hangen (zij trekken ze nooit aan), gingen, zoodra zij de kerk
uitwaren, aan het kegelen en het koopen van lekkernijen. Wanneer
een zestal een spel geëindigd had, kwamen zij onder de zijvleugels,
kruisten zich met wijwater, knielden voor een oogenblik neder,
en gingen dan weder naar buiten om een spelletje te kegelen. Zij
zijn daarin bijzonder handig en zullen in de met steenen bezaaide
lanen en straten en op den ruwsten grond, die voor dat doel het
minst geschikt is, met evenveel nauwkeurigheid spelen als op een
biljart. Maar het meest geliefkoosde spel is het volksspel, de Mora,
dat zij met een verwonderenswaardigen ijver doorspelen en waarop zij
alles zullen zetten wat zij bezitten. Het is een allerverderfelijkst
dobbelspel, dat geene andere hulpmiddelen behoeft dan de tien vingers,
die altijd--ik bedoel er geen kwinkslag mee--bij de hand zijn. Twee
mannen spelen te zamen. De een noemt een getal--stel het hoogste:
tien. Hij duidt aan wat gedeelte hij er van wil, door drie, vier of
vijf vingers in de hoogte te steken; en zijne tegenpartij moet op
hetzelfde oogenblik, op goed geluk af, en zonder naar zijne hand te
zien, zooveel vingers uitsteken als waardoor juist het ontbrekende moet
worden aangevuld. Hunne oogen en handen worden hieraan zóó gewend en
bewegen zich met zulk eene wonderlijke snelheid, dat een oningewijd
toeschouwer het vrij moeielijk, zoo niet onmogelijk zou vinden den
voortgang van het spel na te gaan. De ingewijden echter, waarvan
er altijd een met geestdrift bezielde troep toeziet, verslinden het
met de hevigste gretigheid; en daar er altijd eenigen bereid zijn,
zich als kampvechters op te werpen bij een of ander verschil, dat
tamelijk dikwijls het geval is, zoo is het doorgaans eene zeer woelige
zaak. Het is nooit het stilste spel ter wereld; want de getallen worden
altijd met eene luide, sterke stem uitgeroepen, en volgen elkander zoo
spoedig op als zij geteld kunnen worden. Wanneer gij op een feestavond
aan uw venster staat, of in den tuin wandelt, of over straat gaat,
of slentert op eenig bekoorlijk plekje in de nabijheid der stad, zult
gij dit spel tegelijk aan den gang hooren in een reeks van wijnhuizen;
of wanneer gij het oog over eenige wandelplaatsen van wijngaarden laat
weiden, of welken hoek ge ook omslaat, stuit ge op een hoopje spelers,
die luidkeels schreeuwen. Het is opmerkenswaardig, dat de meeste
menschen zekere geneigdheid hebben, een bijzonder getal vaker dan
een ander te noemen, en de ijver, met welke twee scherpziende spelers
wederkeerig beproeven deze zwakheid op te sporen, en hun spel daarnaar
in te richten, is zeer belangwekkend en onderhoudend. De uitwerking
wordt grootelijks verhoogd door de algemeene snelheid en hevigheid der
gebaren; twee menschen spelen om een klein koperen muntstuk met eene
inspanning die slechts op het spel let,--als goldt de inzet het leven.
Hier in de nabijheid is een groot paleis, vroeger behoord hebbende
aan een lid der familie Brignole, maar dat thans gehuurd was door eene
school van Jezuïeten, om er hunne zomerkwartieren in te houden. Laatst
op een avond, omstreeks het ondergaan der zon, doorwandelde ik zijne
ontmantelde omstreken, en gevoelde mij gedrongen eene wijl op en
neder te loopen, en dommelig het uitzicht op de stad te genieten,
dat zich hier aan alle zijden herhaalt.
Ik slenterde op en neer, onder een zuilengang, twee zijden vormende van
een met gras en onkruid begroeid voorplein, waarvan het huis eene derde
zijde uitmaakte, en eene wandelplaats op een laag terras, vanwaar
men den tuin en de naburige heuvelen kon overzien, de vierde. Ik
geloof niet dat er in het geheele plaveisel één gave steen was. In het
midden stond een beeld van een droefgeestig uiterlijk zoo bevlekt in
zijn verval, dat het er uitzag alsof het met kleefpleister bedekt,
en daarna gepoeierd was geworden. De stallen, de koetshuizen, de
keukens waren allen ledig, allen vervallen, allen geheel verwoest.
De deuren hadden hare scharnieren verloren en werden nog slechts door
klinken vastgehouden; de vensters waren gebroken, het beschilderd
pleister was afgeschilferd en lag in brokken in den omtrek; vogels
en katten hadden zich zoodanig van de buitengebouwen meester gemaakt,
dat ik mij niet kon weerhouden aan de tooversprookjes te denken, en ze
met argwaan aan te staren, alsof het betooverde dienaren waren, die
afwachtten hunne natuurlijke gedaante te herkrijgen. Eene oude poes
in 't bijzonder: een mager beest, met groene hongerige oogen (ik ben
inderdaad geneigd te gelooven, dat het vroeger een arme bloedverwant
was), kwam loerend om mij heen draaien, alsof zij voor het oogenblik
vermeende, dat ik de held zou kunnen zijn, die gekomen was om de juffer
te huwen en alles in orde te brengen; maar haar misslag bemerkende,
begon zij eensklaps schrikkelijk te mauwen, en liep met zulk een
vervaarlijken staart weg, dat zij niet in het kleine gat kon kruipen,
waarin zij huisvestte; maar verplicht was er buiten te wachten,
totdat èn hare verontwaardiging èn haar staart geslonken waren.
Eenige Engelschen hadden hier in dezen zuilengang, evenals wormen
in eene noot, gewoond, in een soort van zomerhuisje, of wat het
ook moge geweest zijn, maar de Jezuïeten hadden hen gewaarschuwd te
verhuizen, en zij waren verhuisd; en dat was ook gesloten. Van het
huis, eene verstrooide, weergalmende, gedruischmakende barak, waren de
benedenvensters, zooals gewoonlijk, gesloten, maar de deur stond wijd
open; en ik twijfel er niet aan of ik zou er hebben kunnen binnengaan,
en er mij te bed leggen en sterven, en niemand zou er iets van geweten
hebben. Alleen was er eene reeks van kamers op eene bovenverdieping
bewoond, en uit een van deze kwam de stem eener jonge, muzikale dame,
die lustig bravura aansloeg om den stillen avond op te luisteren.
Ik ging in den tuin, die verbeelden moest proper en netjes te zijn,
met lanen en terrassen, en oranjeboomen, en standbeelden, en water in
steenen kommen; en alles was groen, uitgeteerd, met onkruid bezet,
verwilderd, overal begroeid, uitgeslagen, vochtig, en rijkelijk
voorzien van alles wat maar vuil, klam, kruipend en onaangenaam
was. Er was niets schitterends in het geheele tafereel, dan eene
vuurkapel--eene enkele vuurkapel, die bij de donkere boschjes afstak,
als ware zij het laatste restje van den vervlogen roem des huizes;
en zelfs fladderde het in scherpe hoeken op en neer, en verliet eene
plaats met een zwaai, en beschreef een onregelmatigen cirkel, en kwam
op dezelfde plaats terug met een ruk, die iemand verbaasd deed staan,
alsof zij zocht naar het overschot van den roem, en zich verwonderde
(de hemel weet dat het mogelijk is!) om 't geen er van was geworden.
Binnen twee maanden losten zich de zwevende vormen en schaduwen van
mijne droefgeestige mijmerij trapsgewijze in meer gemeenzame vormen
en zelfstandigheden op, en ik begon toen alreeds te gevoelen, dat
wanneer over een jaar de tijd zou naderen om den langen feestdag te
besluiten en naar Engeland terug te keeren, ik Genua met een geheel
ander gevoel dan blijdschap zou verlaten.
Het is eene stad die u dagelijks meer inneemt. Het schijnt of er
altijd nog iets is te ontdekken. Er zijn de meest buitengewone stegen
en bijpaden om er in rond te wandelen. Gij kunt, desbegeerende,
twintigmalen per dag verdwalen (hoe aangenaam, als men werkeloos
is!) en onder de meest onverwachte en verrassendste moeielijkheden
weder terecht komen. Er is overvloed van de vreemdsoortigste
tegenstrijdigheden; dingen die schilderachtig, leelijk, gemeen,
heerlijk, bekoorlijk en beleedigend zijn, vallen u bij elken keer in
het oog.
Zij, die begeeren te weten, hoe schilderachtig de streek is die Genua
onmiddellijk omringt, moeten (bij helder weder) opklimmen naar den top
van Monte-Faccio, of ten minsten rondom de stadsmuren rijden: eene zaak
die gemakkelijker gaat. Er is geen verschiet, dat meer afgewisseld
en liefelijker kan zijn, dan de verscheidenheid van gezichten der
haven en de oevers van de beide rivieren, de Polcevera en de Bizagno,
op welker hoogten de zeer versterkte wallen voortgebouwd zijn, als de
groote Chineesche muur in het klein. In het niet minst schilderachtige
gedeelte van dezen rit is een schoon model van eene ware Genueesche
herberg, waar de bezoeker goede sier kan maken met echte Genueesche
gerechten, als: Tagliarini, Ravioli, Duitsche saucijsjes, sterk van het
knoflook, in schijven gesneden en met versche, groene vijgen gegeten;
hanekammen en schapenieren, met er onder gehakt schapevleesch en
lever; kleine stukjes van eenig onbekend gedeelte van een kalf,
in kleine reepjes gesneden, in de pan gebakken, en in een grooten
schotel opgedischt als een waterzoodje: en andere aardigheden van
dat slag. Vaak krijgen zij, in die gaarkeukens der voorstad, wijn uit
Frankrijk, Spanje en Portugal, welke door geringe kapiteins van kleine
koopvaarders aangevoerd wordt. Zij koopen dien tegen zooveel de flesch,
zonder te vragen wat het is, of zonder de moeite te nemen zich dat
te herinneren, als iemand hun dat zegt, en verdeelen dien gewoonlijk
in twee hoopen, van welke zij den eenen merken met "Champagne" en
den anderen met "Madeira." De verscheidenheid der tegenstrijdige
geuren, qualiteiten, landen, ouderdom en gewassen, welke onder die
twee algemeene namen zijn begrepen, is zeer buitengemeen. De meest
beperkte reeks gaat waarschijnlijk van den koelen Gruel tot den ouden
Marsala, en daalt weer af tot appelwijn.
De straten zijn verreweg het grootste gedeelte zóó nauw als eenige
doorloop of steeg slecht kan wezen, waarin men aanneemt, dat het volk
(en zelfs het Italiaansche volk) leeft en wandelt; daar het slechts
gangen zijn, met hier en daar een put en een plekje om lucht te
scheppen. De huizen zijn bovenmatig hoog, in allerhande kleuren
geschilderd, en zijn in elken rang en graad van beschadiging,
morsigheid en behoefte aan herstelling. Gewoonlijk worden zij
verdiepingsgewijze verhuurd, als de huizen in de oude stad Edinburgh,
of vele huizen te Parijs. Er zijn weinig straatdeuren; de voorhallen
of voorportalen worden grootendeels aangezien als openbaar eigendom;
en een tamelijk ondernemend vuilnisman zou een aardig fortuintje
bijeenbrengen met ze schoon te maken. Koetsen kunnen onmogelijk in deze
straten doordringen; er zijn daarom draagstoelen, vergulde en andere,
op verschillende plaatsen te huur. Onder den adel en den deftigen
burger worden ook eene menigte eigen draagstoelen gehouden; en des
avonds worden deze in alle richtingen af- en aangedragen, voorafgegaan
door personen die groote lantarens dragen, vervaardigd van linnen,
dat op een raam is gespannen. De draagstoelen en lantarens zijn de
wettige opvolgers van de lange rijen geduldige en zeer mishandelde
muilezels, welke, onder het rinkelen hunner belletjes, den geheelen
dag door deze nauwe straten gaan. Zij volgen deze zoo geregeld,
als de sterren op de zon.
Ik vergeet niet licht de straten vol paleizen: de Strada Nuova
en de Strada Balbi, en ook niet hoe de eerste er uitzag op een
zomerdag, toen ik haar voor het eerst zag onder het schitterendste en
donkerst blauwe gewelf van eene zomerlucht: met haar eng verschiet
van uitgestrekte gebouwen zich voordoende als eene flikkerende en
allerkostelijkst glansrijke streep, die afstak bij de donkere schaduw
van het lagereinde. Eene helderheid, die zelfs in Juli en Augustus
niet zoo gewoon is, dat men ze middelmatig zou kunnen noemen; want,
moet ik met de waarheid voor den dag komen, dan waren er geene acht
blauwe luchten in evenvele weken van den middenzomer; uitgenomen soms
in den vroegen ochtend; op welk tijdstip, als men zijne oogen naar
zee richtte, het water en het uitspansel één geheel van donker en
schitterend blauw vertoonden. Op andere tijdstippen waren er wolken en
nevel genoeg, om een Engelschman in zijn eigen klimaat te doen morren.
De eindelooze details van deze rijke paleizen, welke muren--althans
van eenige--aan de binnenzijde bezield zijn door meesterstukken van
Van Dijk! De groote, zware, steenen balkons, welke boven elkander
al nauwer en nauwer zijn gebouwd, en hier en daar een dat breeder
is dan de overige, overdekt met een hoog opgaand torenvormig
marmeren verhemelte. De voorhallen, die zonder deuren zijn, met de
onderste ramen van dikke staven voorzien, overmatig groote trappen,
ten algemeenen nutte; dikke marmeren zuilen, en sterke bogen, naar
kerkerholen gelijkende; treurige, droomerige, weergalmende, gewelfde
kamers, waarlangs het oog onophoudelijk gaat, daar elk paleis door
een ander wordt opgevolgd--de terrasvormige tuinen, tusschen het
eene huis en het andere, met groene bogen van wijngaardranken,
en groepen van oranjeboomen en blozende oleanders in vollen bloei,
twintig, dertig, veertig voet boven de straat--de geschilderde zalen,
vervallende, verschietende en vergaande in de vochtige hoeken, en
nog uitblinkende door schoone kleur en wellustige tafereelen, waar
de muren droog zijn--de verbleekte beelden aan de buitenzijde der
huizen, kransen en kronen houdende; die op- en nederwaarts vliegen,
en in nissen staan, en hier en daar machteloozer en zwakker uitzien
dan elders, door het afsteken bij eenige frissche Cupidootjes, die
van een gedeelte van den voorgevel, welks versiersels van later tijd
zijn, iets uitsteken, dat het voorkomen heeft van eene deken, doch
inderdaad een zonnewijzer is,--de steil oploopende straten van kleine
paleizen (dat desniettemin zeer groote paleizen zijn), met marmeren
terrassen, die het uitzicht hebben op nabijgelegen dwarsstegen--de
prachtige en tallooze kerken; en de snelle overgang van eene straat
vol statelijke gebouwen naar een doolhof van de ergste morsigheid,
dat den ongezondsten stank verspreidt, en krioelt van halfnaakte
kinderen en eene geheele wereld van smerig volk--dit alles te zamen
vormt zulk een verwonderlijk tafereel: zoo levendig en toch zoo
doodsch: zoo luidruchtig en toch zoo stil: zoo opdringend en toch
zoo bedeesd en nederig: zoo klaar wakker en toch in zoo diepen slaap:
dat het voor den vreemdeling eene soort van dronkenschap is, voort en
voort te wandelen en rond te zien. Eene bedwelmende geestverschijning,
met al het ongerijmde van een droom, en al het lijden en verblijden
van eene buitensporige wezenlijkheid.
Het onderscheiden gebruik, waartoe eenige dier paleizen tegelijk
dienen, is karakteristiek. Bij voorbeeld: de Engelsche bankier
(mijn uitmuntende en gastvrije vriend) heeft zijn kantoor in een
welgelegen Palazzo in de Strada Nuova. In het voorhof (van hetwelk
iedere plek met zorg is beschilderd, maar dat zoo morsig is als
een wachthuisje der politie te Londen) verkoopt een arabierenkop
met een adelaarsneus en eene verbazende hoeveelheid zwart haar,
(waaraan een man vast zit), wandelstokken. Aan de andere zijde van
den ingang verkoopt eene dame (ik meen dat het de vrouw van den
Arabier is), met een prachtigen zakdoek tot hoofdsieraad, voorwerpen
die zij zelve heeft gebreid, en somtijds ook bloemen. Een weinigje
verder bedelen, nu en dan, twee of drie blinde lieden. Soms worden
zij bezocht door een man zonder beenen, op een klein loopwagentje,
maar die een aangezicht heeft, dat zoo blozend en levendig van
kleur is, en een zoo eerbiedwekkend en weldoorvoed lichaam, dat
hij er uitziet als ware hij tot aan de middel in den grond gezakt,
of als ware hij maar ter halver lijve eene keldertrap opgekomen, om
met iemand te spreken. Een weinig verder naar binnen liggen wellicht
eenige menschen op het midden van den dag te slapen; of misschien zijn
het de zeteldragers, die daar wachten op hunne afwezige vracht. Is
dit het geval, dan hebben zij hunne draagstoelen met zich gebracht,
en dan staan die er ook. Ter linkerzijde van het voorhof is een
klein vertrek: een hoedenmakerswinkel. Op de eerste verdieping is
het Engelsche bankierskantoor. Op dezelfde eerste verdieping is
tevens een geheel huis en een goede, ruime woning ook. De hemel
weet wat daar boven is; maar zijt gij er, dan hebt gij pas begonnen
met trappen klimmen. En komt gij dan weder de trap af, terwijl gij
daarover nadenkt, en gaat gij eene groote vermolmde deur uit, aan de
achterzijde van het voorportaal, in plaats van den anderen weg op te
gaan om weder op straat te komen, dan slaat die achter u toe, onder
het voortbrengen van de akeligste echo, en gij staat op eene plaats
(de plaats van hetzelfde huis), die het voorkomen heeft van sedert
eene eeuw door geen menschelijken voet te zijn betreden. Geen geluid
stoort daar de stilte. Geen hoofd, uit een van de grommige, donkere,
nijdige ramen gestoken, die in het gezicht zijn, doet het onkruid
tusschen de gebroken vloersteenen flauwhartig worden, door het de
mogelijkheid voor te spiegelen, dat er handen bestaan, die het konden
uitwieden. Tegenover is een in steen gehouwen reusachtig beeld, dat
met een arm achteroverleunt op een kunstmatig en rijzig grotwerk. Uit
de urn slingert het overgeschoten stuk van een looden pijp, welke eens
een klein beekje langs de rots uitgoot; maar de oogholten van den reus
zijn niet droger dan die stroom thans is. Hij schijnt zijne urn, welke
bijna recht op en neer staat, een laatsten stoot te hebben gegeven,
en na als een kinderbeeldje op een grafsteen te hebben aangeduid:
"Alles is voorbij!" in een steenen stilzwijgen te zijn vervallen.
In de straten waar zich de winkels bevonden, zijn de huizen veel
kleiner, maar desniettemin altijd nog groot en bovenmate hoog. Zij
zijn zeer morsig en, mag ik eenigermate mijn neus gelooven, nooit
schoongemaakt, en geven een eigenaardige lucht van zich, gelijk
aan dien van uiterst slechte kaas, welke in zeer ware dekens wordt
bewaard. In weerwil van de hoogte der huizen, schijnt het alsof
er gebrek aan ruimte in de stad ware; want overal worden nieuwe
huizen tusschen gedrongen. Overal waar er mogelijkheid bestond,
een verhuurbaar krot tusschen eene gleuf of in een hoek te stoppen,
daar is het ook geschied. Is er ergens in een kerkmuur een hoekje
of een holletje, of eene scheur in eenigen anderen blinden muur,
daar zijt ge ook zeker, eene soort van woning te vinden, die er
uitziet als ware zij er opgeschoten gelijk een paddestoel. Tegen
het gouvernementshuis, tegen het oude senaatsgebouw, rondom elk
groot gebouw, zijn kleine winkels gedrongen, gelijk ongedierte op
het groote geraamte. Daarom, blik waarheen ge wilt, naar boven,
naar beneden, overal zijn onregelmatige huizen, achteruitdeinzende,
vooruitspringende, in puin vallende, leunende tegen die er naast staan,
zich zelven of hunne makkers, op eene of andere wijze, verminkende,
tot er een, nog onregelmatiger dan de anderen, den weg verspert en
ge niet verder voor u uit kunt zien.
Een van de morsigste gedeelten der stad is, naar mij voorkomt, dat,
hetwelk beneden bij de landingsplaats ligt. Mogelijk is het nochtans,
dat dit een dieper indruk op mijn geest hebbe gemaakt, doordat het
er op den avond onzer aankomst zeer morsig uitzag. Ook dáár zijn de
huizen zeer hoog en vertoonen eene eindelooze verscheidenheid van
wanstaltige vormen, en hangt er (evenals in de meeste huizen) iets
uit de zeer talrijke ramen, welks vunze reuk door het koeltje wordt
voortgedragen. Soms is het eene gordijn; soms een vloerkleed; soms
een bed; soms eene geheele reeks van kleeren; maar bijna overal is er
iets. Voor den voet dier huizen loopt er een booggang over het voetpad,
welke zeer lomp, donker en laag is, als een oude crypta [27]. De steen
of de kalk, waarvan die is opgemetseld, is geheel zwart geworden; en
allerlei soort van vuilnis en afval van dieren schijnt vanzelve aan te
groeien tegen elke van die zwarte zuilen. De verkoopers van macaroni en
polenta slaan hunne kraampjes, die er geenszins aanlokkelijk uitzien,
onder sommige der bogen op. De afval eener vischmarkt, die er dicht bij
is, dat wil zeggen van een achtersteegje, waar menschen op den grond en
op onderscheidene oude schotten en afdakjes zitten en visch verkoopen,
als zij er eenigen in hunne macht hebben--en van eene groenmarkt,
op denzelfden voet ingericht, dragen bij tot de verfraaiing van die
wijk; en daar alle handel hier gesloten wordt en het er den geheelen
dag stikvol is, heerscht er een zeer sterke reuk.
De Porto Franco of vrijhaven (waar goederen, die van buitenslands
worden ingevoerd, geene rechten betalen voor zij verkocht en er
uitgehaald worden, evenals in een Engelsch entrepot) is hier beneden
ook. Onheilspellende ambtenaren, met driekanten hoeden op het hoofd,
staan aan de poort, om u, verkiezen zij het, te doorzoeken en er
monniken en vrouwen af te wijzen. Immers men heeft ondervonden,
dat heiligheid zoowel als schoonheid geen weerstand kan bieden aan
de verzoeking tot smokkelen, en dat ze het beiden op dezelfde wijze
volbrengen; namelijk: door het gesmokkelde onder de ruime kleederen te
verbergen. Uit dien hoofde mogen er heiligheid en schoonheid volstrekt
niet komen.
De Genueesche straten zouden er niet te minder om zijn, als men er
eenige priesters van een innemend voorkomen invoerde. Om den vierden of
vijfden man ontmoet men een priester of een monnik, en men is er bijna
zeker van, ten minste één reizend geestelijke te zien in of op elken
postwagen op de naburige wegen. Ik ken elders geene meer terugstootende
gedaanten dan men onder die heeren vindt. Zoo het handschrift der
natuur maar eenigermate leesbaar is, dan kan men kwalijk onder eenige
menschenklasse ter wereld eene grootere verscheidenheid van traagheid,
bedrog en verstandelijke verdooving opmerken.
De heer Pepys hoorde eens een geestelijke, als een toelichting van zijn
eerbied voor de priesterlijke waardigheid, in zijne preek aanvoeren,
dat, indien hij een priester en een engel tegelijk ontmoeten mocht,
hij den priester het eerst zou groeten. Ik ben veeleer van hetzelfde
gevoelen als Petrarcha, die, toen zijn leerling Boccaccio hem uiterst
verdrietig schreef, dat hij om zijne geschriften was bezocht en
vermaand geworden door een Karthuizer monnik, die verklaard had dat
hij een bode was, te dien einde onmiddellijk door den hemel gezonden,
er op antwoordde: dat hij, wat hem betrof, de vrijheid zou nemen de
wezenlijkheid van de zending te toetsen door persoonlijke waarneming
van des zendelings gelaat, oogen, voorhoofd, gedrag en gezegden.
Ten gevolge eener gelijksoortige waarneming moet ik, voor mij aannemen,
dat men menig hemelsch zendeling zonder lastbrief kan zien sluipen
in de straten van Genua, of zijn leven in andere Italiaansche steden
in werkeloosheid doorbrengen.
Ofschoon de Kapucijnen geene geleerde vereeniging vormen, zijn zij,
als orde, wellicht de beste vrienden des volks. Zij schijnen er zich,
als raadslieden en troosters, meer onmiddellijk onder te mengen, en
de zieken vaker te bezoeken, en minder dan sommige andere ordes de
familiegeheimen te besnuffelen, ten einde een rampzalig overwicht te
verkrijgen op de zwakkere leden er van, en door een minder brandende
begeerte bezield te worden tot het maken van proselieten, en, als
die eens zijn gemaakt, ze dan naar lichaam en ziel in het verderf
te laten zinken. Men kan ze in hunne grove kleeding in alle wijken
der stad en op alle tijden, en, in den vroegen ochtend, bedelend op
de marktplaatsen ontmoeten. Ook de Jezuïeten vertoonen zich veel
op straat, en loopen sluipend en zonder gedruisch bij paren rond,
als zwarte katten.
In sommige nauwe stegen zijn afzonderlijke bedrijven bijeen. Er is eene
straat van juweliers, en er is eene straat van boekverkoopers; maar op
plaatsen zelfs waar niemand in een rijtuig ooit kan of kon doordringen,
staan zeer oude paleizen, ingesloten door de somberste en hoogste
muren en volstrekt voor de zon afgesloten. Zeer weinig kooplieden
hebben er eenig denkbeeld van, hoe zij hunne goederen aan den man
moeten brengen of uitstallen. Moet ge, als vreemdeling iets koopen,
dan ziet gij gewoonlijk den winkel rond tot gij het vindt; vat het
dan, als het onder uw bereik is, en vraagt naar den prijs. Ieder ding
wordt op de oneigenaardigste plaats verkocht. Moet men koffie hebben,
dan gaat men gewoonlijk naar een banketbakkerswinkel; hebt ge vleesch
noodig, dan zult ge het waarschijnlijk vinden achter eene oude geruite
gordijn, een half dozijn treden af, in eenig afgezonderden hoek, die
zoo moeielijk te ontdekken is, alsof dat levensmiddel vergif ware en
de wetten van Genua hem, die het verkocht, met den dood straften.
De meeste apothekerswinkels zijn groote verzamelplaatsen van
leegloopers. Hier zitten deftige menschen, met stokken, uren lang in de
schaduw bij elkander, eene kleine Genueesche courant uit de eene hand
in de andere doende overgaan, en slaperig en bij tusschenpoozen over
het nieuws sprekende. Twee of drie van dezen zijn arme dokters, die
gereed zijn, in dringende gevallen die er voorkomen, zich als zoodanig
bekend te maken, en weg te ijlen met een of ander boodschapper die er
mocht komen. Gij kunt ze kennen aan de wijze hoe zij den hals uitrekken
om te luisteren als ge binnentreedt, en aan den zucht, met welken zij
weer in hunne donkere hoeken terugzinken, als zij bemerken, dat ge
slechts geneesmiddelen noodig hebt. Weinige leegloopers vindt men in
de barbierswinkels, ofschoon die zeer talrijk zijn, daar bijna niemand
zich zelven scheert. Maar de apotheek heeft haar troep ledigloopers,
die tusschen de flesschen zitten, terwijl hunne hand over den knop
van den rotting is geslagen. Daar zitten ze zoo stil en roerloos,
dat gij ze in den donkeren winkel òf niet bemerkt, òf voor iets anders
aanziet--zooals ik eens een spookachtig man in een flesch-groenen rok,
en een hoed als eene prop--voor een paardendrank aanzag.