Wisconsin naar aanleiding van den moord, die in de zaal der Wetgevende
Vergadering van 't grondgebied gepleegd is geworden. Meetings
zijn er gehouden in verschillende graafschappen van Wisconsin, om
te protesteeren tegen de gewoonte om in 't geheim wapens bij zich
te dragen in de Wetgevende Kamer des lands. Wij hebben het verslag
ingezien van de Verwijdering van James R. Vinyard, den bedrijver der
bloedige daad, en zijn verbaasd te hooren, dat na deze verwijdering
door hen die Vinyard den heer Arndt zagen dooden in 't bijzijn van
zijn ouden vader die zijn zoon op was komen zoeken en er zeker al
bitter weinig van gedroomd had dat hij getuige zou zijn van diens
vermoording, rechter Dunn Vinyard onder borgtocht vrijgelaten heeft
[16]. De Miners' Free Press spreekt in bewoordingen van verdienden
afkeer over de beleediging daardoor de gevoelens van 't volk van
Wisconsin aangedaan. Vinyard stond niet meer dan op armslengte van
den heer Arndt af, toen hij zoo doodelijk op hem aanlegde, dat hij
nooit meer sprak. Zoo dicht naast hem staande, had Vinyard, als hij
maar gewild had, hem alleen kunnen wonden, maar neen, hij verkoos
hem te dooden."
"MOORD.
"Door een brief in een nieuwsblad van St. Louis van den 14 vernemen
wij een vreeselijk voorval te Burlington, Iowa. Daar een zekere
heer Bridgman een geschil gehad had met een burger van de plaats,
den heer Ross, voorzag een schoonbroeder van laatstgenoemden zich van
een Colt revolver, kwam den heer B. op straat tegen, en loste de vijf
pistoolloopen op hem: ieder schot was raak. Alhoewel verschrikkelijk
gewond, en stervende bleef de heer B. hierop het antwoord niet
schuldig, maar schoot Ross op de plaats dood."
"SCHRIKKELIJKE DOOD VAN ROBERT POTTER.
"Uit de ""Caddo'sche courant"" van den 12 l.l. vernemen wij den
vreeselijken dood van kolonel Robert Potter.... In zijn eigen huis
werd hij door een vijand, een zekere Rose, omsingeld. Hij sprong
zijn bed uit, greep zijn geweer en vloog in zijn nachtkleeren het
huis uit. Daar hij zijn vijand zoo wat tweehonderd el vooruit was,
scheen zijn vlugheid zijn vervolgers te verschalken, maar verward
rakende in kreupelhout werd hij gevangen genomen. Rose zei hem daarop,
dat hij van plan was, zich eens edelmoedig te gedragen, en gaf hem nog
een kans voor zijn leven. Hij, Potter, mocht namelijk wegloopen en tot
op zekeren afstand zou men hem niets doen. Op het commandowoord vloog
Potter weg, en voordat er een geweer was afgeschoten had hij het meer
al bereikt. Het eerst wat bij hem opkwam, was, in 't water te springen
en onder te duiken, wat hij dan ook deed. Rose zat hem dicht op de
hielen en formeerde zijn manschappen op den oever in dier voege, dat
ze kant en klaar waren om hem dood te schieten als hij met zijn hoofd
boven water kwam. Na verloop van eenige oogenblikken kwam hij boven,
om adem te halen; en nauwelijks stak zijn hoofd boven de oppervlakte
des waters uit, of het werd geheel verbrijzeld door de schoten hunner
geweren, en zonk hij, om niet meer levend op het droge te komen!"
"MOORD IN ARKANSAS.
"Wij vernemen dat er weinig dagen geleden een ernstige ontmoeting
heeft plaats gevonden in 't Land der Senecas tusschen den heer Loose,
den onderagent van de vereenigde stammen der Senecas, Quapaws en
Shawnees, en den heer James Gillespie, van de handelsfirma Thomas
G. Allison en Co, van Maysville, Benton, graafschap Ark, bij welke
gelegenheid de laatste met een bowie-mes gedood werd. Er had al sinds
eenigen tijd eenige moeilijkheid tusschen de partijen bestaan. Men
zegt dat majoor Gillespie den aanval met een rotting begon. Hierop
volgde een hevig gevecht, waarbij twee pistolen werden afgeschoten,
een door Gillespie en een door Loose. Loose doorstak toen Gillespie
met een dier nooit missende wapens, een bowie-mes. De dood van majoor
G. wordt zeer betreurd, daar hij een vrijzinnig en degelijk man
was. Sinds het bovenstaande gezet was, hebben we vernomen dat majoor
Allison aan sommige onzer burgers in de stad verzekerd heeft, dat de
heer Loose den eersten slag gegeven had. Wij onthouden er ons van,
in verdere bizonderheden te treden, aangezien de zaak het onderwerp
van een gerechtelijk onderzoek zal zijn."
"LEELIJKE DAAD.
"De stoomboot Thames, zoo even van de Missouri aangekomen, bracht ons
een biljet, waarmee een belooning uitgeloofd werd van 500 dollars voor
den persoon die in den nacht van den 6 l.l. Lilburn W. Baggs, onlangs
gouverneur van dezen Staat, te Independence vermoordde. Gouverneur
Baggs was, gelijk in een geschreven memorandum verklaard wordt,
niet dood, maar doodelijk gewond.
"Sinds het bovenstaande was geschreven, kregen we een nota van
den boekhouder van de Thames, waar de volgende bijzonderheden in
voorkomen. Gouv. Baggs werd Vrijdagavond den 6 l.l., terwijl hij in
zijn kamer in zijn eigen huis te Independence zat, door den een of
anderen schurk doodgeschoten. Zijn zoon, een jongen, die een knal
hoorde, vloog de kamer in, en vond den gouverneur in zittende houding
in zijn stoel. Zijn kaak was geheel uitgezakt en zijn hoofd hing
achterover. Zoodra de knaap merkte wat men zijn vader gedaan had,
maakte hij alarm. In den tuin werden eronder 't raam voetstappen
gevonden en een pistool opgeraapt waarvan men veronderstelde dat het
overladen en door de hand van den onverlaat, die het afschoot, daar
neergesmeten was geworden. Drie schoten, die zwaar waren geladen,
hadden doel getroffen. Het eene was namelijk door zijn mond gegaan,
het tweede in de hersenpan en het derde waarschijnlijk in of bij de
hersenpan, terwijl alle drie tot heel achter in den nek en in 't hoofd
doorgedrongen waren. Op den morgen van den 7 leefde de gouverneur nog;
maar zijn vrienden koesteren in 't geheel geen hoop op zijn herstel,
zijn geneesheeren maar bitter weinig hoop.
"Men had vermoeden op een man, en de Sheriff heeft hem op dit oogenblik
allerwaarschijnlijkst reeds in zijn macht.
"De pistool behoorde tot een koppel, dat een dag of wat geleden van
een bakker te Independence ontvreemd was geworden, en de overheid
heeft de beschrijving van het andere."
"ONTMOETING.
"Een ongelukkige zaak vond Vrijdagavond in Chastres Street plaats,
waar een onzer achtingswaardigste burgers met een dolk een gevaarlijke
wond in den onderbuik werd toegebracht. Uit de Bij (New Orleans)
van gisteren vernemen we dienaangaande de volgende bijzonderheden:
Het schijnt dat er Maandag laatstleden een artikel in 't Fransche
gedeelte dier krant stond, waarin eenige critische aanmerkingen
voorkwamen op het artillerie-bataljon, wegens het afvuren namelijk
van zijn kanonnen op Zondagmorgen, in antwoord op die van de Ontario
en Woodbury, waardoor veel alarm veroorzaakt was geworden onder de
families van die personen, welke den geheelen nacht op de been waren
geweest om de rust der stad te bewaren [17]. Daarover geraakt, ging
majoor C. Gally, de bataljons-commandant, bij 't bureau der redactie
aan, en vroeg den naam van den schrijver. Men zei dat de schrijver
P. Arpin heette, die toen afwezig was. Met een der eigenaars van 't
blad werden toen eenige bittere woorden gewisseld, waar een uitdaging
op volgde. Wel deden de vrienden van beide partijen hun best om de
zaak bij te leggen, maar tevergeefs. Vrijdagavond, tegen zevenen kwam
majoor Gally den heer P. Arpin in Chastres Street tegen en sprak hem
aan: "Is u m'nheer Arpin?"
""Ja m'nheer."
""Dan heb ik u eenvoudig te zeggen, dat je een" (hier volgde een
toepasselijk scheldwoord) "bent."
""Ik zal u aan uw woorden herinneren, m'nheer."
""Maar ik heb gezegd dat ik m'n stok op je schouder stuk zou slaan."
""Dat weet ik, maar ik heb den eersten slag tot nog toe niet gevoeld."
"Op deze woorden sloeg Majoor Gally, die een rotting in zijn hand had,
den heer Arpin dwars over 't gezicht, waarop deze een dolk uit zijn
zak haalde en den Majoor in den onderbuik trof.
"Men koestert vrees dat de wond doodelijk zal zijn. Wij vernemen
dat de heer Arpin zekerheid heeft gegeven dat hij voor het Crimineel
gerechtshof zal verschijnen om zich te verantwoorden."
"VECHTPARTIJEN IN MISSISSIPPI.
"Op den 27 l.l. werd er bij een vechtpartij in de nabijheid van
Carthago, graafschap Leake, Mississippi, tusschen James Cottingham en
John Wilburn door den laatsten op den eersten geschoten, en werd hij
zoo schrikkelijk gewond dat er geen hoop was op zijn herstel. Den 2
l.l. ontstond er een vechtpartij te Carthago tusschen A. C. Sharkey en
George Goff, waarin de laatste een schot kreeg, dat men voor doodelijk
hield, Sharkey gaf zich bij de autoriteit aan, maar bedacht zich
later en ontvluchtte!"
"ONEENIGHEID.
"Eenige dagen geleden werd in Sparta de kastelein van een logement
handgemeen met een zekeren Bury. Het schijnt dat Bury een beetje
luidruchtig was geworden en dat de kastelein, vast besloten om de orde
te bewaren, gedreigd had om Bury dood te zullen schieten, waarop Bury
een pistool voor den dag haalde en den kastelein neerschoot. Volgens
de laatste berichten was hij niet dood, maar bestond er weinig hoop
op zijn herstel."
"DUEL.
"De boekhouder van de stoomboot Tribune bericht ons dat er laatstleden
Dinsdag nog een tweegevecht heeft plaats gevonden en wel tusschen
den heer Robbins, een ambtenaar aan de Bank te Vicksburg, en den heer
Fall, den uitgever van de Vicksburger Schildwacht. Volgens afspraak
hadden de partijen elk zes pistolen, die zij, op 't woord "vuur!" zoo
dikwijls als ze verkozen, zouden afschieten. Fall schoot tweemaal
zonder gevolg. Het schot van den heer Robbins was raak en wel in de dij
van Fall, die neerviel en het gevecht niet langer voort kon zetten."
"VECHTPARTIJ IN 'T GRAAFSCHAP CLARKE.
"Een ongelukkige vechtpartij vond er Dinsdag den 19 l.l. plaats in
't graafschap Clarke (Mo) bij Waterloo. Deze vechtpartij ontstond uit
een regeling van zaken betrekkelijk de vennootschap der heeren Kane en
Allister, die een likeurstokerij gedreven hadden, en eindigde met den
dood van den laatstgenoemden, die door den heer Kane neergeschoten
werd, omdat hij getracht had zich in bezit te stellen van zeven
vaatjes whiskey, het eigendom van Kane, die Allister bij gerechtelijke
verkooping tegen één dollar per vaatje waren toegewezen geworden. Kane
vluchtte onmiddellijk, en volgens de laatste berichten was het der
politie niet gelukt, hem in handen te krijgen.
"Deze ongelukkige vechtpartij veroorzaakte daarom zoo geweldige
opschudding in de buurt, omdat beide partijen mannen waren met talrijke
huisgezinnen, die van hen afhingen, en goed ter naam en faam in de
gemeente bekend stonden."
Nu zal ik nog maar een enkel voorbeeld aanhalen, een voorbeeld dat
om zijn monsterachtige ongerijmdheid de kroon op deze afgrijselijke
daden zal zetten.
"EEREZAAK.
"Wij hebben zoo even de bijzonderheden gehoord van een ontmoeting die
Dinsdag plaats had op Six Mile Island, tusschen twee jonge bloeden
van onze stad: Samuel Thurston, oud vijftien, en William Hine, oud
dertien jaar. Ze werden door jongeheeren van denzelfden leeftijd
gesecondeerd. De bij deze gelegenheid gebruikte wapens waren een
paar van Dicksons beste buksen; de afstand, dertig el. Zij schoten
eenmaal op elkaar, zonder dat de eene partij de andere eenig letsel
toebracht, behalve dat de kogel uit Thurston's geweer door den bol
van Hine's hoed ging. Door de tusschenkomst van den Raad van Eer werd
de uitdaging ingetrokken en het geschil vriendschappelijk bijgelegd."
Als nu de lezer zich eens voor wil stellen met wat voor soort van
Raad van Eer we hier te doen hebben, die zoo vriendschappelijk het
geschil bijlegde tusschen deze twee kleine jongens, die in elk ander
deel der wereld heel vriendschappelijk op een bank waren gelegd,
waar men ze heel vriendschappelijk met berkenroeden afgestraft zou
hebben,--ik maak me sterk, dat hij al het bespottelijke van deze
"Eerezaak" niet minder in zal zien dan ik, die, telkens als ik er om
denk, er hartelijk om lachen moet.
En nu, met deze stuitende bewijzen van den wezenlijken toestand der
maatschappij in en bij de slavendistricten in Amerika voor oogen, nu
doe ik een beroep op ieder mensch die een greintje gezond verstand en
een beetje gevoel bezit, op ieder mensch die onbevooroordeeld is en
redelijk denkt, onverschillig van welke staatkundige of kerkelijke
kleur, en ik vraag: kunnen zij in 't minst twijfelen aan den
werkelijken toestand waarin de slaaf verkeert, of kunnen ze voor een
oogenblik vrede sluiten tusschen deze instelling of eenige van haar in
't oog springende vreeselijke kenmerken, en hun billijk oordeelende
gewetens? Zullen zij, al is 't eenigszins vergroot, van een of ander
verhaal van afgrijselijke wreedheid zeggen, dat het onwaarschijnlijk
is, als ze de openbare prenten kunnen raadplegen, en onder 't loopen
getuige kunnen zijn van daden als deze, gepleegd jegens elkander,
door menschen die heerschappij uitoefenen over de slaven?
Weten we dan niet, dat al wat de slavernij maar leelijks en wanstaltigs
in den hoogsten graad heeft aan te wijzen, èn de oorzaak èn het
gevolg is van de verregaandste buitensporigheid, die deze vrijgeboren
bandieten zich veroorloven? Weten we niet, dat de man die onder de
verkeerdheden der slavernij is geboren en grootgebracht geworden;
die in zijn kindsheid gezien heeft hoe mannen genoodzaakt werden om op
het woord van commando hun eigen vrouwen af te ranselen, hoe vrouwen
op onbetamelijke wijze gedwongen werden, haar eigen kleeren op te
houden, opdat de mannen des te zwaarder slagen op haar beenen konden
toebrengen, hoe vrouwen tijdens haar barensnood werden afgejakkerd
en getreiterd door brutale opzichters en onder de zweepslagen moeder
werden; die beschrijvingen van weggeloopen mannen en vrouwen en hun
verminkte personen gelezen heeft of zijn jeugdige zuster heeft zien
lezen, die elders onmogelijk duidelijker opgegeven konden worden,
ook al gold het de viervoetige bewoners van een boerderij of een
tentoonstelling van dieren;--weten we niet, wil ik nu eenvoudig
gevraagd hebben, dat, als de toorn van zoo iemand maar ontstoken is,
die man een brutale wilde zal zijn? Weten we niet, dat evengoed als
hij een lafaard is, die, mèt zijn zware zweep gewapend, onder zijn van
schrik ineenkrimpende slaven en slavinnen heen en weer loopt, hij zoo
ook een lafaard zal wezen buitendeurs, en, eens lafaards wapenen in
zijn borst verborgen houdende, iemand waar hij woorden mee krijgt, op
staanden voet doodschieten of doodsteken zal? En als ons verstand ons
deze en soortgelijke dingen niet leerde; als we zulke idioten waren
om onze oogen te sluiten voor die prachtige methode, volgens welke
zulke mannen opgevoed worden, zouden we dan nòg niet weten, dat zij,
die in de zaal der wetgevende vergaderingen, en op 't kantoor, en op 't
marktplein, en wat vreedzame plaatsen er nog meer in onze maatschappij
gevonden worden, onder huns gelijken dadelijk met dolk en pistool in de
weer zijn, voor hun onderhoorigen, ook al waren zij vrije dienstboden,
zooveel ongenadige en onverbiddelijke dwingelanden moeten wezen?
Hoe! Zullen we uitvaren tegen Ierlands onwetenden boerenstand,
en.... dadelijk water in onzen wijn doen, als er sprake is van deze
Amerikaansche bazen?! Zullen we ach en wee roepen over de brutaliteit
van hen die het vee de kniepees doorsnijden, en.... de Lichten der
Vrijheid op aarde sparen, van die Lichten die mannen en vrouwen de
ooren afkappen, die aardige spreuken snijden in 't lillend vleesch,
die les geven hoe men met gloeiend ijzeren pennen op 't menschelijk
aangezicht kan schrijven, die hun dichterlijke phantasie pijnigen om
verminkingslivreien te verzinnen die hun slaven gedurende hun leven
dragen en naar 't graf meenemen zullen, die, evenals de krijgsknechten
deden die den Zaligmaker der wereld bespotten en doodden, levende
ledematen breken en weerlooze schepsels neerzetten om er schijf op te
schieten?! Zullen we jeremieeren over legenden van de pijnigingen,
die de Heidensche Indianen elkaar aandoen, en... glimlachen over
de wreedheden van christenmenschen?! Zullen we, zoolang deze dingen
aanhouden, juichen op de verstrooide overblijfselen van dat statige
ras, en victorie kraaien, als de blanken zich in 't bezit hunner
uitgebreiden landen verheugen? Och, wat mij aangaat, herstel dan
liever der Indianen bosch en dorp; laat in plaats van sterren en
strepen zoo'n nietige veer in den wind wapperen; vervang de straten en
pleinen door wigwams; en al moge de lijkzang van een honderdtal fiere
krijgers door de lucht weergalmen, bij den gil van één ongelukkigen
slaaf zal 't ons als muziek in de ooren klinken.
Kom, laat ten opzichte van een onderwerp, dat we dagelijks voor
oogen hebben en waaromtrent ons nationaal karakter van lieverlede
verandert, de klinkklare waarheid gesproken worden, en laat ons
niet, als lafaards, uitvluchten bedenken, door op den Spanjaard en
den opvliegenden Italiaan te wijzen. Trekken Engelschen het mes als
ze ruzie krijgen, laat men er dan openlijk voor uitkomen en zeggen:
"Deze verandering danken we aan de Republikeinsche Slavernij. Dit nu
zijn de wapens der Vrijheid. Met scherpe punten en kanten zooals deze,
hakt en houwt de Vrijheid in Amerika haar slaven; of wil dit altemet
niet vlotten, geen nood! dan wijden haar zonen diezelfde kanten en
punten tot een beter gebruik, en keeren ze.... tegen elkaar."
XVIII.
SLOTOPMERKINGEN.
SLOTOPMERKINGEN.
Er komen verscheidene passages in dit boek voor, waar 't me inderdaad
eenige moeite heeft gekost, de verzoeking te weerstaan, om mijn lezers
met mijn eigen gevolgtrekkingen en slotsommen lastig te vallen. Ik
voor mij gaf er toch de voorkeur aan, dat zij voor zich zelf zouden
oordeelen en wel uit zulke gegevens als ik onder hun oogen gebracht
heb. Ja, mijn eenige plan in den beginne was, ze getrouwelijk overal
mee te nemen waar ik naar toe ging, en van die taak heb ik me gekweten.
Maar men zal 't mij niet ten kwade kunnen duiden, dat ik, alvorens
dit boek af te sluiten, begeerig ben, met een paar woorden mijn
eigen gevoelen uit te drukken over zoo'n onderwerp als het algemeen
karakter van 't Amerikaansche volk en het algemeen karakter van
hun maatschappelijk stelsel, gelijk zich dat aan des vreemdelings
oog voordoet.
Van nature zijn de Amerikanen openhartig, degelijk, hartelijk, gastvrij
en vriendschappelijk. De beschaving en verlichting schijnen de warmte
van hun hart en hun vurige geestdrift eer goed dan kwaad te doen;
en nu is 't juist het bezit van deze laatstgenoemde eigenschappen
in een alleropmerkelijksten graad, dat een welopgevoed Amerikaan tot
een der beminnelijkste en edelmoedigste vrienden maakt. Nooit heeft
een klasse van menschen mij zoozeer voor zich ingenomen als deze;
nooit schonk ik mijn volle vertrouwen en achting zoo spoedig en zoo
van harte als aan hen; nooit kan ik weer, in een half jaar tijds,
zooveel vrienden maken wien ik zooveel genegenheid toedroeg als had
ik ze al de helft mijn levens gekend.
Onvoorwaardelijk geloof ik, dat deze eigenschappen het geheele volk
eigen zijn. Dat ze evenwel in haar wasdom jammerlijk ondermijnd en
bedorven worden onder den grooten hoop, en dat er invloeden werkzaam
zijn, waaronder deze zelfde eigenschappen er nog meer gevaar loopen,
zóó zelfs dat er voor 't oogenblik bitter weinig uitzicht op bestaat,
dat ze haar normale gezondheid ooit terugkrijgen: ziedaar een waarheid
die niet verzwegen mag worden.
Het is een wezenlijk deel van elk nationaal karakter, machtig grootsch
te zijn op zijn gebreken, en juist uit de overdrijving, waar men zich
te dezen opzichte aan schuldig maakt, de teekenen van zijn deugd en
wijsheid af te leiden. Zoo is er één groote vlek in 't volkskarakter
van Amerika, en de vruchtbare bron van ontelbare verkeerdheden;
en die is? Een algemeen Wantrouwen. De Amerikaansche burger geeft
echter zoo grif niet toe, dat dit een vlek is. Integendeel! Hij laat
zich nogal iets voorstaan op dezen geest, ook zelfs dan nog, wanneer
hij onbevooroordeeld genoeg is, om al het verderfelijke, dat er uit
voortvloeit, op te willen merken; en niettegenstaande zijn eigen
verstand hem van 't tegendeel overtuigd, zal hij het zelfs als een
voorbeeld aanhalen van de groote schranderheid en scherpzinnigheid
zijner landgenooten en hun superieure slimheid en zelfstandigheid.
"Gij brengt," zegt de vreemdeling, "dezen naijver en dit wantrouwen in
elke handeling van 't openbare leven over. Doordien ge waardige mannen
uit uw wetgevende vergaderingen weert, is er een klasse van candidaten
voor den dag gekomen, waarmee het stemrecht nu te rekenen heeft, die,
in elk hunner daden, uw Instellingen en uw volkskeus in kwaden reuk
brengen. Het heeft u zoo wispelturig en veranderlijk gemaakt, dat
uw onstandvastigheid tot een spreekwoord is geworden, want zoo gauw
zet ge den een of anderen afgod niet goed en wel neer, of ge kijkt,
om zoo te zeggen al naar de gereedschappen om, waarmee ge hem straks
van zijn voetstuk afrukken en verbrijzelen zult. En waarom doet ge
dat nu? Waarom? Omdat zoodra ge een weldoener van 't volk, of een
openbaar ambtenaar, beloont, gij hem, louter omdat hij beloond is,
ook op staanden voet wantrouwt en onmiddellijk aan 't visschen gaat
of gij altemet ook te scheutig met de bewijzen uwer erkentelijkheid
geweest zijt, of hij, nu de aap toch binnen is, misschien ook aan
't slabakken is en zich van zijn taak met een Jantje van Leiden
afmaakt. Van den President af, kan ieder, die een hooge plaats onder u
inneemt, gerust zijn val van dat oogenblik dagteekenen; want de eerste
de beste gedrukte leugen, die de een of andere bekende schavuitige
penvoerder in omloop weet te brengen, al druischt die leugen ook ten
eenenmale tegen 't karakter en den levenswandel van den bekladde in,
ze maakt op eens uw wantrouwen gaande en.... wordt geloofd. In één
woord, op den weg van 't vertrouwen, hoe eerlijk ook gewonnen en hoe
welverdiend, zult ge een mug uitzuigen, maar een heele karavaan van
kemels zult ge doorzwelgen, als ze maar beladen zijn met onwaardige
twijfelingen en lage vermoedens. Nu vraag ik u zelf in gemoede af:
zou zoo'n gedragslijn wel de geschiktste wezen om in uw midden het
karakter der bestuurders of bestuurden te verheffen?"
Het antwoord komt onveranderlijk hierop neer: "Bij ons bestaat, naar
ge weet, vrijheid van meening. Zoo denkt iedereen voor zich zelf,
en wij zijn er de mannen niet naar, om ons zoo gemakkelijk een knol
voor een citroen in de hand te laten stoppen. Ziedaar de reden waarom
ons volk achterdochtig is geworden."