In de achterkajuit waren we maar met ons vijftienen passagiers; de

meesten waren uit Canada, waar sommigen onzer elkaar gekend hadden. De

nacht was ruw en buiig, de beide volgende dagen insgelijks, maar ze

vlogen gauw voorbij, en 't duurde niet lang of we vormden een partijtje

zoo pleizierig en gezellig, met een braven, degelijken kapitein aan

ons hoofd, als er ooit te land of ter zee bij elkaar kwamen met het

besluit om elkaar het leven zooveel mogelijk te veraangenamen.

We ontbeten om acht uur, dronken koffie om twaalf uur, aten om drie

uur en gebruikten onze thee om halfacht. Vermakelijkheden hadden we

bij de vleet, en het middageten was daaronder waarlijk niet het minste:

ten eerste om 't eten zelf, ten tweede omdat het zoo buitengewoon lang

aanhield. Met inbegrip van al de lange pauzen tusschen de verschillende

gerechten, duurde het namelijk zelden korter dan derde half uur, een

tijdsruimte die steeds door den gezelligsten kout werd aangevuld. Om

nu te maken dat men zich onder zoo'n lang diner niet verveelde, kwamen

de gezelligsten uit het gezelschap aan 't lager eind der tafel bij

den mast bijeen, vormden daar als 't ware een uitverkoren clubje met

een uitnemenden president aan 't hoofd, waar de bescheidenheid mij

verbiedt, verder op te zinspelen. Een prettige, en allerprettigste en

joviale instelling inderdaad! Nu, ze stond dan ook, dit dient gezegd

te worden, op een witten voet met de rest van 't gezelschap en vooral

met een zwarten hofmeester, die drie weken lang om de grappen en uien

der bewuste pretmakers heeft moeten ginnegappen, dat het een aard had.

Buitendien hadden we een schaakspel voor de liefhebbers, whist,

cribbage [14], boeken, triktrak en een glijplank. In allerlei weer,

mooi of leelijk, stil of winderig, waren we allemaal op dek, liepen

twee aan twee op en neer, of lagen in de booten, of leunden over den

kant, of stonden bij groepjes met elkaar over koetjes en kalfjes te

praten. Aan muziek hadden we ook geen gebrek, want de een speelde op

't accordéon, een ander op de viool, en nog een ander (die gewoonlijk

's morgens om zes uur al begon) op den waldhoorn, en daar ze allen,

gelijk somtijds het geval was, verschillende deuntjes speelden, op

verschillende gedeelten van 't schip, op denzelfden tijd en zonder

dat de een iets van den ander hoorde (want ieder was ijselijk met

zijn eigen instrument ingenomen), zoo was de vereenigde uitwerking

van die drie instrumenten verheven akelig.

Gebeurde het af en toe, dat we in geen dezer vermakelijkheden schik

hadden, welnu, soms kregen we een schip in 't gezicht en bezorgde ons

dat weer wat afleiding, vooral als dat schip er bij mistig weer in de

verte zoo echt spookachtig uitzag, of ons zoo dicht voorbijvoer, dat we

met behulp onzer kijkers het volk bovenop konden zien, en gemakkelijk

zijn naam en de plaats zijner bestemming konden opmaken. Ook uren

achtereen konden we staan kijken naar de dolfijnen en bruinvisschen,

zooals die om 't schip aan 't rollen en springen en duiken waren,

of naar die kleine dieren, altijd in min of meer vliegende beweging,

die onze Engelsche zeelui de kuikens van Moeder Carey noemen,--diertjes

die ons van de baai van New-York af gezelschap hadden gehouden en nu al

veertien dagen om den achtersteven van 't schip heenfladderden. Een dag

of wat was 't doodstil of woei er een heel klein koeltje. Dan vermaakte

zich het scheepsvolk met visschen of wist altemet een ongelukkigen

dolfijn aan den haak te krijgen, die dan naar boven gesjord werd en

in al zijn regenboogkleuren op 't dek krepeerde: een gebeurtenis van

zoo'n gewicht in onzen schralen kalender, dat we naderhand begonnen

te dagteekenen van den dolfijn af, en den dag waarop hij den weg van

alle vleesche ging, tot een nieuwe jaartelling maakten.

Maar we hadden nog andere afleiding. Zoo begon men, toen we een dag of

zes onder zeil waren geweest, al druk te babbelen over ijsbergen, van

welke drijvende eilanden een ongewoon getal gezien was geworden door

de schepen die een paar dagen, voordat wij die haven verlaten hadden,

New-York waren binnengeloopen; en voor wier gevaarlijke nabijheid

we gewaarschuwd werden door de plotselinge kou van 't weer en het

dalen van 't kwik in den barometer. Zoolang nu deze teekenen duurden,

werd er een dubbele wacht uitgezet; en viel de avond, dan werden er

wel eens fluisterend van die praatjes gehouden over schepen die des

nachts op zoo'n klomp ijs gestooten en naar den kelder gegaan waren,

dat men er kippevel van kreeg; maar daar de wind ons noodzaakte, een

zuidelijken koers te houden, kregen we 'r geen een van te zien, en

duurde het niet lang of de weersgesteldheid werd weer helder en warm.

Men kan licht nagaan, dat de waarnemingen, elken middag, en het

daarnaar regelen van den koers van 't schip, mede een punt van

gewicht uitmaakten in onze tegenwoordige levenswijze. Ook was er

(gelijk dit nooit het geval is) alles behalve gebrek aan wijsneuzige

twijfelaars aan de berekeningen van den kapitein, die, zoodra hij zijn

hielen gelicht had, bij gebreke van een passer met endjes koord, en

hoeken van zakdoeken, en punten van snuiters, de kaart aan 't opmeten

gingen en zonneklaar bewezen dat hij zich daar eventjes maar zoo wat

duizend mijlen vergiste. Het was erg stichtelijk, deze ongeloovigen

hun hoofden te zien schudden en de wenkbrauwen te zien fronsen, en

ze dan danig te hooren redekavelen over de zeevaart: niet dat zij

er iets van verstonden, maar omdat ze den kapitein bij stil weer of

tegenwind altijd wantrouwden. Waarlijk, 't kwik zelf is nooit zoo

veranderlijk als deze klasse van passagiers, die ge, als het schip

statig de golven doorklieft, doodsbleek van bewondering zult hooren

zweren dat de kapitein allen kapiteins ter wereld de baas is, ja die

er zelfs op zinspelen om hem door middel eener algemeene inteekening

een of ander mooi cadeau aan te bieden, terwijl diezelfde passagiers

den volgenden morgen als de wind is gaan liggen en al de zeilen slap

neerhangen, weer moedeloos hun hoofden schudden en met opgetrokken

lippen, zeggen, dat ze hopen, dat de kapitein een zeeman is, maar ze

zijn sluw genoeg om er in hun hart aan te twijfelen, ja waarachtig,

dat doen ze.

Als 't stil weer was, werd het zelfs een tijdverdrijf dat men zich

gedurig verwonderd afvroeg: kijk: 't zal me benieuwen of de wind nu

toch in den rechten hoek zal komen, waar hij--uit al de berekeningen

en vroegere gevallen bleek dit duidelijk--al lang geleden had moeten

zijn. Den eersten stuurman, die daar lustig over liep te fluiten, keek

men niet weinig naar de oogen omdat hij zoo voet bij stuk hield, ja

zelfs de ongeloovigen hielden hem voor een matador onder de zeelui. En

als hij dan, terwijl het diner aan den gang was, door de lantaren

der kajuit af en toe een somberen blik wierp naar de klapperende

zeilen, dan nam bij sommigen de treurigheid zoodanig de overhand dat

ze hun stoute schoenen aantrokken en voorspelden dat we eerst half

Juli thuis zouden wezen. Nu vindt men aan boord altijd menschen van

een sanguinisch en van unmelancholisch temperament. Deze laatste

categorie speelde gedurende dit gedeelte der reis weinig op haar

poot en zegevierde, telkens als men bijeen kwam om wat te gebruiken,

over de sanguinischen door hun namelijk de vraag voor te leggen waar

zij veronderstelden dat de Great Western (die New-York een week na

ons verlaten had) nu was; en waar zij veronderstelden dat de Cunard

stoompacket nú was; en wat zij nú dachten van zeilschepen vergeleken

met stoomschepen: allemaal kwaadaardige vragen, niet waar? waarop zij,

de sanguinischen, dan ook maar om des lieven vredes wille een gezicht

trokken zoo melancholisch als iets.

Dit nu kon men meerekenen onder de aanhangsels van de lijst onzer

vermakelijkheden, maar er was nog een andere bron van afleiding,

en waarlijk niet zonder belang. We hadden namelijk in 't vooronder

zoowat een honderd passagiers: een kleine wereld van armoede; en

daar we 'r nu af en toe sommigen van te zien kregen door op het dek

te kijken waar zij over dag een luchtje kwamen scheppen en hun eten

kookten, het heel dikwijls opaten ook; werden we nieuwsgierig naar

hun geschiedenissen. Ja graag wilden we eens weten met wat voor

verwachtingen zij naar Amerika vertrokken waren, en met wat voor

doel zij de terugreis naar 't vaderland aanvaardden en in wat voor

omstandigheden zij verkeerden. De inlichtingen, die we daaromtrent

van den timmerman kregen die het opzicht had over dit volkje, waren

dikwijls van de vreemdste soort. Zoo waren sommigen hunner maar drie

dagen in Amerika geweest, sommigen maar drie maanden, en sommigen

hadden de laatste reis van datzelfde schip meegedaan waar ze nu weer

huiswaarts mee keerden. Anderen hadden hun kleeren verkocht om de

vracht te betalen en hadden nauwelijks lompen om zich te dekken;

anderen hadden geen voedsel en leefden van de liefdadigheid van de

rest; en één man was er bij (dit werd ontdekt toen de reis bijna

afgeloopen, was, niet vroeger, want hij liet van zijn geheim niets

uitlekken en zocht geen medelijden) die nergens anders van leefde dan

van de beentjes en stukjes vet, overgeschoten van 't middageten in de

achterkajuit, en die hij dan van de borden opzocht als ze weggehaald

waren om gewasschen te worden.

Het heele stelsel om deze ongelukkige personen in te schepen en te

vervoeren is van dien aard, dat een wezenlijke herziening hoog noodig

is. Als eenige klasse verdient, door het gouvernement beschermd en

bijgestaan te worden, dan is 't die klasse van menschen, die door de

ellende uit hun geboorteland verbannen worden en nu in den vreemde

geen rijkdom maar louter een middel van bestaan gaan zoeken. Al wat

het diepste medelijden en de menschlievendheid van den kapitein en

diens onderhoorigen voor deze arme lui kon doen, was gedaan, maar hun

ellendige toestand vereischt meer, veel meer. De wet is verplicht, ten

minste van den kant der Engelschen, om toe te zien dat er niet te veel

van die ongelukkigen aan boord van één schip gestopt worden, en dat men

op betamelijke wijze voor hen zorge, niet zóó dat de onzedelijkheid

en losbandigheid in de hand gewerkt worden. Zij is ook verplicht,

in naam der algemeene menschenliefde, te verklaren dat niemand

aan boord mag toegelaten worden voor en aleer een daarvoor geschikt

ambtenaar, na behoorlijk onderzoek hoe het met den levensvoorraad van

den landverhuizer geschapen staat, dienaangaande een geruststellende

verklaring afgelegd hebbe. Zij is verplicht, voor geneeskundige hulp

te zorgen, of althans te eischen dat daarvoor gezorgd worde, terwijl

men er op zulke schepen tevergeefs naar om zou zien, niettegenstaande

ziekte van volwassenen en sterfgevallen van kinderen gedurende de

reis aan de orde van den dag zijn. Boven alles is het de plicht van

de regeering, onverschillig of ze monarchaal of republikeinsch zij,

tusschen beiden te treden en een einde te maken aan dat stelsel,

waardoor een firma van handelaars in landverhuizers van de eigenaars

het heele tusschendek van een schip opkoopt en dan, zonder de minste

notitie te nemen hetzij van de inrichting van 't vooronder, hetzij van

't aantal kooien of van de wijze waarop mannen en vrouwen gehuisvest

zullen worden, kortom zonder iets hoe ook genaamd in aanmerking te

nemen behalve hun eigen profijt, maar zooveel van die arme stumperts

aan boord stuurt als er met mogelijkheid geborgen kunnen worden. En

zelfs dit is nog niet eens het ergste van 't verfoeilijk stelsel, want

zekere agenten dezer huizen, die als ronselaars of zielverkoopers

in hun dienst staan, en als zoodanig provisie krijgen van al de

passagiers die ze in weten te palmen, zijn gedurig op de been om al

de plaatsen af te loopen, waar armoede en ontevredenheid rijp zijn,

en spelen dan den verzoeker bij de lichtgeloovigen door hun als vrucht

hunner landverhuizing gouden bergen voor te spiegelen, terwijl zij

heel goed weten dat daar nooit iets van verwezenlijkt kan worden,

maar dien ellendigen integendeel nog meer ellende wacht.

Van ieder gezin, dat we aan boord hadden, was de geschiedenis vrij

wel één potnat. Nadat ze gepot, en geleend, en gebedeld, en al wat

los en vast was verkocht hadden, om de passage te kunnen betalen,

waren ze naar New-York vertrokken, in de stellige verwachting daar de

straatsteenen van goud te zullen vinden, en lacy! ze hadden geen andere

straatsteenen gevonden dan gewone straatsteenen, zeer hard nog wel. Wat

nu te beginnen? Met den ondernemingsgeest was 't treurig gesteld; aan

landbouwers bestond geen gebrek; karweitjes kon men nog wel krijgen,

maar... geen duiten. Zoo keerden ze dan met hangende pootjes naar

hun vaderland terug, nog armer dan ze 't verlaten hadden. Een hunner

bracht een open brief mee van een jong Engelsch handwerksman, die

een veertien dagen in New-York geweest was, aan een vriend dicht bij

Manchester, wien hij sterk op 't gemoed drukte om hem te volgen. Een

der scheepsbeambten bracht me dien brief voor de aardigheid. "Dit

is me eerst een landje, Koos," dus luidde de inhoud. "Ik hou dan ook

niet zoo'n klein beetje van Amerika. Hier wor' je niet gekoejonneerd,

en dat is toch maar het voornaamste. Men bedelt om ambachtslui in

allerlei vakken, en de loonen zijn razend hoog. Je hebt maar een vak

te kiezen, en klaar is Koos. Ik heb er nog geen uitgekozen, Koos,

maar zal 't gauw doen. Voor 't oogenblik ben ik 't nog niet met me

zelf eens wat ik zal worden: een timmerman of een kleerenmaker."

We hadden nog een ander slag van passagier, maar dat was dan ook een

slag op zich zelf: een man, die bij stil weer of een licht koeltje

voortdurend een onderwerp onzer gesprekken en opmerkingen was. 't

Was een Engelsch zeeman, van top tot teen een kranige Engelsche

oorlogsmatroos, die bij de Amerikaansche zeemacht diende en nu met

verlof op weg was om zijn vrienden eens op te zoeken. Toen hij zich

aanmeldde om een plaats te nemen en ook te betalen, was 't hem in den

mond gegeven dat hij, als knap zeeman, zijn vracht wel inverdienen,

en zoodoende zijn geld besparen kon, maar jawel! door dien wenk

voelde Janmaat zich zoo erg op zijn teenen getrapt, dat hij met

heftige verontwaardiging uitvoer: "'k ben gloeiend verd... als

'k dit keer niet aan boord kom zoogoed als 'n meneer." Er zat dus

niets anders op, dan om zijn geld naar zich toe te strijken, maar

zoo gauw was hij niet aan boord, of hij borg zijn boeltje en ging in

't vooronder, schikte aan tafel bij de bemanning, en den eersten

den besten keer dat er handen uit de mouw moesten gestoken worden,

was hij haantje de voorste en zoo vlug als een kat. En dat ging zoo

de heele reis over: de eerste om te brassen, de laatste op de ra's,

kortom, overal hielp hij een handje, maar altijd met een afgemeten

deftigheid in zijn manieren en een afgemeten lach op zijn gezicht,

waar duidelijk deze woorden uit spraken: "ik doe 't als 'n heer. Voor

mijn eigen plezier, vergeet dit niet!"

Eindelijk en ten laatste kwam de beloofde wind in allen ernst opzetten,

en met elke windvlaag, die het zeildoek zwellen deed, stoven wij weer

vooruit, en kliefden stout de baren. Er was zoo iets grandioos in de

beweging van 't prachtige schip, zooals het daar, overschaduwd door

de massa zijner zeilen, met woedende vaart over de golven heengleed,

dat het den aanschouwer met een onbeschrijfelijk gevoel van trots

en opgetogenheid vervulde. En als 't zich dompelde in een schuimende

vallei, hoe graag zag ik dan de groene, diep met wit omzoomde golven

tegen den steven aankomen stuiven, om 't naar hun welgevallen op

te beuren en er omheen te kronkelen als 't weer nederboog, maar

't niettemin erkennende als hun fiere meesteres! [15] Ondertusschen

ijlden we voort, altijd voort, met een telkens wisselende lichttint

over 't water, daar we ons nu in de gezegende streek van als een vlies

zoo doorschijnende wolken bevonden, en een heldere zon ons over dag

verlichtte en een heldere maan des nachts, terwijl de wimpel rechtuit

huiswaarts wees, evenals de trouwe wegwijzer voor den gunstigen wind en

onze opgeruimde harten, totdat met zonsopgang, op een mooien Maandag

ochtend--den zeven en twintigsten Juni, niet licht zal ik dien dag

vergeten--kaap Clear, God zegene ze! voor ons lag. Ja, daar lag ze

voor ons, de oude kaap, en als een wolk zag ze 'r in den nevel van

den vroegen morgen uit: voor ons de helderste en meest welkome wolk,

die ooit het gelaat verborg van 's Hemels gevallen zuster--ons Te-huis.

Hoe 'n schemerachtig vlekje het op zoo'n verre afstand ook mocht zijn,

maakte het toch den opgang der zon tot een vroolijker gezicht, en zette

er een soort van belangrijkheid aan bij, wat er op zee aan schijnt te

haperen. Evenals overal elders, gaat ook daar de terugkomst van den dag

onafscheidelijk gepaard met een zeker gevoel van hernieuwde blijdschap

en hoop; maar als het licht over de akelige waterwoestijn schijnt en

er al haar omvang en eenzaamheid van laat zien, dan levert dit een

plechtig schouwspel op, dat zelfs de nacht, die daar zijn donkeren,

geheimzinnigen sluier overtrekt, geenszins overtreft. Het opkomen der

maan is meer in overeenstemming met den eenzamen oceaan en heeft iets

droefgeestig groots, dat, in zijn zachten en liefelijken invloed, al

brengt het ook in droeve stemming, nochtans schijnt te vertroosten. Zoo

herinner ik me nog heel goed, dat ik me op zeer jeugdigen leeftijd

verbeeldde, dat de weerkaatsing der maan in 't water een pad was

naar den Hemel, betreden door de geesten van brave menschen op hun

weg naar God; en zie, dit oude gevoelen overkwam me weer dikwijls,

toen ik op een stillen avond op zee een dergelijk schouwspel gadesloeg.

Er was al heel weinig wind op dezen zelfden Maandagmorgen, maar hij was

nog in den rechten hoek, en zoo lieten we van lieverlede kaap Clear

achter ons, en zeilden door, met de Iersche kust in 't gezicht. En

hoe vroolijk we allen waren, en hoe loyaal jegens George Washington,

en hoe vol wederkeerige gelukwenschen, en hoe stout in 't voorspellen

van 't juiste uur dat we te Liverpool aan zouden komen, dit zal men

licht na kunnen gaan, niet waar? Ook, hoe hartelijk we dien dag onder

't diner op de gezondheid van den kapitein dronken, en hoe we rust noch

duur kregen om onzen boel te pakken, en hoe een stuk of drie van de

levendigste gestellen het denkbeeld verwierpen om den ganschen nacht

naar bed te gaan, als iets dat, nu men zoo dicht bij de kust was,

eigenlijk de moeite niet meer waard was, doch die evenwel nochtans

en desalniettemin onder de wol kropen en sliepen als een os, en hoe

het bewustzijn van zoo dicht bij 't eind onzer reis te wezen, aan een

pleizierigen droom gelijk was, waar men tegen opzag om uit te ontwaken.

Den volgenden dag weerde de vriendelijke bries zich weer terdege,

en deed ons nog eens voortstuiven dat het een aard had. Ondertusschen

kregen we nu en dan een Engelsch schip in de gaten, dat met gereefde

zeilen huiswaarts keerde, terwijl wij, met iederen duim van ons

zeildoek ontplooid, luchtig voorbijstoven en onze buurvrouw ver achter

ons lieten. Tegen den avond sloeg het weer om, werd het mistig en begon

het te stofregenen. Het duurde zelfs niet lang, of de mist werd zoo

dik, dat we als 't ware in een wolk zeilden. En zoo ijlden we voort

als een spookschip, en menig oog gluurde naar boven, naar den mast,

waar de wacht op den uitkijk stond naar Holyhead.

Ten laatste werd zijn lang verwachte kreet gehoord, en op 't zelfde

oogenblik glinsterde ons op eens uit den dikken nevel een helder licht

tegen, dat dadelijk verdween, en gauw zich weer liet zien, en spoedig

weer verdween. Telkens als het terugkwam, schitterde en vonkelde aller

oog aan boord als het licht zelf: en daar stonden we nu allemaal te

kijken naar dit omwentelend licht op de rots Holyhead, en we loofden

het om zijn helderheid en vriendelijke waarschuwing, kortom, prezen

het boven alle andere seinlichten, die ooit hun glans verspreidden,

totdat het nog eens, ver achter ons, flauwtjes in de verte glinsterde.

Toen was het tijd een kanonschot te lossen om een loods; en bijna

voordat de rook daarvan was weggetrokken kwam er een bootje met

een licht aan de steng, door de duisternis heen, als een pijl uit

den boog naar ons toe. Ondertusschen waren onze zeilen gestreken,

en nu kwam het bootje ons op zij, en zie, daar stond de schorre

loods, terdege toegestopt en gemoffeld in pijjekker en bouffante,

die zijn gezicht bedekte tot aan 't puntje van zijn neus, die zoo

menigen zilten druppel geroken had.--daar stond hij in levenden lijven

onder ons op dek. En ik denk, had die loods ons vijftig pond voor een

onbepaalden tijd en zonder de minste zekerheid ter leen gevraagd, we

zouden onder ons niet de minste ruggespraak gehouden, maar ze hem grif

geleend hebben voor en aleer zijn boot achter aan 't schip vastlag,

of (wat op 't zelfde neerkomt) voor en aleer ieder stukje nieuws in

de krant, die hij meegebracht had, aller gemeenschappelijk eigendom

aan boord was geworden.

Dien avond gingen we nog al laat naar bed en stonden den volgenden

morgen nogal vroeg op. Tegen zessen kwamen we allemaal op dek bij

elkaar, kant en klaar om zoo aanstonds aan wal te gaan, en keken naar

de torens, en de daken en den rook van Liverpool. Om acht uur zaten

we allen in een zijner logementen, om voor 't laatst samen te eten

en te drinken. En tegen negenen hadden we allen over en weer elkaar

de hand gedrukt en ons gezelschap voor altijd opgebroken.

De landstreek langs den spoorweg was in ons oog, toen we 'r overheen

ratelden, een prachtigen tuin gelijk. De schoonheid der velden (wat

zagen ze 'r klein uit!), de hagen en de boomen; de lieve optrekjes,

de bloembedden, de oude kerkhoven, de ouderwetsche huizen, en ieder

welbekend voorwerp; kortom, het uitgezocht genoegen, dat de reis

van dien eenen dag opleverde, een genoegen, dat in 't kort bestek

van een enkelen zomerdag de vreugd van menig jaar bijgebracht en

ons Te-huis en al wat het zoo dierbaar maakt, voor onzen geest

vertegenwoordigde,--geen tong kan 't vertellen, mijn pen kan 't

niet beschrijven.

XVII.

DE SLAVERNIJ.

DE SLAVERNIJ.

De aanhangers van de slavernij in Amerika, van de afschuwelijkheden van

welk stelsel ik geen woord zal schrijven, waar ik niet het doorslaandst

bewijs voor heb, kunnen in drie groote klassen verdeeld worden.

De eerste klasse bestaat uit die gematigde en redelijkdenkende

eigenaars van menschenvee, die er op dezelfde wijs aan gekomen zijn

als aan zoo menigen rijksdaalder voor hun bedrijfskapitaal, maar in

't afgetrokkene den vreeselijken aard der Instelling aannemen en de

gevaren inzien dien zij voor de maatschappij meebrengt: gevaren, die,

wat voor cordon van voorzorgsmaatregelen er ook omheen getrokken worde

en hoe langzaam ze ook aan komen stappen, niettemin op haar schuldig

hoofd neer zullen vallen zoo zeker als de Dag des Oordeels is.

De tweede klasse bestaat uit al die eigenaars, fokkers, gebruikers,

koopers en verkoopers van slaven, die ze, luk of raak, willen eigenen,

fokken, gebruiken, koopen en verkoopen net zoolang tot dat bloedig

liedje aan zijn bloedig end gekomen is, die brutaalweg al het

afgrijselijke van dit stelsel heeten te liegen, al duwt ge hun een

massa bewijsstukken onder den neus zooals nog nooit bij eenig ander

onderwerp te berde werd gebracht, bewijsstukken waar ten overvloede

de ondervinding van iederen dag nog haar ontzettend gewicht bij

in de schaal legt; die 't met plezier aan zouden zien als Amerika

vandaag of morgen in een binnen- of buitenlandschen oorlog gewikkeld

werd, als daarvan dit maar doel en uitslag was, dat zij in hun recht

gehandhaafd bleven, om de slavernij in stand te houden en de slaven

af te beulen zonder dat eenig menschelijk gezag daar een stokje

voor mocht steken; die, als zij van Vrijheid spreken, de vrijheid

bedoelen om hun medemenschen te verdrukken en zich als Nero's aan te

stellen; en van wie ieder exemplaar op zijn eigen grond--en dat in

't republikeinsch Amerika--een meer volkomen en ongenadig, en minder

verantwoordelijk dwingeland is, dan de Kalief Haroun Al raschid in

zijn ontzaginboezemend scharlakenrood gewaad.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 25 / 48 段