Lude, de pauselijke legaat, eene verregaande beleediging deed aan
eenige voorname dames van Avignon, wier betrekkingen, om zich te
wreken, den jonkman vatten en schrikkelijk verminkten. Gedurende
eenige jaren begroef de legaat zijne wraak in zijn eigen boezem,
maar had niettemin besloten zich die eindelijk te verschaffen. Na
een lang tijdsverloop deed hij zelfs de eerste stappen tot een
volkomen verzoening; en toen de schijnbare oprechtheid er van de
zege had behaald, noodigde hij zekere gezinnen, geheele gezinnen,
welke hij wilde verdelgen, tot een luisterrijk gastmaal in dit
paleis. Het gastmaal werd gekruid door de grootste vroolijkheid;
maar de maatregelen van den legaat waren wel getroffen. Toen het
nagerecht op tafel stond, kwam de portier binnen, met het bericht,
dat een vreemd gezant om een buitengewoon gehoor verzocht. De legaat,
die voor een oogenblik verlof van zijne gasten nam, verwijderde zich,
door zijne ambtenaren gevolgd wordende. Weinige oogenblikken later
waren vijfhonderd personen in asch verkeerd, doordien men den geheelen
vleugel des gebouws met eene verschrikkelijke ontploffing in de lucht
had doen springen!"
Na het bezichtigen der kerken (ik wil u juist nu niet met kerken lastig
vallen) verlieten wij Avignon in den namiddag. Om de zeer sterke hitte
waren de wegen buiten de stadsmuren bezaaid met menschen, die op elk
beschaduwd plekje vast sliepen, of met werkelooze groepen, tusschen
slapen en waken in waren, en daar wachtten tot de zon laag genoeg zou
zijn gedaald om tusschen de verzengde boomen en op den stuivenden
weg te kunnen kegelen. De oogst was hier reeds binnengehaald, en
muilezels en paarden waren bezig het koorn in de velden uit te treden
[26]. Tegen donker kwamen wij in eene woeste en heuvelachtige streek,
die eens door struikroovers berucht was, en trokken langzaam tegen
eene steile hoogte op. Aldus gingen we voort tot 's avonds elf uur,
toen wij stilhielden in de stad Aix, op twee stations van Marseille,
om er nachtverblijf te houden.
Het logement, waarvan al de zonneschermen en blinden gesloten waren,
om er licht en hitte buiten te houden, was den volgenden morgen
aangenaam en luchtig, en de stad was zeer zindelijk; maar zoo heet
en zoo bovenmatig schitterend van licht, dat, toen ik des middags
uitging het juist was alsof men plotseling uit eene donkere kamer in
een fel brandend vuur keek. De lucht was zoo helder, dat verafgelegene
heuvels en rotsachtige punten slechts een uur gaans schenen: terwijl
de stad in mijn bereik--met een soort van blauwachtig waas tusschen
mij en haar--gloeiend geleek, en en heeten gloed uit hare oppervlakte
scheen te verspreiden.
Wij verlieten deze stad tegen den avond, en begaven ons op weg naar
Marseille. Het was een stoffige weg; de huizen waren alle gesloten,
en de wijngaarden wit bestoven. Bijna aan alle deuren der boerenhutten
waren vrouwen bezig met uien in aarden kommen te schillen en voor het
avondmaal in schijfjes te snijden. Dit hadden zij ook den vorigen
avond langs den geheelen weg van Avignon gedaan. Wij trokken langs
een of twee schaduwrijke, sombere kasteelen, met boomen omgeven en
met koele waterkommen versierd; die des te meer indruk maakten uit
hoofde van de groote schaarschheid van dergelijke verblijfplaatsen
langs den weg dien wij hadden afgelegd.
Toen wij Marseille naderden, begon de weg bedekt te worden met lieden
in hun feestgewaad gedost. Voor de herbergen waren eenigen bezig met
rooken, drinken, dam- en kaartspel en (ééns) met dansen. Maar stof,
stof, overal stof. Wij gingen verder, door eene lange, verstrooide
vuile voorstad, propvol van menschen. Links lag een naakt glooiend
stuk grond, waarop de buitenplaatsen der kooplieden van Marseille,
altijd verblindend wit, door elkander en zonder de minste regelmaat
opgehoopt zijn, achter-, voor-, zij-gevels en daken, naar alle streken
van het kompas; totdat wij, ten laatste, in de stad kwamen.
Ik was daar, twee- of driemalen naderhand in fraai en in slecht weder;
en ik vrees dat er geen twijfel bestaat, of het is eene morsige en
onaangename plaats. Maar het uitzicht van de versterkte hoogten
op de schoone Middellandsche zee, met hare bevallige rotsen en
eilanden, is allerverrukkendst. Deze hoogten zijn een wenschelijke
afzonderingsplaats, om minder schilderachtige redenen--om eene
mengeling van onaangenaam riekende dampen te ontvluchten, die
voortdurend opstijgen uit een haven vol stilstaand water en besmet met
hetgeen tallooze schepen, met allerhande ladingen, geweigerd hadden
in te nemen; wat, bij warm weder, in den hoogsten graad te vreezen is.
Daar waren vreemde zeelieden, van alle natiën op straat; met
roode hemden, blauwe hemden, gesteven hemden, taankleurige hemden
en oranjekleurige hemden, met roode mutsen, blauwe mutsen, groene
mutsen, zware baarden en baardeloos; met Turksche tulbanden, glimmende
Engelsche hoeden, en Napolitaansche hoofddeksels.
Daar waren stedelingen, groepsgewijs op het voetpad zittende, of
zich verluchtende op de daken hunner huizen, of de nauwste en minst
luchtige Boulevards op en neer wandelende; en daar waren hoopen
volks van de geringe klasse, die er trotsch uitzagen en gedurig
den weg versperden. Te midden van al dat geraas en oproer stond het
krankzinnigengesticht; een laag, saamgedrongen, ellendig gebouw, dat
recht op de straat uitzag, zonder de minste beschutting of voorhof;
waar snaterende krankzinnige mannen en vrouwen, door geroeste staven,
omlaag, naar de gapende aangezichten staarden, terwijl de zon, met
fierheid in hunne kleine cellen schuin invallende, hunne hersenen
schenen te verdrogen en te pijnigen, evenals werden ze door een koppel
honden nagezeten.
Wij waren tamelijk wel gehuisvest in het hotel du Paradis, dat in een
nauwe straat stond, waarin zeer hooge huizen waren. Er tegenover was
een kapperswinkel, voor een raam twee levensgroote wassen damesbeelden
ten toon stellende, die heen en weder draaiden, hetgeen de kapper zelf
zoo verrukte, dat hij en zijn huisgezin, in armstoelen, en luchtig
gekleed, midden op de straat zaten, zich met eene luie waardigheid
verheugende in de voldoening der voorbijgangers. Het huisgezin had
zich ter ruste begeven, toen wij te middernacht naar bed gingen;
maar de kapper (een gezet man met lakensche muilen) zat er nog, met
zijne voeten recht voor hem uitgestoken, en kon klaarblijkelijk niet
verdragen, dat men de blinden sloot.
Den volgenden dag gingen we naar de haven, waar zeelieden van alle
natiën bezig waren te ontschepen en ladingen van alle soort in te
nemen: vruchten, wijnen, olie, zijden-, wollen-, fluweelen stoffen en
alle soort koopmansgoederen. Uit het groot aantal vroolijke bootjes
één kiezende, dat zeilen had, welke gestreept waren, op eene wijze,
die voor het oog bevallig was, roeiden wij weg, onder de achterstevens
van groote schepen, onder touwen en kettingen, tegen en onder andere
booten, en veel te dicht langs de boorden van andere schepen, die
met sinaasappelen bevracht waren, naar de Marie Antoinette, eene
nette stoomboot, naar Genua bestemd, liggende aan den ingang der
haven. Langzamerhand kwam het rijtuig, die logge "kleinigheid van
het Pantechnicon," op een platboomd vaartuig, op gekke wijze langs
boord liggen, tegen alles aanstootende, en aanleiding gevende tot
een wonderbaarlijk aantal vloeken en gezichtsverdraaiingen; tegen
vijf uur stoomden wij naar de ruime zee.
Het schip was uiterst zindelijk; de maaltijden werden opgedischt onder
een zeil op dek; de nacht was kalm en helder; de rustige schoonheid
van de zee en van den hemel onuitsprekelijk.
Wij reisden den volgenden morgen vroegtijdig naar Nizza af, en voeren
bijna den geheelen nacht langs de kust, tot op eenige mijlen van den
Cornice-weg (waarover later nader). Voor drie uur hadden wij Genua
in het gezicht; en het waarnemen der langzame ontwikkeling van deze
prachtige, amphitheatersgewijze gebouwde stad: terrassen op terrassen,
tuin op tuin, paleis op paleis, heuvel op heuvel--hield ons genoeg
bezig, tot wij de trotsche haven waren binnengevaren.
Na ons hier buitengewoon verwonderd te hebben over eenige Kapucijner
monniken, die het wegen van hout op de werf gadesloegen, vertrokken wij
naar Albaro, een paar mijlen verder, waar wij een huis hadden gehuurd.
Onze weg voerde ons door de voornaamste straten, maar niet door
Strada Nuova, of Strada Balbi, die de beroemde straten der paleizen
zijn. Nimmer in mijn leven was ik meer teleurgesteld! De wonderbare
nieuwheid van alles, de ongewone reuk, de onverklaarbare morsigheid
(hoewel men het voor de zindelijkste stad van Italië houdt) de verwarde
mengeling van smerige huizen, het eene boven op het andere gebouwd;
de stegen, vuiler en nauwer dan die in St. Giles, of het vroegere
Parijs; waarin en waaruit geene landloopers kwamen, maar welgekleede
vrouwen, met witte sluiers en groote waaiers, heen en weder gingen;
het volstrekt gemis van gelijkenis in eenig woonhuis, of winkel, of
muur, of stijl, of pilaar, met iets dat ik ooit vroeger gezien had;
en de ontmoedigende vuilheid, het ongemak en verval verbaasden mij ten
hoogste. Ik verviel in eene treurige mijmering. Mij is bewust, dat ik
koortsachtig en verward gedroomd heb van heiligen en madonna's in hunne
nissen aan de hoeken der straten,--van een groot aantal monniken en
soldaten,--van groote roode gordijnen, die voor de deuren der kerken
fladderden,--van altijd bergop te gaan, en toch iedere nieuwe straat
en steeg steeds te zien rijzen,--van fruitstalletjes, met versche
citroenen en oranjeappelen, die aan festoenen van wijngaardranken
hingen,--van een wachthuis, en eene ophaalbrug--en van poortlanen,--en
van verkoopers van ijswater, met hunne kleine stalletjes aan den kant
van het kanaal zittende--en dit is alles wat mij bewust is, totdat ik
nedergezet werd op een vunzig, akelig, met onkruid begroeid plein,
voor een soort van rood gevangenhuis; en men tot mij zeide, dat ik
daar woonde.
Weinig dacht ik dien dag, dat ik ooit gehechtheid zou gevoelen voor de
steenen zelfs in de straten van Genua, en met liefde terugblikken naar
die stad, uit hoofde van de menigte gelukkige en rustige uren, welke ik
daar heb doorgebracht. Maar dit zijn mijne eerste indrukken, eerlijk
ternedergesteld; en hoe ze veranderden zal ik ook mededeelen. Laat
ons thans ademhalen na deze langgerekte dagreis.
GENUA EN HARE OMSTREKEN.
De eerste indruk van een dergelijke plaats als Albaro, de voorstad
van Genua, waar ik mij thans neergezet heb, moest natuurlijk, volgens
mijne wijze van zien, droevig en teleurstellend zijn. Het vereischt
een weinig tijd en gewoonte om de neerslachtigheid te overwinnen,
die in het begin gevoeld wordt en het gevolg is van eene zoodanige
verwaarloozing en van een dergelijk plichtverzuim. Nieuwheid,
die iedereen behaagt, bevalt mij buitengemeen. Ik wordt niet licht
mistroostig als ik de middelen bezit mijne eigene denkbeelden en
bezigheden te volgen; en ik vermeen, dat ik een bijzonderen aanleg
heb om mij naar de omstandigheden te schikken.--Maar, tot nog toe,
zwerf ik rond in alle hoekjes en gaatjes der nabuurschap, in een
voortdurenden staat van verwondering; en keer ik naar mijne villa
terug: de villa Bagnerello, (de naam klinkt romantisch, maar signor
Bagnerello is een slachter uit de nabijheid), dan heb ik genoeg te doen
om over mijne nieuw opgedane ondervinding te peinzen en haar, zeer tot
mijn eigen vermaak, te vergelijken met mijne verwachtingen, totdat
ik weder dolen ga. De villa Bagnerello, of het Roode Gevangenhuis,
eene veel juistere uitdrukking voor het huis, is zoo prachtig gelegen
als men zich slechts verbeelden kan. In hare nabijheid bevindt zich de
trotsche golf van Genua en de donkerblauwe Middellandsche zee; oude,
verlaten, monsterachtige huizen en paleizen zijn overal verspreid;
hooge bergen, wier toppen zich dikwerf in de wolken verschuilen, en
wier sterke forten in de hoogte tegen hunne ruwe hellingen aanleunen,
zijn ter linkerzijde in de nabijheid, en vóór u, van de muren
van het lusthuis tot aan de vervallen kapel, die zich op de fiere
schilderachtige rotsen aan den oever der zee verheft, zijn groene
wijngaarden, waar gij den geheelen dag kunt wandelen, gedeeltelijk
in de schaduw, en, zoover uw oog reikt, slechts druiventrossen ziet,
die, over de smalle paden heen, om een ruw latwerk geslingerd zijn.
Van dit eenzame plekje loopen zulke smalle paden, dat wij, bij het
tolkantoor aankomende, bevonden, dat de lieden de maat genomen hadden
van het smalste van alle, en wachtende waren om ze met deze breedte van
het rijtuig te vergelijken: de plechtigheid werd ernstig volvoerd op
straat, terwijl wij allen in angstige verwachting er bij stonden. Het
scheelde wel niet veel, maar er bestond eene mogelijkheid, en meer
niet--zooals ik alle dagen herinnerd word, door het beschouwen der
verschillende groote gaten, welke het rijtuig aan weerszijden in den
muur stootte toen het er tusschen doortrok. Men heeft mij verhaald,
dat wij gelukkiger zijn dan eene bejaarde dame, welke, niet lang
geleden, een lusthuis in deze streken huurde, en in eene steeg met
haar rijtuig bleef vastzitten, en daar het onmogelijk was een der
portieren te openen, was zij verplicht zich te onderwerpen aan de
onwaardige behandeling, door een der kleine raampjes aan de voorzijde
getrokken te worden, evenals een harlekijn.
Wanneer gij die nauwe stegen door zijt, dan komt gij aan eene gewelfde
poort, onvolkomen gesloten door een oud verroest hek--mijn hek. Aan
dit verroeste, oude hek prijkt eene schel, waaraan gij zoo lang
kunt trekken als gij wilt, en waarop niemand u zal antwoorden, daar
zij volstrekt niet met het huis in verband staat. Maar daar is nog
een oude verroeste klopper, ook--vrij slecht vastgemaakt, zoodat hij
rondglipt, wanneer gij hem aanraakt--en als gij den slag er van leert,
en lang genoeg klopt, komt er iemand. De brave koerier komt en laat u
in. Gij betreedt een klein vruchtbaar tuintje, geheel verwilderd en
vol onkruid: van hier neemt de wijngaard een aanvang: ga het door,
loop in eene vierkante zaal als een kelder, klim eene gescheurde
marmeren trap op en treed in eene verschrikkelijk groote kamer,
met eene gewelfde zoldering en gewitte muren; bijna als eene groote
kapel van Methodisten. Dat is de sala. Zij heeft vijf ramen en vijf
deuren en is versierd met schilderijen, welke de schilderij-opknappers
zouden doen watertanden, die in Londen, als een uithangbord, eene
schilderij ophangen, welke verdeeld is evenals de dood en de dame,
boven aan de oude ballade, en u altijd in een staat van onzekerheid
laat, of de kundige professor de eene helft schoon of de andere heeft
smerig gemaakt. Het ameublement van deze sala is een soort van roode
gebloemde stof. Al de stoelen zijn onverschuifbaar en de sofa weegt
verscheidene tonnelasten.
Op dezelfde verdieping, en in deze kamer uitkomende, bevinden zich de
eetzaal, de receptiezaal, en verschillende slaapkamers: elk met een
menigte deuren en vensters voorzien. Boven zijn verscheidene andere
naakte kamers en eene keuken, en beneden is eene andere keuken,
welke, met alle soorten van vreemdaardige inrichtingen voorzien
om houtskolen te branden er uitziet als het laboratorium eens
scheikundigen. Er zijn ook nog een half dozijn kleine kamers, waar
de bedienden, gedurende deze warme Julidagen, de hitte van het vuur
kunnen ontvluchten, en waar de brave koerier den ganschen avond alle
soorten van muziekinstrumenten van zijn eigen maaksel bespeelt. Het
is een zoo oud, verstrooid, spookachtig weergalmend, onvriendelijk,
kaal huis, als ik ooit te voren gezien of gedroomd heb.
Van uit de receptiezaal komt men op een klein, met wijnranken bedekt
terras; onder dit terras, en eene zijde van den kleinen tuin vormende,
bevindt zich, wat vroeger een stal was. Het is thans een koestal
en er staan drie koeien in, zoodat wij emmers vol versche melk
krijgen. Daar er geen weiland in de nabijheid is komen ze nooit
uit den stal, maar liggen steeds neer en doen zich te goed aan de
wijngaardbladen--volmaakte Italiaansche koeien--den geheelen dag het
dolce far niente (het zoete nietsdoen) genietende; zij staan onder
het opzicht van een oud man, Antonio genaamd, en van zijn zoon, die
beiden daar slapen, beiden van Sienna geboren, door de zon verbrand,
met bloote beenen en voeten, die elk een hemd en eene broek dragen en
een rooden gordel om het lijf hebben, en een reliek of gewijde amulet,
evenals de boon uit een driekoningenkoek, om den hals hebben hangen.
De oude man is zeer verlangend, mij tot het katholieke geloof over te
halen, en preekt mij dikwijls voor. Des avonds zitten wij somtijds
op een steen bij de deur, eene omgekeerde herhaling van Robinson
Crusoë en Vrijdag gevende, en gewoonlijk verhaalt hij, om mijne
bekeering te bevorderen, een uittreksel der geschiedenis van Sint
Petrus,--voornamelijk, zoo geloof ik wegens het onuitsprekelijk
genoegen dat hij smaakt in zijne nabootsing van den haan.
Het uitzicht, zooals ik reeds vroeger zeide, is verrukkend; maar op
den dag moet men de zonneschermen gesloten houden, anders zou de zon u
razend maken; en als de zon ondergaat, moet gij al de ramen sluiten,
of de muskieten zouden u in de verzoeking brengen een zelfmoord te
begaan. Omstreeks dezen tijd van het jaar ziet gij weinig van het
inwendige der huizen. Wat de vliegen betreft, gij geeft er niet
om. Even zoo min om de vlooien, die een verschrikkelijken omvang
bezitten, en wier getal Legio is, en die het koetshuis zoodanig
bevolken, dat ik dagelijks verwacht, het rijtuig vanzelf te zien
voortgaan, door myriaden nijvere, opgetuigde vlooien getrokken. De
ratten worden op eene aangename wijze verdreven door benden magere
katten, die in den tuin tot dit doeleinde rondzwerven. Om de hagedissen
bekommert zich natuurlijk niemand; zij spelen in de zon en bijten
niet. De kleine schorpioenen vallen alleen wat nieuwsgierig. De
torren komen wat laat, en zijn nog niet verschenen. De kikvorschen
zijn gezelschap. In de gronden van de naastgelegene villa is er een
voorraad van, en als het avond is geworden, zou men denken, dat geheele
hoopen vrouwspersonen met klakken aan de voeten, zonder een oogenblik
op te houden, op een vochtig steenen plaveisel heen en weer gingen;
juist zulk een geraas maken zij.
De vervallen kapel aan den schilderachtigen en schoonen zee-oever was
vroeger aan St. Johannes den Dooper gewijd. Ik geloof er bestaat eene
overlevering, dat de beenderen van St. Johannes daar met verschillende
plechtigheden ontvangen zijn geworden, toen zij het eerst naar
Genua werden gevoerd; want Genua bezit ze tot heden nog. Als er
een buitengewone storm op zee heerscht, worden zij naar buiten
gebracht, en aan het onstuimige weder vertoond, dat zij onmisbaar
doen bedaren. Uit hoofde dezer betrekking tusschen St. Johannes en de
stad worden een aantal lieden der geringere klasse Giovanni Battista
(Joannes de Dooper) genaamd. Dit laatste woord wordt in het Genueesch
patois (volkstaal) "Batchietcha" uitgesproken, evenals iemand die
niest. Het klinkt een vreemdeling vrij zonderling en vermakelijk in
de ooren, op Zon- en feestdagen, wanneer er veel volk op de been is,
hen elkander Batchietcha te hooren toeroepen.
De smalle lanen loopen op groote villa's uit; wier muren (buitenmuren
bedoel ik) beschilderd zijn met alle soorten van onderwerpen; treurige
en heilige. Maar het weder en de zeelucht hebben ze bijna uitgewischt;
en zij zien er uit als de ingang der Vauxhall tuinen op een zonnigen
dag. De voorpleinen dezer lusthuizen zijn met gras en onkruid
begroeid; allerlei afzichtelijke vlakken bedekken de voetstukken
der standbeelden, als waren zij door eene huidziekte aangetast; de
buitenhekken zijn verroest, en de ijzeren tralies van de onderste
vensters zijn alle op het punt van naar beneden te storten. Het
brandhout wordt in zalen bewaard, waar misschien de kostbaarste
schatten kunnen zijn opgehoopt; de watervallen zijn uitgedroogd en
verstopt; fonteinen, te dommelig om het water op te spuiten, en te
lui om het te doen neervallen, herinneren zich nog juist zóóveel van
hare bestemming, om in haar slaap de nabuurschap vochtig te maken;
en de sirocco-wind waait dikwijls dagen achtereen over al deze zaken,
evenals over een reusachtigen uitgedoofden oven.
Voor eenigen tijd had er een feestdag plaats, ter eere van de moeder
der H. Maagd: toen de jongelieden uit de nabuurschap, bij den een of
anderen optocht groene ranken en wijngaardbladen hebbende gedragen,
zich bij hoopen in het vocht der vrucht baadden. Het zag er zeer
wonderlijk en aardig uit. Hoewel ik bekennen moet, dat ik (die op
dien tijd niets van het feest wist) dacht, en er bijna zeker van was,
dat die ranken hun denzelfden dienst moesten doen als aan de paarden,
namelijk de vliegen van het lijf te houden.
Spoedig daarop was er een andere feestdag, ter eere van zekere Sint
Nazaro. Een van de jongelieden van Albaro bracht, kort nadat wij
ontbeten hadden, twee groote ruikers, en naar boven komende in de
groote sala, bood hij zelf ze aan. Dit was eene beleefde wijze om een
bijdrage te verzoeken, ten einde de onkosten te bestrijden van eenige
muziek, ter eere van den Heilige; ik herinner mij niet meer wat wij
gaven, maar zijn afgezant vertrok, wel voldaan. Des avonds ten zes
uur gingen wij naar de kerk--dicht in de buurt,--eene zeer zwierige
plaats, geheel behangen met festoenen en schitterende draperieën, en,
van het altaar tot den hoofdingang, opgepropt met vrouwen, die allen
zaten. Zij dragen hier geen mutsen; maar alleen een langen, witten
sluier--de "mezzero" genaamd; en het was de luchtigste, vroolijkst
uitziende schaar, welke ik immer zag. Over het algemeen zijn de
jonge meisjes niet fraai, maar zij bezitten eene statige houding,
en vertoonen in hare manieren en in het omslaan harer sluiers veel
aangeboren bevalligheid en sierlijkheid. Er waren eenige mannen
aanwezig, maar niet veel, en enkelen van hen lagen geknield in de
zijvleugels, waar iedereen over hen struikelde. Tallooze waskaarsen
brandden in de kerk; de kleine stukjes zilver en tin aan de heiligen
(vooral in het halssnoer van de Heilige Maagd) blonken glinsterend;
de priesters zaten om het hoofdaltaar; het orgel speelde lustig op,
en een welbezet orkest deed hetzelfde: terwijl een orkestmeester, in
eene kleine galerij er vlak tegenover, met eene rol papier op den voor
hem bestemden muzieklessenaar hamerde; en een tenor, die volstrekt
geene stem had, begon te zingen. Het orkest speelde deze, het orgel
gene wijs; de zanger koos eene derde, en de ongelukkige orkestmeester
sloeg en sloeg, en zwaaide zijne rol, naar een hem eigen stelsel,
klaarblijkelijk wel voldaan over de geheele uitvoering. Ik heb nooit
een dergelijk wangeluid gehoord. Al dien tijd was het smoorwarm.