voetbankje,
aan de postsjees, beneden tusschen de paardenstaarten--bijzonder
geschikt om ieder oogenblik zijne hersens uit het hoofd te laten
schoppen. Tot dezen roover zeide de brave koerier, bij toeval, toen
wij op een redelijk drafje gingen, of er geene mogelijkheid was om
sneller te rijden.
Hij ontving het voorstel met een spottend gehuil, zwaaide zijn zweep
over het hoofd (en welk eene zweep! het geleek meer op een Engelschen
schietboog), wierp zijne hielen boven de paarden uit, en verdween
bij zulk een aanval ergens in de nabijheid van den wagenboom. Ik
verwachtte zeker hem op den weg te zien liggen, honderd yards [31]
achter ons, maar daar stak de spitse hoed in het volgend oogenblik er
weer boven uit, en ik zag hem uitrusten, als in eene sofa, terwijl
hij daarover nadacht, en uitriep: "Ha! ha! wat nu weer. O! te
duivel! Meer aanstappen! Shoe--hoe--oe--oe!" Deze laatste uitroep
was een onuitsprekelijk tartend geschreeuw. Daar ik verlangend was
onze onmiddellijke bestemming nog dien avond te bereiken, waagde ik
zelf nu en dan de eigen proef. Zij bracht juist dezelfde uitwerking
voort. De zweep vloog met denzelfden verachtelijken zwaai in het
rond, de hielen vlogen naar de hoogte, de spitse hoed naar de laagte
en daarop vertoonde hij zich weder, uitrustende als te voren en tot
zich zelven zeggende: "Ha! ha! wat nu weer! Meer aanstappen. O! te
duivel! Shoe--hoe--oe--oe."
EEN ITALIAANSCHE DROOM.
Ik had eenige dagen lang gereisd, des nachts weinig uitrustende en
nooit op den dag. De snelle en onafgebroken opvolging van nieuwigheden,
die mij voorbijgetrokken waren, kwamen als halfgevormde droomen voor
mijn geest, en eene menigte onderwerpen waarden, onder het voorttrekken
langs een eenzamen weg, in de grootste verwarring door mijn brein. Bij
tusschenpoozen stond er een, bij het rusteloos heen en weder zweven,
als het ware, stil, en stelde mij in staat er oplettend naar te zien,
en het duidelijk te onderscheiden en te beschouwen.
Na eenige oogenblikken verflauwt het, evenals de voorwerpen van
eene tooverlantaren; en terwijl ik een gedeelte er van duidelijk
voor mij zag, en een ander gedeelte flauwer, en weder een in het
geheel niet, vertoonde het mij een ander beeld van de vele plaatsen,
welke ik onlangs had gezien, achteraan zwevende en er doorheen
schijnende. Zoodra dit zichtbaar was versmolt het, op zijne beurt,
in iets anders.
Het eene oogenblik stond ik weder voor den ouden bruinen hechten
kerker van Modena. Terwijl ik de zonderlinge pilaren herkende met
hunne voetstukken vol grijnzende monsters, scheen ik ze op zich
zelve staande te zien, op het stille plein te Padua, waar de oude,
stemmige Hoogeschool was, en de beelden, zedig gekleed, hier en daar
in de open ruimte er om verspreid. Dan weder zwierf ik rond in de
voorsteden der bevallige stad, en bewonderde de buitengewone netheid
der huizen, tuinen en wijngaarden, als had ik ze slechts een paar uren
te voren gezien. In hare plaats verrezen onmiddellijk de twee torens
van Bologna; en de hardnekkigsten van al deze onderwerpen zonken weg,
bij het monsterachtig, omwalde kasteel van Ferrara, dat, als eene
opluistering eener grillige ballade, door den rooden gloed der zon
beschenen, zich opnieuw aan mijne oogen voordeed, zegepralende over
de eenzame, met gras begroeide, vervallen stad.
In het kort, ik gevoelde deze onsamenhangende schudding der hersenen,
waaraan reizigers licht onderhevig zijn en zorgeloos bevorderen. Iedere
schok van het rijtuig waarin ik zat, half dommelend in het duister,
scheen eene nieuwe herinnering uit, of eene andere nieuwe in hare
plaats te brengen, en in dezen staat viel ik in slaap.
Na eenigen tijd ontwaakte ik (zooals ik dacht) door het ophouden van
het rijtuig. Het was nu geheel donker, en wij waren aan den kant van
het water. Daar lag eene zwarte boot met een klein huisje of kajuitje
er in van dezelfde donkere kleur. Toen ik daarin neergezeten was,
werd de boot door twee mannen voortgeroeid, naar een groot licht,
in de verte op het water liggende.
Nu en dan deed zich een akelige zucht van den wind hooren. Hij
bracht het water in beweging, en schudde de boot en dreef de wolken
weg die de sterren bedekten. Ik kon mij niet weerhouden te denken,
hoe vreemd het was, op dit uur weg te varen, het land achter zich
te laten, en voort te gaan naar dit licht op het water. Het begon
spoedig meer schitterend te worden, en veranderde van één licht in
een hoop waskaarsen, flonkerende en op het water schijnende, hoe meer
de boot naderde, langs een droomerig soort van spoor, kenbaar op het
water aan palen en stijlen.
Wij hadden vijf mijlen of daaromtrent voortgevaren over het
donkergroene water, toen ik het, in mijn droom, hoorde kabbelen tegen
eenige hinderpalen in de nabijheid. Aandachtig uitkijkende, zag ik door
den nevel iets zwarts en lomps--evenals de kust, maar vlak en dicht op
het water liggende, gelijk een vlot--waarlangs wij voorbijgleden. Het
opperhoofd der beide roeiers zeide, dat het eene begraafplaats was.
Geheel bezield met belangstellende verwondering over eene
begraafplaats, die daar lag, te midden der eenzame zee, wendde ik mij
om, om haar te bezichtigen, daar zij uit ons spoor zou verdwijnen,
toen ik haar plotseling uit mijne oogen verloor. Voor ik wist hoe of
wat, zag ik, dat wij over eene straat gleden--eene spookstraat; de
huizen, aan beide zijden, uit het water rijzende, en de zwarte boot
voortglijdende onder hunne vensters. Uit eenige dezer ramen schenen
lichten, die hunne weerkaatsende stralen tot op den bodem van den
duisteren stroom schoten, maar alles was in diepe stilte verzonken.
Zoo trokken wij door deze geestenstad, voortgaande onzen koers
te richten door nauwe straten en stegen, allen gevuld met, en
overvloeiend van het water. Enkele hoeken, waar onze weg van richting
veranderde, waren zoo scherp en nauw, dat het voor de lange, ranke boot
onmogelijk scheen, er omheen te wenden; maar de roeiers een flauwen,
welluidenden, waarschuwenden kreet slakende, gleden er langs zonder te
rusten. Somtijds herhaalden de roeiers, van eene andere zwarte boot
evenals de onze, den kreet, en hunne vaart vertragende (gelijk ik
dacht dat het met de onze 't geval was) kwamen zij ons voorbijvaren,
evenals een duistere schaduw. Andere booten, van dezelfde sombere tint,
lagen vastgemeerd, zooals ik dacht, aan geschilderde pilaren, naast
donkere, geheimzinnige deuren, die onmiddellijk op het water uitkwamen.
Eenige van deze waren ledig; in andere lagen de roeiers te slapen, naar
ééne zag ik eenige beelden uit een sombere gewelfde gang komen, van uit
het inwendige van een paleis, en begeleid door toortsdragers. Ik zag ze
maar ter vlucht; want eene brug, zoo laag en zoo dicht bij de boot,
dat zij gereed scheen om neer te storten en ons te verpletteren,
één van die menigte bruggen, die den droom in de war brengen,
bracht ze oogenblikkelijk uit mijne oogen. Wij voeren verder, naar
het midden dezer vreemde plaats--met water overal om ons heen waar
nooit ergens anders water was--rijen huizen, kerken, groepen statige
gebouwen, die er boven uitstaken--en, overal dezelfde buitengewone
stilte. Onmiddellijk doorkliefden wij een breeden en open stroom,
en voeren, zooals ik dacht, voorbij eene ruime, bestrate kaai, waar
de flonkerende lampen, waarmede zij verlicht was, lange rijen bogen en
pilaren deden zichtbaar worden, van eene lompe, sterke samenstelling en
belangrijke hechtheid, maar even rank voor het oog als spinnewebben of
St.-Maria's-draden--en waarop ik voor het eerst volk zag wandelen--en
kwamen bij trappen aan, die van het water naar een groot huis leidden,
waar ik, na tallooze gangen en gaanderijen te zijn doorgegaan, mij
ter ruste nedervleide; luisterende naar het geraas door de donkere
booten teweeggebracht, welke door het kabbelende water tegen het
venster op en neer werden bewogen, totdat ik in slaap viel.
De glans van den dag, die mij in dezen droom bescheen; zijne frischheid
en beweging, het drijvende er van, het schijnen van de zon op het
water, zijn helderblauwe hemel en het suizen der lucht, kunnen door
geene woorden van wakenden verhaald worden.
Maar van uit mijn venster zag ik naar beneden op de booten en sloepen;
op masten, zeilen, touwwerk, vlaggen; op groepen bezige zeelieden,
werkende aan de ladingen dezer schepen; op ruime kaaien, met balen,
kisten en koopmansgoederen van alle soort bedekt; en groote schepen,
in de nabijheid liggende in statige luiheid; op eilanden, bezaaid
met prachtige koepels en torens; en waar gouden kruisen in het
licht schitterden, boven op wonderlijke kerken, die uit de zee
ontsprongen. Naar beneden gaande, langs den kant der groene zee,
wier baren voor de deur rolden en al de straten vulden, kwam ik op
een plein van zulk eene alles overtreffende schoonheid en grootheid,
dat al het overige nietig en flauw was, in vergelijking met de
liefelijkheid er van, die alle aandacht tot zich trok.
Het was een groot Piazza, naar het mij voorkwam; geankerd, evenals de
rest, op den diepen Oceaan. Op zijne breede vlakte stond een paleis,
meer majestueus in zijn hoogen ouderdom dan al de gebouwen der aarde in
den grootsten bloei en volheid van hunne jeugd. Kloosters en galerijen,
zoo rank dat zij misschien het werk van toovernimfen waren; zoo sterk,
dat eeuwen er tevergeefs op gebeukt hebben, wendden zich om dit paleis,
en omgaven het benevens eene hoofdkerk, schitterend door de wilde,
weelderige phantasieën van het Oosten. Niet ver van zijn ingang
staat een hooge toren; afgescheiden en zijn trotsch hoofd eenzaam ten
hemel verheffende, overziet hij de Adriatische zee. Nabij den kant
des strooms stonden twee roode granieten, onheilspellende pilaren;
de een heeft op zijn top een beeld, met zwaard en schild gewapend;
de ander een gevleugelden leeuw. Weder niet ver van deze, een tweede
toren, in al zijn versierselen de rijkste onder de rijken, zelfs hier,
waar alles rijk was; omhoog houdende een grooten wereldkloot, die
glinsterde van het goud en het donkerste blauw; de twaalf teekenen van
den dierenriem waren er op geschilderd, en eene kunstmatig nagebootste
zon wentelde er zich omheen; terwijl vlak er boven twee metalen reuzen
de uren op eene klok sloegen. Een ovaal plein met hooge huizen van
den allerwitsten steen, omringd door een ranken en fraaien booggang;
en hier en daar verhieven zich van het plaveisel van den weeken grond
sierlijke, spits toeloopende masten, om er de vlaggen aan te hijschen.
Mij dacht dat ik in de hoofdkerk trad, en in- en uitging onder hare
menigte bogen, die door hare geheele lengte loopen. Een grootaardige
en vakerige bouwstijl van onmetelijke evenredigheden; verguld met oude
mozaïeken; overladen met welriekende geuren, beneveld door den wierook;
kostbaar door schatten van edelgesteenten en metalen, flonkerend achter
ijzeren tralies; geheiligd door de lichamen der martelaren; als de
regenboog geschakeerd met vensters van gekleurd glas, duister door het
uitgesneden hout en het gekleurde marmer; somber in hare uitgestrekte
hoogten en verwijderde afstanden; glinsterende van zilveren lampen
en flikkerende lichten, denkbeeldig, phantastisch, eerbiedwekkend,
overal onbegrijpelijk. Mij dacht, ik betrad het oude paleis; mijne
schreden richtende door oude galerijen en raadkamers, waar de vroegere
bestuurders van de beheerscheresse der wateren, ernstig, in portret,
van de muren voor zich zagen, en waar hare hooggeroemde galeien, op het
doek nog altijd zegepralend, als vroeger streden en overwonnen. Mij
dacht, ik zwierf door zijne staatsie- en zegehallen--nu naakt en
ledig,--en terwijl ik staarde naar zijne vervlogen trotschheid en macht
(want dat alles was voorbij; alles) hoorde ik eene stem uitroepen:
"Eenige teekens van zijne oude heerschappij, en enkele troostredenen
voor zijn val, kunnen hier thans vrij opgespoord worden!" Ik droomde,
dat men mij toen voortleidde in eenige kamers, waar ik nog niet was
geweest, en die verbonden waren met eene gevangenis, nabij het paleis;
die daarvan gescheiden was door eene hooge brug, welke over eene nauwe
straat liep; en, zooals ik droomde, de Brug der Zuchten genoemd werd.
Maar eerst ging ik voorbij twee spleten, in den steenen muur
uitgehouwen: de Leeuwenmuilen--nu tandeloos--waarin, het kwam mij
ten minste in de ontroerende akeligheid van mijn slaap zóó voor,
aanklachten tegen onschuldigen, bij den ouden, slechten Raad
ingeleverd, meer dan eens in een donkeren nacht, werden geworpen.
Toen ik nu de raadkamer zag, waar dergelijke gevangenen ondervraagd
werden, en de deur, waar zij doorgingen, als zij veroordeeld
waren--eene deur, die nimmer dichtviel achter een man, die nog hoop
had te leven--scheen mijn hart in mijn boezem te willen barsten.
Het werd nog meer aangedaan toen ik, met eene fakkel in de hand, van
uit het vroolijke daglicht nederdaalde in twee rijen afgrijselijke,
akelige, verschrikkelijke, steenen cellen, de eene rij onder de andere;
zij waren geheel donker. In elke was een gat in den hechten muur,
waar, in vroeger tijd, iederen dag eene fakkel geplaatst werd--zoo
droomde ik--om den gevangene, die daarin was, voor een half uur
licht te verschaffen. De gevangenen hadden bij den glans dezer
kortstondige stralen, in de donkere gewelven, opschriften gekrast
en uitgehouwen. Ik zag deze. Want hun werk, door de punt van een
roestigen spijker voortgebracht, heeft hunne doodsangsten en hen
zelven, langer dan vele geslachten, overleefd.
Ik zag eene cel, waarin niemand langer dan vier en twintig uren
verbleef--daar hij ter dood veroordeeld was, voor hij haar betrad;
vlak er bij, eene andere, nog akeliger cel, waar de biechtvader te
middernacht kwam--een in het bruin gehulde monnik--die er overdag en
in de vrije, heldere lucht spookachtig uitzag, maar in de schemering
dezer duistere gevangenis alle hoop deed verdwijnen, en den heraut
van den moord geleek.