zoo zijn de tegenwoordige er liefhebbers van, zich in de zomeravonden
te plaatsen op elke geschikte plek binnen en buiten de stad. In alle
stegen en gangen, en op elke kleine verhevenheid, en op elk muurtje
en op alle traptreden vindt men ze in zwermen als de bijen. Onderwijl
(en vooral op feestdagen) luiden de kerkklokken aanhoudend; niet
in de gewone of elke andere bekende soort van gelui, maar met een
afschuwelijk, onregelmatig schokkend, dingle, dingle, dingle; met een
plotseling stoppen, op elken vijftienden klepelslag of daaromtrent;
waardoor men bijna dol wordt. Dit wordt gewoonlijk verricht door
een knaap, in het klokkenhuis, die den klepel of een daaraan hangend
touw, vasthoudt en harder poogt te luiden dan elk andere knaap die een
dergelijk werk verricht. Men acht dit rumoer bijzonder schadelijk voor
booze geesten; maar als men zijne oogen eens naar de klokkenhuizen
opslaat, en die jonge christenen in dier voege bezig ziet en hoort,
dan zou men ze op zeer natuurlijke wijze voor den booze houden.
In het begin van den herfst zijn er zeer talrijke feestdagen. Om
die feesten waren al de winkels twee dagen in de week gesloten, en
op zekeren avond waren al de huizen in de nabijheid eener bijzondere
kerk geïllumineerd, terwijl de kerk zelve aan de buitenzijde verlicht
was door fakkels, en ook eene groep vlammende toortsen op eene opene
ruimte buiten eene der stadspoorten was geplaatst. Dit gedeelte
der plechtigheid is veel fraaier en meer zonderling, als men een
weinig verder buiten de stad komt, waar, langs den geheelen weg,
de geïllumineerde hutten op de helling van een steilen heuvel zich
voor uw oog teekenen, en waar gij geheele slingers van waskaarsen
voorbijgaat, die bij het heldere stergeflonker wegbranden voor een
of ander alleen staand huisje op den weg.
Op die dagen wordt de kerk van den Heilige, ter wiens eere het feest
wordt gehouden, zeer vroolijk opgesierd. Festoenen van verschillende
kleuren en met goud gestikt hangen van de bogen neder; de altaartooi
is tentoongesteld; en soms zijn zelfs de hooge pijlers van boven tot
beneden omzwachteld met juist sluitende draperieën. De hoofdkerk
is toegewijd aan St. Laurentius. Op St.-Laurentiusdag bezochten
wij deze, juist toen de zon onderging; ofschoon die versieringen
gewoonlijk in een zeer eentonigen smaak zijn, was de uitwerking op
dat oogenblik inderdaad zeer grootsch. Het geheele gebouw was rood
behangen, en de ondergaande zon, die door eene groote roode gordijn
aan het hoofdportaal naar binnen stroomde, deelde zijn gloed aan al
die pracht mede. Toen de zon meer onderging en het er binnen geheel
duister was, behalve dat er nog een paar flikkerende waskaarsen
op het hoofdaltaar, en eenige heen en weer slingerende zilveren
lampjes, wat licht verspreidden, werd het er recht geheimzinnig en
was vol effect. Maar tegen den avond in een van de kerken te zitten,
is gelijk aan eene kleine hoeveelheid opium.
Gewoonlijk wordt het versieren der kerk, het huren der muzikanten
en het waslicht, betaald met het geld, hetwelk op een feestdag
ingezameld wordt. Blijft er iets over (dat naar mij dunkt wel zelden
zal gebeuren), dan trekken de zielen, die in het vagevuur zijn, de
voordeelen daarvan. Evenals er voorondersteld wordt, dat zij de baten
genieten van zekere kleine knaapjes die geldbusjes doen rammelen voor
eenige geheimzinnige huisjes, gelijkende naar dorps-tolhekken, welke
(gewoonlijk potdicht) geopend worden op dagen, die een rooden letter in
den almanak hebben, en inwendig een beeld en eenige bloemen vertoonen.
Even buiten de stadspoort aan den weg naar Albaro is een huisje
met een altaar er in, en eene vaste bus, evenzeer ten voordeele der
zielen in het vagevuur. Om de liefdadigheid nog sterker op te wekken,
is er aan elke zijde der getraliede deur een zeer groot tafereel op
de kalk geschilderd, voorstellende eene uitgelezen partij brandende
zielen. Een van deze heeft een grijzen knevelbaard en een met zorg
bewerkt hoofd met grijs haar, als ware die uit een kapperswinkel
weggenomen en in het fornuis geworpen. Daar vertoont hij zich nu
als eene uiterst snaaksche en afzichtelijk komieke oude ziel, die
voor immer blakert in de wezenlijke zon, en in het afgebeelde vuur
verbrandt, tot voordeel en verbetering (en voor de bijdragen) der
Genueezen van de geringste klasse.
Het is geen volk, dat uitgelaten vroolijk is; en men ziet ze op hunne
feestdagen zelden dansen, terwijl de kerken en openbare wandelwegen
de voornaamste plaatsen van uitspanning, voor de vrouwen zijn. Zij
zijn van een zeer goed humeur, dienstvaardig en vol nijverheid. De
nijverheid heeft hen niet zindelijk gemaakt, want hunne woningen
zijn uiterst morsig, en hunne gewone bezigheid op een schoonen
Zondagochtend is, voor hunne deuren te zitten, en elkanders hoofd als
een jachtveld aan te zien. Maar hunne woningen zijn zóó bekrompen en
dicht opeengepakt, dat, ingeval Massena, ten tijde der verschrikkelijke
belegering, die gedeelten der stad had platgeschoten, hij dan, bij
zooveel ellende, één algemeen voordeel had aangebracht.
De boerinnen, wier voeten en beenen naakt zijn, houden zich zóó
aanhoudend bezig met het wasschen van kleedingstukken in de openbare
waterbekkens en in alle stroomen en slooten, dat men, te midden van
al die morsigheid, zich wel met verbazing de vraag moet doen, wie het
goed dan toch wel draagt, als het schoon is. Men heeft de gewoonte, het
natte linnen, dat schoongemaakt moet worden, op een gladden steen te
leggen en er met een vlakken, houten hamer op te kloppen. En ze kloppen
er met zooveel verwoedheid op toe, als wilden zij zich op de kleeren in
het algemeen wreken, als in verband staande met 's menschen zondenval.
Het is niet vreemd, tegelijkertijd op den rand der waterkom, of op
een anderen vlakken steen, een ongelukkig zuigeling te zien liggen,
die met armen en beenen in een verbazend groot aantal windsels of
luiers stijf opgebakerd, en buiten staat is, een teen of vinger
te verroeren. Deze gewoonte (vaak op oude schilderijen afgebeeld)
is onder de mindere klasse algemeen. Een kind wordt ergens gelaten
zonder dat er mogelijkheid bestaat, dat het kan wegkruipen; of het
wordt bij toeval van eene plank afgeworpen, of buitelt het bed uit,
of het wordt nu en dan aan een haak opgehangen, waar het dan blijft
slingeren, als eene pop in een Engelschen voddenwinkel, zonder dat
er iemand eenig nadeel door lijdt.
Op een Zondag, kort na mijne aankomst, zat ik eens in de kleine
dorpskerk van San Martino, een paar (Eng.) mijlen van de stad, terwijl
er werd gedoopt. Ik zag den priester en een bedienaar met eene groote
kaars, benevens een man, eene vrouw en eenige anderen; maar vóór de
plechtigheid geheel afgeloopen was, kwam het even weinig in mij op,
dat het eene doopplechtigheid was, of dat het zonderlinge, kleine,
stijve voorwerp--het zag er uit als een kort pookijzer--hetwelk onder
de plechtigheid door den een aan den ander werd overgegeven, een kind
was, als ik aan mijn eigen doop dacht. Ik nam het kind naderhand
een paar minuten in handen (het lag toen dwars op de doopvont) en
bemerkte, dat het zeer rood in het aangezicht, maar heel stil was,
en met geene mogelijkheid gebogen kon worden. Van dat oogenblik af
verwonderde ik mij niet meer over het aantal kreupelen op straat.
Er zijn natuurlijk eene menigte reliekenkastjes van Heiligen en
Moedermaagden, die over het algemeen aan de hoeken der straat
zijn geplaatst. Het gedenkstuk, dat het meest geliefd wordt door
de geloovigen in den omtrek van Genua, is een schilderstuk, dat
een knielenden boer voorstelt, met eene spade en eenige andere
landbouwgereedschappen naast zich, aan wien de Madonna, met het
Heilige Kind op den arm, in eene wolk verschijnt. Dit is de legende
der Madonna della Guardia, eene kapel op een berg, een paar mijlen
ver, welke zeer beroemd is. Het schijnt dat die boer geheel alleen
woonde en eenige aarde op den top des bergs bracht, waar hij, die
een godsdienstig man was, dagelijks, in de open lucht, zijn gebed
tot de Heilige Maagd richtte; want zijne hut was zeer armoedig. Op
zekeren dag verscheen hem de Maagd, zooals op de schilderij, en zeide:
"Waarom bidt gij in de open lucht en zonder priester?"
De boer antwoordde, dat dit geschiedde om dat er noch priester noch
kerk in het bereik was--inderdaad eene zeer ongewone klacht in Italië.
"Ik zou dan wel wenschen," zeide de hemelsche verschijning, "dat er
hier eene kapel werd gebouwd, in welke de gebeden der geloovigen konden
worden opgezonden." "Maar Santissima Madonna (allerheiligste Maagd),"
zeide de boer, "ik ben een arm man; en om kapellen te kunnen bouwen
is er geld noodig. En deze, Santissima, moet ook worden onderhouden;
want eene kapel te hebben en die niet onbekrompen te onderhouden,
is snoodheid--doodzonde."
Deze gevoelens voldeden der bezoekster uitermate. "Ga!" zeide zij. "Er
is zoo en zoo een dorp in het dal ter linker- en zoo en zoo een
dorp in het dal ter rechterzijde, en zoo en zoo nog een ander dorp
elders, die gaarne zullen bijdragen tot het bouwen der kapel. Ga er
heen! verhaal wat gij hebt gezien; en houd u overtuigd, dat er geld
genoeg zal komen om mijne kapel op te richten, en dat ze naderhand
goed zal worden onderhouden." Al hetwelk (op wonderdadige wijze)
geheel en al verwezenlijkt werd. En tot bewijs van deze voorzegging
en openbaring, bestaat de kapel der Madonna della Guardia tot den
huidigen dag in rijkdom en bloei.
Men kan schier niet te veel zeggen van de pracht en verscheidenheid
der Genueesche kerken. Vooral de kerk der Annunciata--evenals vele
andere, gebouwd ten koste van een enkel edel geslacht en aan welker
herstel men nu traag werkt--is, te beginnen van de buitenste deur
tot aan het hoogste punt van den verheven koepel, met zooveel zorg
geschilderd en verguld, dat zij (gelijk het wordt beschreven door
Simond in zijn bekoorlijk boek over Italië) er uitziet als eene
groote geëmailleerde snuifdoos. De meeste der kerken, die rijker dan
de gewone zijn, bevatten eenige schoone schilderstukken, of andere
versierselen van groote waarde, bijna alle zij aan zij geplaatst
naast misteekende afbeeldsels van leelijke monniken, en het grootste
prulwerk en klatergoud, dat men ooit heeft gezien.
Er bestaat hier--en dit mag wel het gevolg zijn, dat men des volks
geest en zak zoo vaak aanspreekt ten behoeve van de zielen in het
vagevuur--er bestaat hier zeer weinig gevoel voor de lichamen der
dooden. Voor de zeer armen zijn er, onmiddellijk aan de buitenzijde
van een hoek der wallen en achter een vooruitspringend punt der
vestingwerken, nabij de zee, zekere gemeene putten--een voor elken
dag van het jaar--welke alle gesloten blijven tot de beurt van elken
put komt om de lijken van den dag op te nemen. Onder de soldaten in
de stad zijn gewoonlijk eenige Zwitsers. Als er van deze sterven,
dan worden zij begraven uit een fonds, hetwelk onderhouden wordt
door hunne te Genua woonachtige landgenooten. Dat er gezorgd wordt
voor doodkisten ten behoeve dier lijken, baart de bestuursmachten
grootelijks verwondering.
Inderdaad, dit gemengd en schaamtelooze afwerpen van gestorven menschen
in zoovele putten, brengt een slecht uitwerksel voort. Het omringt
den dood met eene aaneenschakeling van terugstootende gedachten,
welke van lieverlede met hen in verband gebracht worden, wier sterfuur
nadert. Het natuurlijke gevolg er van is, dat men onverschillig voor
hen wordt en ze vermijdt; en dat al de verzachtende invloed der groote
smart op ruwe wijze vernield wordt.
Als er een oud heer of iemand van dien aard sterft, dan heeft er de
plechtigheid plaats, dat er in de hoofdkerk banken op elkander worden
gestapeld, welke zijn lijkbaar voorstellen; deze worden met een zwart
fluweelen doodkleed overdekt; men plaatst zijn hoed en degen bovenop;
omringt het geheel door zitplaatsen, in een vierkant geschikt; en
zendt, in behoorlijken vorm, uitnoodigingen aan zijne vrienden en
bekenden, om hier te komen plaats nemen en de mis te hooren, welke
wordt gelezen op het hoofdaltaar, dat bij die gelegenheid met tallooze
waskaarsen is versierd.
Indien er iemand van de meer gegoede klasse sterft of op sterven ligt,
dan vertrekken de naaste verwanten over het algemeen, en zonderen zich
op het land af, om eene kleine afwisseling te hebben, en laten ten
aanzien van het lijk alles schikken, zonder eenig toezicht van hunne
zijde. Gemeenlijk wordt de lijkstoet gevormd, de kist gedragen en de
lijkstaatsie bestuurd door eene vereeniging van personen, confraternita
genoemd, welke het begraven der dooden, bij geregelde toerbeurten,
als eene soort van vrijwillige boete op zich hebben genomen; maar die,
eenige hoovaardij onder hunne nederigheid, mengende, gekleed zijn met
een wijd gewaad, dat hen geheel bedekt, en een hoofddeksel dragen,
dat het hoofd vermomt en alleen gaten heeft om er door te ademen en
tot openingen voor de oogen.
Deze kleeding doet zich zeer akelig voor, vooral die van zekere blauwe
confraternita, te Genua thuis behoorende, die, om er niet te veel
van te zeggen, al heel leelijke klanten zijn, en welke--als men ze
op straat plotseling in hunne vrome plichtvervulling tegenkomt--er
uitzien als waren zij vampyren of helsche geesten, die het lichaam
voor zich zelven weghalen.
Ofschoon nu ook zulk een gebruik behept moge zijn met het misbruik aan
veel Italiaansche gewoonten eigen, namelijk aangezien te worden als
een middel om rekening-courant met den Hemel te kunnen houden, op welke
men, al te gemakkelijk, voor toekomstige slechte daden kan trekken, of
als eene boetedoening voor begane misdaden, moet men echter toegeven,
dat dit gebruik goed en practisch is, en onwedersprekelijk goede
eigenschappen bevat. Een vrijwillige dienst als deze, is voorzeker
beter dan de opgelegde boete (in het geheel niets zeldzaams), dezen
of genen steen van het plaveisel der hoofdkerk zoo- en zooveel malen
te likken; of, dan eene gelofte aan de Madonna gedaan, gedurende een
of twee jaren geen andere dan blauwe kleuren te dragen. Dit wordt
verondersteld daar boven een groot genoegen te geven; uit hoofde het
blauw--zooals men weet--de geliefkoosde kleur der Madonna is. Men
ziet zeer dikwijls vrouwen op straat wandelen, welke deze daad van
vroom geloof hebben op zich genomen.
In de stad zijn drie schouwburgen, en ook nog een oude, die
thans zeldzaam wordt geopend. De belangrijkste--de Carlo Felice:
de Genueesche opera--is een zeer luisterrijke, ruime en schoone
schouwburg. Bij onze aankomst werd er door een troep tooneelisten
gespeeld: na hun vertrek kwam er een opera-gezelschap van den tweeden
rang. Het voorname speelseizoen is niet vóór carnavaltijd--in de
lente. Niets maakte gedurende mijne bezoeken aldaar, (die nogal
talrijk waren), zulk een indruk op mij als het buitengewoon hard en
wreed karakter van het publiek, dat het minste gebrek kwalijk neemt,
niets goed opvat, altijd schijnt te loeren op eene gelegenheid tot
sissen en de tooneelspeelsters even weinig als de acteurs spaart. Maar
vermits er niets anders van eenigen openbaren aard is, waaromtrent
zij de minste afkeuring aan den dag mogen leggen, is het misschien
een genomen besluit, het volste gebruik van deze gelegenheid te maken.
Er zijn ook een groot aantal Piemonteesche officieren, wien het
voorrecht is toegestaan, hunnen voeten om niet in den bak te zetten;
daar de gouverneur er op staat, dat die heeren in alle openbare of
half openbare vermakelijkheden kosteloos of tot lagen prijs toegang
worde gegeven. Dienvolgens zijn zij hooghartige berispers, en spannen
hunne vorderingen oneindig hooger dan wanneer zij des directeurs
fortuin maakten.
Het Theatro Diurno, of de dagschouwburg, is een overdekt theater in de
open lucht, waar de voorstellingen bij daglicht, in de namiddagkoelte,
worden gegeven; beginnende ten vier of vijf uur, en omtrent drie uren
durende. Het is aardig als men daar onder de menschen zit, tevens
een schoon uitzicht te hebben op de naburige heuvels en huizen,
en de buren uit hunne vensters te zien toekijken, en de klokken der
kerken en kloosters te hooren luiden, op oogenblikken, die geheel in
strijd zijn met wat er op het tooneel voorvalt. Behalve dit en de
nieuwheid van het genoegen, eene tooneelvoorstelling te zien in de
frissche en streelende lucht, met het vallen van den avond er bij, is
er in de voorstellingen niets zeer opwekkends of karakteristieks. De
acteurs zijn middelmatig; en ofschoon zij somtijds een van Goldoni's
blijspelen vertoonen, is het grootste gedeelte der tooneelstukken van
Franschen oorsprong. Al wat maar eenigszins naar volksgeest gelijkt,
is gevaarlijk voor de despotische regeeringen, en vorsten welke door
Jezuïeten zijn belegerd.
Het poppentheater of Marionetti--een beroemd gezelschap uit Milaan--is,
zonder eenige uitzondering, de kluchtigste vertooning welke ik ooit
heb gezien. Nooit heb ik iets gezien, dat zoo bij uitnemendheid
lachverwekkend was. Zij schijnen eene lengte te hebben van vier of
vijf voet, maar zijn inderdaad veel kleiner; want zet een muzikant
in het orkest, bij toeval, zijn hoed op het tooneel neer, dan
wordt die zoo reusachtig, dat men er bang van wordt, en verbergt
een acteur. Gewoonlijk spelen zij een blijspel en een ballet. De
komiek in het blijspel, dat ik op een zomeravond zag, is knecht in
een logement. Sedert de schepping der wereld heeft er nooit zulk
een beweeglijk acteur bestaan. Men heeft ten zijnen aanzien veel
moeite genomen. Hij heeft buitengewone geledingen in zijn beenen,
en een beweegbaar oog waarmede hij in den bak wenkt, op eene wijze,
die voor een vreemdeling volstrekt onverdraaglijk is, maar hetwelk
door het ingewijde publiek, grootendeels samengesteld uit gemeen volk,
geheel wordt opgenomen, (gelijk al het andere,) als eene natuurlijke
zaak en als ware het een mensch. Zijn geest is verbazend. Aanhoudend
schudt hij met zijne beenen en pinkt met zijn oog. Dan is er een dikke
vader met grijs haar, die op de geregelde gewone tooneelbank zit, en
zijne dochter op de gewone conventioneele manier zegent, die overdreven
is. Niemand zou de mogelijkheid vooronderstellen, dat eenigerhande
levend mensch zóó vervelend kon zijn. Het is de triomf der kunst.
In het ballet loopt een toovenaar met de bruid weg, juist op het
uur dat zij zal trouwen. Hij voert haar naar zijn hol en poogt haar
tot bedaren te brengen. Zij zetten zich neder op eene sofa (eene
behoorlijke sofa, behoorlijk geplaatst aan het tweede scherm!) en een
optocht van muzikanten komt binnen; waarbij een beeldje op de trom
slaande, en bij elken slag zwikkende. Daar deze haar geen vermaak
geven, komen er dansers op. Eerst vier; daarop twee, en die twee zijn
vleeschkleurig. De manier waarop zij dansen, de hoogte hunner sprongen,
de onmogelijke en onmenschelijke wijdte hunner pirouettes; het ten
toon spreiden hunner averechtsche beenen, het neerkomen, na een rust,
op de punt der teenen, als de muziek dat vordert; het achteruitgaan van
den danser als het de beurt der danseres is; en het terugtrekken der
dame als het de toer des dansers is, en ten slotte de hartstochtelijke
pas de deux; en het vertrekken met een sprong!--Neen! ik zal nooit
weer een wezenlijk ballet met een bedaard gezicht aanzien.
Op een anderen avond ging ik deze poppen een tooneelstuk zien spelen,
getiteld "St. Helena of de dood van Napoleon." Het begon met de
voorstelling van Napoleon, met een overmatig groot hoofd, gezeten op
eene sofa in zijne kamer te St. Helena, terwijl de knecht binnenkomt
met de onduidelijke aankondiging: "Sir Yoe ud se on Lou!"
Sir Hudson Lowo (hadt gij maar zijne uniform gezien) was, bij Napoleon
vergeleken, een mammouth van een man; afschuwelijk leelijk, met een
monsterachtig ongeëvenredigd gelaat en eene groote onderkaak als een
blok, om zijn tirannieken en verstokten aard aan te duiden. Hij begon
zijn vervolgingsstelsel, door zijn gevangene, "Generaal Buonaparte"
te noemen, waarop de ander in den verhevensten treurspeltoon hernam:
"Sir Yoe ud se on Lou, noem mij niet aldus; verlaat mij veeleer dan die
uitdrukking te herhalen. Ik ben Napoleon, keizer van Frankrijk!" Sir
Yoe ud se on Lou, die niets vreesde, ging voort met hem te onderhouden
over een bevel der Britsche regeering, dat den staat regelde, welken
hij nu zou voeren, en de meubelen zijner vertrekken; en zijn gevolg
op vier of vijf personen bepaalde. "Vier of vijf voor mij!" zeide
Napoleon. "Mij! Kort geleden stonden honderd duizenden onder het
bevel van mij alleen; en die Engelsche officier komt mij hier van
vier of vijf voor mij spreken!"
Door het geheele stuk heen was Napoleon (die sprak op eene wijze,
welke tamelijk gelijk was aan die van den waren Napoleon, en altijd
kleine alleenspraken hield) zeer bitter ten opzichte van "die Engelsche
officieren," en "die Engelsche soldaten," tot groot genoegen van het
publiek, dat er geheel door verrukt was Lou te hooren afsnauwen;
en dat, telkens als Lou zeide "Generaal Buonaparte" (hetwelk hij
gedurig deed; gedurig dezelfde berisping ontvangende), hem geheel
verfoeide. Het zou moeielijk vallen te zeggen waarom, daar de Italianen
weinig reden hebben met Napoleon te sympathiseeren. Dit weet de Hemel.
Er was volstrekt geene intrige in, behalve dat een Fransch officier,
als een Engelschman vermomd, een plan ter ontvluchting kwam voorslaan,
en, toen het ontdekt was (doch niet dan nadat Napoleon op grootmoedige
wijze geweigerd had zijn vrijheid te stelen), op bevel van Lou
dadelijk weggevoerd werd om opgeknoopt te worden. Er werden twee
lange aanspraken gedaan welke Lou gedenkwaardig maakte door ze op te
sieren met "Yas!"--om te toonen dat hij een Engelschman was--die eene
donderende toejuiching teweegbrachten. Door dit voorval was Napoleon
zoo aangedaan, dat hij op de plaats flauw viel en door twee andere
poppen werd weggedragen. Uit hetgeen later gebeurde zou het schijnen,
dat hij zich nooit van dien schok herstelde; want in het volgende
bedrijf lag hij in een helder hemd in een bed (met karmozijnroode en
witte gordijnen), waar eene dame, voorbarig in rouwgewaad gedost,
twee kleine kinderen bracht, welke naast het bed nederknielden,
terwijl hij op eene fatsoenlijke manier stierf. "Vatterlo" was het
laatste woord dat over zijne lippen kwam.
Het was onuitsprekelijk lachverwekkend. Buonaparte's laarzen waren
boven alle denkbeeld verwonderlijk, en verrichten uit zich zelve hoogst
verbazende dingen: zij vouwden zich vanzelve op, geraakten onder de
tafel, slingerden in de lucht en gleden, zonder dat het iemand wist,
met hem weg, als hij midden in het spreken was--welke ongelukjes niet
minder ongerijmd werden door de onveranderlijke droefgeestigheid,
welke op zijn gezicht was afgeteekend. Om een einde te maken aan een
onderhoud met Lou, moest hij naar eene tafel treden, en een boek lezen;
't was het schoonste tooneel, dat mij ooit onder de oogen is gekomen,
zijn lijf over het boek gebogen te zien als een laarzentrekker, en
zijne sentimenteele oogen onverzettelijk in den bak te zien staren. In
het bed maakte hij, met een schrikkelijk grooten boord aan zijn hemd
en zijne handjes op de deken, eene verbazend goede vertooning. Zoo was
Dr. Antomarchi voorgesteld door eene pop met lange sluike haren, als
wormen, en die, ten gevolge van eenige verwarring in de ijzerdraden,
als een gier over het bed zweefde en zijne meening als arts in de
lucht hangende, uitbracht. Hij was--zoowel als Lou--een uitgemaakte
Lomperd en gemeene kerel, zonder eenige mogelijkheid dat men zich
daarin kon bedriegen, ofschoon de laatste iets verhevens had. Lou
was overheerlijk op het einde, toen hij, den dokter en den bediende
hoorende zeggen: "De Keizer is dood!" zijn horloge uithaalde en het
stuk (niet het horloge) opwond, door met karakteristieke ruwheid uit
te roepen. "Ha! ha! Elf minuten voor zessen. De Generaal dood! en de
spion gehangen!" En daarmede viel de gordijn op zegepralende wijze.