"Hoog loopt de openbare verontwaardiging op het grondgebied van

Wisconsin naar aanleiding van den moord, die in de zaal der Wetgevende

Vergadering van 't grondgebied gepleegd is geworden. Meetings

zijn er gehouden in verschillende graafschappen van Wisconsin, om

te protesteeren tegen de gewoonte om in 't geheim wapens bij zich

te dragen in de Wetgevende Kamer des lands. Wij hebben het verslag

ingezien van de Verwijdering van James R. Vinyard, den bedrijver der

bloedige daad, en zijn verbaasd te hooren, dat na deze verwijdering

door hen die Vinyard den heer Arndt zagen dooden in 't bijzijn van

zijn ouden vader die zijn zoon op was komen zoeken en er zeker al

bitter weinig van gedroomd had dat hij getuige zou zijn van diens

vermoording, rechter Dunn Vinyard onder borgtocht vrijgelaten heeft

[16]. De Miners' Free Press spreekt in bewoordingen van verdienden

afkeer over de beleediging daardoor de gevoelens van 't volk van

Wisconsin aangedaan. Vinyard stond niet meer dan op armslengte van

den heer Arndt af, toen hij zoo doodelijk op hem aanlegde, dat hij

nooit meer sprak. Zoo dicht naast hem staande, had Vinyard, als hij

maar gewild had, hem alleen kunnen wonden, maar neen, hij verkoos

hem te dooden."

"MOORD.

"Door een brief in een nieuwsblad van St. Louis van den 14 vernemen

wij een vreeselijk voorval te Burlington, Iowa. Daar een zekere

heer Bridgman een geschil gehad had met een burger van de plaats,

den heer Ross, voorzag een schoonbroeder van laatstgenoemden zich van

een Colt revolver, kwam den heer B. op straat tegen, en loste de vijf

pistoolloopen op hem: ieder schot was raak. Alhoewel verschrikkelijk

gewond, en stervende bleef de heer B. hierop het antwoord niet

schuldig, maar schoot Ross op de plaats dood."

"SCHRIKKELIJKE DOOD VAN ROBERT POTTER.

"Uit de ""Caddo'sche courant"" van den 12 l.l. vernemen wij den

vreeselijken dood van kolonel Robert Potter.... In zijn eigen huis

werd hij door een vijand, een zekere Rose, omsingeld. Hij sprong

zijn bed uit, greep zijn geweer en vloog in zijn nachtkleeren het

huis uit. Daar hij zijn vijand zoo wat tweehonderd el vooruit was,

scheen zijn vlugheid zijn vervolgers te verschalken, maar verward

rakende in kreupelhout werd hij gevangen genomen. Rose zei hem daarop,

dat hij van plan was, zich eens edelmoedig te gedragen, en gaf hem nog

een kans voor zijn leven. Hij, Potter, mocht namelijk wegloopen en tot

op zekeren afstand zou men hem niets doen. Op het commandowoord vloog

Potter weg, en voordat er een geweer was afgeschoten had hij het meer

al bereikt. Het eerst wat bij hem opkwam, was, in 't water te springen

en onder te duiken, wat hij dan ook deed. Rose zat hem dicht op de

hielen en formeerde zijn manschappen op den oever in dier voege, dat

ze kant en klaar waren om hem dood te schieten als hij met zijn hoofd

boven water kwam. Na verloop van eenige oogenblikken kwam hij boven,

om adem te halen; en nauwelijks stak zijn hoofd boven de oppervlakte

des waters uit, of het werd geheel verbrijzeld door de schoten hunner

geweren, en zonk hij, om niet meer levend op het droge te komen!"

"MOORD IN ARKANSAS.

"Wij vernemen dat er weinig dagen geleden een ernstige ontmoeting

heeft plaats gevonden in 't Land der Senecas tusschen den heer Loose,

den onderagent van de vereenigde stammen der Senecas, Quapaws en

Shawnees, en den heer James Gillespie, van de handelsfirma Thomas

G. Allison en Co, van Maysville, Benton, graafschap Ark, bij welke

gelegenheid de laatste met een bowie-mes gedood werd. Er had al sinds

eenigen tijd eenige moeilijkheid tusschen de partijen bestaan. Men

zegt dat majoor Gillespie den aanval met een rotting begon. Hierop

volgde een hevig gevecht, waarbij twee pistolen werden afgeschoten,

een door Gillespie en een door Loose. Loose doorstak toen Gillespie

met een dier nooit missende wapens, een bowie-mes. De dood van majoor

G. wordt zeer betreurd, daar hij een vrijzinnig en degelijk man

was. Sinds het bovenstaande gezet was, hebben we vernomen dat majoor

Allison aan sommige onzer burgers in de stad verzekerd heeft, dat de

heer Loose den eersten slag gegeven had. Wij onthouden er ons van,

in verdere bizonderheden te treden, aangezien de zaak het onderwerp

van een gerechtelijk onderzoek zal zijn."

"LEELIJKE DAAD.

"De stoomboot Thames, zoo even van de Missouri aangekomen, bracht ons

een biljet, waarmee een belooning uitgeloofd werd van 500 dollars voor

den persoon die in den nacht van den 6 l.l. Lilburn W. Baggs, onlangs

gouverneur van dezen Staat, te Independence vermoordde. Gouverneur

Baggs was, gelijk in een geschreven memorandum verklaard wordt,

niet dood, maar doodelijk gewond.

"Sinds het bovenstaande was geschreven, kregen we een nota van

den boekhouder van de Thames, waar de volgende bijzonderheden in

voorkomen. Gouv. Baggs werd Vrijdagavond den 6 l.l., terwijl hij in

zijn kamer in zijn eigen huis te Independence zat, door den een of

anderen schurk doodgeschoten. Zijn zoon, een jongen, die een knal

hoorde, vloog de kamer in, en vond den gouverneur in zittende houding

in zijn stoel. Zijn kaak was geheel uitgezakt en zijn hoofd hing

achterover. Zoodra de knaap merkte wat men zijn vader gedaan had,

maakte hij alarm. In den tuin werden eronder 't raam voetstappen

gevonden en een pistool opgeraapt waarvan men veronderstelde dat het

overladen en door de hand van den onverlaat, die het afschoot, daar

neergesmeten was geworden. Drie schoten, die zwaar waren geladen,

hadden doel getroffen. Het eene was namelijk door zijn mond gegaan,

het tweede in de hersenpan en het derde waarschijnlijk in of bij de

hersenpan, terwijl alle drie tot heel achter in den nek en in 't hoofd

doorgedrongen waren. Op den morgen van den 7 leefde de gouverneur nog;

maar zijn vrienden koesteren in 't geheel geen hoop op zijn herstel,

zijn geneesheeren maar bitter weinig hoop.

"Men had vermoeden op een man, en de Sheriff heeft hem op dit oogenblik

allerwaarschijnlijkst reeds in zijn macht.

"De pistool behoorde tot een koppel, dat een dag of wat geleden van

een bakker te Independence ontvreemd was geworden, en de overheid

heeft de beschrijving van het andere."

"ONTMOETING.

"Een ongelukkige zaak vond Vrijdagavond in Chastres Street plaats,

waar een onzer achtingswaardigste burgers met een dolk een gevaarlijke

wond in den onderbuik werd toegebracht. Uit de Bij (New Orleans)

van gisteren vernemen we dienaangaande de volgende bijzonderheden:

Het schijnt dat er Maandag laatstleden een artikel in 't Fransche

gedeelte dier krant stond, waarin eenige critische aanmerkingen

voorkwamen op het artillerie-bataljon, wegens het afvuren namelijk

van zijn kanonnen op Zondagmorgen, in antwoord op die van de Ontario

en Woodbury, waardoor veel alarm veroorzaakt was geworden onder de

families van die personen, welke den geheelen nacht op de been waren

geweest om de rust der stad te bewaren [17]. Daarover geraakt, ging

majoor C. Gally, de bataljons-commandant, bij 't bureau der redactie

aan, en vroeg den naam van den schrijver. Men zei dat de schrijver

P. Arpin heette, die toen afwezig was. Met een der eigenaars van 't

blad werden toen eenige bittere woorden gewisseld, waar een uitdaging

op volgde. Wel deden de vrienden van beide partijen hun best om de

zaak bij te leggen, maar tevergeefs. Vrijdagavond, tegen zevenen kwam

majoor Gally den heer P. Arpin in Chastres Street tegen en sprak hem

aan: "Is u m'nheer Arpin?"

""Ja m'nheer."

""Dan heb ik u eenvoudig te zeggen, dat je een" (hier volgde een

toepasselijk scheldwoord) "bent."

""Ik zal u aan uw woorden herinneren, m'nheer."

""Maar ik heb gezegd dat ik m'n stok op je schouder stuk zou slaan."

""Dat weet ik, maar ik heb den eersten slag tot nog toe niet gevoeld."

"Op deze woorden sloeg Majoor Gally, die een rotting in zijn hand had,

den heer Arpin dwars over 't gezicht, waarop deze een dolk uit zijn

zak haalde en den Majoor in den onderbuik trof.

"Men koestert vrees dat de wond doodelijk zal zijn. Wij vernemen

dat de heer Arpin zekerheid heeft gegeven dat hij voor het Crimineel

gerechtshof zal verschijnen om zich te verantwoorden."

"VECHTPARTIJEN IN MISSISSIPPI.

"Op den 27 l.l. werd er bij een vechtpartij in de nabijheid van

Carthago, graafschap Leake, Mississippi, tusschen James Cottingham en

John Wilburn door den laatsten op den eersten geschoten, en werd hij

zoo schrikkelijk gewond dat er geen hoop was op zijn herstel. Den 2

l.l. ontstond er een vechtpartij te Carthago tusschen A. C. Sharkey en

George Goff, waarin de laatste een schot kreeg, dat men voor doodelijk

hield, Sharkey gaf zich bij de autoriteit aan, maar bedacht zich

later en ontvluchtte!"

"ONEENIGHEID.

"Eenige dagen geleden werd in Sparta de kastelein van een logement

handgemeen met een zekeren Bury. Het schijnt dat Bury een beetje

luidruchtig was geworden en dat de kastelein, vast besloten om de orde

te bewaren, gedreigd had om Bury dood te zullen schieten, waarop Bury

een pistool voor den dag haalde en den kastelein neerschoot. Volgens

de laatste berichten was hij niet dood, maar bestond er weinig hoop

op zijn herstel."

"DUEL.

"De boekhouder van de stoomboot Tribune bericht ons dat er laatstleden

Dinsdag nog een tweegevecht heeft plaats gevonden en wel tusschen

den heer Robbins, een ambtenaar aan de Bank te Vicksburg, en den heer

Fall, den uitgever van de Vicksburger Schildwacht. Volgens afspraak

hadden de partijen elk zes pistolen, die zij, op 't woord "vuur!" zoo

dikwijls als ze verkozen, zouden afschieten. Fall schoot tweemaal

zonder gevolg. Het schot van den heer Robbins was raak en wel in de dij

van Fall, die neerviel en het gevecht niet langer voort kon zetten."

"VECHTPARTIJ IN 'T GRAAFSCHAP CLARKE.

"Een ongelukkige vechtpartij vond er Dinsdag den 19 l.l. plaats in

't graafschap Clarke (Mo) bij Waterloo. Deze vechtpartij ontstond uit

een regeling van zaken betrekkelijk de vennootschap der heeren Kane en

Allister, die een likeurstokerij gedreven hadden, en eindigde met den

dood van den laatstgenoemden, die door den heer Kane neergeschoten

werd, omdat hij getracht had zich in bezit te stellen van zeven

vaatjes whiskey, het eigendom van Kane, die Allister bij gerechtelijke

verkooping tegen één dollar per vaatje waren toegewezen geworden. Kane

vluchtte onmiddellijk, en volgens de laatste berichten was het der

politie niet gelukt, hem in handen te krijgen.

"Deze ongelukkige vechtpartij veroorzaakte daarom zoo geweldige

opschudding in de buurt, omdat beide partijen mannen waren met talrijke

huisgezinnen, die van hen afhingen, en goed ter naam en faam in de

gemeente bekend stonden."

Nu zal ik nog maar een enkel voorbeeld aanhalen, een voorbeeld dat

om zijn monsterachtige ongerijmdheid de kroon op deze afgrijselijke

daden zal zetten.

"EEREZAAK.

"Wij hebben zoo even de bijzonderheden gehoord van een ontmoeting die

Dinsdag plaats had op Six Mile Island, tusschen twee jonge bloeden

van onze stad: Samuel Thurston, oud vijftien, en William Hine, oud

dertien jaar. Ze werden door jongeheeren van denzelfden leeftijd

gesecondeerd. De bij deze gelegenheid gebruikte wapens waren een

paar van Dicksons beste buksen; de afstand, dertig el. Zij schoten

eenmaal op elkaar, zonder dat de eene partij de andere eenig letsel

toebracht, behalve dat de kogel uit Thurston's geweer door den bol

van Hine's hoed ging. Door de tusschenkomst van den Raad van Eer werd

de uitdaging ingetrokken en het geschil vriendschappelijk bijgelegd."

Als nu de lezer zich eens voor wil stellen met wat voor soort van

Raad van Eer we hier te doen hebben, die zoo vriendschappelijk het

geschil bijlegde tusschen deze twee kleine jongens, die in elk ander

deel der wereld heel vriendschappelijk op een bank waren gelegd,

waar men ze heel vriendschappelijk met berkenroeden afgestraft zou

hebben,--ik maak me sterk, dat hij al het bespottelijke van deze

"Eerezaak" niet minder in zal zien dan ik, die, telkens als ik er om

denk, er hartelijk om lachen moet.

En nu, met deze stuitende bewijzen van den wezenlijken toestand der

maatschappij in en bij de slavendistricten in Amerika voor oogen, nu

doe ik een beroep op ieder mensch die een greintje gezond verstand en

een beetje gevoel bezit, op ieder mensch die onbevooroordeeld is en

redelijk denkt, onverschillig van welke staatkundige of kerkelijke

kleur, en ik vraag: kunnen zij in 't minst twijfelen aan den

werkelijken toestand waarin de slaaf verkeert, of kunnen ze voor een

oogenblik vrede sluiten tusschen deze instelling of eenige van haar in

't oog springende vreeselijke kenmerken, en hun billijk oordeelende

gewetens? Zullen zij, al is 't eenigszins vergroot, van een of ander

verhaal van afgrijselijke wreedheid zeggen, dat het onwaarschijnlijk

is, als ze de openbare prenten kunnen raadplegen, en onder 't loopen

getuige kunnen zijn van daden als deze, gepleegd jegens elkander,

door menschen die heerschappij uitoefenen over de slaven?

Weten we dan niet, dat al wat de slavernij maar leelijks en wanstaltigs

in den hoogsten graad heeft aan te wijzen, èn de oorzaak èn het

gevolg is van de verregaandste buitensporigheid, die deze vrijgeboren

bandieten zich veroorloven? Weten we niet, dat de man die onder de

verkeerdheden der slavernij is geboren en grootgebracht geworden;

die in zijn kindsheid gezien heeft hoe mannen genoodzaakt werden om op

het woord van commando hun eigen vrouwen af te ranselen, hoe vrouwen

op onbetamelijke wijze gedwongen werden, haar eigen kleeren op te

houden, opdat de mannen des te zwaarder slagen op haar beenen konden

toebrengen, hoe vrouwen tijdens haar barensnood werden afgejakkerd

en getreiterd door brutale opzichters en onder de zweepslagen moeder

werden; die beschrijvingen van weggeloopen mannen en vrouwen en hun

verminkte personen gelezen heeft of zijn jeugdige zuster heeft zien

lezen, die elders onmogelijk duidelijker opgegeven konden worden,

ook al gold het de viervoetige bewoners van een boerderij of een

tentoonstelling van dieren;--weten we niet, wil ik nu eenvoudig

gevraagd hebben, dat, als de toorn van zoo iemand maar ontstoken is,

die man een brutale wilde zal zijn? Weten we niet, dat evengoed als

hij een lafaard is, die, mèt zijn zware zweep gewapend, onder zijn van

schrik ineenkrimpende slaven en slavinnen heen en weer loopt, hij zoo

ook een lafaard zal wezen buitendeurs, en, eens lafaards wapenen in

zijn borst verborgen houdende, iemand waar hij woorden mee krijgt, op

staanden voet doodschieten of doodsteken zal? En als ons verstand ons

deze en soortgelijke dingen niet leerde; als we zulke idioten waren

om onze oogen te sluiten voor die prachtige methode, volgens welke

zulke mannen opgevoed worden, zouden we dan nòg niet weten, dat zij,

die in de zaal der wetgevende vergaderingen, en op 't kantoor, en op 't

marktplein, en wat vreedzame plaatsen er nog meer in onze maatschappij

gevonden worden, onder huns gelijken dadelijk met dolk en pistool in de

weer zijn, voor hun onderhoorigen, ook al waren zij vrije dienstboden,

zooveel ongenadige en onverbiddelijke dwingelanden moeten wezen?

Hoe! Zullen we uitvaren tegen Ierlands onwetenden boerenstand,

en.... dadelijk water in onzen wijn doen, als er sprake is van deze

Amerikaansche bazen?! Zullen we ach en wee roepen over de brutaliteit

van hen die het vee de kniepees doorsnijden, en.... de Lichten der

Vrijheid op aarde sparen, van die Lichten die mannen en vrouwen de

ooren afkappen, die aardige spreuken snijden in 't lillend vleesch,

die les geven hoe men met gloeiend ijzeren pennen op 't menschelijk

aangezicht kan schrijven, die hun dichterlijke phantasie pijnigen om

verminkingslivreien te verzinnen die hun slaven gedurende hun leven

dragen en naar 't graf meenemen zullen, die, evenals de krijgsknechten

deden die den Zaligmaker der wereld bespotten en doodden, levende

ledematen breken en weerlooze schepsels neerzetten om er schijf op te

schieten?! Zullen we jeremieeren over legenden van de pijnigingen,

die de Heidensche Indianen elkaar aandoen, en... glimlachen over

de wreedheden van christenmenschen?! Zullen we, zoolang deze dingen

aanhouden, juichen op de verstrooide overblijfselen van dat statige

ras, en victorie kraaien, als de blanken zich in 't bezit hunner

uitgebreiden landen verheugen? Och, wat mij aangaat, herstel dan

liever der Indianen bosch en dorp; laat in plaats van sterren en

strepen zoo'n nietige veer in den wind wapperen; vervang de straten en

pleinen door wigwams; en al moge de lijkzang van een honderdtal fiere

krijgers door de lucht weergalmen, bij den gil van één ongelukkigen

slaaf zal 't ons als muziek in de ooren klinken.

Kom, laat ten opzichte van een onderwerp, dat we dagelijks voor

oogen hebben en waaromtrent ons nationaal karakter van lieverlede

verandert, de klinkklare waarheid gesproken worden, en laat ons

niet, als lafaards, uitvluchten bedenken, door op den Spanjaard en

den opvliegenden Italiaan te wijzen. Trekken Engelschen het mes als

ze ruzie krijgen, laat men er dan openlijk voor uitkomen en zeggen:

"Deze verandering danken we aan de Republikeinsche Slavernij. Dit nu

zijn de wapens der Vrijheid. Met scherpe punten en kanten zooals deze,

hakt en houwt de Vrijheid in Amerika haar slaven; of wil dit altemet

niet vlotten, geen nood! dan wijden haar zonen diezelfde kanten en

punten tot een beter gebruik, en keeren ze.... tegen elkaar."

XVIII.

SLOTOPMERKINGEN.

SLOTOPMERKINGEN.

Er komen verscheidene passages in dit boek voor, waar 't me inderdaad

eenige moeite heeft gekost, de verzoeking te weerstaan, om mijn lezers

met mijn eigen gevolgtrekkingen en slotsommen lastig te vallen. Ik

voor mij gaf er toch de voorkeur aan, dat zij voor zich zelf zouden

oordeelen en wel uit zulke gegevens als ik onder hun oogen gebracht

heb. Ja, mijn eenige plan in den beginne was, ze getrouwelijk overal

mee te nemen waar ik naar toe ging, en van die taak heb ik me gekweten.

Maar men zal 't mij niet ten kwade kunnen duiden, dat ik, alvorens

dit boek af te sluiten, begeerig ben, met een paar woorden mijn

eigen gevoelen uit te drukken over zoo'n onderwerp als het algemeen

karakter van 't Amerikaansche volk en het algemeen karakter van

hun maatschappelijk stelsel, gelijk zich dat aan des vreemdelings

oog voordoet.

Van nature zijn de Amerikanen openhartig, degelijk, hartelijk, gastvrij

en vriendschappelijk. De beschaving en verlichting schijnen de warmte

van hun hart en hun vurige geestdrift eer goed dan kwaad te doen;

en nu is 't juist het bezit van deze laatstgenoemde eigenschappen

in een alleropmerkelijksten graad, dat een welopgevoed Amerikaan tot

een der beminnelijkste en edelmoedigste vrienden maakt. Nooit heeft

een klasse van menschen mij zoozeer voor zich ingenomen als deze;

nooit schonk ik mijn volle vertrouwen en achting zoo spoedig en zoo

van harte als aan hen; nooit kan ik weer, in een half jaar tijds,

zooveel vrienden maken wien ik zooveel genegenheid toedroeg als had

ik ze al de helft mijn levens gekend.

Onvoorwaardelijk geloof ik, dat deze eigenschappen het geheele volk

eigen zijn. Dat ze evenwel in haar wasdom jammerlijk ondermijnd en

bedorven worden onder den grooten hoop, en dat er invloeden werkzaam

zijn, waaronder deze zelfde eigenschappen er nog meer gevaar loopen,

zóó zelfs dat er voor 't oogenblik bitter weinig uitzicht op bestaat,

dat ze haar normale gezondheid ooit terugkrijgen: ziedaar een waarheid

die niet verzwegen mag worden.

Het is een wezenlijk deel van elk nationaal karakter, machtig grootsch

te zijn op zijn gebreken, en juist uit de overdrijving, waar men zich

te dezen opzichte aan schuldig maakt, de teekenen van zijn deugd en

wijsheid af te leiden. Zoo is er één groote vlek in 't volkskarakter

van Amerika, en de vruchtbare bron van ontelbare verkeerdheden;

en die is? Een algemeen Wantrouwen. De Amerikaansche burger geeft

echter zoo grif niet toe, dat dit een vlek is. Integendeel! Hij laat

zich nogal iets voorstaan op dezen geest, ook zelfs dan nog, wanneer

hij onbevooroordeeld genoeg is, om al het verderfelijke, dat er uit

voortvloeit, op te willen merken; en niettegenstaande zijn eigen

verstand hem van 't tegendeel overtuigd, zal hij het zelfs als een

voorbeeld aanhalen van de groote schranderheid en scherpzinnigheid

zijner landgenooten en hun superieure slimheid en zelfstandigheid.

"Gij brengt," zegt de vreemdeling, "dezen naijver en dit wantrouwen in

elke handeling van 't openbare leven over. Doordien ge waardige mannen

uit uw wetgevende vergaderingen weert, is er een klasse van candidaten

voor den dag gekomen, waarmee het stemrecht nu te rekenen heeft, die,

in elk hunner daden, uw Instellingen en uw volkskeus in kwaden reuk

brengen. Het heeft u zoo wispelturig en veranderlijk gemaakt, dat

uw onstandvastigheid tot een spreekwoord is geworden, want zoo gauw

zet ge den een of anderen afgod niet goed en wel neer, of ge kijkt,

om zoo te zeggen al naar de gereedschappen om, waarmee ge hem straks

van zijn voetstuk afrukken en verbrijzelen zult. En waarom doet ge

dat nu? Waarom? Omdat zoodra ge een weldoener van 't volk, of een

openbaar ambtenaar, beloont, gij hem, louter omdat hij beloond is,

ook op staanden voet wantrouwt en onmiddellijk aan 't visschen gaat

of gij altemet ook te scheutig met de bewijzen uwer erkentelijkheid

geweest zijt, of hij, nu de aap toch binnen is, misschien ook aan

't slabakken is en zich van zijn taak met een Jantje van Leiden

afmaakt. Van den President af, kan ieder, die een hooge plaats onder u

inneemt, gerust zijn val van dat oogenblik dagteekenen; want de eerste

de beste gedrukte leugen, die de een of andere bekende schavuitige

penvoerder in omloop weet te brengen, al druischt die leugen ook ten

eenenmale tegen 't karakter en den levenswandel van den bekladde in,

ze maakt op eens uw wantrouwen gaande en.... wordt geloofd. In één

woord, op den weg van 't vertrouwen, hoe eerlijk ook gewonnen en hoe

welverdiend, zult ge een mug uitzuigen, maar een heele karavaan van

kemels zult ge doorzwelgen, als ze maar beladen zijn met onwaardige

twijfelingen en lage vermoedens. Nu vraag ik u zelf in gemoede af:

zou zoo'n gedragslijn wel de geschiktste wezen om in uw midden het

karakter der bestuurders of bestuurden te verheffen?"

Het antwoord komt onveranderlijk hierop neer: "Bij ons bestaat, naar

ge weet, vrijheid van meening. Zoo denkt iedereen voor zich zelf,

en wij zijn er de mannen niet naar, om ons zoo gemakkelijk een knol

voor een citroen in de hand te laten stoppen. Ziedaar de reden waarom

ons volk achterdochtig is geworden."

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 27 / 48 段