"Eene oude overlevering bericht, dat in 1441 een neef van Pierre de

Lude, de pauselijke legaat, eene verregaande beleediging deed aan

eenige voorname dames van Avignon, wier betrekkingen, om zich te

wreken, den jonkman vatten en schrikkelijk verminkten. Gedurende

eenige jaren begroef de legaat zijne wraak in zijn eigen boezem,

maar had niettemin besloten zich die eindelijk te verschaffen. Na

een lang tijdsverloop deed hij zelfs de eerste stappen tot een

volkomen verzoening; en toen de schijnbare oprechtheid er van de

zege had behaald, noodigde hij zekere gezinnen, geheele gezinnen,

welke hij wilde verdelgen, tot een luisterrijk gastmaal in dit

paleis. Het gastmaal werd gekruid door de grootste vroolijkheid;

maar de maatregelen van den legaat waren wel getroffen. Toen het

nagerecht op tafel stond, kwam de portier binnen, met het bericht,

dat een vreemd gezant om een buitengewoon gehoor verzocht. De legaat,

die voor een oogenblik verlof van zijne gasten nam, verwijderde zich,

door zijne ambtenaren gevolgd wordende. Weinige oogenblikken later

waren vijfhonderd personen in asch verkeerd, doordien men den geheelen

vleugel des gebouws met eene verschrikkelijke ontploffing in de lucht

had doen springen!"

Na het bezichtigen der kerken (ik wil u juist nu niet met kerken lastig

vallen) verlieten wij Avignon in den namiddag. Om de zeer sterke hitte

waren de wegen buiten de stadsmuren bezaaid met menschen, die op elk

beschaduwd plekje vast sliepen, of met werkelooze groepen, tusschen

slapen en waken in waren, en daar wachtten tot de zon laag genoeg zou

zijn gedaald om tusschen de verzengde boomen en op den stuivenden

weg te kunnen kegelen. De oogst was hier reeds binnengehaald, en

muilezels en paarden waren bezig het koorn in de velden uit te treden

[26]. Tegen donker kwamen wij in eene woeste en heuvelachtige streek,

die eens door struikroovers berucht was, en trokken langzaam tegen

eene steile hoogte op. Aldus gingen we voort tot 's avonds elf uur,

toen wij stilhielden in de stad Aix, op twee stations van Marseille,

om er nachtverblijf te houden.

Het logement, waarvan al de zonneschermen en blinden gesloten waren,

om er licht en hitte buiten te houden, was den volgenden morgen

aangenaam en luchtig, en de stad was zeer zindelijk; maar zoo heet

en zoo bovenmatig schitterend van licht, dat, toen ik des middags

uitging het juist was alsof men plotseling uit eene donkere kamer in

een fel brandend vuur keek. De lucht was zoo helder, dat verafgelegene

heuvels en rotsachtige punten slechts een uur gaans schenen: terwijl

de stad in mijn bereik--met een soort van blauwachtig waas tusschen

mij en haar--gloeiend geleek, en en heeten gloed uit hare oppervlakte

scheen te verspreiden.

Wij verlieten deze stad tegen den avond, en begaven ons op weg naar

Marseille. Het was een stoffige weg; de huizen waren alle gesloten,

en de wijngaarden wit bestoven. Bijna aan alle deuren der boerenhutten

waren vrouwen bezig met uien in aarden kommen te schillen en voor het

avondmaal in schijfjes te snijden. Dit hadden zij ook den vorigen

avond langs den geheelen weg van Avignon gedaan. Wij trokken langs

een of twee schaduwrijke, sombere kasteelen, met boomen omgeven en

met koele waterkommen versierd; die des te meer indruk maakten uit

hoofde van de groote schaarschheid van dergelijke verblijfplaatsen

langs den weg dien wij hadden afgelegd.

Toen wij Marseille naderden, begon de weg bedekt te worden met lieden

in hun feestgewaad gedost. Voor de herbergen waren eenigen bezig met

rooken, drinken, dam- en kaartspel en (ééns) met dansen. Maar stof,

stof, overal stof. Wij gingen verder, door eene lange, verstrooide

vuile voorstad, propvol van menschen. Links lag een naakt glooiend

stuk grond, waarop de buitenplaatsen der kooplieden van Marseille,

altijd verblindend wit, door elkander en zonder de minste regelmaat

opgehoopt zijn, achter-, voor-, zij-gevels en daken, naar alle streken

van het kompas; totdat wij, ten laatste, in de stad kwamen.

Ik was daar, twee- of driemalen naderhand in fraai en in slecht weder;

en ik vrees dat er geen twijfel bestaat, of het is eene morsige en

onaangename plaats. Maar het uitzicht van de versterkte hoogten

op de schoone Middellandsche zee, met hare bevallige rotsen en

eilanden, is allerverrukkendst. Deze hoogten zijn een wenschelijke

afzonderingsplaats, om minder schilderachtige redenen--om eene

mengeling van onaangenaam riekende dampen te ontvluchten, die

voortdurend opstijgen uit een haven vol stilstaand water en besmet met

hetgeen tallooze schepen, met allerhande ladingen, geweigerd hadden

in te nemen; wat, bij warm weder, in den hoogsten graad te vreezen is.

Daar waren vreemde zeelieden, van alle natiën op straat; met

roode hemden, blauwe hemden, gesteven hemden, taankleurige hemden

en oranjekleurige hemden, met roode mutsen, blauwe mutsen, groene

mutsen, zware baarden en baardeloos; met Turksche tulbanden, glimmende

Engelsche hoeden, en Napolitaansche hoofddeksels.

Daar waren stedelingen, groepsgewijs op het voetpad zittende, of

zich verluchtende op de daken hunner huizen, of de nauwste en minst

luchtige Boulevards op en neer wandelende; en daar waren hoopen

volks van de geringe klasse, die er trotsch uitzagen en gedurig

den weg versperden. Te midden van al dat geraas en oproer stond het

krankzinnigengesticht; een laag, saamgedrongen, ellendig gebouw, dat

recht op de straat uitzag, zonder de minste beschutting of voorhof;

waar snaterende krankzinnige mannen en vrouwen, door geroeste staven,

omlaag, naar de gapende aangezichten staarden, terwijl de zon, met

fierheid in hunne kleine cellen schuin invallende, hunne hersenen

schenen te verdrogen en te pijnigen, evenals werden ze door een koppel

honden nagezeten.

Wij waren tamelijk wel gehuisvest in het hotel du Paradis, dat in een

nauwe straat stond, waarin zeer hooge huizen waren. Er tegenover was

een kapperswinkel, voor een raam twee levensgroote wassen damesbeelden

ten toon stellende, die heen en weder draaiden, hetgeen de kapper zelf

zoo verrukte, dat hij en zijn huisgezin, in armstoelen, en luchtig

gekleed, midden op de straat zaten, zich met eene luie waardigheid

verheugende in de voldoening der voorbijgangers. Het huisgezin had

zich ter ruste begeven, toen wij te middernacht naar bed gingen;

maar de kapper (een gezet man met lakensche muilen) zat er nog, met

zijne voeten recht voor hem uitgestoken, en kon klaarblijkelijk niet

verdragen, dat men de blinden sloot.

Den volgenden dag gingen we naar de haven, waar zeelieden van alle

natiën bezig waren te ontschepen en ladingen van alle soort in te

nemen: vruchten, wijnen, olie, zijden-, wollen-, fluweelen stoffen en

alle soort koopmansgoederen. Uit het groot aantal vroolijke bootjes

één kiezende, dat zeilen had, welke gestreept waren, op eene wijze,

die voor het oog bevallig was, roeiden wij weg, onder de achterstevens

van groote schepen, onder touwen en kettingen, tegen en onder andere

booten, en veel te dicht langs de boorden van andere schepen, die

met sinaasappelen bevracht waren, naar de Marie Antoinette, eene

nette stoomboot, naar Genua bestemd, liggende aan den ingang der

haven. Langzamerhand kwam het rijtuig, die logge "kleinigheid van

het Pantechnicon," op een platboomd vaartuig, op gekke wijze langs

boord liggen, tegen alles aanstootende, en aanleiding gevende tot

een wonderbaarlijk aantal vloeken en gezichtsverdraaiingen; tegen

vijf uur stoomden wij naar de ruime zee.

Het schip was uiterst zindelijk; de maaltijden werden opgedischt onder

een zeil op dek; de nacht was kalm en helder; de rustige schoonheid

van de zee en van den hemel onuitsprekelijk.

Wij reisden den volgenden morgen vroegtijdig naar Nizza af, en voeren

bijna den geheelen nacht langs de kust, tot op eenige mijlen van den

Cornice-weg (waarover later nader). Voor drie uur hadden wij Genua

in het gezicht; en het waarnemen der langzame ontwikkeling van deze

prachtige, amphitheatersgewijze gebouwde stad: terrassen op terrassen,

tuin op tuin, paleis op paleis, heuvel op heuvel--hield ons genoeg

bezig, tot wij de trotsche haven waren binnengevaren.

Na ons hier buitengewoon verwonderd te hebben over eenige Kapucijner

monniken, die het wegen van hout op de werf gadesloegen, vertrokken wij

naar Albaro, een paar mijlen verder, waar wij een huis hadden gehuurd.

Onze weg voerde ons door de voornaamste straten, maar niet door

Strada Nuova, of Strada Balbi, die de beroemde straten der paleizen

zijn. Nimmer in mijn leven was ik meer teleurgesteld! De wonderbare

nieuwheid van alles, de ongewone reuk, de onverklaarbare morsigheid

(hoewel men het voor de zindelijkste stad van Italië houdt) de verwarde

mengeling van smerige huizen, het eene boven op het andere gebouwd;

de stegen, vuiler en nauwer dan die in St. Giles, of het vroegere

Parijs; waarin en waaruit geene landloopers kwamen, maar welgekleede

vrouwen, met witte sluiers en groote waaiers, heen en weder gingen;

het volstrekt gemis van gelijkenis in eenig woonhuis, of winkel, of

muur, of stijl, of pilaar, met iets dat ik ooit vroeger gezien had;

en de ontmoedigende vuilheid, het ongemak en verval verbaasden mij ten

hoogste. Ik verviel in eene treurige mijmering. Mij is bewust, dat ik

koortsachtig en verward gedroomd heb van heiligen en madonna's in hunne

nissen aan de hoeken der straten,--van een groot aantal monniken en

soldaten,--van groote roode gordijnen, die voor de deuren der kerken

fladderden,--van altijd bergop te gaan, en toch iedere nieuwe straat

en steeg steeds te zien rijzen,--van fruitstalletjes, met versche

citroenen en oranjeappelen, die aan festoenen van wijngaardranken

hingen,--van een wachthuis, en eene ophaalbrug--en van poortlanen,--en

van verkoopers van ijswater, met hunne kleine stalletjes aan den kant

van het kanaal zittende--en dit is alles wat mij bewust is, totdat ik

nedergezet werd op een vunzig, akelig, met onkruid begroeid plein,

voor een soort van rood gevangenhuis; en men tot mij zeide, dat ik

daar woonde.

Weinig dacht ik dien dag, dat ik ooit gehechtheid zou gevoelen voor de

steenen zelfs in de straten van Genua, en met liefde terugblikken naar

die stad, uit hoofde van de menigte gelukkige en rustige uren, welke ik

daar heb doorgebracht. Maar dit zijn mijne eerste indrukken, eerlijk

ternedergesteld; en hoe ze veranderden zal ik ook mededeelen. Laat

ons thans ademhalen na deze langgerekte dagreis.

GENUA EN HARE OMSTREKEN.

De eerste indruk van een dergelijke plaats als Albaro, de voorstad

van Genua, waar ik mij thans neergezet heb, moest natuurlijk, volgens

mijne wijze van zien, droevig en teleurstellend zijn. Het vereischt

een weinig tijd en gewoonte om de neerslachtigheid te overwinnen,

die in het begin gevoeld wordt en het gevolg is van eene zoodanige

verwaarloozing en van een dergelijk plichtverzuim. Nieuwheid,

die iedereen behaagt, bevalt mij buitengemeen. Ik wordt niet licht

mistroostig als ik de middelen bezit mijne eigene denkbeelden en

bezigheden te volgen; en ik vermeen, dat ik een bijzonderen aanleg

heb om mij naar de omstandigheden te schikken.--Maar, tot nog toe,

zwerf ik rond in alle hoekjes en gaatjes der nabuurschap, in een

voortdurenden staat van verwondering; en keer ik naar mijne villa

terug: de villa Bagnerello, (de naam klinkt romantisch, maar signor

Bagnerello is een slachter uit de nabijheid), dan heb ik genoeg te doen

om over mijne nieuw opgedane ondervinding te peinzen en haar, zeer tot

mijn eigen vermaak, te vergelijken met mijne verwachtingen, totdat

ik weder dolen ga. De villa Bagnerello, of het Roode Gevangenhuis,

eene veel juistere uitdrukking voor het huis, is zoo prachtig gelegen

als men zich slechts verbeelden kan. In hare nabijheid bevindt zich de

trotsche golf van Genua en de donkerblauwe Middellandsche zee; oude,

verlaten, monsterachtige huizen en paleizen zijn overal verspreid;

hooge bergen, wier toppen zich dikwerf in de wolken verschuilen, en

wier sterke forten in de hoogte tegen hunne ruwe hellingen aanleunen,

zijn ter linkerzijde in de nabijheid, en vóór u, van de muren

van het lusthuis tot aan de vervallen kapel, die zich op de fiere

schilderachtige rotsen aan den oever der zee verheft, zijn groene

wijngaarden, waar gij den geheelen dag kunt wandelen, gedeeltelijk

in de schaduw, en, zoover uw oog reikt, slechts druiventrossen ziet,

die, over de smalle paden heen, om een ruw latwerk geslingerd zijn.

Van dit eenzame plekje loopen zulke smalle paden, dat wij, bij het

tolkantoor aankomende, bevonden, dat de lieden de maat genomen hadden

van het smalste van alle, en wachtende waren om ze met deze breedte van

het rijtuig te vergelijken: de plechtigheid werd ernstig volvoerd op

straat, terwijl wij allen in angstige verwachting er bij stonden. Het

scheelde wel niet veel, maar er bestond eene mogelijkheid, en meer

niet--zooals ik alle dagen herinnerd word, door het beschouwen der

verschillende groote gaten, welke het rijtuig aan weerszijden in den

muur stootte toen het er tusschen doortrok. Men heeft mij verhaald,

dat wij gelukkiger zijn dan eene bejaarde dame, welke, niet lang

geleden, een lusthuis in deze streken huurde, en in eene steeg met

haar rijtuig bleef vastzitten, en daar het onmogelijk was een der

portieren te openen, was zij verplicht zich te onderwerpen aan de

onwaardige behandeling, door een der kleine raampjes aan de voorzijde

getrokken te worden, evenals een harlekijn.

Wanneer gij die nauwe stegen door zijt, dan komt gij aan eene gewelfde

poort, onvolkomen gesloten door een oud verroest hek--mijn hek. Aan

dit verroeste, oude hek prijkt eene schel, waaraan gij zoo lang

kunt trekken als gij wilt, en waarop niemand u zal antwoorden, daar

zij volstrekt niet met het huis in verband staat. Maar daar is nog

een oude verroeste klopper, ook--vrij slecht vastgemaakt, zoodat hij

rondglipt, wanneer gij hem aanraakt--en als gij den slag er van leert,

en lang genoeg klopt, komt er iemand. De brave koerier komt en laat u

in. Gij betreedt een klein vruchtbaar tuintje, geheel verwilderd en

vol onkruid: van hier neemt de wijngaard een aanvang: ga het door,

loop in eene vierkante zaal als een kelder, klim eene gescheurde

marmeren trap op en treed in eene verschrikkelijk groote kamer,

met eene gewelfde zoldering en gewitte muren; bijna als eene groote

kapel van Methodisten. Dat is de sala. Zij heeft vijf ramen en vijf

deuren en is versierd met schilderijen, welke de schilderij-opknappers

zouden doen watertanden, die in Londen, als een uithangbord, eene

schilderij ophangen, welke verdeeld is evenals de dood en de dame,

boven aan de oude ballade, en u altijd in een staat van onzekerheid

laat, of de kundige professor de eene helft schoon of de andere heeft

smerig gemaakt. Het ameublement van deze sala is een soort van roode

gebloemde stof. Al de stoelen zijn onverschuifbaar en de sofa weegt

verscheidene tonnelasten.

Op dezelfde verdieping, en in deze kamer uitkomende, bevinden zich de

eetzaal, de receptiezaal, en verschillende slaapkamers: elk met een

menigte deuren en vensters voorzien. Boven zijn verscheidene andere

naakte kamers en eene keuken, en beneden is eene andere keuken,

welke, met alle soorten van vreemdaardige inrichtingen voorzien

om houtskolen te branden er uitziet als het laboratorium eens

scheikundigen. Er zijn ook nog een half dozijn kleine kamers, waar

de bedienden, gedurende deze warme Julidagen, de hitte van het vuur

kunnen ontvluchten, en waar de brave koerier den ganschen avond alle

soorten van muziekinstrumenten van zijn eigen maaksel bespeelt. Het

is een zoo oud, verstrooid, spookachtig weergalmend, onvriendelijk,

kaal huis, als ik ooit te voren gezien of gedroomd heb.

Van uit de receptiezaal komt men op een klein, met wijnranken bedekt

terras; onder dit terras, en eene zijde van den kleinen tuin vormende,

bevindt zich, wat vroeger een stal was. Het is thans een koestal

en er staan drie koeien in, zoodat wij emmers vol versche melk

krijgen. Daar er geen weiland in de nabijheid is komen ze nooit

uit den stal, maar liggen steeds neer en doen zich te goed aan de

wijngaardbladen--volmaakte Italiaansche koeien--den geheelen dag het

dolce far niente (het zoete nietsdoen) genietende; zij staan onder

het opzicht van een oud man, Antonio genaamd, en van zijn zoon, die

beiden daar slapen, beiden van Sienna geboren, door de zon verbrand,

met bloote beenen en voeten, die elk een hemd en eene broek dragen en

een rooden gordel om het lijf hebben, en een reliek of gewijde amulet,

evenals de boon uit een driekoningenkoek, om den hals hebben hangen.

De oude man is zeer verlangend, mij tot het katholieke geloof over te

halen, en preekt mij dikwijls voor. Des avonds zitten wij somtijds

op een steen bij de deur, eene omgekeerde herhaling van Robinson

Crusoë en Vrijdag gevende, en gewoonlijk verhaalt hij, om mijne

bekeering te bevorderen, een uittreksel der geschiedenis van Sint

Petrus,--voornamelijk, zoo geloof ik wegens het onuitsprekelijk

genoegen dat hij smaakt in zijne nabootsing van den haan.

Het uitzicht, zooals ik reeds vroeger zeide, is verrukkend; maar op

den dag moet men de zonneschermen gesloten houden, anders zou de zon u

razend maken; en als de zon ondergaat, moet gij al de ramen sluiten,

of de muskieten zouden u in de verzoeking brengen een zelfmoord te

begaan. Omstreeks dezen tijd van het jaar ziet gij weinig van het

inwendige der huizen. Wat de vliegen betreft, gij geeft er niet

om. Even zoo min om de vlooien, die een verschrikkelijken omvang

bezitten, en wier getal Legio is, en die het koetshuis zoodanig

bevolken, dat ik dagelijks verwacht, het rijtuig vanzelf te zien

voortgaan, door myriaden nijvere, opgetuigde vlooien getrokken. De

ratten worden op eene aangename wijze verdreven door benden magere

katten, die in den tuin tot dit doeleinde rondzwerven. Om de hagedissen

bekommert zich natuurlijk niemand; zij spelen in de zon en bijten

niet. De kleine schorpioenen vallen alleen wat nieuwsgierig. De

torren komen wat laat, en zijn nog niet verschenen. De kikvorschen

zijn gezelschap. In de gronden van de naastgelegene villa is er een

voorraad van, en als het avond is geworden, zou men denken, dat geheele

hoopen vrouwspersonen met klakken aan de voeten, zonder een oogenblik

op te houden, op een vochtig steenen plaveisel heen en weer gingen;

juist zulk een geraas maken zij.

De vervallen kapel aan den schilderachtigen en schoonen zee-oever was

vroeger aan St. Johannes den Dooper gewijd. Ik geloof er bestaat eene

overlevering, dat de beenderen van St. Johannes daar met verschillende

plechtigheden ontvangen zijn geworden, toen zij het eerst naar

Genua werden gevoerd; want Genua bezit ze tot heden nog. Als er

een buitengewone storm op zee heerscht, worden zij naar buiten

gebracht, en aan het onstuimige weder vertoond, dat zij onmisbaar

doen bedaren. Uit hoofde dezer betrekking tusschen St. Johannes en de

stad worden een aantal lieden der geringere klasse Giovanni Battista

(Joannes de Dooper) genaamd. Dit laatste woord wordt in het Genueesch

patois (volkstaal) "Batchietcha" uitgesproken, evenals iemand die

niest. Het klinkt een vreemdeling vrij zonderling en vermakelijk in

de ooren, op Zon- en feestdagen, wanneer er veel volk op de been is,

hen elkander Batchietcha te hooren toeroepen.

De smalle lanen loopen op groote villa's uit; wier muren (buitenmuren

bedoel ik) beschilderd zijn met alle soorten van onderwerpen; treurige

en heilige. Maar het weder en de zeelucht hebben ze bijna uitgewischt;

en zij zien er uit als de ingang der Vauxhall tuinen op een zonnigen

dag. De voorpleinen dezer lusthuizen zijn met gras en onkruid

begroeid; allerlei afzichtelijke vlakken bedekken de voetstukken

der standbeelden, als waren zij door eene huidziekte aangetast; de

buitenhekken zijn verroest, en de ijzeren tralies van de onderste

vensters zijn alle op het punt van naar beneden te storten. Het

brandhout wordt in zalen bewaard, waar misschien de kostbaarste

schatten kunnen zijn opgehoopt; de watervallen zijn uitgedroogd en

verstopt; fonteinen, te dommelig om het water op te spuiten, en te

lui om het te doen neervallen, herinneren zich nog juist zóóveel van

hare bestemming, om in haar slaap de nabuurschap vochtig te maken;

en de sirocco-wind waait dikwijls dagen achtereen over al deze zaken,

evenals over een reusachtigen uitgedoofden oven.

Voor eenigen tijd had er een feestdag plaats, ter eere van de moeder

der H. Maagd: toen de jongelieden uit de nabuurschap, bij den een of

anderen optocht groene ranken en wijngaardbladen hebbende gedragen,

zich bij hoopen in het vocht der vrucht baadden. Het zag er zeer

wonderlijk en aardig uit. Hoewel ik bekennen moet, dat ik (die op

dien tijd niets van het feest wist) dacht, en er bijna zeker van was,

dat die ranken hun denzelfden dienst moesten doen als aan de paarden,

namelijk de vliegen van het lijf te houden.

Spoedig daarop was er een andere feestdag, ter eere van zekere Sint

Nazaro. Een van de jongelieden van Albaro bracht, kort nadat wij

ontbeten hadden, twee groote ruikers, en naar boven komende in de

groote sala, bood hij zelf ze aan. Dit was eene beleefde wijze om een

bijdrage te verzoeken, ten einde de onkosten te bestrijden van eenige

muziek, ter eere van den Heilige; ik herinner mij niet meer wat wij

gaven, maar zijn afgezant vertrok, wel voldaan. Des avonds ten zes

uur gingen wij naar de kerk--dicht in de buurt,--eene zeer zwierige

plaats, geheel behangen met festoenen en schitterende draperieën, en,

van het altaar tot den hoofdingang, opgepropt met vrouwen, die allen

zaten. Zij dragen hier geen mutsen; maar alleen een langen, witten

sluier--de "mezzero" genaamd; en het was de luchtigste, vroolijkst

uitziende schaar, welke ik immer zag. Over het algemeen zijn de

jonge meisjes niet fraai, maar zij bezitten eene statige houding,

en vertoonen in hare manieren en in het omslaan harer sluiers veel

aangeboren bevalligheid en sierlijkheid. Er waren eenige mannen

aanwezig, maar niet veel, en enkelen van hen lagen geknield in de

zijvleugels, waar iedereen over hen struikelde. Tallooze waskaarsen

brandden in de kerk; de kleine stukjes zilver en tin aan de heiligen

(vooral in het halssnoer van de Heilige Maagd) blonken glinsterend;

de priesters zaten om het hoofdaltaar; het orgel speelde lustig op,

en een welbezet orkest deed hetzelfde: terwijl een orkestmeester, in

eene kleine galerij er vlak tegenover, met eene rol papier op den voor

hem bestemden muzieklessenaar hamerde; en een tenor, die volstrekt

geene stem had, begon te zingen. Het orkest speelde deze, het orgel

gene wijs; de zanger koos eene derde, en de ongelukkige orkestmeester

sloeg en sloeg, en zwaaide zijne rol, naar een hem eigen stelsel,

klaarblijkelijk wel voldaan over de geheele uitvoering. Ik heb nooit

een dergelijk wangeluid gehoord. Al dien tijd was het smoorwarm.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 31 / 48 段