is de zucht om in zijn handel en wandel "bij de hand" te zijn,--een
eigenschap, die menige zwendelarij en verregaande kwade trouw, menige
openbare en particuliere knoeierij verguldt, en menigen schurk,
die een strop driedubbel verdient, in staat stelt om met zijn hoofd
in zijn nek den besten onder de oogen te zien--alhoewel datzelfde
"bij de hand zijn" in een tijdsverloop van slechts weinig jaren meer
gedaan heeft om het openbaar krediet te benadeelen en de openbare
hulpbronnen te verstoppen, dan domme eerlijkheid, onbezonnen als die
soms te werk gaat, in een eeuw kon gedaan hebben. De "verdiensten"
van een mislukte speculatie, of bankroet, of fortuinlijken gauwdief
worden dan ook niet beoordeeld naar den maatstaf van den gulden
regel; "Doe, zooals ge wilt dat men tegenover u doe," och neen,
maar naarmate er, met betrekking tot de zaak of den persoon, van
meer of minder "bij de hand zijn" sprake is. Zoo herinner ik me,
dat ik, beide keeren toen ik dat slecht ter naam staande Caïro
bij den Mississippi passeerde, eenige opmerkingen maakte over de
nadeelige gevolgen, die zulke op groote schaal gedreven bedriegerijen
teweeg moesten brengen als ze aan 't daglicht kwamen. "Komen zulke
knoeierijen uit," in dier voege redeneerde ik onder anderen, "dan
spreekt het vanzelf, dat men buitenlands over 't algemeen wantrouwen
krijgt en huiverig wordt om met u handel te drijven." Hierop trachtte
men mij aan 't verstand te brengen, dat men met dat al aardig geld
wist te verdienen en het alleraardigste van dat "bij de hand zijn"
nog dit was, dat men al die aardige dingetjes in 't buitenland heel
gauw vergat en weer aan 't speculeeren ging alsof er niets gebeurd
was. De volgende samenspraak heb ik wel honderdmaal gehouden: "Is 't
niet erg te bejammeren, dat zoo'n man als N. N. op zoo'n verfoeielijk
gemeene manier aan zooveel geld komt, en ondanks al de misdaden waar
hij zich aan schuldig heeft gemaakt, door uw burgers zelfs geholpen
wordt? Is zoo iemand eigenlijk geen lastpost en schandvlek in de
maatschappij?"--"Ja, m'nheer."--Een overtuigd leugenaar?"--"Ja,
m'nheer."--"Hij is geschopt, heeft klappen om zijn ooren gekregen,
en is op rottingsmeer getrakteerd, niet waar?"--"Ja, m'nheer."--"En
hij is in den hoogsten graad wat men, plat doch duidelijk uitgedrukt,
onder een uitgekotsten ploert verstaat?"--"Ja, m'nheer."--"Maar waar
steekt dan toch in vredesnaam zijn verdienste in?"--"Wel, m'nheer,
't is een man die bij de hand [18] is."
Op dezelfde manier worden allerlei bekrompen en onstaatkundige
gebruiken op rekening gesteld van den nationalen handelzucht, ofschoon
er, grappig genoeg, een vreemdeling een erge grief van zou gemaakt
worden, bijaldien hij de Amerikanen als een volk van kooplui aanzag. De
handelzucht wordt aangewezen als een reden voor die met alle comfort
zoo ten eenenmale in strijd zijnde, doch niettemin in landsteden zoo
sterk overheerschende gewoonte, dat getrouwde lui in logementen wonen,
geen eigen haard er op nahouden, en elkaar van den vroegen morgen tot
den laten avond zelden ontmoeten, of 't moest aan de tables d'hôte
zijn, waar alles nog wel zeer haastig in zijn werk gaat ook. De
handelzucht is een reden waarom Amerika's letterkunde voor altijd
onbeschermd moet blijven: "want wij zijn een handeldrijvend volk en
bekommeren ons niet om poëzie," ofschoon wij, om dit van onzen kant in
't voorbijgaan te doen opmerken, wèl voorgeven dat we erg grootsch zijn
op onze dichters, maar gezonde vermakelijkheden, vroolijke middelen
van uitspanning, en heilzame phantasieën het veld doen ruimen voor
de stroefgetroniede maar dubbeltjes opleverende handelspret.
Deze drie kenmerkende eigenschappen nu van 't Amerikaansche
volkskarakter vallen den vreemdeling telkens en telkens weer in 't
oog. Maar de zoo weinig tierende woekerplant van Amerika's verderf
heeft nog een knoestiger wortel dan deze en slaat haar vezelen diep
in zijn losbandige Pers.
In Oost en West, in Noord en Zuid mogen er scholen opgericht worden,
waar honderden bij honderden, duizenden bij duizenden leerlingen worden
onderwezen door ontelbare onderwijzers; colleges mogen er bloeien,
kerken mogen er propvol zijn, matigheidsgenootschappen mogen er
handen vol werk hebben, en met reuzenschreden moge de uitwendige
beschaving in elken anderen vorm vooruitgaan, het zij zoo! maar
zoolang de krantenpers van Amerika op haar tegenwoordigen lagen
trap, of daaromtrent, blijft staan, zoolang is de innerlijke, de
wezenlijke beschaving in dat land hopeloos. Jaar-in jaar-uit moet en
zal ze achteruitgaan; jaar-in jaar-uit moet de standaard der openbare
meening lager zinken; jaar-in jaar-uit moet zoowel het Congres als de
Senaat minder in tel geraken bij alle fatsoenlijke lieden; en jaar-in
jaar-uit moet de nagedachtenis van de groote Vaderen der Omwenteling
hoe langer hoe meer gehoond worden in den slechten levenswandel hunner
verbasterde kinderen.
Onder de massa kranten, die in de Vereenigde Staten worden uitgegeven,
zijn er sommige--behoef ik 't den lezer eigenlijk wel te zeggen? die
karakter hebben en krediet. Een persoonlijke kennismaking met hoogst
beschaafde heeren, die aan de hier bedoelde bladen verbonden waren,
heeft me dan ook veel genoegen verschaft, ja ik heb er zelfs voordeel
van getrokken. Maar helaas! de naam van deze klasse is Weinige, en
van de andere Legio; en machteloos is de invloed der goede Pers om
het doodelijk gif der slechte tegen te werken.
Onder de fatsoenlijke burgerij van Amerika; onder de goed en
bedaardgezinden; onder de geleerden; aan de balie en rechtbank is er,
en kan er trouwens niet anders dan één meening zijn ten opzichte van
't verderfelijk karakter dezer schandbladen. Soms wordt het betwist,
dat hun invloed zoo groot zou zijn als een vreemdeling allicht zou
veronderstellen.--Nu, ik zal niet zeggen, dat mij zoo iets bevreemdt,
o neen; niets natuurlijker toch dan om verontschuldigingen te zoeken
voor zoo'n schande: als men 't mij maar niet kwalijk wil nemen,
wanneer ik van mijn kant zoo vrij ben, hiertegen aan te voeren,
dat er geen gegronde reden bestaat, om 't te kunnen betwisten, daar
al de op dit punt maar al te welsprekende feiten tot een lijnrecht
daartegenover staande slotsom leiden.
Zoodra iemand, van eenige kennis of karakter, tot de een of andere
openbare onderscheiding, 't komt er niet op aan welke, in Amerika op
kan klimmen zonder eerst de voetveeg te zijn geweest van dit monster
van verdorvenheid; zoodra iemand van uitnemende hoedanigheden veilig is
voor zijn aanvallen; zoodra dat monster het maatschappelijk vertrouwen
onaangerand laat of de banden van maatschappelijke betamelijkheid
en eer maar eenigermate ontziet; zoodra iemand in dat Vrije Land
vrijheid van meening heeft en vrijelijk voor zijn meening uit mag
komen, zonder verplicht te zijn in allen ootmoed een censorschap naar
de oogen te kijken, dat hij, om zijn verwaten onwetendheid en lage
karakterloosheid, in zijn hart tot in de hel verafschuwt; zoodra
zij, die, 't diepst onder zijn schandvlekkend juk gebukt gaande,
't levendigst gevoelen wat voor oneer het over de natie uitstort en
elkander daar het meest over durven onderhouden, nu dan ook hun hielen
op dat monster durven zetten en 't openlijk ten aanschouwen van Jan
en alleman verpletteren; zoodra dàt alles gebeurt, welnu, dàn zal
ik gaan gelooven dat zijn invloed aan 't tanen is en de menschen in
Amerika hun vijf zinnen weer terugkrijgen. Maar... zoolang die Pers
haar boosaardig oog in ieder huis durft slaan en haar zwarten neus
in elke benoeming tot een landsbetrekking, van een president af tot
een brievenbesteller toe, durft steken; zoolang ze, met niets anders
tot voorraad dan liederlijke lastertaal, de letterkundige standaard is
van een verbazend groote klasse van menschen, die kranten moeten lezen
of ze lezen niemendal... zoolang moet haar vuile adem het aangezicht
des lands bezoedelen en het kwade, dat zij wrocht, zoo klaar als het
licht zichtbaar wezen in de Republiek.
Heeren die gewoon zijn om de Engelsche, of andere fatsoenlijke
bladen van 't Vasteland te lezen; heeren die gewoon zijn aan al wat
maar gedrukt wordt,--zelfs hen zou men met geen mogelijkheid eenig
denkbeeld kunnen geven van dat vreeselijk werktuig der menschelijke
gedachte in Amerika, tenzij ik uit de verschillende nieuwsbladen
een berg van uittreksels overnam, waartoe ik nog plaatsruimte noch
lust heb. Maar mocht iemand verlangend zijn, om datgene bevestigd te
zien wat ik dienaangaande zoo onverbloemd dorst schrijven, welnu,
hij bezoeke doodeenvoudig de een of andere publieke plaats in onze
goede stad Londen, waar men dergelijke kranten bij de vleet aan
zal treffen; dan moge hij zijn eigen meening vormen. (Of laat hem
daarover een degelijk en alleszins met de waarheid overeenkomend
artikel in The Foreign Quarterley Review lezen, dat in October
1842 is uitgekomen, een artikel dat mijn aandacht getrokken heeft,
sinds de vorige vellen afgedrukt waren; dan toch zal hij een menigte
bijzonderheden ontmoeten, die wel is waar hoegenaamd niet belangrijk
zijn voor iemand die in Amerika geweest is, maar iemand die dat land
niet bezocht heeft daarentegen ruimschoots belang zullen inboezemen.)
Het is aan geen twijfel onderhevig, of 't zou voor de Amerikaansche
natie, in haar geheel genomen, vrij wat beter zijn, als ze wat minder
van 't Reëele en wat meer van 't Ideale hield. Ja vrij wat beter
zou het voor haar zijn, als men in haar midden de luchthartigheid
en opgeruimdheid wat meer aanmoedigde en al wat schoon is wat meer
beoefende, ook al levert het schoone in de allereerste plaats en
rechtstreeks geen stoffelijk voordeel op. Maar ik vermeen dat men
hier, en niet ten onrechte, met de algemeene tegenwerping voor den
dag zal komen: "Wij zijn een nieuw land", een tegenwerping die zoo
vaak vooropgezet wordt als een verontschuldiging voor gebreken die ten
eenenmale onverschoonlijk zijn, omdat het inderdaad geen nieuw land,
maar de langzame uitlooper is van een oud; en daarom hoop ik eens
te zullen hooren dat er behalve de krantenpolitiek nog eenig ander
nationaal amusement in de Vereenigde Staten gevonden wordt.
Een geestig, humoristisch volk zijn ze zeker niet, en hun temperament
maakte op mij altijd dezen indruk, dat het van een saaien en somberen
aard is. In gevatheid en een zekere onbuigzame ingenomenheid met zich
zelf spelen de Yankee's of het volk van Nieuw Engeland, ontegenzeglijk
de eerste viool, wat ze trouwens op verstandelijk gebied in den regel
doen. Maar, gelijk ik al in vorige gedeelten van dit werk heb doen
opmerken, op mijn uitstapjes buiten de groote steden, hinderde het
mij geweldig, zooals die ernstige en droefgeestige koopmansachtige
tronies in 't oog vielen, een verschijnsel dat zoo algemeen en zoo
eentonig was, dat ik in iedere stad, waar ik aankwam, precies dezelfde
menschen meende tegen te komen, die ik den laatsten keer verlaten
had. Zulke gebreken als welke op te merken zijn in de volkszeden,
schijnen mij voor een groot deel hieraan toe te schrijven te zijn,
dat men van de oude, gemeene sleur niet verkiest af te wijken en
tegen beschaafde manieren als overtolligen ballast op de levensreis
opziet. Washington, die in zake de uiterlijke wellevendheid bij uitstek
nauwgezet was, moet de neiging zijner landgenooten, om zich op dit
punt te bezondigen, stellig bespeurd hebben, en we kunnen er op aan,
dat hij ook zijn uiterste best gedaan heeft, om ze daarvan te genezen.
Ik ben 't niet eens met andere schrijvers over deze onderwerpen, dat
de aanwezigheid van zooveel geheel uiteenloopende sekten in Amerika
zelfs eenigermate te danken is aan 't feit, dat daar te lande geen
gevestigde of zoogenaamde Staatskerk bestaat. Och neen, bij mij staat
het vast, dat de volksaard, ook al duldde hij dat zoo'n instelling in
hun midden opgericht werd, er hen vanzelf toe zou brengen, om er zich
niet aan te houden, louter omdat ze gevestigd wàs. Maar gesteld eens,
zoo'n Kerk bestond in Amerika, toch zou ik in twijfel durven trekken of
ze wel aan haar doel zou beantwoorden, om namelijk de dolende schapen
in één grooten stal onder dak te brengen, om de doodeenvoudige reden
dat het bij ons in Engeland om zoo te zeggen sekten regent; en ook
omdat ik in Amerika geen enkelen godsdienstvorm aantrof waar wij
in Europa, ja zelfs in Engeland, onbekend mee zijn. Evenals andere
menschen vloeien er dissenters bij de vleet naar toe, om de eenige
reden dat het een toevluchtsland is voor Jan en alleman; en groote
nederzettingen van hen worden er gesticht, omdat daar, waar vroeger
geen moederziel gevonden werd, grond aangekocht, steden en dorpen
gebouwd kunnen worden. Ja zelfs de Kwakers emigreerden uit Engeland;
ons land is den heer Joseph Smith, den apostel van 't Mormonisme, of
diens in den donker rondwroetende jongeren niet onbekend; met mijn
eigen oogen heb ik in sommige onzer volkrijke steden godsdienstige
tooneelen gezien die bezwaarlijk overtroffen kunnen worden door een
zoogenaamde Amerikaansche kampmeeting, en ik ben er me niet bewust
van, dat eenig voorbeeld van bijgeloovig bedrog aan den eenen kant
en bijgeloovige lichtgeloovigheid aan de andere zij haar oorsprong
gehad heeft in de Vereenigde Staten, 't welk wij niet ruimschoots
vergelijken kunnen met de precedenten van mevrouw Southcote, Mary Tofts
de konijnenfokster, ja zelfs van den heer Thom van Canterbury, welk
laatste geval ontstond, kort nadat de donkere eeuwen voorbij waren.
Ongetwijfeld leiden de republikeinsche instellingen van Amerika er het
volk toe, om de achting voor zich zelf en hun gelijkheid te bevestigen;
maar een vreemdeling dient zich van deze instellingen wel terdege
rekenschap te geven, anders loopt hij niet weinig gevaar, zich al heel
spoedig te ergeren, wanneer hij namelijk de familiariteit ondervindt
van menschen die hem thuis niet anders dan op behoorlijken afstand
en met den hoed in de hand zouden durven naderen. Wat mij betreft,
als deze karaktertrek maar niet getint werd door mallen hoogmoed en
een fatsoenlijke bediening niet in den weg stond, dan heb ik mij
daardoor nooit beleedigd gevoeld, en uiterst zelden (als 't ooit
gebeurd is!) ben ik een Amerikaan tegengekomen die dezen eigenaardigen
trek in hun karakter op eene ruwe of stuitende wijze openbaarde. Een
paar malen had ik op dit punt een koddige ontmoeting. Ik zal dit
voor de aardigheid eens meedeelen, maar voeg er nadrukkelijk bij,
dat dit ten eerste alles behalve van dien aard was om er boos over
te worden, integendeel, en buitendien zelfs in de verste verte als
geen doorgaanden regel mag beschouwd worden.
In een zekere stad had ik een paar laarzen noodig, want ik had geen
andere om mee te reizen dan die met de gedenkwaardige kurken zolen,
die veel te heet waren voor 't dek eener stoomboot. Vandaar dat ik een
kruier naar een "artist in laarzen" stuurde met een boodschap in dezen
trant: wel de complimenten van den heer Dickens, en ik zou me gelukkig
achten, als ZEd. zoo vriendelijk zou willen wezen, om eens even bij
me aan te komen. Waarop de "artist in laarzen" heel vriendelijk ten
antwoord gaf, dat hij dien avond om zes uur eens "kijken" zou.
Ik lag op de canapé met een boek en een glas wijn naast me. 't Was bij
zessen. Daar ging de deur open, en een heer, zoo wat in de dertig, met
een stijve das om, trad binnen. Met handschoenen aan en zijn hoed op,
liep hij dadelijk naar den spiegel, streek zijn haar in orde, trok
zijn handschoenen uit, en haalde langzaam een maat uit de diepste
diepte van zijn jaszak en verzocht me op een lijmerigen toon om mijn
souspieds los te maken en mijn laarzen uit te trekken. Ik deed dat,
maar keek meteen een beetje nieuwsgierig naar zijn hoed, dien hij
nog altijd ophad. Of 't nu daarvan kwam, of van de warmte--genoeg,
hij nam hem af. Toen ging hij op een stoel tegenover me zitten,
leunde met een arm op elke knie, boog zooveel mogelijk voorover en
met veel inspanning gelukte het hem, om op die manier het proefstuk
van hoofdstedelijke nijverheid, dat ik zoo even uitgetrokken had,
van den grond op te beuren. Ondertusschen floot hij dat het een lust
was om te hooren. Hij draaide de laars om, en nog eens om; bekeek ze
met een minachting die geen taal kan uitdrukken, en vroeg me of ik
er op gesteld was dat hij me een laars maakte zooals die? Hoffelijk
antwoordde ik hem daarop, dat, als de laarzen maar groot genoeg waren,
ik de rest aan hem overliet. "Als ze mij"--in dezer voege liet ik me
uit--"als ze mij maar makkelijk zitten en 't u niet al te moeielijk
is, dan heb ik voor mij er niets tegen, als ze wat lijken op 't
model dat u daar voor u heeft; maar overigens laat ik 't geheel en
al aan uw oordeel en discretie over."--""Dan staat u er zeker niet
op, dat de hiel zóó gemaakt wordt? Weet u, dat doen we hier op 'n
andere manier."" Ik herhaalde mijn laatste opmerking. Alweer keek
hij in den spiegel. Ditmaal ging hij er zelfs dichter voor staan om
wat stof, dat in den hoek van zijn eene oog geraakt scheen te zijn,
uit te peuteren. Ook zijn das kreeg een beurt. In al dien tijd zat
ik daar, met een Jobsgeduld, met mijn been en voet in de hoogte. "Is
u bijna klaar, mijnheer?" vroeg ik. "O zoo aanstonds," zei hij,
"hou uw voet maar strak." Ik hield èn voet èn gezicht zoo strak
mogelijk. Ondertusschen was hij klaar gekomen met het stof in zijn
oog, waarop hij zijn potlood kreeg, mij de maat nam en het noodige
opteekende. Zoodra hij gedaan had, verviel hij in zijn oude houding,
nam de laars weer in zijn hand, en bekeek ze eenigen tijd. "En dit is
nu," zei hij eindelijk, "een Engelsche laars! Dit is 'n Londensche
laars, niet waar?"--"Dat is," antwoordde ik, "een Londensche laars,
m'nheer." Alweer monsterde hij ze, op de manier waarop Hamlet met
Yorick's schedel te werk ging; schudde het hoofd, als wou hij zeggen:
"ik beklaag de Instellingen die tot de productie van zoo'n laars
leidden!" stond op, stak zijn potlood, aanteekeningen en papier in
zijn zak--al dien tijd in den spiegel kijkende--zette zijn hoed op;
trok op zijn doode gemak zijn handschoenen aan, en stapte ten langen
leste op. Hij was nog geen minuut weg geweest, of de deur ging weer
open, en weer zag ik zijn hoed en hoofd verschijnen.... Hij kijkt
de kamer rond, en weer naar de laars, die nog op den vloer ligt,
schijnt eenige oogenblikken in gepeins verzonken en zegt toen: "Nou,
goeien avond."--"Goeden avond, m'nheer," zeg ik daarop, en hiermee
was de conferentie met den artist-laarzenmaker afgeloopen.
Er is nog maar een punt, waar ik een aanmerking op wensch te maken,
en dat is op de openbare gezondheid. In zoo'n uitgebreid land,
waar duizenden millioenen morgen lands onbewoond en onbebouwd zijn,
en op elke roede dier onmetelijke vlakten de plantengroei jaarlijks
tot ontbinding overgaat; waar zooveel groote rivieren zijn, en het
klimaat hier zóó en daar zus is,--dáár, 't kan niet missen, moeten in
zekere gedeelten des jaars allerlei ziekten heerschen. Maar, na mijn
onderhoud met verscheidene beoefenaars van de geneeskunde in Amerika,
durf ik gerust verzekeren, niet alleen te staan in de meening, dat,
als men maar enkele gewone voorzorgsmaatregelen in acht wou nemen,
veel van die heerschende ziekten kon voorkomen worden. Grooter
middelen van persoonlijke zindelijkheid zijn te dien einde onmisbaar;
de gewoonte om, driemaal daags, groote hoeveelheden dierlijk voedsel
door 't keelgat te jagen en na iederen maaltijd dadelijk zich aan
stilzittende bezigheden over te geven, deze gewoonte dient veranderd
te worden; de teere sekse moet wijzer gekleed gaan en wat meer gezonde
beweging nemen; en wat dit laatste betreft, dienen ook de mannen mee te
doen. Maar 't is vooral in openbare inrichtingen, en in iedere groote
of kleine stad, dat het stelsel van ventilatie, drainage en afvoering
van onzuivere stoffen een geheele herziening vereischt. Ja, er is geen
plaatselijk bestuur in Amerika, dat het voortreffelijk verslag des
heeren Chadwick, over den Gezondsheidstoestand van onze arbeidende
klassen, niet met onmetelijk voordeel zou kunnen bestudeeren.
En nu ben ik aan 't einde van dit werk gekomen. Afgaande op zekere
wenken, die mij sinds mijn terugkeer in Engeland gegeven zijn,
heb ik maar bitter weinig reden om te gelooven, dat het door 't
Amerikaansche volk hartelijk of gunstig zal ontvangen worden. Het
zij zoo! Ik vermeen onder de zoodanigen te behooren, die in staat
zijn, een oordeel te vellen en hun meening uit te spreken; en mij
hoofdzakelijk richtende tot de zoodanigen, was 't mij slechts hierom
te doen, de Waarheid te schrijven, niets meer en niet minder. Dat
ik volstrekt niet verlangd heb, populaire toejuiching te verwerven,
door me van onbehoorlijke middelen te bedienen: ziedaar iets waar
men zich onder de lezing van heeft moeten overtuigen.
Het is me genoeg, te weten, dat wat ik in de vorigen bladzijden heb
neergeschreven, mij aan den overkant van den Atlantischen Oceaan
geen enkelen vriend kan kosten, die in eenigerlei opzicht dien naam
verdient. Overigens stel ik mijn volle vertrouwen op den geest waarin
mijn mededeelingen zijn ontworpen en opgesteld, en kan ik mijn tijd
afwachten.
Ik heb geen melding gemaakt van de wijze waarop men mij ontvangen
heeft; evenmin heb ik toegelaten, dat die ontvangst van invloed kon
zijn op 't geen ik heb geschreven, want in een van beide gevallen
had ik maar met een povere erkenning voor den dag kunnen komen,
pover in vergelijking met de gevoelens die ik in mijn ziel jegens
die partijdige lezers van mijn vorige boeken aan de overzij der zee
koester, welke mij met een open hand te gemoet kwamen, en niet met
een hand die een ijzeren muilband vastmaakte.
EINDE DER SCHETSEN UIT AMERIKA.
TAFEREELEN UIT ITALIË.
LEZERS PASPOORT.
Willen de lezers van dit werk de vriendelijkheid hebben, van den
schrijver zelven hunne geloofsbrieven te nemen voor de verschillende
plaatsen, die het onderwerp zijner herinneringen uitmaken, dan zullen
zij ze, in hunne verbeelding, wellicht op des te aangenamer wijze
bezoeken, en beter begrijpen wat zij mogen verwachten.
Er zijn veel boeken over Italië geschreven, welke talrijke middelen
opleveren ter beoefening der geschiedenis van dat belangwekkende land
en de tallooze associatiën die er zich om heen winden. Ik verwijs
schaars tot dat magazijn van kennis; want al heb ik, in mijn eigen
voordeel, toevlucht genomen tot de voorraadschuur, dan beschouw ik
het daarom toch niet als een noodzakelijk gevolg er van, dat ik haar
licht toegankelijken inhoud voor de oogen mijner lezers moet ontvouwen.
In deze bladen zullen zij evenmin een ernstig onderzoek van het
bestuur of wanbestuur van dat land vinden. Het kan niet missen,
of een bezoeker van dat schoone land moet, ten aanzien van dat
onderwerp, eene innige overtuiging verkrijgen; maar vermits ik
het, als vreemdeling, gedurende mijn verblijf aldaar, verkoos, mij
te onthouden van het redetwisten over dergelijke vraagpunten met
Italianen, van welke rang ook, zou ik thans maar liever niet in dat
onderzoek treden. Gedurende de twaalf maanden, dat ik een huis te
Genua bewoonde, heb ik nooit ondervonden, dat de bestuursmachten,
uit den aard achterdochtig, mij wantrouwden; en het zou me spijten,
als ik ze reden gaf om hare onbekrompen hoffelijkheid, ten aanzien
van mij zelven of eenigen mijner landgenooten, te beklagen.
Waarschijnlijk is er in geheel Italië geen beroemd schilderstuk
of standbeeld, dat niet begraven kon worden onder een berg gedrukt
papier, gebruikt tot verhandelingen er over. Daarom zal ik niet in
het breede uitweiden over beroemde schilderijen en beeldhouwwerken,
hoezeer ik een warm bewonderaar der schilder- en beeldhouwkunst ben.
Dit boek is eene reeks van zwakke weerkaatsingen--enkel schaduwen
op het water--van plaatsen, welke de verbeeldingskracht der meeste
menschen in hooger of minder graad aantrekken; aan welke zich de mijne
jaren lang heeft gehecht, en welke voor allen eenigermate belangwekkend
zijn. Het grootste gedeelte dezer beschrijvingen werden op de plaats
zelve ten papiere gebracht en van tijd tot tijd in vriendschappelijke
brieven naar huis gezonden. Die omstandigheid vermeld ik niet als
eene verschooning voor eenige leemten, daarin te vinden, want dat zou
geene verontschuldiging zijn; maar als een waarborg voor den lezer,
dat zij ten minste zijn geschreven toen ik van het onderwerp vol was
en onder de levendigste indrukken der nieuwheid en frischheid.
Hebben zij misschien het voorkomen van iets hersenschimmigs en
beuzelachtigs, wellicht dat de lezer zal veronderstellen, dat ze
geschreven zijn in de schaduw, op een zonnigen dag, te midden van de
voorwerpen waarover ze handelen, en zij zullen hem er niet te minder
om bevallen, dat ze blijk geven van zoodanig een invloed van het land.
Ik hoop niet, dat ik, ten aanzien van eenig ding, in deze bladen
vervat, met eenige waarschijnlijkheid verkeerd zal worden verstaan
door de belijders van het katholiek geloof. In een mijner vroegere
voortbrengsels heb ik mijn best gedaan, hun recht te laten wedervaren;
en ik hoop, dat zij het in dit werk ten mijnen opzichte zullen
doen. Maak ik melding van eenigerhande vertooning, die mij ongerijmd
of onaangenaam voorkwam, dan zoek ik die niet in verband te brengen,
noch erken, dat ze noodwendig in verband staan met het wezenlijke van
hun geloof. Als ik handel over de plechtigheden in de Heilige Week,
dan spreek ik alleen over het uitwerksel er van; dan doe ik daarom
geen aanval op des goeden en geleerden Dr. Wiseman's verklaring
van deze. Als ik er een wenk van geef, dat ik een tegenzin heb van
nonnenkloosters voor jonge meisjes, die de wereld afzweren alvorens
zij ooit een proef van deze genomen of haar gekend hebben; of als ik
twijfel aan de heiligheid, krachtens het ambt (ex officio), van alle
priesters en monniken; doe ik niets meer dan menig nauwgezet katholiek,
in mijn land zoowel als in den vreemde.