Er is, naar men zegt (en ik geloof het), geen bekoorlijker

verblijfplaats in Italië dan het Pallozzo Peschiere (of het paleis

der vischvijvers), waarheen wij ons begaven zoodra ons vierendeeljaars

huur der roode gevangenis te Albaro opgezegd en afgeloopen was.

Het staat op een hoogte binnen de muren van Genua, maar afgescheiden

van de stad, omringd door schoone tuinen, die er bij behooren, en

versierd zijn met standbeelden, vazen, fonteinen, marmeren waterkommen,

terrassen, wandelplaatsen met oranje- en citroenboomen en groepen van

rozen en camelia's. Al de vertrekken er van zijn schoon geëvenredigd

en versierd; maar de groote zaal, omtrent vijftig voet hoog, met

drie ramen aan het einde, die het uitzicht hebben op de geheele stad

Genua, de haven en de naburige zee, levert een van de betooverendste

en bekoorlijkste gezichten ter wereld. Men kan zich bezwaarlijk iets

vroolijkers verbeelden dan het inwendige der groote kamers, maar zeker

niets bekoorlijkers dan het uitzicht bij zonneschijn of maanlicht. Het

heeft veel meer van een betooverd paleis in een oostersch verhaal,

dan van eene deftige en statige woning.

Hoe gij van kamer tot kamer ronddolen kunt, en nimmer moe wordt de

wild phantastische beelden der muren en zolderingen te beschouwen,

even schitterend en frisch van kleur als waren zij gisteren geschilderd

geworden; of hoe eene verdieping, of zelfs de groote zaal, waarin acht

andere kamers uitkomen, eene ruime wandeling daarstelt; of hoe er

gangen en slaapkamers boven zijn, die wij nooit gebruiken en zelden

bezoeken, en waar wij schier geen weg weten; of hoe het uitzicht aan

elk der vier zijden van het gebouw geheel verschillend is; dit alles

doet weinig af. Maar het uitzicht van de zaal is evenals een droom

voor mij. Honderdmalen op een dag keer ik er, in mijne verbeelding,

evenals ik in kalme wezenlijkheid heb gedaan, terug, en sta daar te

staren, terwijl de liefelijke geuren van den tuin naar mij opstijgen

en ik droom van volkomen geluk.

Daar ligt geheel Genua, in schoone wanorde, met vele kerken,

abdijen en kloosters, waarvan de spitse torens naar den zonnigen

hemel reiken; en onder mij, juist waar de daken een aanvang nemen,

de borstwering van een eenzaam klooster, gevormd als een galerij,

met een ijzeren kruis aan het einde, in welke ik somtijds, vroeg in

den morgen, een kleine groep dicht gesluierde droefgeestige nonnen

heen en weder heb zien gaan, en nu en dan stilstaande om den blik

te werpen op de ontwakende wereld, waaraan zij geen deel hebben. De

oude Monte Faccio, de schitterendste der bergen in goed weder, maar

de korzeligste van allen, wanneer stormen naken, ligt hier aan uwe

linkerzijde. Het fort binnen de muren (de goede koning bouwde het om

de stad in bedwang te houden, en de huizen der Genueezen over hunne

hoofden te doen instorten, indien zij ontevreden mochten worden)

bestrijkt de hoogte aan de rechterzijde.

De ruime zee ligt er recht tegenover, en die kustlinie daar, bij den

vuurtoren beginnende en als eene enkele vlek in het rozenkleurige

verschiet wegdommelende, is de schoone kunstweg die naar Nizza

leidt. De tuin is hier onmiddellijk bij, tusschen de daken en huizen;

hij is rood van de rozen en wordt verfrischt door kleine fonteinen. De

Aqua Sola, eene openbare wandelplaats, waar de muziek der troepen op

vroolijke wijze speelt, en de witte sluiers bij hoopen worden gezien,

en de Genueesche adel rond- en weder rondrijdt, in staatsie-kleederen

en rijtuigen, maar niet met volstrekte behoedzaamheid. Binnen eene

steenworps lengte is, naar het blijkt, de plaats van het Dag-tooneel,

zijnde het publiek met de aangezichten naar ons toe gezeten. Maar

vermits men het tooneel niet kan zien, levert het, zonder te weten

wat het is, een gek gezicht op, het gelaat der lieden zoo plotseling

van ernst tot lachen te zien overgaan, en nog veel gekker is 't,

aanhoudend in de avondschemering de uitbarstingen der toejuiching te

hooren, onder welke de gordijn valt. En aangezien het Zondagavond is,

spelen zij hun beste en aanlokkendste stuk. En nu gaat de zon onder,

in zulk een prachtigen tooi van rood en groen en gouden licht als door

groepen noch penseel kan worden afgemaald; en onder het luiden der

vesperklokken, valt het duister plotselijk en zonder schemerlicht

in. Dan beginnen er lichten in Genua en op den weg er buiten te

flikkeren; en de terugkaatsende lantaren daar buiten aan de zee, voor

een oogenblik den gevel en het portiek van dit paleis bestralende,

verlicht het, als kwam plotseling de heldere maan van achter eene

wolk te voorschijn; en dompelt het dan in diepe duisternis. En dit is,

zoover mij bekend, de eenige reden waarom de Genueezen dit paleis na

het invallen der duisternis ontwijken en denken dat het er spookt.

Mijn geest zal er in spoken, nog menigen aanstaanden nacht; maar niets

erger, dat wil ik verzekeren. Dezelfde geest zal nu en dan wegdrijven,

evenals ik op een bevalligen herfstavond in het schitterend verschiet

deed, en de ochtendlucht te Marseille inademde.

De dikke kapper zat er nog in zijne muilen, buiten de deur van

den winkel, maar de draaiende dames voor het venster hadden, met

de eigenaardige onstandvastigheid van haar geslacht, opgehouden te

draaien en kwijnden, stokstijf, met hare schoone aangezichten naar

de donkere hoeken van den winkel gekeerd, waar het voor de blikken

harer bewonderaars onmogelijk was, door te dringen.

De stoomboot was van Genua gekomen met eene kostelijke vaart van

achttien uur, en wij zouden van Nizza teruggaan langs den Cornice-weg,

niet tevreden zijnde met de fraaie steden alleen van buiten gezien

te hebben, die in schilderachtig witte groepen oprijzen tusschen de

olijfboschjes, en rotsen en heuvels, aan den oever der zee. De boot,

die dezen avond ten acht uur, naar Nizza zou vertrekken, was zeer

klein en zoodanig met goederen beladen, dat er bijna geene ruimte was

om er zich te bewegen; ook was er niets te eten aan boord, behalve

brood; noch te drinken, behalve koffie. Maar daar wij om acht uur in

den ochtend, of daaromtrent, te Nizza moesten zijn, was dit van geen

aanbelang. Toen wij nu begonnen flonkerende starren toe te knikken,

als eene onwillekeurige vergelding, dat zij ons toeknikten, begaven

wij ons naar onze kooien, in eene opgepropte, kleine, koele kajuit,

en sliepen gerust door tot den morgen.

De boot eene zoo ellendige en sombere boot zijnde als ooit gebouwd

is geworden, was het omstreeks één uur in den namiddag, toen wij de

haven van Nizza binnenstoomden, waar wij weinig anders verwachtten

dan een ontbijt.

Maar we hadden wol geladen, en wol mag in het entrepot van Marseille

niet langer dan twaalf maanden achter elkander blijven liggen,

zonder rechten te betalen. Het is de gewoonte, looze uitvoeren van

onverkochte wol te doen, ten einde die wet te ontduiken; als de twaalf

maanden bijna zijn afgeloopen, voert men ze ergens heen, brengt

ze rechtstreeks terug, en slaat ze voor bijna een jaar als nieuwe

lading op. De wol welke wij medevoerden was oorspronkelijk van eene

plaats in het Oosten. Op het oogenblik dat wij de haven binnenkwamen,

werd ze herkend als een oostersch product. Uit dien hoofde werden de

vroolijke bootjes, vol feestdagvierende menschen, die van wal waren

gestoken om ons te begroeten, door de autoriteiten gewaarschuwd

weder terug te keeren; wij werden onder quarantaine gelegd, en er

werd plechtig een groote vlag geheschen aan den mastpaal op de werf,

ten einde het aan de geheele stad bekend te maken.

Het was een zeer heete dag. Wij waren niet geschoren, niet gewasschen,

ongekleed, hadden niets gegeten, en konden het schier niet dulden,

dat wij zouden liggen te blakeren, in eene doodsche haven, met de

stad op een eerbiedigen afstand in het gezicht, en allerlei mannen

met knevels en driekanten hoeden over ons lot te zien redetwisten

bij een verwijderd wachthuis, met gebaren (wij keken door telescopen

nauwkeurig naar hen), die ons ten minste eene achtdaagsche opsluiting

verkondigden; en dit, in weerwil van al hetgeen er in dien tusschentijd

mocht gebeuren. Maar zelfs in die crisis behaalde de brave koerier

eene zegepraal. Hij seinde iemand (ik zag niemand) die, hetzij op

eene natuurlijke wijze in verband stond met het logement, of voor die

gelegenheid alleen met het etablissement in betrekking was gesteld. Die

telegrafische seinen werden beantwoord, en binnen minder dan een half

uur werd er een luiden kreet van uit het wachthuis gegeven.

Men had den kapitein noodig. Iedereen hielp den kapitein in zijne

boot. Iedereen kreeg zijne goederen en zeide dat wij vertrekken

zouden. De kapitein roeide weg en verdween achter een kleinen

vooruitstekenden hoek van de gevangenis der galeislaven, en kwam zeer

knorrig met iets terug. De brave koerier hielp hem op dek en ontving

het iets, als de rechtmatige eigenaar er van. Het was eene teenen mand,

in een linnen laken gewikkeld; daarin waren twee groote flesschen wijn,

een gebraden vogel, wat zoutevisch met fijngehakt knoflook, een groot

lang brood, een dozijntje perziken, en eenige andere kleinigheden. Toen

wij ons eigen ontbijt uitgekozen hadden, verzocht de brave koerier

eenige uitverkorenen om deze ververschingen met hem te deelen,

en verzekerde hun dat zij zich niet kieschheidshalve behoefden

te onthouden, daar hij eene tweede mand zou bestellen voor hunne

rekening. Hetgeen hij ook deed--niemand wist hoe--en toen naderhand

de kapitein weder geroepen werd, keerde hij weer gemelijk terug met

een ander iets, waarover mijn populaire bediende het bestuur nam,

en voorsneed met een knipmes, zijn eigen lijfelijk eigendom, iets

kleiner dan een Romeinsch zwaard.

Allen aan boord werden vroolijk door dezen onverwachten toevoer:

maar niemand méér dan een klein spraakzaam Franschman, die binnen

vijf minuten dronken werd, en eene forsche Kapucijnermonnik, die

iedereen bijzonder beviel, en, zooals ik inderdaad geloof, één der

beste monniken van de wereld was.

Hij had een vrij en open gelaat, en een kastanjebruinen, krullenden

baard en was een bijzonder schoon man, omstreeks vijftig jaren oud.

Vroeg in den ochtend was hij bij ons gekomen, en vraagde, of wij er

zeker van waren, tegen elf uur te Nizza te wezen; zeggende, dat het

hem van bijzonder belang was, dit te weten; want, bereikten wij die

plaats tegen dien tijd, dan moest hij de mis lezen en vasten, tot hij

den gewijden ouwel had gebruikt: waarom hij, als er geene kans was

tegen dien tijd daar te zijn, onmiddellijk wilde gaan ontbijten. Hij

deelde dit mede, in de meening, dat de brave koerier de kapitein was;

en inderdaad had deze meer het voorkomen er van dan iemand anders aan

boord. Toen hij de zekerheid had gekregen, dat wij op een behoorlijken

tijd zouden aankomen, vastte hij en sprak al vastende met iedereen,

en in de bekoorlijkste goede luim; en de kwinkslagen ten koste

van monniken beantwoordende met andere kwinkslagen, ten koste van

leeken, en zeggende, dat hij, ofschoon een monnik, aannam, de twee

sterkste personen aan boord, een na den ander, met zijne tanden op

te nemen en ze het dek rond te dragen. Niemand stelde hem echter in

de gelegenheid er toe, maar ik durf zeggen, dat hij het had kunnen

doen; want het was een man van eene wakkere en edele gedaante, zelfs

in de kleederdracht der Kapucijnen, die de slechtste en lompste is,

welke men zou kunnen bedenken.

Dit alles deed een machtig genoegen aan den spraakzamen Franschman, die

den monnik gaandeweg meer gunst toedroeg, en mededoogen met hem scheen

te hebben, als met iemand die door geboorte Franschman had kunnen

wezen, indien een ongelukkig lot dit niet anders had gewild. Ofschoon

deze begunstiging van een aard was als die, welke eene muis aan een

leeuw zou kunnen bewijzen, had hij nochtans een hoogen dunk er van, dat

hij vrijwillig tot hem afdaalde, en in den ijver van dat gevoel ging

hij nu en dan op de teenen staan om den monnik op den rug te kloppen.

Toen de manden aankwamen, en het voor de mis te laat was geworden,

ging de monnik dapper aan den slag; hij at verbazend veel van het

brood en koud vleesch, en dronk volle teugen wijn; rookte sigaren,

snoof, hield aan alle zijden een onafgebroken gesprek gaande, en

liep nu en dan naar het boord der boot, praaide iemand op den wal,

en riep er het bericht heen, dat wij op eene of andere wijze van de

quarantaine ontslagen moesten worden, aangezien hij in den namiddag

deel moest nemen aan eene groote godsdienstige processie. Daarna kwam

hij dan terug, hartelijk lachende en vol vroolijke luim; terwijl de

Franschman zijn klein aangezicht in duizend plooien trok, en er van

sprak, hoe kluchtig hij het vond, en wat een knappen vent die monnik

was. Eindelijk werd de Franschman, door de hitte der zon buiten en

die van den wijn in hem, vakerig, zoodat hij, in den bloeitijd van

zijn beschermheerschap over den reusachtige monnik, tusschen de wol

ging liggen en begon te snorken.

Het was vier uur vóór wij ontslagen werden; en de morsige, wollige

en met snuif bemorste Franschman sliep nog toen de monnik aan land

ging. Zoodra wij in vrijheid waren gesteld, liepen wij allen heen om

ons te wasschen en te kleeden, opdat wij bij de processie fatsoenlijk

voor den dag konden komen. Ik zag of hoorde niets meer van den

Franschman, tot wij ons eene plaats hadden gekozen in de hoofdstraat,

om die processie te zien voorbijtrekken,--toen hij zich op een

voorplein drong, dat met zorg vernieuwd was, zijn rokje terugsloeg,

om een fluweelen vest met breede strepen en vol bezet met sterren,

te laten zien, en zich en zijn rotting in dier voege schikte, dat hij

den monnik, als die voorbijkwam, volstrekt in de oogen moest vallen

en van stuk brengen.

De processie duurde zeer lang, en bevatte eene ontelbare menigte volks,

in kleine groepen verdeeld, waarvan elke door den neus en voor zich

zelve, zonder eenig verband met eenige andere zong en een zeer akelig

accoord vormde. Er waren engelen, kruisen, H. Maagden, welke gedragen

werden op vlakke planken, omringd door Cupido's, kronen, heiligen,

misboeken, infanterie, waskaarsen, monniken, nonnen, relieken,

kerkelijke dignitarissen met groene hoeden, onder karmozijnkleurige

zonneschermen, en hier en daar een soort van gewijde straatlamp, aan

een paal opgeheschen. Wij zagen reikhalzend uit naar de Kapucijnen,

en nu zag men hunne bruine kleeding en touwen gordels bij elkander

aankomen.

Ik sloeg het Franschmannetje gade, hoe hij schaterde van het lachen

door het denkbeeld, dat de monnik, als die hem met zijn vest met

breede strepen zag, bij zich zelven zou uitroepen: "Is dat mijn

beschermer. Die aanzienlijke man!" en dan geheel van zijn stuk zou

geraken. O! nooit was de Franschman zoo teleurgesteld geworden. Toen

onze vriend de Kapucijn aankwam, met kruiselings over elkander

gelegde armen, zag hij het Franschmannetje strak in het aangezicht,

met eene goedaardige, heldere en ernstige afgetrokkenheid, die niet

beschreven kan worden. Er was niet het minste spoor van herkenning of

vroolijkheid op zijn gelaat zichtbaar; niet de minste herinnering

van brood en vleesch, wijn, snuif of sigaren. "C'est lui-même"

(dat is hij zelf) hoorde ik het Franschmannetje met eenigen twijfel

zeggen. O ja, hij zelf was het. Het was niet zijn broeder of neef die

op hem geleek, hij zelf was het. Hij trad voort met groote staatsie,

daar hij een van de opperhoofden der orde was, en trok een deel der

bewondering tot zich. Er was nooit iets volmaakters in zijne soort,

dan de bespiegelende wijze, waarmede hij zijn zachtaardig starenden

blik op ons, zijne vroegere reisgenooten, deed rusten; als had hij

ons nooit in zijn leven gezien en als zag hij ons ook toen niet. De

Franschman, die zich geheel vernederd gevoelde, nam eindelijk den

hoed af, maar toch ging de monnik voorbij, met dezelfde onverstoorbare

bedaardheid; en het vest met breede strepen, dat in de menigte wegzonk,

werd niet meer gezien.

De processie trok op onder het afvuren van handgeweer, dat al de

ramen der stad deed schudden. Den volgenden namiddag vertrokken wij

naar Genua, langs den beroemden Cornice weg.

De half-Fransch en half-Italiaansche Vetturino, die aangenomen

had, ons met zijn ratelend rijtuig met twee paarden in drie dagen

daarheen te brengen, was een zorgelooze knaap van een goed voorkomen,

wiens luchthartigheid en zanglust geene grenzen kenden, zoolang wij

zachtkens voortgingen. Zoolang dit het geval was, had hij een woord

en een glimlach, en een klap met zijne zweep, voor al de boerenmeiden,

en stukken en brokken van de Somnambula [28] voor de echo over. Zoolang

dit het geval was, trok hij rinkelend door elk dorpje, met bellen aan

zijne paarden en ringen in zijne ooren: als een waar toonbeeld van

galanterie en vroolijkheid. Maar het was iets zeer karakteristieks,

hem te zien bij den minsten tegenspoed, toen wij op onzen tocht

aan eene nauwe plaats kwamen, waar een wagen gebroken was en den

weg versperde. Hij wroette dadelijk met de handen in zijne haren,

als waren al de schrikkelijke rampspoeden des levens plotseling op

zijn ongelukkig hoofd neergekomen. Hij vloekte in het Fransch, bad

in het Italiaansch, liep op en neer en stampvoette in eene vlaag van

wanhoop. Rondom den gebroken wagen stonden onderscheiden karrelieden

en muilezeldrijvers; en eindelijk deed een man, van een zonderlingen

aard, den voorslag, eene algemeene en gezamenlijke poging te doen om

de zaken weer in orde te brengen en ruim baan te maken--een denkbeeld

dat, naar mijn gevoelen nooit zou zijn opgekomen bij onzen vriend,

al waren wij er tot op dit oogenblik gebleven. Het werd met weinig

arbeid bewerkstelligd; maar bij elke rust in de karwei draaiden zijne

handen zich in het haar, als ware er geen straal van hoop om zijne

ellende te verlichten. Zoodra zat hij nochtans niet weer op den bok,

en reed klappend en vroolijk den heuvel af, of hij keerde terug tot

de Somnambula en de boerendeernen, als stond het niet in de macht

des tegenspoeds hem neer te drukken.

Veel van het romantische der schoone steden en dorpen op dezen

heerlijken weg gaat verloren wanneer men ze binnentrekt; want velen

zijn zeer ellendig. De straten zijn nauw, donker en morsig, de bewoners

mager en smerig, en de tanige oude vrouwen met hare grijze haren,

op de kruin in een wrong gedraaid, als een kussen om er lasten op

te dragen, zijn zoo innig leelijk, zoowel langs de rivier in Genua,

dat ze, als ze daar zoo in de donkere deuren rondzwerven met hunne

spinnewielen, of aan de hoeken kakelen, gelijken naar eene bevolking

van tooverheksen--behalve dat men er zich geenszins bezems of eenig

ander werktuig voor zindelijkheid bij moet verbeelden. Ook dienen

de jonge varkenshuiden, welke algemeen gebruikt worden om er wijn

in te bewaren, en in alle richtingen in de zon hangen te drogen,

geenszins tot sieraad; aangezien zij altoos den vorm van opgeblazen

varkens behouden van welke men den kop en de pooten heeft afgesneden,

en die aan den staart hangen en heen en weer slingeren.

Die steden echter, zooals zij zich bij het naderen vertoonen, met

hare talrijke daken en torens, tusschen boomen genesteld, tegen

steile berghellingen, of gebouwd aan den zoom van trotsche baaien,

zijn bekoorlijk. De plantengroei is overal weelderig en schoon, en

palmboomen schenken het nieuwe tafereel een nieuw aanzien. In eene

stad, San Remo--eene zeer ongewone plaats, gebouwd op sombere, wijde

bogen, zoodat men de geheele stad onderdoor zou kunnen zwerven--zijn

lieve tuinen, op terrassen; in andere steden hoort men het dreunen

van scheepstimmermanshamers, bij het bouwen van kleine schepen aan

het strand. In sommige der ruime baaien zouden de vloten van geheel

Europa voor anker kunnen gaan. In elk geval vertoont iedere groep

van huizen, op een afstand gezien, eene betooverende mengeling van

schilderachtige en grillige vormen.

De weg zelf, thans verre gelegen boven de glinsterende zee, die tegen

den voet van den afgrond klotst, buigt nu eens inwaarts, om den zoom

eener baai te volgen, en steekt dan eens de steenachtige bedding

van een bergstroom over. Hij daalt nu eens af naar de baai, of klimt

dan weer op tusschen gespleten rotsen van velerlei vorm en kleur: nu

eens geschakeerd door een eenzamen, vervallen toren, een van de linie

van torens, in ouden tijd gebouwd om de kust te beschermen tegen de

invallen van Barbarijsche zeeroovers, en levert elk oogenblik nieuwe

schoonheden op. Als men de treffende natuurtooneelen er van voorbij is

en hij zich uitstrekt over eene lange lijn der voorstad, op het vlakke

strand gelegen, tot aan Genua, dan vormen de flikkeringen dier edele

stad en hare haven een nieuwe bron van belangstelling, die vernieuwd

wordt door elk hoog opstijgend, zwaar gebouwd, half bewoond, oud huis,

buiten de stadsmuren, en de grootste hoogte bereikt als men aan de

stadspoort is gekomen, en geheel Genua, met zijne schoone haven en

naburige heuvels, zich plotseling en trotsch voor oogen stelt.

NAAR PARMA, MODENA EN BOLOGNA.

Ik trok op den 6den November van Genua weg, met het voornemen een

goed aantal plaatsen (en daaronder ook Engeland) te bezoeken; het

allereerst zou ik echter naar Piacenza gaan; naar welke stad ik in de

Coupé van eene machine, eenigermate gelijk aan eene reizende karavaan,

heentrok, in gezelschap van den braven koerier en eene dame met een

grooten hond, die alle nachten, bij tusschenpoozen, op eene nare

wijze huilde. Het was zeer vochtig en zeer koud; zeer donker en zeer

akelig; wij reisden met een snelheid van slechts vier mijlen per uur

en hielden nergens stil om ververschingen te gebruiken. Den volgenden

ochtend ten tien uur wisselden wij te Alessandrië van rijtuig, waar

wij in eene andere koets werden gepakt (welker lichaam, door den

magerste, smal had kunnen genoemd worden), in gezelschap van een oud

priester en een jong Jezuïet, die hem verzelde,--zijne getijde- en

andere boeken droeg--en die, door zijne pogingen om binnen de koets

te komen, eene gaping van een pink breedte had daargesteld tusschen

zijne zwarte kous en zijne zwarte kniebroek, hetwelk herinnerde

aan een van Hamlet in Ophelia's vertrek--behalve dat die aan beiden

beenen zichtbaar was,--een advocaat uit eene provinciestad en een

heer met een rooden neus, die een buitengewonen glans bezat, welken

ik nimmer te voren bij een menschelijk wezen had opgemerkt. Op deze

wijze reisden wij voort, tot des namiddags vier uur--daar de wegen nog

altijd slecht waren te berijden en de koets zeer langzaam voortging. Om

er de kroon op te zetten, werd de oude priester geplaagd met kramp in

zijne beenen, zoodat hij genoodzaakt was, bijna elke tien minuten een

verschrikkelijken gil te geven en door de vereenigde pogingen van het

gezelschap er uit geheschen moest worden, terwijl de koets gedurig

met groote deftigheid ten zijnen behoeve ophield. Deze ongesteldheid

en de wegen waren voor het grootste gedeelte de onderwerpen van het

gesprek. Daar ik in den namiddag bemerkte, dat de Coupé twee menschen

had uitgezet en slechts één passagier binnenin had--een gedrochtelijk

leelijke Toskanees, met een grooten purperen knevel, waarvan niemand

de einden kon zien, als hij den hoed ophad--maakte ik gebruik van

die betere gelegenheid en reisde voort met dezen heer (welke zeer

onderhoudend en opgeruimd was), tot omtrent elf uur 's avonds, toen de

voerman berichtte, dat er aan geen verder trekken kon worden gedacht,

en wij dienvolgens stilhielden bij eene plaats, Stradella genaamd.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 34 / 48 段