uit al die fatsoenlijke burgers die geen meerdere kunnen velen en
huns gelijken kunnen luchten noch zien; met andere woorden, uit
de klasse wier heele republikeinsche gezindheid hierop neerkomt:
"Ik duld niemand boven me, en van allen die beneden me staan moet
geen een het wagen, mij te na te komen;" wier dwaze hoogmoed, in een
land waar vrijwillige dienstbaarheid geschuwd wordt als de pest, door
slaven moet bediend worden en wier onvervreemdbare rechten alleen door
de verongelijkingen, den negers aangedaan, kunnen gehandhaafd worden.
Men heeft soms aangevoerd, dat men in de vruchtelooze pogingen,
die er aangewend zijn geworden om de zaak der persoonlijke vrijheid
in de republiek van Amerika te bevorderen (wel vreemd tusschen twee
haakjes dat men, over Amerika, het vrije Amerika, schrijvende, zoo'n
punt heeft te behandelen), nu heeft men, zeg ik, soms aangevoerd,
dat men bij al zulke pogingen niet genoegzaam acht geslagen heeft op
't bestaan van de door ons zoo even aangeduide eerste klasse van
personen, en, zoo werd er dan verder geredeneerd, nu ging het niet
aan, ja deed men die eerste klasse bepaaldelijk onrecht, door haar
met de tweede over één kam te scheren. Ongetwijfeld is dit het geval;
op edele voorbeelden zou men kunnen wijzen van personen die zich in
't belang hunner slaven geldelijke en persoonlijke opofferingen
getroost hebben, en wel is 't te bejammeren dat de kloof tusschen
hen en de pleitbezorgers der emancipatie door al dergelijke scheeve
voorstellingen als anderszins nog wijder kan gemaakt zijn, des te meer
daar er buiten kijf onder deze slavenhouders verscheidene goedgezinde
meesters gevonden worden, die zachtmoedig, neen teeder zijn in de
uitoefening hunner onnatuurlijke macht. Edoch dit neemt de vrees
niet weg, dat deze oprechtheid onafscheidelijk verbonden is aan een
staat van zaken waar menschelijkheid en waarheid geroepen zijn, een
appeltje mee te schillen. De slavernij is er geen zier draaglijker
om, omdat er sommigen zijn aan te wijzen, wier edelmoedig hart de
harde gevolgen dezer instelling gedeeltelijk weet te verzachten,
ook mag de stroom van den heiligen toorn niet stil blijven staan,
al stuit hij in zijn steeds voortgaanden loop op enkele weinigen die
onder een heir van schuldigen vergelijkenderwijs onschuldig zijn.
Ziehier wat deze betere menschen onder de pleitbezorgers der
slavernij ons bij wijze van zelfverdediging gewoonlijk te gemoet
voeren. "Een slecht stelsel is het, nu ja, en hing 't van mij af,
ik zag het graag, heel graag aan den dijk gezet. Maar zoo slecht
als jelui het in Engeland afschildert, is het niet. Weet je, wat met
jelui 't geval is? al die mooie voorstellingen van de apostelen der
emancipatie hebben jelui ingepalmd, daar zit 'm de knoop! Zoo zijn
de meesten van mijn eigen slaven aan mij gehecht, en waarlijk niet
zoo'n klein beetje. Nu zal jelui zeggen, dat ik er voor zorg dat
ze niet streng behandeld worden, maar eilieve, ik zet het jelui, te
gelooven dat het een algemeene praktijk kàn zijn om ze ònmenschelijk
te behandelen. Zoo iets zou immers hun waarde verminderen en--dit is
zoo klaar als 'n klontje--tegen 't belang hunner meesters wezen!"
Nu vraag ik op mijn beurt: Is 't in 't belang van iemand om te stelen,
te dobbelen, zijn gezondheid en geestvermogens door dronkenschap te
verwoesten, te liegen, valsche eeden af te leggen, aan de inblazingen
van den haat toe te geven, in zijn razernij op wraak en altijd op wraak
uit te zijn, of zich aan moord of doodslag schuldig te maken? Immers
neen. Al deze wegen toch voeren ten verderve. En waarom zijn er dan
menschen, die ze bewandelen? Waarom? Omdat zulke neigingen mede tot
de booze eigenschappen van 't menschdom behooren. Neen, vrienden der
slavernij, wischt eerst van de lijst der menschelijke hartstochten
den brutalen lust uit, en de wreedheid, en het misbruikmaken
van onverantwoordelijke macht (van alle verzoekingen op aarde de
moeilijkste om er weerstand aan te bieden), en hebt ge dát gedaan,
dan, maar niet vroeger, zullen wij eens aan 't onderzoeken gaan of
't in 't belang van een meester zij, de slaven, over wier levens en
ledematen hij een onbeperkt gezag uitoefent, met de zweep te slaan
en te verminken.
Maar er is meer. Èn deze klasse, èn die laatste die ik opgenoemd heb,
de ellendige aristocratie, die teelt eener valsche republiek,--ze
verheffen gezamenlijk hun stem en roepen uit: "De openbare meening,
en de openbare meening alleen, is ruimschoots voldoende om zoo'n
wreedheid als door u aan de kaak gesteld wordt te voorkomen." Och
kom, de openbare meening! Maar is de openbare meening in de
Slaven-staten niet juist vóór de slavernij? spreek op!... Helaas,
maar al te waar! Ja, de openbare meening heeft, in de Slaven-staten,
de slaven aan de genade of ongenade hunner meesters overgegeven. De
openbare meening heeft de wetten gemaakt en hun alle wettelijke
bescherming ontzegd. De openbare meening heeft de zweep geknoopt,
het brandijzer heet gemaakt, de buks geladen en den moordenaar in
bescherming genomen. De openbare meening bedreigt den abolitionist,
d. i. voorstander der afschaffing, met den dood, als hij het hart mocht
hebben, één voet in 't Zuiden te zetten, en sleurt hem, met een touw
om zijn middel, op klaarlichten dag door de eerste stad in 't Oosten,
't Is nog zoo heel lang niet geleden, dat de openbare meening een
slaaf levend verbrand heeft boven een langzaam gestookt vuur in de
stad St. Louis; en tot op den huidigen dag heeft de openbare meening
dien achtingswaardigen rechter in zijn rang gehandhaafd, die de Jury,
daar opgeroepen om de moordenaars te verhooren, op 't gemoed drukte om
ten deze niet uit het oog te verliezen, dat hun afgrijselijke daad een
handeling der openbare meening was en bijgevolg niet gestraft moest
worden door de wetten die het openbaar gevoelen gemaakt had. En de
openbare meening? Met een wild gebrul juichte zij deze leer toe, en
stelde de gevangene op vrije voeten, zoodat ze zich evenals voorheen,
als mannen van aanzien, invloed en stand, frank en vrij in de stad
konden bewegen.
De openbare meening! Wat voor klasse van menschen heeft een onmetelijk
overwicht over de rest, wat de macht betreft om de openbare meening
in de Wetgevende Vergadering te vertegenwoordigen? Wie anders dan de
slavenhouders? Zijn zij 't die uit hun twaalf Staten honderd leden
afvaardigen; de veertien vrije Staten, met een vrije bevolking die
bijna eens zoo groot is, daarentegen maar honderd twee en veertig. Voor
wien buigen de candidaten voor den presidentszetel het nederigst;
wien smeren ze den meesten honig om den mond, en wien kijken zij het
onderdanigst naar de oogen? altijd en eeuwig de slavenhouders.
De openbare meening! Luister eens naar de openbare meening van 't vrije
Zuiden, zooals die uitgedrukt wordt door zijn eigen leden in 't Huis
der Volksvertegenwoordigers te Washington. "Ik heb allen eerbied voor
den president," zei Noord Carolina, "ja, allen eerbied heb ik voor hem
als lid van 't Huis, ook heb ik allen eerbied voor hem persoonlijk;
en louter die eerbied houdt me tegen, om naar de tafel te vliegen en
die petitie in stukken te scheuren die zoo even ingeleverd is geworden
om de slavernij in 't district Columbia af te schaffen."--"Ik waarschuw
de abolitionisten," zegt Zuid Carolina, "onwetende, razende barbaren
die ze zijn, dat, mocht een van hen bijgeval in onze handen vallen
hem de dood van een misdadiger wacht."--"Laat," schreeuwt een derde,
een collega van dat teerhartige Carolina, "laat een abolitionist eens
het hart in zijn lijf hebben om binnen de grenzen van Zuid Carolina te
komen, en we zullen hem wel inrekenen en voor de rechtbank brengen,
en al zouden alle gouvernementen ter wereld, de Bondsvergadering
incluis, tusschen beiden treden, OPHANGEN zullen we hem toch."
De openbare meening heeft deze wet gemaakt.--Zij heeft verklaard dat
in Washington in dezelfde stad die haar naam ontleent aan den vader
der Amerikaansche vrijheid, elke vrederechter elken neger, die daar
op straat gezien wordt, mag boeien en in de gevangenis werpen: het is
niet eens noodig, dat de zwarte het geringste misdaan heeft, och neen,
de justitie redeneert op dit punt eenvoudig zoo: "Ik zie daar een
zwarte, die zwarte is stellig weggeloopen," en zonder complimenten
te maken, sluit ze hem op. De openbare meening verleent den man
der wet de macht om, zoodra hij dit gedaan heeft, den neger in de
nieuwsbladen te zetten, den eigenaar waarschuwende om over te komen
en hem op te eischen, bij gebreke waarvan hij in veiling gebracht
zal worden, ten einde de gemaakte gevangeniskosten te vergoeden. Maar
gesteld nu eens, dat hij een vrije zwarte is en geen eigenaar heeft,
dan zal hij--dit vermoeden ligt immer als iets dat vanzelf spreekt
voor de hand--toch wel op vrije voeten gesteld worden. Of hij zelfs
in dát geval op vrije voeten gesteld wordt? Wel neen! DAN WORDT HIJ
VERKOCHT OM ZIJN CIPIER SCHADELOOS TE STELLEN. Zoo iets heeft zich
telkens en telkens weer voorgedaan. Hij toch, de arme maar vrije
slaaf, hij heeft geen middelen om te bewijzen dat hij vrij man is; hij
heeft geen raadsman, geen boodschaplooper of iemand die hem, op welke
wijze dan ook, met raad of daad ter zijde staat; er wordt zelfs geen
onderzoek ingesteld met betrekking tot zijn zaak. Hij, een vrij man,
die misschien jaren lang dienstbaar geweest is en zijn vrijheid heeft
gekocht, hij wordt zonder vorm van proces, om geen misdaad, zelfs niet
op vermoeden van misdaad, in de gevangenis geworpen en.... verkocht,
verkocht om zijn gevangeniskosten te betalen. Dit schijnt onmogelijk,
zelfs van Amerika, maar de wet is nu eenmaal zoo, en de wet wortelt
in de openbare meening.
Het is alweer de openbare meening, waar men zich aan houdt in gevallen
als het volgende, dat in de nieuwsbladen bij wijze van hoofdartikel
behandeld wordt:
"Belangrijke rechtzaak.
"Een belangrijke zaak wordt nu behandeld voor het Hoog
gerechtshof. Ziehier wat er aanleiding toe gegeven heeft. Een heer,
die in Maryland woonde, had, verscheidene jaren geleden, een bejaard
paar zijner slaven feitelijke, alhoewel niet wettelijke vrijheid
geschonken. In dien staat was hun een dochter geboren, die in dezelfde
vrijheid opgroeide, totdat ze een vrijen neger huwde en met dezen in
Pennsylvanië ging wonen. Zij hadden verscheidene kinderen en leefden
ongemoeid totdat de oorspronkelijke eigenaar kwam te overlijden,
waarop zijn erfgenaam probeerde of hij ze niet weer in zijn macht kon
krijgen; maar de overheid, waar zij voor gebracht werden, besliste
dat zij in dit geval geen uitspraak kon doen. De eigenaar liet nu de
vrouw en haar kinderen 's nachts oplichten en bracht ze naar Maryland."
"Contant geld voor negers", "contant geld voor negers", "contant
geld voor negers", staat dikwijls in de lange kolommen der
compres gedrukte kranten met hoofdletters boven de advertentiën te
lezen. Houtsnee-vignetten, voorstellende een weggeloopen neger met
geboeide handen, die voor de voeten kruipt van een ruwen vervolger die
hem gesnapt heeft en bij de keel grijpt--ziedaar wat strekken kan tot
meerdere opluistering van den op zich zelf al zoo prettigen tekst. Het
hoofdartikel verzet zich tegen "die afschuwelijke en helsche leer van
de afschaffing, die zoowel tegen elke goddelijke wet als tegen elke
natuurwet aandruist." Mamaatje, die de krant in haar koele verandah
zit te lezen, stemt glimlachend in met dit vermakelijk mopje en sust
haar jongste kind, dat lastig begint te worden, door den jongen,
o hoe lief, niet waar? een zweepje te beloven, een zweepje om er
de negertjes mee te slaan.--Maar de negers, klein en groot, worden
immers door de openbare meening beschermd!!!
Laat ons deze openbare meening nog eens op eene andere manier den
pols voelen en wel met dien verstande dat zij zelf het nu zal wezen,
die ons de zaak in quaestie uit drieërlei nieuwe gezichtspunten zal
doen beschouwen. Me dunkt, zoo iets kan niet onbelangrijk geacht
worden. We zullen namelijk nu eens gaan zien ten eerste: hoe wanhopig
bleu slavenhouders tegenover de openbare meening zijn, in hun kiesche
beschrijving van voortvluchtige slaven in wijd en zijd verspreide
nieuwsbladen; ten tweede; hoe volmaakt de slaven in hun schik zijn
en hoe uiterst zelden ze wegloopen; ten derde hoe maagdelijk rein
de slaven gehouden worden van litteekens en van al wat een wreede
behandeling ten gevolge zou kunnen hebben, gelijk dit blijken zal
uit de schilderijen daarvan opgehangen, niet door leugenachtige
abolitionisten, maar door hun eigen waarheidslievende meesters.
Men houde daarbij wel in 't oog, dat de volgende staaltjes maar enkele
weinige specimens zijn van de advertentiën in de nieuwsbladen. Het
is nog maar vier jaar geleden sinds de oudste daarvan verschenen is;
en anderen van 't zelfde allooi worden er, dag-in dag-uit, bij de
vleet gepubliceerd.
"Weggeloopen, de negerin Caroline. Had een halsband om met één tand
naar beneden gekeerd."
"Weggeloopen, een zwarte vrouw, Betsy. Had een ijzeren beugel om
haar rechterbeen."
"Weggeloopen, de neger Manuel. Heeft nog al wat moeten van ijzers op
zijn lichaam."
"Weggeloopen, de negerin Fanny. Had een ijzeren band om haar hals."
"Weggeloopen, een negerjongen van ongeveer twaalf jaar. Had om zijn
hals een hondenhalsband met de ""de Lampert"" er in gesneden."
"Weggeloopen de neger Hown. Heeft een ijzeren ring om zijn
linkervoet. Ook Grisy, zijn vrouw, die een ring en ketting om 't
linkerbeen heeft."
"Weggeloopen, een negerjongen, met name Koo. Deze jongen was geboeid,
toen hij me verliet."
"Gevangen gezet, een man die zich Jan noemt. Aan zijn rechtervoet
heeft hij een ijzeren blok, dat wel een pond of vijf zal wegen."
"In de politiegevangenis gezet, de zwarte lichtekooi Myra. Heeft
verscheidene striemen van ZWEEPSLAGEN en ijzer aan haar voeten."
"Weggeloopen, een negerin en twee kinderen; een dag of wat voordat
ze wegliep, BRANDDE IK HAAR MET EEN GLOEIEND IJZER OP DEN LINKERKANT
VAN HAAR GEZICHT. Ik probeerde, de letter M te maken."
"Weggeloopen, een neger Hendrik genaamd; zijn linkeroog kwijt, sommige
litteekenen van een dolk aan en onder zijn linkerarm, en vol striemen
van de zweepslagen."
"Honderd dollars belooning, voor een negerknaap Pompey, 40 jaar. Hij
is gebrandmerkt op de linkerwang."
"Gevangen gezet, een neger. Heeft geen teenen aan den linkervoet."
"Weggeloopen, een negerin Rachel genaamd. Al haar teenen kwijt behalve
de groote.
"Weggeloopen, Sam. Kort geleden had hij een schot gekregen door de
hand, en heeft verscheidene schoten in zijn linkerarm en zij."
"Weggeloopen, mijn neger Dennis. Gezegde neger heeft een schot
gekregen in den linkerarm tusschen den schouder en elleboog waardoor
de linkerhand verlamd is geworden."
"Weggeloopen, mijn neger Simon genaamd. Men heeft hem geschoten in
zijn rug en rechterarm, maar niet al te raak."
"Weggeloopen, een neger met name Arthur. Heeft een groot litteeken
dwars door zijn borst, en iederen arm, met een mes gemaakt; spreekt
graag over Gods goedheid."
"Vijf en twintig dollars belooning voor mijn knecht Isaäc. Hij heeft
een litteeken aan zijn voorhoofd, door een klap veroorzaakt; en een
in zijn rug, door een pistoolschot."
"Weggeloopen, een negermeid, Marie genaamd. Heeft een klein litteeken
over haar oog, is nogal wat tanden kwijt, de letter A is op haar wang
en voorhoofd gebrand."
"Weggeloopen, neger Ben. Heeft een litteeken aan zijn rechterhand,
daar zijn duim en wijsvinger gekwetst zijn door een schot dat onlangs
op hem gelost is geworden. Een gedeelte van 't been stak er uit. Hij
heeft ook een of twee groote litteekens aan zijn rug en heupen."
"Gevangen gezet, een mulat, Tom genaamd, Heeft een litteeken aan de
rechterwang, en schijnt met kruit op 't gezicht gebrand te zijn."
"Weggeloopen, een neger, Ned genaamd. Drie zijner vingers zijn door
een snee in de palm zijner hand kromgetrokken. Heeft een litteeken
achter aan zijn hals, zoowat half rond, door een mes veroorzaakt."
"Was gevangen gezet, een neger. Zijn naam is Josiah. Zijn rug
vol striemen van de zweep; gebrand op de dij en heupen op drie of
vier plaatsen, dus (JM). Zijn rechter-oorlelletje is afgebeten of
afgesneden geworden."
"Vijftig dollars belooning, voor mijn knaap Eduard. Hij heeft een
litteeken om den hoek van zijn mond, twee sneden aan en onder zijn arm,
en letter E op zijn arm."
"Weggeloopen, de negerjongen Ellie. Heeft een litteeken aan een zijner
armen van den beet van een hond."
"Weggeloopen, van de plantage van James Surgette, de volgende negers:
Randal, heeft één oor afgekapt; Bob, is één oog kwijt; Kentucky Tom,
heeft één kaak gebroken."
"Weggeloopen, Anthony. Een zijner ooren afgesneden, en zijn linkerhand
met een bijl afgehakt."
"Vijftig dollars belooning voor den neger Jim Blake. Uit elk oor
is hem een stukje gesneden en de middelste vinger der linkerhand is
afgesneden tot het tweede gewricht."
"Weggeloopen, een negerin Maria genaamd. Heeft een litteeken aan
de eene zij van haar wang, door een snee. Sommige litteekens aan
haar rug."
"Weggeloopen de mulattin-lichtekooi Mary. Heeft een snee op den
linkerarm, een litteeken op den linkerschouder, en is twee boventanden
kwijt."
(Tot opheldering van 't laatste gedeelte dezer beschrijving, zal ik
misschien geen overtollig werk verrichten door te doen opmerken,
dat onder de andere zegeningen die de openbare meening der negers
verzekert, de algemeen in zwang zijnde gewoonte behoort, hun met
geweld de tanden uit te stooten. Om ze over dag en 's nachts ijzeren
halsbanden te laten dragen en de honden tegen hen aan te hitsen, dat
zijn van die praktijken bijna te ordinair om er opzettelijk melding
van te maken.)
"Weggeloopen, mijn man Fontein. Heeft gaten in zijn ooren, een
litteeken aan den rechterkant van zijn voorhoofd, heeft een schot
beet in de achterdeelen zijner beenen, en heeft striemen op zijn rug
van de zweep."
"Tweehonderd vijftig dollars belooning voor mijn neger Jim. Zijn
rechterdij draagt nogal wat litteekens van een schot. Het schot kwam er
aan den buitenkant in, halverwege tusschen de heup en kniegewrichten."
"Naar de gevangenis gebracht, Jan. Linkeroor afgehakt."
"Opgevangen, een neger. Heeft nogal wat litteekens over zijn gezicht
en lijf, en is zijn linkeroor kwijt, dat hem afgebeten is."
"Weggeloopen, een zwarte meid, Mary genaamd. Heeft een litteeken aan
haar wang, en de top van een harer teenen afgesneden."
"Weggeloopen, mijn mulattin Judy. Haar rechterarm is gebroken."
"Weggeloopen, mijn neger Levi. Zijn linkerhand is verbrand geworden,
en ik geloof dat hij den top van zijn wijsvinger kwijt is."
"Weggeloopen, een neger, WASHINGTON GENAAMD. Heeft een stuk van zijn
middelsten vinger verloren, en den top van zijn pink."
"Vijf en twintig dollars belooning voor mijn man Jan. Het puntje van
zijn neus is afgebeten."
"Vijf en twintig dollars belooning voor den negerslaaf Sally. Loopt
alsof hij kreupel was in den rug."
"Weggeloopen, Joe Dennis. Heeft een kleine kerf in een zijner ooren."
"Weggeloopen, negerjongen Jack. Mist een klein stukje van zijn
linkeroor, dat er van afgekapt is."
"Weggeloopen, een neger Ivoor genaamd. Mist een klein stukje van
iedere oorlel, dat er uitgesneden is."
Van ooren gesproken, zal ik zoo vrij zijn, bij deze gelegenheid
nog mee te deelen, dat een deftig abolitionist in New-York eens
een negeroor ontving, dat vlak bij 't hoofd afgesneden was. Dit oor
gewerd hem over de post en in een gewonen brief, en was verzonden
door den vrijen en onafhankelijken heer, die het af had laten zetten,
terwijl er het beleefd verzoek was bijgevoegd, om het specimen in zijn
"collectie" een plaatsje te verleenen.
Ik kon deze lijst vermeerderen met gebroken armen, en gebroken beenen,
en gekorven vleesch en ontbrekende tanden, en opengereten ruggen, en
hondenbeten, en ontelbare brandmerken met gloeiend heete ijzers. Maar
aangezien mijn lezers aan al 't voorafgaande reeds zoo rijkelijk hun
bekomst zullen hebben dat ze 'r misschien al misselijk van geworden
zijn, wil ik uit dit vermakelijk boek, dat ons zoo'n aardig kijkje
verleent in de waardij der Amerikaansche openbare meening, nog een
andere niet minder vermakelijke bladzij openslaan.
De bovenstaande advertenties, waarvan een dergelijke collectie elk
jaar, en maand, en week, en dag kon opgemaakt worden, en die men in
den huiselijken kring leest als dingen die van zelf spreken en onder
het nieuws van den dag en bij de koetjes en kalfjes thuis behooren,
kunnen daartoe bijdragen om den belanghebbende te toonen hoe bijster
erg de slaven van de openbare meening profiteeren en hoe teer zij zich
te hunnen aanzien gedraagt. Maar 't is ook niet van belang ontbloot,
eens na te gaan hoe de slavenhouders, en de klasse der maatschappij,
waaronder velen hunner dienen gerangschikt te worden, de openbare
meening naar de oogen kijken in hun gedrag, niet jegens hun slaven maar
jegens elkaar; hoe zij gewoon zijn, hun hartstochten te bedwingen;
hoe hun houding is onder hen zelf; of ze opvliegend zijn of zacht;
of hun maatschappelijke gewoonten brutaal, bloeddorstig en heftig
zijn of den stempel van beschaving en verlichting dragen.
Opdat men ons niet kunne beschuldigen van partijdiglijk onze
bewijzen aan abolitionisten te hebben ontleend, zal ik alweer tot
hun eigen nieuwsbladen terugkeeren en mij ditmaal bepalen tot een
keur van paragrafen, die, tijdens mijn bezoek aan Amerika, van dag
tot dag verschenen en altemaal betrekking hebben op gebeurtenissen
die voorvielen terwijl ik daar was. Evenals in de voorgaande, ben ik
het die ook in deze uittreksels onderstreept heb.
Naar men zien zal, vonden deze gevallen wel is waar niet allen plaats
op grondgebied dat thans tot wettig erkende Slavenstaten behoort,
ofschoon het met de meeste en ergste scènes wel deugdelijk het geval
was; maar de ligging van de plaatsen waar zij voorvielen zoo dicht
in de nabijheid van districten waar de slavernij wet is, en de sterke
gelijkenis tusschen die soort van gewelddadigheden en de rest: ziehier
een feit dat tot het niet onjuiste vermoeden leidt dat het karakter
van de daarin betrokken personen in slaven-districten gevormd en door
daar in zwang zijnde gewoonten verdierlijkt was.
Laat ons beginnen.
"VREESELIJK TREURSPEL.
"Uit een strook van The Southport Telegraph, Wisconsin, vernemen wij
dat de EdelAchtb. heer Charles C. P. Arndt, lid van den Raad voor
't graafschap Brown, op den vloer van de Raadkamer doodgeschoten
is door James R. Vinyard, lid voor 't graafschap Grant. De zaak
ontstond uit een benoeming tot Sheriff in 't graafschap Grant. De heer
E. S. Baker stond op de nominatie en werd ondersteund door den heer
Arndt. Deze nominatie werd bestreden door Vinyard, die verlangde dat
zijn eigen broeder die betrekking kreeg. In den loop van 't debat
kwam de overledene met eenige opgaven te berde die Vinyard voor
valsch verklaarde, zich daarbij van een heftige en beleedigende taal
bedienende, die doorspekt was van allerlei hatelijke personaliteiten,
waar de heer A. geen antwoord op gaf. Na de verdaging ging de heer
A. naar Vinyard toe, en verzocht hem, zijn woorden in te trekken,
wat hij weigerde, de beleedigende woorden herhalende. De heer Arndt
sloeg toen naar Vinyard, die een voetstap achteruitweek, een pistool
trok en hem doodschoot.
"Het schijnt dat deze afloop geprovoceerd is geworden door Vinyard,
die, het kostte wat het wilde, het besluit had opgevat om de
benoeming van Baker te verijdelen, en zelf uit het veld geslagen,
al zijn wraakgierigheid en wrok tegen den ongelukkigen Arndt keerde."
"HET WISCONSINSCHE TREURSPEL.