Ik heb deze tafereelen vergeleken bij schaduwen op het water geworpen,

en zou gaarne de hoop koesteren, dat ik het water nergens zoo ruw heb

geroerd, dat er die schaduwen door zijn bedorven. Ik kon nooit sterker

verlangen, met al mijne vrienden op goeden voet te staan, dan thans,

nu zich al wederom ver gelegen bergen op mijn weg verheffen: want ik

heb niet noodig te aarzelen in het afleggen der bekentenis, dat ik er

op gezet ben, een kort geduurd hebbenden misslag te erkennen, welken

ik, niet lang geleden, beging, door het storen der oude betrekkingen

tusschen mij en mijne lezers, en dat ik, voor een oogenblik afwijkende

van mijne oude bezigheden, op het punt sta, die met opgeruimdheid

in Zwitserland weder op te vatten; waar ik, gedurende nog een jaar

afzijns, tegelijkertijd onafgebroken de plannen kan uitwerken, welke ik

nu in mijn hoofd heb; en, terwijl ik mijne Engelsche toehoorders binnen

het bereik mijner woorden houd, tevens mijne kennis kan uitbreiden

van een edel land, dat onuitsprekelijk aantrekkelijk voor mij is.

Dit boek is zoo toegankelijk mogelijk gemaakt, omdat het mij groot

genoegen ware, zoo ik mocht hopen, door middel daarvan, mijne

indrukken te vergelijken met die van eenigen onder de menigte,

welke de geschetste tooneelen later met belangstelling en genoegen

zullen bezoeken.

En nu heb ik alleen nog maar, naar de wijze der reispassen, het

signalement mijner lezers te schetsen, hetwelk ik hoop dat, voor

beiderlei sekse vooronderstellenderwijze, in dier voege geschetst

kunne worden:

Kleur Schoon.

Oogen Zeer vroolijk.

Neus Niet trotsch.

Mond Lachend.

Aangezicht Stralend.

Algemeene uitdrukking Uiterst aangenaam.

DOOR FRANKRIJK.

Op een schoonen Zondagochtend, in het midden van den zomer des jaars

achttienhonderd vier en veertig, was het, goede vriend, dat--schrik

geenszins; niet dat men twee reizigers had kunnen opmerken, hoe zij

traag hun weg vervorderden, op den schilderachtigen en oneffen grond,

langs welke men gewoonlijk het eerste hoofdstuk van een middeleeuwschen

roman bereikt--maar, dat een Engelsche reiswagen van aanmerkelijken

omvang, zoo pas gehaald uit de belommerde zalen van Pantechnicon [19]

bij Belgrave-Square te Londen, werd gezien door een zeer klein Fransch

soldaat (want ik zag dat hij er naar keek), hoe deze de poort uitreed

van het hotel Meurice, in de straat Rivoli te Parijs.

Ik ben niet sterker verplicht opheldering te geven, waarom de Engelsche

familie, die met dit rijtuig--binnenin en buitenop--reisde, van al de

dagen der week, juist op Zondag naar Italië zou trekken, dan tot het

aantoonen der reden, waarom in Frankrijk al de kleine manspersonen

soldaat en al de dikke mannen postiljon zijn: dat een onveranderlijke

regel is. Maar zij hadden, ik twijfel er niet aan, eenigermate reden

voor hetgeen zij deden; en hunne reden, in het geheel genomen, daar

te zijn, was, zooals gij weet, dat zij een jaar lang het schoone

Genua gingen bewonen; en, dat het hoofd des gezins voornemens was,

gedurende dat tijdsbestek overal rond te zwerven waar zijn rustelooze

geest hem zou voeren.

En het had mij luttel genoegen gebaard, aan de bevolking van Parijs

in het algemeen, de verklaring te geven, dat ik hoofd en aanvoerder

was, en niet de stralende verlichamelijking van opgeruimdheid, die

naast mij zat in den persoon van een Fransch koerier--de beste der

bedienden en de glansrijkste man! Om de waarheid te zeggen, zag hij

er aanmerkelijk meer aartsvaderlijk uit dan ik, die in de schaduw

zijner heftige diklijvigheid tot volstrekt niets wegkromp.

Er was natuurlijk in het voorkomen van Parijs zeer weinig--daar

wij in de nabijheid der akelige Morgue [20] en over de Pont-Neuf

rolden--dat ons verwijten deed om ons reizen op den Zondag. De

wijnhuizen (om de andere woning) dreven een handel vol rumoer,

aan de buitenzijde der koffiehuizen werden zeilen gespannen en

stoelen en tafels gerangschikt, als voorbereidsels tot het eten van

ijs en het gebruiken van verkoelende dranken, dat later op den dag

plaats had; schoenpoetsers waren bezig op de bruggen; winkels waren

geopend; karren en wagens rolden af en aan; de nauwe, oploopende en

trechtervormige straten, aan de overzijde der rivier, waren zoo menige

volgepropte perspectieven van gewoel en gedrang, gedeeltelijk gekleurde

slaapmutsen, tabakspijpen, blauwe kielen, wijde laarzen en ruigharige

koppen; op dat uur was er niets dat een rustdag verkondigde, behalve

hier en daar het verschijnen van een gezin, dat een speeltochtje

ging doen, gestopt in een lomp, oud, waggelend rijtuig, of van

eenig bespiegelend rustdagvierder, in de meest vrije en gemakkelijke

ochtendkleeding, die uit een laag zoldervenstertje leunde, wachtende,

met een kalm genoegen, op het drogen van zijne pas gepoetste schoenen,

staande op de kleine borstwering daar buiten (als 't een heer was),

of (was het een dame) op het drogen harer kousen in de zon.

Eens verlost van het onvergetelijke of onvergeeflijke plaveisel,

dat Parijs omgeeft, zijn de drie eerste dagen naar Marseille stil en

eentonig genoeg. Naar Sens. Naar Avallon. Naar Chalons. Eene schets

van den eenen dag is eene schets van alle drie; en hier is zij.

Wij hebben vier paarden en een postiljon, die eene zeer lange zweep

heeft, zijn span besturende zoo wat in den smaak van den koerier van

St. Petersburg, in het paardrijdersspel van Astley of Franconi; behalve

dat hij op zijn paard zit in plaats van er op te staan. De reusachtige

stijve laarzen, door deze postiljons gedragen, zijn somtijds eene eeuw

of twee oud, en zoo bespottelijk ongeëvenredigd aan den voet van hem

die ze draagt, dat de spoor, welke geplaatst is waar zijn eigen hiel

zit, gemeenlijk halfweg van de schaft der laarzen staat. Vaak komt de

man het stalplein af, met zijne zweep in de hand en zijne schoenen aan

de voeten, en brengt, met beide handen, eerst de eene en dan de andere

laars naar buiten, welke hij, met groote deftigheid, naast zijn paard

op den grond nederzet, tot alles gereed is. Is dat het geval--en och

hemel! welk geraas maken zij er om!--dan stapt hij, met schoenen en al,

in de laarzen, of wordt er door een paar goede vrienden in geheschen;

schikt de strengen in orde, die met verheven werk zijn voorzien door

den arbeid van tallooze duiven in de stallen, brengt al de paarden

aan het schoppen en steigeren, klapt met zijne zweep als een dolleman;

schreeuwt: "En route--Hu!" en daar gaan we. Voor we nog ver weg zijn,

ligt hij, daarvan is hij zeker, met zijn paard overhoop, en noemt

het dan een dief, een struikroover en een zwijn, en wat niet al;

en slaat het op den kop, als ware het van hout.

In de eerste twee dagen vertoont zich weinig meer dan ééne

verscheidenheid in het voorkomen der streek. Van een akelige vlakte

in eene eindelooze laan; en uit eene eindelooze laan wederom op

eene nare vlakte. Er zijn eene menigte wijnstokken in het open veld,

maar van eene kleine en gemeene soort, en niet in festoenen, maar om

rechte staken gewonden. Overal zijn daar tallooze bedelaars; maar eene

buitengewoon dungezaaide bevolking, en minder kinderen dan ik ooit heb

ontmoet. Ik geloof niet, dat wij tusschen Parijs en Chalons honderd

kinderen hebben gezien. Misselijke, oude steden met ophaalbruggen

en muren; met wonderlijke torentjes op de hoeken, die er uitzien als

snaaksche maskers; als had de muur een grijns voorgedaan en omlaag in

de gracht starende. Andere vreemde torentjes, in tuinen en velden,

en hellende lanen en op werven van hoeven, allen alleenstaande

en altijd rond, met een spits dak, en nimmer tot eenig gebruik

dienende; bouwvallige woningen van alle soort: somtijds een stadhuis,

soms een wachthuis, soms een woonhuis, soms een kasteel met een

verwilderden tuin, die vruchtbaar is in leeuwentand [21], en bewaakt

door torentjes met dompervormige kappen en pinkoogende venstertjes;

dit zijn de vaste voorwerpen welke telkens herhaald worden. Soms

komen wij eene dorpsherberg voorbij, met een daartoe behoorenden,

afbrokkelenden muur, en eene volslagen stad van bijgebouwen, en op

welker poort is geschilderd: "Stalling voor zestig paarden;" zooals

er dan ook inderdaad stalling voor twintigmaal zestig zou zijn,

als daar eenige paarden waren te stallen, of zich iemand daar zou

ophouden, of als zich omtrent die plaats iets verroerde, behalve

een slingerende krans, die zinspelende op den wijn daar binnen,

in den wind heen en weer fladdert, en wat werkeloosheid betreft,

een goed tegenhanger vormt met wat er rondom is; en gewis nooit een

groenen ouderdom heeft, ofschoon hij althans zoo oud is, dat hij

in stukken valt. Gedurende den geheelen dag komen er, al rammelend,

vreemdsoortige, kleine, smalle wagentjes, in reeksen van zes of acht

voorbij, die kaas uit Zwitserland aanvoeren, en waarvan de geheele

rij vaak onder het bestuur is van een enkelen man, ja zelfs van een

enkelen knaap die zeer dikwijls in de voorste kar ligt te slapen,

terwijl de paarden de bellen op hunne tuigen slaperig doen rinkelen,

en er uitzien alsof zij meenden (en ongetwijfeld is dit hun gevoelen)

dat hunne groote, blauwe, wollige tuigen, van eene verbazende zwaarte

en dikte, en voorzien van een paar potsierlijke horens, die uit de

hamen opschieten, veel te warm zijn voor het weer in het hartje van

den zomer.

Dan is er, twee of driemalen daags de diligence met de bestoven

passagiers, die buitenop zitten in blauwe kielen als slagers:

en die er binnen, met witte slaapmutsen, en de carbriolet, boven

op het verhemelte, knikkebollend en schuddend als het hoofd van

een simpele: en zijn jeune France passagiers uit de ramen turende,

met baarden, die op hunne vesten nederhangen, en blauwe brillen, die

hunne krijgszuchtige oogen op ontzagwekkende wijze overschaduwen, en

zeer dikke stokken, die in hunne nationale vuist zijn geklemd. Verder

de brievenmail, met slechts een paar passagiers, voortrennende met

een waren waaghalsdraf, en in een ommezien uit het gezicht. Stevige,

oude pastoors, nu en dan hossebossend voorbijkomende, in rijtuigen zoo

rommelend en roestig, beschimmeld en rammelend, dat het een Engelschman

niet zou gelooven; en doodmagere vrouwen, welke in eenzame plaatsen

rondslenteren, daar zij de koeien onder het grazen aan een touw

vasthouden, of graven en hakken, of nog zwaarder veldarbeid verrichten,

of werkelijke herderinnen met hare kudden voorstellen--en van welk

bedrijf en zijne volgers in eenig land men een juist denkbeeld kan

verkrijgen, als men maar een of ander herdersdicht of soortgelijk

schilderstuk neemt, en zich datgene verbeeld wat het meest, wat

hemelsbreed verschilt van de daar gegeven afbeeldingen.

Gij hebt nu dofgeestig genoeg voortgereisd, zooals men over

het algemeen op het laatste gedeelte van den dag doet; en de

zes en negentig bellen der paarden--ieder paard heeft er vier en

twintig--hebben u een half uur of daaromtrent slaperig in de ooren

geklonken, en het is eene zware soort van sukkeldraf, eene eentonige,

vermoeiende soort van bezigheid geworden; en ge hebt degelijk nagedacht

over het middagmaal, dat gij op het naaste station zult houden; als

aan het lager einde van een lange laan, welke gij thans doorreist,

zich de eerste teekens eener stad vertoonen, in de gedaante van eenige

verstrooide hutten; en het rijtuig begint te ratelen en te rollen over

een schrikkelijk oneffen plaveisel. Als ware het rijtuig een groot

vuurwerk, en als had het gezicht alleen van den rookenden schoorsteen

eener stulp het doen ontvlammen, begint het dadelijk te kraken en

een leven te maken als zat er de baarlijke duivel in. Krak, krak,

krak, krak. Krak-krak-krak. Krik-krak. Krik-krak. Holla! Hort! Hu!

Dief! Schelm! Hu! Hu! Hu! voor-r-r-r-r-uit. Zweep, raderen, voerman,

steenen, bedelaars, kinderen; krak, krak, krak; holla! hort! eene

aalmoes asjeblieft! krik, krik-krak, krak, krik, krik, krik, bof,

bom, krak, plof krik, krak; den hoek om, de nauwe straat op, en aan de

andere zijde den bestraten heuvel af; in de goot; bof, bof; bom, hots,

krik, krik, krik, krak, krak, krak; in de winkelruiten, ter linkerzijde

der straat, eventjes voor ge een slingerenden draai neemt binnen de

houten poortdeur, ter rechterzijde; r-r-r-r-; klap-klap-klap, krik,

krik, krik, en hier zijn we op het plein van het hotel de l'Écu d'Or;

vermoeid, buiten adem, dampend en uitgeput, maar soms onverwachts

een loozen sprong doende, zonder dat er iets van komt--zooals het

vuurwerk op het laatst doet.

Hier is de kasteleines van het hotel de l'Écu d'Or, en hier is de

kastelein van het hotel de l'Écu d'Or en de kamenier van het hotel de

l'Écu d'Or is er ook, en een heer in eene glimmende pret, met rooden

baard als een boezemvriend, die in het hotel de l'Écu d'Or vertoeft,

is hier. Mijnheer de pastoor wandelt in een hoekje van de binnenplaats

alleen op en neer, met een driekanten hoed op het hoofd en een zwart

kleed aan het lijf, en een boek in de eene, en een zonnescherm in

de andere hand; en een ieder behalve Monsieur le Curé, staat met

gapenden mond en opgespalkte oogen voor het geopende rijtuigportier. De

kastelein van het hotel de l'Écu d'Or is zóó verzot op den postiljon,

dat hij nauwelijks zijn afstijgen kan afwachten, maar, terwijl hij

daarmede bezig is, zijne beenen en laarzen reeds omvat.

"Mijn koerier! Mijn goede koerier! Mijn vriend! Mijn broeder!" De

kasteleines heeft hem lief, de kamenier zegent hem, de knecht aanbidt

hem. De koerier vraagt of zijn brief ontvangen is? Zeker is hij

dat. Zijn de kamers gereed? Zeker zijn ze dat. De beste vertrekken

voor mijn edelen koerier. De pronkkamers voor mijn hupschen koerier;

het geheele huis staat ten dienste van mijn besten vriend! Hij legt

zijne hand op het rijtuigportier, en doet eene andere vraag om de

verwachting te spannen. Hij draagt een groen lederen tasch aan een

riem. De leegloopers kijken er naar, een er van raakt ze aan. Ze

is vol met vijf-frankstukken. Onder de jongens wordt een gemurmel

van bewondering gehoord. De kastelein valt den koerier om den hals

en drukt hem aan de borst. Hij is veel dikker geworden dan hij was,

zegt hij! Hij ziet er zoo blozend en goed uit!

Het portier wordt geopend. Ademlooze verwachting. De dame des

gezins komt er uit. Ha! een lieve dame! Een mooie dame! De zuster

van de dame des gezins komt er uit. Hemel! die juffrouw ziet er

bekoorlijk uit! De eerste kleine jongen klimt er uit. O! wat een

mooi jongetje! Het eerste meisje komt er uit. O! maar dat is eerst

een innemend kind! Het tweede meisje komt er uit. De kasteleines,

gehoor gevende aan de schoonste aandrift van onzen algemeenen aard,

vangt het in de armen op. Het tweede knaapje komt er uit. O wat een

lief jongetje. O wat aardige kleintjes! Het kleinste kind wordt uit

den wagen gereikt. Een engelachtig dotje. De zuigeling heeft alles

overtroffen. Al de verrukking komt op den zuigeling neer! Daarop

strompelen er de twee kindermeiden uit; en daar de geestdrift tot

uitzinnigheid klimt, wordt de geheele familie als ware het op eene

wolk de trap opgedragen, terwijl de lanterfanters zich rondom het

rijtuig verdringen, en er in kijken, en er rondom slenteren, en het

aanraken. Want een rijtuig aan te raken, dat zooveel menschen heeft

bevat, wil wat zeggen. Dat kan men als een legaat aan de kinderen

nalaten.

De vertrekken zijn op de eerste verdieping, behalve de slaapkamer

der kinderen, dat een groot leeg vertrek is met vier of vijf bedden:

een donkere gang door, twee treden op, vier af, eene pomp voorbij,

tegenover een balkon en naast den stal. De andere slaapvertrekken

zijn ruim en luchtig; elk met twee kleine bedsteden, evenals de ramen,

smaakvol behangen met roode en witte gordijnen. Het woonvertrek is van

belang. Er is reeds voor drie personen gedekt en de servetten zijn

opgevouwen in den vorm van punthoeden. De vloeren zijn van roode

estrikken. Er zijn geene vloerkleeden en ook niet veel meubelen,

waarvan men zou kunnen spreken, maar er is een overvloed van spiegels,

en er zijn groote, met kunstbloemen gevulde vazen onder glazen stolpen,

en er zijn eene menigte uurwerken. Alles is in beweging. Vooral de

goede koerier is overal: hij beziet de bedden, nadat zijne keel,

door zijn liefhebbenden, broederlijken vriend, den kastelein, met

wijn is gesmeerd, en komkommers, altijd komkommers etende--de hemel

weet waar hij ze vandaan haalt--met welke hij, in elke hand een,

als commando-staven, rondwandelt.

Men bericht dat men heeft opgedischt. Daar is zeer dunne soep; er zijn

groote broodjes,--een per persoon; een visch, daarna vier gerechten;

daarna eenig gevogelte, daarna dessert, en wijn geen gebrek. Er is

wel niet veel op de schotels, maar de spijze zijn zeer goed en altijd

dadelijk gereed. Nu, daar het omtrent avond is geworden, komt de

goede koerier, na het eten der twee in schijfjes gesneden komkommers,

overgoten met den inhoud van eene tamelijk groote flesch olie en eene

andere met azijn, uit zijn benedenverblijf te voorschijn, en doet

den voorslag tot het bezoeken der hoofdkerk, welker zware torens zuur

neerzien op de voorplaats van het logement. Wij vertrekken; en zij is

zeer statig in het schemerlicht, op het laatst zoo duister geworden,

dat de beleefde oude koster, met zijn ingevallen kaken, een klein

eindje kaars in de hand houdt, om daarmede naar de grafsteenen te

zoeken; en tusschen de stroeve zuilen, juist er uitziende, als een

verdwaalde geest die zijn eigen graf opzoekt.

Bij onzen terugkeer zijn de mindere bedienden in de open lucht aan het

avondmaal, aan eene groote tafel onder het balkon: het gerecht bestaat

uit gestoofd vleesch en groenten, dat kokend heet, en opgedischt

was in den ijzeren ketel, waarin het te vuur had gestaan. Zij hebben

eene kruik lichten wijn en zijn zeer vroolijk; vroolijker dan de heer

met den rooden baard, die aan het biljartspelen is, in het verlichte

vertrek, ter linkerzijde der plaats, waar schaduwen met keuen in de

handen en sigaren in den mond aanhoudend voor het venster heen en weer

kruisen. Nog wandelt de magere pastoor met zijn boek en zonnescherm

alleen op en neer. En nog wandelt hij daar, en nog rammelen de

biljartballen hier, lang nadat wij in vasten slaap zijn gevallen.

Wij zijn ten zes uur des ochtends op. Het is een verrukkelijke dag, die

het slijk van gisteren beschaamt, dat op het rijtuig zit; zoo er eenig

ding ware, dat een rijtuig kon beschamen, in een land waar rijtuigen

nooit worden schoongemaakt. Iedereen is frisch; en terwijl wij eindigen

met ontbijten, komen de paarden al rammelend uit het posthuis op de

plaats van het logement. Elk ding, dat uit het rijtuig genomen was,

wordt er weder in geplaatst. De goede koerier bericht dat alles gereed

is, nadat hij elk vertrek doorgeloopen en overal rondgekeken heeft

om zeker te zijn, dat er niets is achtergelaten. Een ieder stijgt

in. Een ieder, die in betrekking is met het hotel de l'Écu d'Or, is

weer betooverd. De goede koerier loopt het huis in om een pakje te

halen, bevattende koud gevogelte, gesneden ham, brood en beschuit voor

het twaalfuurtje; hij reikt het in het rijtuig, en loopt weer terug.

Wat houdt hij nu in de hand? Nog al meer komkommers? Neen. Eene lange

strook papier. Het is de rekening.

De goede koerier heeft dezen ochtend twee riemen om: een waaraan

de tasch hangt, en een andere met een zeer goede soort van lederen

flesch, tot aan den hals gevuld, met den besten, lichten Bordeauxwijn

die er in huis is. Hij betaalt nooit de rekening vóór die flesch is

gevuld. Dan beknibbelt hij die.

Thans beknibbelt hij ze heel erg. Nog is hij des kasteleins broeder,

maar van een ander vader, of eene andere moeder. Hij is niet meer zoo

nauw met hem verwant als den vorigen avond. De kastelein krabt zich

het hoofd. De goede koerier wijst op zekere figuren in de rekening,

en geeft te verstaan, dat, zoo die er op blijven staan, het hotel de

l'Écu d'Or van nu af en voor altijd een hotel de l'Écu de cuivre zal

zijn [22]. De kastelein treedt een klein kantoortje binnen. De brave

koerier volgt hem, stopt hem de rekening en eene pen in de hand,

een spreekt veel rasser dan hij nog heeft gedaan. De kastelein vat

de pen. De koerier glimlacht. De kastelein maakt er eene verandering

in. De koerier slaat thans eene aardigheid uit. De kastelein is

vriendelijk, maar niet meer zoo hartelijk als vroeger. Hij verdraagt

het als een man. Hij schudt zijn braven broeder de hand, maar omhelst

hem niet. Nog houdt hij van zijn broeder; want hij weet, dat hij,

op den een of anderen goeden dag, wederom langs dezen weg met eene

andere familie zal terugkeeren, en hij voorziet, dat diens hart zich

weder over hem zal ontfermen. De brave koerier gaat eens om het rijtuig

heen, bekijkt de strengen, schouwt de raderen, stijgt met een sprong

op, geeft een teeken, en--daar gaan wij!

Het is de ochtend van een marktdag. De markt wordt gehouden op het

kleine plein daar buiten, tegenover de hoofdkerk. Het is volgepropt

met mannen en vrouwen, in het blauw, in het rood, in het groen en in

het wit; met overdekte stallen en fladderende koopwaren. De landlieden

zijn er omheen geschaard met hunne zindelijke korven voor zich. Hier

de kantkramers, daar de boter- en eierventers; hier de fruitverkoopers

en daar de schoenmakers. De geheele plaats ziet er uit als ware zij

het tooneel van een grooten schouwburg, en als ware de gordijn juist

opgehaald, ter vertooning van een schilderachtig ballet. En daar is,

als het schutsdoek op het tooneel, de hoofdkerk, geheel somber en

zwart van uiterlijk, en bouwvallig en koud; de straatsteenen op eene

plaats met zwakke purperen droppels bespattende, daar de morgenzon,

door een klein raam aan de oostzijde invallende, door eene bevlekte

glasruit aan de westzijde heendringt.

Binnen vijf minuten zijn wij voorbij het ijzeren kruis, met een klein

verwaarloosd plaatsje van graszoden om er op te knielen, dat op de

grens van het stadsgebied staat, en zijn alweer op weg.

LYON, DE RHONE EN DE TOOVERKOL VAN AVIGNON.

Chalons is eene lieve verblijfplaats uithoofde van het goede logement

op den oever der rivier, en de kleine op- en afvarende stoombooten,

die er, rood en groen geschilderd als zij zijn, vroolijk uitzien, en

die, na de stuivende wegen, een vermakelijk en verfrisschend tooneel

opleveren. Maar ge zoudt Chalons kwalijk tot verblijfplaats begeeren,

ten ware ge mocht verkiezen te wonen op een onmetelijk plein met

ongelijke rijen van onregelmatige populieren, die er van verre uitzien

als even zooveel kammen met gebroken tanden, en ten ware gij er op

gezet zoudt zijn, uw leven te verslijten zonder in de mogelijkheid te

zijn een heuvel te bestijgen, of iets anders op te klimmen dan trappen.

Waarschijnlijk zou ze echter meer in uw smaak vallen dan Lyon, welke

stad gij, desbegeerende, met eene der bovengenoemde stoombooten in

acht uren kunt bereiken.

Welk eene stad is dat Lyon. Spreek eens van eene bevolking, die zich in

ongelukkige tijden gevoelt als ware zij uit de wolken gevallen! Hier is

eene geheele stad die, op eene of andere wijze, uit de lucht gevallen,

en gelijk andere steenen, welke uit die streek neerkomen, eerst is

opgeraapt van uit moerassen en onvruchtbare plaatsen, die een akelig

voorkomen hebben. De twee hoofdstraten, door welke de beide groote

rivieren stroomen, en al de kleine straten, wier naam legio (eene

groote menigte) is, waren verschroeiend, blakerend en verzengend. De

huizen hoog en ruim, uitermate morsig, rottig als oude kaas en

zwaar bevolkt. Tot zelfs op de heuvels, die de stad omringen, is het

krielend vol van die huizen; en de mijten daarbinnen, op luie wijze

uit de ramen liggende en hunne kleeding-lompen op stokken drogende,

en de deur in- en uitkruipende en naar buiten komende, om op het

plaveisel te hijgen en te snakken, en in- en uitkruipende, tusschen

hooge stapels en balen van vunze, muffe, stinkende goederen; en tot

hun tijd zou komen, levende, of om beter te zeggen niet stervende,

in een vergaarbak. Als men alle fabrieksteden versmolt tot een enkele,

dan zou die kwalijk een indruk op mij kunnen maken, gelijk aan dien,

welken Lyon mij baarde toen het zich aan mij vertoonde; want al de

natte, morsige eigenschappen eener vreemde stad schenen daar geënt

op de ingeboren ellendigheden eener fabriekplaats, en brengen zulke

vruchten voort, dat ik een omweg van eenige mijlen zou willen maken,

om geen andere van dien aard te ontmoeten.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 29 / 48 段