die eene binnenplaats omgaven, waar onze koets, en een paar wagens, en
eene partij gevogelte en brandhout, holder de bolder opgehoopt waren,
zoodat ge niet hadt kunnen weten of er op zweren, wat een vogel en
wat eene kar was. Wij volgden er een slaperigen man met eene brandende
fakkel in een groote koude kamer, waar zich twee schrikkelijk breede
bedden bevonden, die gespreid waren op iets, dat het voorkomen had van
twee verbazend breede planken eettafels te zijn; eene andere planken
tafel van gelijke afmetingen in het midden van den naakten vloer;
vier ramen en twee stoelen. Men zeide mij, dat het mijne kamer was;
en ik wandelde er omtrent een half uur op en neer, terwijl ik staarde
naar den Toskanees, den ouden priester, den jongen priester en den
advocaat (de roodneus woonde in de stad en was naar huis gegaan),
die op de bedden zaten en wederkeerig naar mij staarden.
Het uitgemaakt droevig-gekke van dien stand van zaken wordt afgebroken
door het bericht van den braven koerier (die middelerwijl kok is
geweest), dat het avondmaal gereed is; en wij gaan allen naar de
kamer van den priester (die naast aan gelegen en een tegenhanger
is van de mijne). Het eerste gerecht is eene kool met een groote
hoeveelheid rijst in eene terrine vol water gekookt, en met kaas
gekruid. Dit is zóó heet en wij zijn zóó koud, dat het zeer aangenaam
smaakt. Het tweede gerecht bestaat uit eenige stukjes varkensvleesch
met nieren van speenvarkens gebraden. Het derde bestaat uit twee roode
vogels. Het vierde uit twee kleine, roode kalkoenen. Het vijfde is een
sterk gerecht van knoflook en truffels, en ik weet niet wat al nog;
en dit besloot den maaltijd.
Alvorens ik in mijne eigen kamer kan gaan zitten, en nagaan, dat zij
onder de vochtigste behoort, gaat de deur open en de brave koerier komt
binnenzeilen te midden van zulk eene hoeveelheid brandhout, dat hij er
uitziet als een geheel bosch dat eene winterwandeling gaat doen. Hij
ontsteekt dien hoop in een oogwenk en brengt eene groote kruik met
heeten brandewijn en water; want zijne eigen flesch wisselt af met de
jaargetijden en bevat thans niets dan den zuiversten brandewijn. Na
deze verrichting begeeft hij zich ter ruste; en ik hoor hem nog een
uur naderhand, en zelfs nog tot ik inslaap, hoe hij kwinkslagen maakt
in een ander buitengebouw, waar hij (waarschijnlijk goed ingezeept)
aan het sigaren rooken is met een aantal vertrouwde vrienden. Hij is
nooit te voren hier in huis geweest; maar hij kent overal iedereen,
zoodra hij ergens vijf minuten is geweest, en is er zeker van, in
hetzelfde tijdsverloop, al de personen van het huis op het innigste
aan zich verknocht te hebben.
Dit gebeurt te middernacht. Den volgenden ochtend te vier uur is
hij reeds weder op, frisscher dan eene pas ontloken roos. Hij stookt
vlammende vuren, zonder de minste vergunning van den waard, en levert
ons kroezen kokende koffie, als niemand zich iets anders dan koud
water kan verschaffen; en loopt de donkere straten rond, en schreeuwt
om versche melk, of wellicht iemand, die eene koe bezit, uit zijn bed
stapt, om hem er van te voorzien. Terwijl we op de paarden wachten,
doe ik een uitstapje in de stad. Zij schijnt één enkel plein te vormen,
en daarbij een koude vochtige wind die afwisselend in en uit de bogen
waait; en, om zoo te zeggen, een soort van patroon vormt. Maar het is
stikdonker en het stortregent, en ik zou haar morgen niet herkennen
indien ik daar teruggevoerd werd om het te beproeven. Dat de hemel
verhoede!
De paarden zijn er binnen omtrent een uur. In den tusschentijd vloekt
de voerman, en slaat nu eens christelijke en dan weer heidensche
vloeken uit. Is het somtijds een lange, samengestelde vloek, dan
begint hij met het christendom en daalt tot in het heidendom neer. Er
worden verschillende boden afgezonden; niet zoozeer om de paarden,
als wel om elkander op te zoeken; want de eerst gezondene komt maar
niet terug, en de rest doet als hij. Eindelijk komen de paarden aan,
door al de boden omringd, die ze deels schoppen, deels voorttrekken,
terwijl allen ze een vloed van scheldwoorden toevoegen. Daarop nemen
de oude priester, de jonge priester, de advocaat, de Toskanees en
wij allen onze plaatsen; en er wordt uit de deuren van schuurtjes
op verschillende plaatsen van het binnenplein door slaperige stemmen
uitgeroepen: "Addio corrière mio! Buon' viaggio, corrière!" (Vaarwel,
lieve koerier! Goede reis, koerier!) Er worden groeten gewisseld met
den koerier, die ze, met een gelaat tot één monsterachtig, lachend
gegrijns vertrokken, op dezelfde wijze beantwoordt, terwijl wij door
het slijk weghotsen.
Te Piacenza, op vier of vijf uren afstand van de herberg te Stradella,
ging ons klein gezelschap voor de deur van het logement uiteen, terwijl
van alle zijden verschillende betuigingen van vriendschappelijke
gevoelens werden gedaan. De oude priester kreeg alweer de kramp,
voor hij ter helft van de straat was gekomen; en de jonge priester
legde het pakje boeken op een deurdrempel, terwijl hij plichtmatig de
beenen van den ouden heer wreef. De cliënt van den advocaat wachtte hem
af aan de poort van den hof, en kuste hem op elken wang met zulk een
klappenden smak, dat ik vrees, òf dat zijne zaak zeer slecht staat, òf
dat hij eene slecht gespekte beurs heeft. De Toskanees ging slenterend
heen, met eene sigaar in den mond en hield zijn hoed in de hand, om
de einden zijner uit elkander geraakte knevels des te beter te kunnen
opdraaien. En terwijl de brave koerier en ik heendwaalden om de plaats
te bezien, begon hij dadelijk mij te onderhouden met de bijzondere
geschiedenis en de huiselijke zaken van het geheele gezelschap.
Piacenza is eene vervallen oude stad en ziet er somber uit. De plaats
is verlaten, eenzaam en met gras begroeid, en hare wallen liggen
in puinhoopen, met half gevulde loopgraven, die eene smerige weide
opleveren voor de magere koeien welke daar rondloopen, en straten
met sombere, onvriendelijke huizen die pruilen tegen de andere
huizen aan de overzijde. De slaperigste en meest havelooze soldaten
wandelen er rond, onder de dubbele bezoeking van luiheid en armoede,
op onhebbelijke wijze hunne slecht gemaakte uniformen kreukelende: de
morsigste kinderen spelen met hun impromptu speelgoed (speenvarkens
en slijk) in de smalste goten; de magerste van alle honden loopen
de naaste deuren in en uit, en zoeken er eeuwig eenig voedsel,
dat zij er volstrekt niet schijnen te vinden. Een geheimzinnig en
statig paleis dat bewaakt wordt door twee kolossale standbeelden
(tweelings-geniën der stad), staat met deftigheid in het midden der
doodsche stad; en de koning met de marmeren beenen, die ten tijde der
Duizend-en-één-nacht bloeide, had daarbinnen vergenoegd kunnen leven,
en in zijne bovenhelft van vleesch en bloed nooit de zielskracht
hebben, om behoefte te gevoelen er buiten te komen.
Welk eene vreemde, treurig verrukkelijke druilpartij is het niet,
rond te dwalen in die plaatsen, welke gaan slapen en zich in de zon
koesteren! Elke van deze schijnt op hare beurt de voornaamste te
zijn onder al de beschimmelde, nare steden in de wijde wereld. Op
dit heuveltje gezeten, waar vroeger een bastion bestond, en ten
tijde toen de oude Romeinen zich hier hadden nedergezet eene
luidruchtige vesting was, begon ik te vermoeden, dat ik tot nu
toe nooit had geweten, wat het wilde zeggen, vadsig te zijn. In
juist zulk een staat moet voorzeker het mormeldier verkeeren, vóór
het zich terugtrekt in zijne woning; of de schildpad voor ze zich
begraaft. Ik gevoel dat ik roestig word; dat elke poging tot denken
verzeld zou zijn van een knarsend geluid; dat er nergens iets is te
doen, of iets gedaan behoeft te worden; dat daar, in geen opzicht,
menschelijke vooruitgang, beweging, streven of bevordering meer is,
dat het geheele ontwerp hier, eeuwen geleden, is blijven steken,
en ter ruste gelegd tot den dag des oordeels.
Neen! dat niet, zoolang de brave koerier zal leven. Zie hem eens,
hoe hij al rinkelend Piacenza verlaat, en langs den weg waggelt
in de hoogste postsjees welke men ooit heeft gezien, zoodat hij
uit het voorste raam ziet, als keek hij over een tuinmuur, terwijl
de postiljon, waarin al de haveloosheid van geheel Italië schijnt
samengeperst, een oogenblik met zijn levendig gesprek ophoudt, om
zijn hoed aan te raken voor een stompneuzig beeldje der H. Maagd,
schier niet min haveloos er uitziende dan hij, hetwelk, in eene
poppenkastachtige nis van pleister, buiten de stad staat.
In Genua en de omstreken wordt het wijngaardloof geleid langs latwerk,
dat door lompe, vierkante palen wordt gedragen, hetwelk op zich
zelf alles behalve schilderachtig is. Maar hier slingeren zij het
om boomen en laten het langs de heggen voortspruiten. De wijngaarden
zijn vol boomen, welke met dat doel regelmatig zijn geplant en ieder
een eigen wijngaardstok hebben, die er omheen slingert en er zich
om ophoopt. Hunne bladeren vertoonen nu het schitterendste goud,
en het gloeiendste rood, en nooit was er iets zoo betooverend,
bevallig en zoo vol schoonheid. Mijlen ver slingert de weg door die
verrukkelijke vormen en kleuren. De wilde festoenen; de smaakvolle
kransen en kronen en guirlandes van allen vorm; de tooverachtige
netten over groote boomen geslagen, en die ze (als uit kortswijl)
tot gevangenen maken; de hoopjes en verhevenheden van afgevallen
bladen, die in alle vormen op den grond liggen; hoe rijk en schoon
is dit alles niet! En elk oogenblik ontmoet men eene lange, lange
rij boomen, welke alle door slingers met elkander verbonden zijn,
als hielden zij elkander vast en kwamen dansend het veld op!
Parma heeft, voor eene Italiaansche stad, vroolijke, woelige
straten, en is bijgevolg niet zoo karakteristiek als vele andere,
min aanmerkelijke plaatsen. Hiervan moeten in alle gevallen worden
uitgezonderd de Piazza (het plein) waar de hoofdkerk, het doophuis en
de Campanile (de klokketoren)--oude gebouwen, van eene somber bruine
kleur, versierd met ontelbare groteske gedrochten en droomerig ziende
schepsels, in marmer en rooden steen gehouwen--in edele en luisterrijke
rust opeengehoopt zijn. Hunne zwijgende aanwezigheid werd mij eerst
aangeduid, toen ik ze bemerkte door het klapwieken eener groote
menigte vogels, die de scheuren in de steenen en kleine holen in
de bouwversiersels, waar zij hun nest hadden, in- en uitvlogen. Zij
waren bezig met uit de koude schaduw van tempels, door menschenhanden
gemaakt, op te stijgen naar den zonnigen hemel. Zoo deden niet zij,
die daar binnen baden en naar denzelfden vakerigen zang luisterden,
of voor dezelfde soort van beelden en waskaarsen knielden, of met
neergebogen hoofd, in de eigen donkere biechtstoelen fluisterden,
welke ik in Genua en overal elders had ontmoet.
De vervallen en verminkte schilderstukken, waarmede deze kerk bedekt
is, oefenen, naar mij dunkt, een merkbaar treurigen en onderdrukkenden
invloed uit. Het is een ellendig schouwspel, wanneer men verheven
kunstwerken--eenigermate de ziel der schilders--ziet verwelken en
vergaan als menschelijke gedaanten. Deze hoofdkerk riekt naar de
rottende fresco's, in den koepel door Correggio geschilderd. De
hemel weet hoe schoon zij eens mogen geweest zijn. Kenners worden
er nog door verrukt; maar zulk een doolhof van armen en beenen,
zulke hoopen van geknotte ledematen, in elkander verward, gedraaid en
gestrengeld, zou geen krankzinnig geworden chirurgijn zich in zijne
wildste ijlhoofdigheid kunnen verbeelden.
Er bestaat hier eene zeer belangwekkende onderaardsche kerk, welker
dak gedragen wordt door marmeren zuilen, achter ieder van welke ten
minste één bedelaar in hinderlaag schijnt te liggen; ik zwijg er van,
wat de graftombes en afgezonderde altaren verbergen. Uit elke van
deze schuilhoeken kwam zulk eene groote menigte spookachtige mannen en
vrouwen--die tot geleiders verstrekten van andere mannen en vrouwen met
verdraaide ledematen, klapperende kaken, of gebaren van een verlamde,
of koppen van simpelen, of eenig ander treurig gebrek--naar voren
strompelen om te bedelen, dat, indien de vernielde fresco's daar
boven in de hoofdkerk plotseling bezield geworden en naar beneden in
de kerk getrokken waren, er geen grootere verwarring veroorzaakt, of
geen akeliger vertooning van armen en beenen gemaakt had kunnen worden.
Daar is ook het gedenkteeken van Petrarcha en het doophuis met zijne
schoone bogen en reusachtige doopvont, en eene galerij die eenige zeer
opmerkenswaardige schilderijen bevat, van welke er eenige weinige
werden gekopieerd door kunstenaars met behaarde aangezichten, en
fluweelen mutsen, die meer van, dan op het hoofd zaten. Men heeft er
ook het paleis van Farnese en daarin een van de akeligste tafereelen
van verval, dat ooit gezien is,--een groote, oude, sombere schouwburg,
die in puinhoopen valt.
Het is een groot houten gebouw van hoefijzer-vorm. De onderste
zitplaatsen zijn gerangschikt naar de Romeinsche wijze, maar boven
deze heeft men groote, lompe vertrekken--daarvan hebben zij meer dan
van loges--waar de edellieden in hun trotsche staatsie, afgezonderd
zaten. Met zulk eene verwoesting als dit tooneel heeft ondergaan,
en welke in den geest des bezoekers verhoogd wordt door de vroolijke
strekking en het doel er van, kunnen zich slechts wormen gemeenzaam
maken. Er zijn nu honderd tien jaren verloopen sedert daar eenig
stuk is vertoond. De hemel schijnt door de scheuren der zoldering;
de loges, die neervallen en waaraan het verderf knaagt, worden
slechts door ratten bewoond; vochtigheid en schimmel besmetten
de verwelkte kleuren, en vormen spookachtige landkaarten op de
paneelen; smerige lappen hangen slingerend af van plaatsen, waar
vroeger vroolijke festoenen aan het Proscenium (voorste gedeelte van
het tooneel) waren. Het tooneel is zóó verrot, dat er eene smalle
houten galerij dwars overheen is gelegd, daar anders de vloer onder
den voet zou wegzinken en den bezoeker in de donkere diepte er onder
zou begraven. Verwoesting en verval maken hier op al de zinnen indruk.
De lucht heeft een rottenden reuk en een aardachtigen smaak, en
eenigerhande los geluid, dat er met een of ander verloren zonnestraal
binnensluipt, is onduidelijk en dof; en de wormen, de maden en de
ratten hebben de oppervlakte van het hout geheel en al veranderd,
evenals een zachte hand door den tijd gerimpeld en ruw wordt. Als er
ooit geesten comedie spelen, dan zullen zij het op dit spookachtig
tooneel doen.
Onder het overheerlijkste weder kwamen wij te Modena, waar de
duisternis der sombere zuilengangen boven de voetpaden, die de
hoofdstraat aan beide zijden bezoomen, verfrisschend en aangenaam
werd gemaakt door den schitterenden hemel, die heerlijk blauw
was. Ik ging, uit al het schitterende van den dag, in eene duistere
hoofdkerk, waar de hoogmis werd gelezen, dunne waskaarsen brandden,
en menschen geknield lagen voor alle soorten van heiligen-kastjes,
en dienstdoende priesters den gewonen zang op den gewonen, diepen,
zwaarmoedigen, gerekten toon afdreunden.
Terwijl ik zoo bij mij zelven er over nadacht, hoe vreemd het was, in
elke onbeweeglijk stilstaande stad mijn eigen hart te voelen kloppen
met denzelfden eentonigen polsslag, als het middelpunt van hetzelfde
verdoofde en lustelooze stelsel, trad ik eene andere deur uit, waar
mij plotseling een doodschrik op het lijf werd gejaagd, door het steken
van de schetterendste trompet, welke er ooit heeft geklonken. Dadelijk
daarop kwam er met groot gedruisch een troep Parijsche paardrijders
aandraven, die zich in orde stelden langs de muren van de kerk,
en met de hoeven hunner paarden de griffioenen, leeuwen, tijgers
en andere steenen en marmeren monsters beschimpten, welke het
uitwendige van het gebouw versieren. Het eerst kwam er een statig
edelman, met een goede portie haar en zonder hoed, eene reusachtige
banier dragende, waarop te lezen was: "Hedenavond! Mazeppa!" Toen
kwam er een Mexikaansch hoofdman, die, als een Hercules, eene groote
peervormige knots op den schouder droeg. Toen volgden er zes of acht
Romeinsche karren, elke met een schoone dame, in een uiterst kort
rokje en met onnatuurlijk stijve, roode beenen. Deze dames wierpen
stralende blikken op de menigte, in welke echter eene heimelijke
uitdrukking was van ongerustheid en angst, waarvan ik me geene
reden kon geven, tot ik in de opene achterzijde van de karren kon
zien, en bemerkte, met welk eene verbazende moeite de roode beenen
den loodrechten stand bewaarden op het oneffen plaveisel der stad:
waardoor ik een geheel nieuw denkbeeld kreeg van de oude Romeinen en
Britten. De optocht werd besloten door zoo wat een dozijn ontembare
krijgslieden van verschillende natiën, die twee aan twee reden, en vol
trotschheid neerzagen op de tamme bevolking van Modena; terwijl zij
zich van tijd tot tijd verwaardigden het volk te begiftigen met eenige
programma's. Nadat zij tusschen de leeuwen en tijgers rondgesprongen
en de vertooning van dien avond onder het schetteren der trompetten
verkondigd hadden, trok de stoet af langs het andere einde van het
plein en liet eene nieuwe en zeer toegenomen doodschheid achter.
Toen de optocht zoo volkomen voorbij was, dat de schelle trompet
door den afstand zacht klonk en de staart van het allerlaatste paard
voorgoed om den hoek was, keerde het volk, dat de kerk had verlaten
om den stoet aan te staren, er weder binnen. Maar eene oude dame,
die op de vloersteenen der kerk, dicht bij de deur geknield lag, had
alles gezien, en gevoelde, zonder op te staan, hare belangstelling
verbazend opgewekt, en het mocht mij gelukken den blik dier dame
bij die ontmoeting op te vangen, en dit wel tot onze wederzijdsche
verwarring. Zij maakte echter spoedig een einde aan onze verlegenheid,
door zich op vrome wijze te kruisen en zich, met haar aangezicht op den
grond, geheel ter aarde te werpen, voor een beeld in een zonderling
kleed en met eene vergulde kroon, hetwelk zoozeer geleek op een der
personages van den optocht, dat zij misschien tot op dit oogenblik
mag denken, dat de geheele verschijning een hemelsch visioen was. Hoe
het ook zij, ik zou haar, al ware ik haar biechtvader geweest, hare
belangstelling in het paardrijdersspel hebben vergeven.
Er was in de hoofdkerk een mannetje met vurige oogen en een hoogen
schouder, die het zeer euvel nam, dat ik geene poging deed om den
putemmer te zien (in een ouden toren bewaard wordende), welken het
volk van Modena, in de veertiende eeuw, aan dat van Bologna ontnam en
om welken een oorlog werd gevoerd, terwijl er door Tasso een comisch
heldendicht op werd gemaakt. Naardien ik zeer wel tevreden was,
de buitenzijde van den toren te beschouwen en mij op den emmer er
binnen in verbeelding te vergasten, en bij voorkeur ronddrentelde in
de schaduw van den hoogen Campanile, en in den omtrek der hoofdkerk,
heb ik, tot op den dag van heden, geene persoonlijke kennis met den
emmer gemaakt.
Inderdaad waren wij ook te Bologna, alvorens de oude man (of het
Reisboek) had kunnen denken, dat wij de wonderen van Modena maar voor
de helft gerechtigheid hadden laten wedervaren. Maar het heeft voor
mij iets zoo bekoorlijks, nieuwe tooneelen achter mij te laten, en toch
voort te trekken, en nog nieuwere tooneelen te ontmoeten--en bovendien
heb ik zulk eene ongelukkige natuur met betrekking tot gezichten die
gegraveerd, gedroogd en voorgepreekt worden--dat ik vrees, op elke
door mij bezochte plaats, tegen gelijksoortig gezag te zondigen.
Maar hoe 't hiermede zij, men kon mij den volgenden ochtend zien
wandelen op het bevallige kerkhof te Bologna, tusschen de statige
marmeren grafteekens en zuilengangen, in gezelschap van een grooten
troep boeren en verzeld door een kleinen gids uit die stad, welke
buitengemeen ijverde voor hare eer, en er zich aan gelegen liet liggen
mijne aandacht af te trekken van de slechte monumenten, terwijl hij
niet ophield de goede te verheffen. Daar ik zag, dat dit mannetje
(van opgeruimden aard, en die niets dan blinkende tanden en oogen in
zijn gezicht scheen te hebben) strak naar zeker plekje gras keek,
vraagde ik hem wie daar begraven was. "De armen, Signore!" zeide
hij met een zucht en een glimlach, en stond stil, ten einde naar
mij om te zien--want hij ging steeds een weinig vooruit,--en nam
zijn hoed af om elk nieuw grafteeken te groeten, "slechts de armen,
Signore! het is zeer vroolijk, 't is recht lief. Hoe groen is het
er en koel, 't lijkt wel een weiland! Er zijn vijf--en tevens stak
hij al de vingers zijner rechterhand op om het getal uit te drukken,
wat de Italiaansche landlieden steeds doen als het onder 't bereik van
hunne tien vingers valt,--er zijn vijf van mijne kindertjes begraven,
Signore; juist daar een weinigje naar de rechterzijde! Welnu! God zij
gedankt! 't Is er zeer vroolijk. Hoe groen en koel is het er! Het is
een volmaakt weiland!"
Hij zag mij strak in het aangezicht, en bemerkende dat ik hartzeer om
hem gevoelde, nam hij een snuifje (ieder Cicerone snuift) en maakte
eene kleine buiging; deels om zich te verontschuldigen dat hij zulk
een onderwerp het aangeroerd en gedeeltelijk ter nagedachtenis der
kinderen en ter eere van zijn schutsheilige.
Het was eene zoo ongemaakte en geheel natuurlijke buiging als er ooit
iemand heeft gemaakt. Onmiddellijk daarop nam hij zijn hoed geheel
en al af, en verzocht mij hem naar het naaste gedenkteeken te volgen;
en zijne oogen en tanden schenen glinsterender dan te voren.
TUSSCHEN BOLOGNA EN FERRARA.
Op het kerkhof, waar de kleine Cicerone zijne kinderen begraven had,
was een zóó net gekleed wachter, dat, toen de kleine Cicerone mij
fluisterend te kennen gaf, dat er geene beleediging in zou steken,
deze bediende een paar paoli [29] aan te bieden, ik ongeloovig naar
zijn driekanten hoed, zeemleeren handschoenen, net gemaakte uniform
en schitterende knoopen zag, en den kleinen Cicerone met een ernstig
hoofdschudden bestrafte. In luisterrijk voorkomen stond hij ten minste
gelijk met den deurwaarder van het Hoogerhuis; en het denkbeeld,
dat, zooals Jeremias Diddler zou zeggen, zulk een heer, "zoo iets
als tien stuivers," zou aannemen, scheen monsterachtig. Hij nam het
evenwel niet euvel op, toen ik zoo vermetel was hem die te geven,
en trok zijn steek af met een zwier, die een koopje zou zijn geweest
voor het dubbele geld.
Het scheen zijn plicht te wezen, de gedenkteekenen aan het volk uit te
leggen--ten minste deed hij het; en toen ik hem, evenals Gulliver in
Brobdignag deed, vergeleek "met de inrichtingen van mijn eigen geliefd
land, kon ik mij niet weerhouden, tranen van trotschheid en blijdschap
te storten." Hij had geen vasten stap; evenmin als eene schildpad. Hij
slenterde als het volk slenterde, opdat het zijne nieuwsgierigheid
zou voldoen; en stond hen zelfs toe, nu en dan, de opschriften
der graven te lezen. Hij was haveloos noch brutaal, onbeschoft noch
onwetend. Hij sprak zijne eigene taal volkomen naar behooren, en scheen
zich, op zijne wijze, als een soort van onderwijzer voor het volk te
aanschouwen, en een gepasten eerbied zoowel voor zich zelven als voor
het volk te koesteren. Men zou evenmin een dergelijk man als bode in
de Westminster-Abdy willen hebben, als het volk binnenlaten (gelijk
zij in Bologna doen) om de gedenkteekenen kosteloos te beschouwen.
Weder eene oude, sombere stad, onder den schitterenden hemel, met
zware gewelfde gangen over de voetpaden in oude straten, en lichtere
en vroolijke bogen in de nieuwere gedeelten der stad. Weder zijn er
sombere, gewijde gebouwen, met nogal vogels, die in en uit de reten
der steenen vliegen; en nogal grijnzende monsters aan de voetstukken
der pilaren. Weder rijke kerken, eene dommelige menigte, ten hemel
stijgende wierook, klinkende schellen, priesters in schitterende
kleeding, schilderijen, waskaarsen, geborduurde altaarkleeden, kruisen,
beelden en kunstbloemen.