werkelijkheid, niet zoo'n bitter kleine hoop op den koop toe dat het
ooit anders zal worden, eens zijn deel ware! Wat mij betreft, toen ik
deze menschen om me heen opnam: ver van huis, zonder huis, behoeftig,
zwervend, vermoeid van al dat reizen en trekken en sloven en slaven;
en toen ik zag hoe goed zij op hun kleinen pasten; hoe zij altijd
eerst in hun behoeften voorzagen en daarna maar half in hun eigen;
toen ik zag wat edele priesteressen van geloof en hoop de vrouwen
waren; hoe de mannen door haar voorbeeld leerden; en hoe zeldzaam,
hoe uiterst zeldzaam een onvertogen woord over hun lippen kwam
of een ruwe klacht uit hun midden opsteeg,--toen ik nu van een en
ander getuige was, voelde ik dat een warmer gloed van eer en trots
op mijn medemenschen mijn hart doortintelde, en ontboezemde ik een
wensch tot God, dat menig Atheist, menigeen die het hooger deel in
's menschen natuur loochent, daar ter plaats aanwezig had mogen zijn,
om met mij deze eenvoudige les uit het Boek des Levens te lezen.
Den dertigsten Mei verlieten wij Montreal, om weer naar New-York terug
te keeren. Te dien einde staken we per stoomboot naar La Prairie
over, aan den overkant van de St. Laurentius-rivier, en spoorden
vervolgens naar St. John's, dat aan den oever van 't meer Champlain
ligt. De laatste groet, dien we in Canada kregen, was van de Engelsche
officieren in de pleizierige barakken te dier plaatse (een klasse van
heeren, die elk uur van ons bezoek gedenkwaardig hadden gemaakt door
hun gastvrijheid en vriendschap); en terwijl het "Rule Brittania"
ons nog in de ooren klonk, lieten wij 't spoedig achter ons.
Maar Canada heeft altijd een voorname plaats in mijn aandenken bekleed,
en zal die plaats altijd blijven bekleeden. Weinig Engelschen zijn
ondertusschen voorbereid, om het recht te laten wedervaren. Geen
nood! Met zijn bedaarden vooruitgang; met zijn streven en oude
geschillen bij te leggen, die dan ook trouwens al bijna in 't
vergeetboek geraakt zijn; met zijn openbare meening en particulieren
ondernemingsgeest, die beide in een gezonden en bloeienden toestand
verkeeren, terwijl niets wat naar koortsachtige gejaagdheid zweemt
zijn maatschappelijk bestaan in gevaar brengt, maar integendeel elke
polsslag gezondheid en kracht verraadt;--met dat alles nu toont Canada,
dat het een landstreek is vol hoop en vol belofte. Ik althans, gewend
als men mij had, om me dit land voor te stellen als iets dat in de
renbaan onzer vooruitgaande maatschappij heel achteraan was gebleven,
als iets, dat, verwaarloosd en vergeten, maar lag te dutten en op
die manier al dommelend wegkwijnde,--ik keek niet weinig vreemd op,
toen ik te dezen opzichte een werkelijkheid onder mijn oogen kreeg,
die daarvan hemelsbreed verschilde. Die vraag naar ambachtslui en dat
bedrag der arbeidsloonen, die drukke kaaien van Montreal, die schepen
ladende en lossend, dat aantal schepen in de verschillende havens;
die handel, die wegen en openbare werken, alles gemaakt om den tand
des tijds te kunnen verduren; die fatsoenlijkheid en rechtschapenheid
der dagbladen, en dan die teekenen van welvaart, de vrucht van noeste
vlijt en werkzaamheid,--dat alles was wel geschikt om mijn verbazing
niet weinig op te wekken. Laat me 'r nog bij voegen, dat, wat orde,
zindelijkheid en veiligheid betreft, alsmede het hoogst fatsoenlijk
karakter der kapiteins en de wijze waarop zij ze ten gerieve der
passagiers ingericht hebben, de stoombooten op de meren zelfs voor
de beroemde en op dit punt terecht bij ons zoo hoog aangeschreven
Schotsche schepen niet onder behoeven te doen. Nu is 't waar, dat
de logementen in den regel slecht zijn, omdat het hier zoo niet de
gewoonte is, evenals in de Vereenigde Staten, van de table d'hôte
gebruik te maken, en, behalve dat de Engelsche officiers, die een
groot deel van de maatschappij in iedere stad uitmaken, gewoonlijk aan
de regimentstafels eten, maar in ieder ander opzicht zal de reiziger
in Canada even plezierig, even gemakkelijk kunnen reizen als in elke
mij bekende plaats.
Er is één Amerikaansche boot--het schip dat ons over het meer
Champlain, van St. John's naar Whitehall bracht--waar ik hoogen lof
aan toebreng, maar niet hooger dan ze verdient, wanneer ik zeg dat
ze zelfs beter is dan die waarmee we van Queenston naar Toronto,
of van laatstgenoemde plaats naar Kingston stoomden, ja--ik mag er
dit gerust bijvoegen--beter dan eenige andere boot ter wereld. Deze
stoomboot, die de Burlington heet, is een modelboot, wat zindelijkheid,
sierlijkheid en orde betreft. De dekken zijn receptie-kamers; de
kajuiten boudoirs, die met smaak gestoffeerd, en met platen achter
glas, schilderijen en muziekinstrumenten versierd zijn; tot zelfs
ieder hoekje is een curiositeit van sierlijk "comfort" en schoonen
bouw. Kapitein Sherman, aan wiens vernuft en uitstekenden smaak
alleen dit alles is te danken, heeft zich bij meer dan een hachelijke
gelegenheid op de verdienstelijkste wijze onderscheiden, en wel niet
het minst bij gelegenheid dat er (gedurende den opstand in Canada)
Britsche troepen moesten getransporteerd worden en hij zedelijken moed
had, zijn vaartuig, destijds het eenige daarvoor geschikte schip,
bereidvaardig te leenen. Hij en zijn schip worden dan ook algemeen
in eere gehouden, zoowel door eigen landgenooten als door de onzen,
en nooit verdiende iemand meer de achting, die hem in zijn werkkring
zoo van alle kanten te beurt, viel, dan hij.
Met behulp nu van dit drijvende paleis bevonden we ons weer spoedig
in de Vereenigde Staten, en legden dien avond te Burlington aan, een
aardig stadje, waar we ons zoo wat een uur ophielden. Wij bereikten
Whitehall, waar we ons 's morgens om zes uur moesten ontschepen. We
hadden dit wel vroeger kunnen doen, lagen deze stoombooten 's nachts
niet verscheidene uren stil, iets wat ze wel moeten doen om reden het
meer op dat gedeelte onzer reis erg nauw en in den donker moeielijk te
bevaren is. Op één punt is 't zelfs zoo nauw, dat ze verplicht zijn,
zich van een touw te bedienen, om de boot er door te krijgen.
Nadat we te Whitehall ontbeten hadden, stapten we in de diligence naar
Albany, een groote en drukke stad, waar we dien middag tusschen vijven
en zessen arriveerden. We hadden 't dien dag erg heet gehad, want we
waren nu weer in 't hartje van den zomer. Om zeven uur vertrokken we
naar New-York, aan boord eener groote Noord-rivier-stoomboot, die zoo
propvol met passagiers was, dat het bovendek wel iets weghad van de
koffiekamer in een schouwburg onder de pauze, en het benedendek van
Tottenham Court Road op een Zaterdagavond. Maar we sliepen evenwel
als op rozen en kwamen den volgenden morgen een beetje na vijven te
New-York aan.
Hier vertoefden we alleen dien dag en nacht, om van onze laatste
vermoeienissen op ons verhaal te komen, en aanvaardden toen onze
laatste reis in Amerika. We hadden nog vijf dagen over, voor en
aleer we ons naar Engeland inscheepten, en ik voor mij wou heel graag
"het Kwakerdorp" zien, dat door een godsdienstige sekte bevolkt is,
waar het zijn naam aan ontleent.
Te dien einde stoomden we weer de Noordrivier op, tot aan de stad
Hudson toe, en huurden daar een extra rijtuig om ons naar Libanon te
brengen, dat daar dertig mijlen van af ligt. Dit Libanon is natuurlijk
een ander dorp, dan dat waar ik op ons uitstapje naar de Prairie den
nacht doorbracht.
De landstreek, waar onze weg doorheen kronkelde, was rijk en mooi,
het weer prachtig, en mijlen ver kwamen de Kaatskillbergen, waar Rip
van Winkel en de afgrijselijke Hollanders op een gedenkwaardigen
stormachtigen namiddag aan 't kegelen waren, aan den blauwen
gezichteinder als statige wolken voor den dag. Aan zeker punt, waar
we een steilen heuvel opgingen (ze waren toen juist bezig met het
aanleggen van een spoorweg, dwars over den voet van dezen heuvel),
stuitten we op een Iersche kolonie. Daar ze de middelen bij de hand
hadden, om nette, behoorlijke hutten te kunnen bouwen, bevreemdde
het mij niet weinig, hier zulke lompe, ruwe en armzalige krotten aan
te treffen. De besten beschermden de bewoners tegen weer en wind,
maar hiermee was ook alles gezegd, terwijl de slechtsten door wijde
openingen in de van gekookt gras saamgeflanste daken, en uit modder
opgetrokken muren aan weer en wind vrijen toegang verleenden. Sommigen
hadden noch deuren noch ramen; sommigen stonden op 't punt van in te
storten, en werden nog zoo goed en zoo kwaad als 't ging door staken
en palen gestut; allen waren bouwvallig en smerig. Afzichtelijk
leelijke oude vrouwen en allerdartelste jonge vrouwen, varkens,
honden, mannen, kinderen, zuigelingen, potten, ketels, mesthoopen,
afval en vullis, vunzig stroo en stilstaand water, en dat alles tot
een onafscheidelijken hoop bij elkaar gehutseld, ziedaar het meublement
van elke donkere en vuile hut.
's Avonds tusschen negenen en tienen kwamen we te Libanon aan. Dit
plaatsje is vermaard om zijn warme baden en om een groot hotel, dat, ik
twijfel er niet aan, ten eenenmale berekend is voor den eigenaardigen
smaak van dezulken, die hier gezondheid of pleizier komen zoeken,
maar waar ik voor mij me alles behalve op mijn gemak voelde. Zoo
bracht men ons naar een verbazend groot, door twee flauw brandende
kaarsen verlicht vertrek, dat men de gezelschapskamer geliefde te
noemen, en waaruit men langs een trap in een andere groote woestijn
afdaalde, die men onder den niet minder weidschen naam van eetzaal
aanduidde. Nu onze slaapkamers. Deze vond men onder zekere lange rijen
heel dunnetjes gewitte cellen aan weerskanten van een sombere gang, en
hadden zooveel weg van gevangeniscellen, dat ik, toen ik naar bed ging,
half verwachtte opgesloten te zullen worden en er onwillekeurig naar
luisterde of de sleutel niet van buiten werd omgedraaid. Er moeten
stellig ergens anders in de buurt gelegenheden bestaan om de baden
te gebruiken, want al de overige waschbenoodigdheden waren op zoo'n
bekrompen voet ingericht, als ik ooit zelfs in Amerika zag. Begrijp
eens! Men vond in deze slaapkamers zelfs geen stoelen, een artikel
van weelde dat toch wel zeer gewoon mag heeten, niet waar? Kortom,
waren we dien ganschen nacht niet vreeselijk gebeten geworden,
we zouden waarachtig hebben durven verzekeren, dat we dien in een
slaapkamer hadden doorgebracht, waar letterlijk niets in was.
Het logement zelf is echter zeer aangenaam gelegen, en we kregen
een goed ontbijt. Toen dat op was, gingen we naar de plaats onzer
bestemming, zoo wat een mijl of twee bij ons vandaan. De weg daarheen
werd aangeduid door een handpaal, waarop geschilderd stond: "Naar
't Kwakerdorp."
Den weg langs rijdende, passeerden we een troepje Kwakers, die daar
werkten. Zij hadden zulke breede randen aan hun hoeden als ik nog nooit
in mijn leven gezien heb en waren in alle zichtbare opzichten zulke
allerhouterigste mannen, dat ik evenveel sympathie voor hen opvatte
en evenveel belang in hen stelde, als waren het zooveel van die houten
beelden op een schip geweest. Het duurde niet lang of we kwamen aan 't
begin van 't dorp, stapten af aan een huis waar de kwakers-artikelen
verkocht worden en het hoofdkwartier der oudsten gevestigd is, en
verzochten verlof om hun godsdienstoefening bij te wonen.
Terwijl dit verzoek aan een der oudsten werd overgebracht, traden
wij een sombere kamer binnen, waar verscheidene sombere hoeden aan
sombere haken hingen, en somber werd de tijd aangekondigd door een
sombere klok, die elken tik met een soort van sombere worsteling
volbracht, alsof ze de sombere stilte met weerzin en onder protest
afbrak. Tegen den muur stonden een stuk of acht stoelen met zeer hooge
ruggen, die zoo allersomberst met al dat sombere sop overgoten waren,
dat men liever op den grond was gaan zitten, dan aan een daarvan de
geringste verplichting te willen hebben.
Daar kwam, stijf als een paal, een sombere oude Kwaker dit vertrek
binnenstappen, met oogen even hard, en dof, en koud als de groote ronde
metalen knoopen van zijn jas en vest: een soort van kalm spook. Van
onze begeerte onderricht, haalde hij een krant voor den dag, waar de
vergadering der oudsten, waar hij lid van was, een dag of wat geleden
in bekend gemaakt had, dat ten gevolge van de onbetamelijke wijze
waarop vreemdelingen nu en dan hun godsdienstoefening gestoord hadden,
hun kapel voor den tijd van een jaar voor 't publiek gesloten was.
Daar tegen deze redelijke bepaling niets was in te brengen, vroegen
we permissie om een kleinigheid van hun artikelen te koopen, iets
wat op somberen toon werd toegestaan. We gingen dientengevolge naar
een magazijn in 't zelfde huis en aan de overzij van de gang, waar
een levend voorwerp in een roodbruin bankje het opzicht voerde. De
oudste zei, dat het een vrouw was. Nu, ik wil gelooven, dat het een
vrouw was, maar vermoed had ik 't niet.
Aan den overkant van den weg was hun bedehuis: een koel, zindelijk,
houten gebouw, met breede ramen en groene luiken, dat op een ruim
zomerhuis geleek. Daar we nu in deze plaats niets uit konden voeren
dan maar heen en weer drentelen en dit en andere gebouwen in 't
dorp opnemen (die gebouwen waren voornamelijk van hout, donkerrood
geschilderd, evenals Engelsche schuren, en bestonden uit verscheidene
verdiepingen, gelijk Engelsche fabrieken), zoo kan ik den lezer niets
anders meedeelen dan het weinige dat ik onder 't doen van onze inkoopen
opmerkelijk vond.
Men noemt deze menschen Kwakers [12] naar den eigenaardigen vorm
hunner godsdienstoefening, bestaande uit een dans, door mannen en
vrouwen van allerlei leeftijd uitgevoerd, die daartoe in twee rijen
tegenover elkaar gaan staan. Voordat ze beginnen, ontdoen de mannen
zich van hun hoeden en jassen, die zij deftig aan den muur ophangen,
en binden vervolgens een lint om hun hemdsmouwen, alsof ze op 't punt
stonden van gelaten te worden. Zij accompagneeren zich zelf met een
brommend, gonzend geluid, en dansen met een malle soort van draf,
nu eens vooruit- dan weer achteruitgaande, totdat ze zoo goed als
"op" zijn. Men zegt, dat de indruk, dien dit teweegbrengt, allerdolst
is. Nu, afgaande op een prent van deze plechtigheid, die ik mijn bezit
heb en volgens hen, die in de kapel geweest zijn, zeer nauwkeurig
moet wezen, is deze vertooning waarlijk dol, allerdolst.
Zij worden door een vrouw bestuurd, en alhoewel ze door een raad van
oudsten ter zijde gestaan wordt, wordt haar heerschappij verondersteld,
onbeperkt te wezen. Naar men mij verteld heeft, leeft ze, in strenge
afzondering, in zekere kamers boven de kapel en is ze nooit ofte
nimmer zichtbaar voor ongewijde oogen. Mocht ze bijgeval gelijken op
de dame, die in dat bankje zat, dan bewijst men der menschheid een
grooten liefdedienst door haar zooveel mogelijk achterbaks te houden,
en zou ik mijn dank niet krachtig genoeg kunnen betuigen over zoo'n
edelmoedige handelwijs.
Al de bezittingen en inkomsten der inrichting worden in een
gemeenschappelijke kas gestort, die door de oudsten beheerd
wordt. Hebben zij bekeerlingen gemaakt onder menschen die nogal wat
in de melk te brokken hadden, en matig en zuinig zijn, dan spreekt
het vanzelf dat dit fonds bloeit; des te meer naarmate zij veel
land hebben opgekocht. Ook is deze kolonie te Libanon niet de eenige
Kwaker-nederzetting. Ik geloof, dat er ten minste drie andere zijn.
Ze zijn goede boeren en al hun producten gaan grif van de hand en zijn
zeer gezien. "Kwakerzaden," "kwakerkruiden" en "kwaker-gedistilleerde
wateren" worden gewoonlijk in de winkels van groote en kleine steden
verkocht. Ook zijn ze goede veefokkers, en behandelen hun stomme dieren
met liefde. Bijgevolg is 't een zeldzaamheid, dat het kwakervee niet
dadelijk gekocht wordt op de markt.
Volgens de Spartaansche gewoonte eten en drinken zij gezamenlijk aan
een groote publieke tafel. Vereeniging der beide sexen vindt men onder
hen niet, en iedere Kwaker, mannelijk en vrouwelijk, is op dit punt
aan een leven van onthouding gebonden. Men heeft daaromtrent nogal wat
woorden vuil gemaakt, maar hier moet ik den lezer weer verwijzen naar
de dame in dat bankje en er bijvoegen, dat, als verscheidene van de
zusterkwakers op haar gelijken, al zulke lasterzieke praatjes onder
die praatjes dienen gerangschikt te worden die de sterkste kenmerken
van stellige onwaarschijnlijkheid aan hun voorhoofd dragen. Maar dat
zij zelfs proselieten maken onder personen, die zoo jong zijn dat
ze onmogelijk zelfkennis en evenmin die wilskracht kunnen bezitten,
welke vereischt wordt om èn op dit punt èn op andere punten de zoo
onmisbare zelfbeheersching te openbaren, ziedaar iets wat ik gerust
durf verzekeren, want met mijn eigen oogen heb ik Kwakers onder die
arbeiders aan den weg gezien, die nog piepjong waren.
Men zegt, dat ze wel berekend zijn voor de negotie, maar eerlijkheid en
goede trouw hierbij geenszins uit het oog verliezen, ja, dat ze zelfs
in den paardenhandel weerstand bieden aan dien diefachtigen trek die,
men weet niet om welke reden, wel bijna onafscheidelijk schijnt te
wezen van dezen handelstak. In alle zaken gaan zij hun eigen bedaarden
gang, leven voort in hun somberen stillen gemeenschappelijken omgang,
en leggen weinig trek aan den dag om met andere lui in aanraking
te komen.
Nu, dat alles is nog zoo kwaad niet, integendeel, maar rond opgebiecht,
ik voor mij heb het toch op de Kwakers niet bijster begrepen. Neen,
't is mij onmogelijk, hart voor hen te hebben, laat staan de
geringste sympathie. Ik heb toch zoo'n afkeer van dien boozen geest,
onverschillig door wat voor klasse of sekte hij gevoed moge worden,
die het leven van zijn gezonde genietingen ontbloot, de jeugd van haar
onschuldige genoegens berooft, den rijpen leeftijd en den ouden dag
hun liefelijke sieraden ontrukt en van ons bestaan niets anders maakt
dan een smal pad naar 't graf; dien verfoeielijken geest, die, had hij
maar het rijk alleen op aarde weten te krijgen, de verbeeldingskracht
der grootste mannen met zoo'n onvruchtbaarheid moest geslagen hebben,
dat ze, ondanks hun aangeboren vermogen om heerlijke en duurzame
beelden voor hun nog ongeboren medeschepsels op te doen rijzen, aan
de stomme dieren gelijk waren geworden; ik heb nu, wil ik zeggen,
uit den grond van mijn hart zoo'n sterken afkeer van dien boozen,
verfoeielijken geest, dat ik in deze zelfde breedgerande hoeden
en deze zelfde doodsche kleedij, met hun stijfgenekte en somber
getroniede vromigheid, onverschillig of ze 'r sluik haar op nahouden
als de Kwakers of lange nagels als in een Hindoe-tempel, de ergsten
onder de vijanden van hemel en aarde herken, die het water op de
bruiloftsfeesten dezer arme wereld niet in wijn, maar.... in gal
veranderen. En als er menschen moeten zijn, wier roeping het is,
de onschuldige fantasieën te knakken en de liefde tot onschuldige
genoegens, die een deel der menschelijke natuur zijn, en dat wel zoo
goed een deel als elke andere liefde of hoop die ons gemeenschappelijk
erfdeel is,--welnu, laten ze mijnenthalve openlijk te koop gaan staan
onder de liederlijkste sujetten; zelfs de idioten weten immers wel,
dat zij niet op den waren weg naar de Onsterfelijkheid zijn, en zullen
hun dadelijk met verachting den rug toekeeren.
Wij verlieten het kwakerdorp met een hartelijken afkeer van de oude
Kwakers en een hartelijk medelijden met de jongen, een medelijden
dat getemperd werd door de sterke waarschijnlijkheid dat ze, als ze
ouder en wijzer worden, wel weg zouden loopen, iets wat niet onder
de zeldzaamheden behoort. En zoo keerden we langs den weg, dien we
den vorigen dag ingeslagen hadden, naar Libanon terug, en vervolgens
naar Hudson. Daar maakten we gebruik van de stoomboot, die ons over de
Noordrivier naar New-York zou brengen, maar stopten zoo wat een uur
of vier later, te Westpoint, waar we ons dien nacht, en den geheelen
volgenden dag, tot den volgenden nacht incluis ophielden.
Op deze schoone plek, de schoonste onder de liefelijke Hooglanden
der Noordrivier, ingesloten door donkergroene hoogten en tot puin
vervallen sterkten, en neerziende op de in de verte liggende stad
Newburgh, langs een glinsterend pad van door de zon beschenen water
met hier en daar een bootje, waarvan het witte zeil nu eens naar den
eenen kant, dan weer naar de andere zij overbuigt, als windvlagen er
op eens tegen aan blazen uit de geulen in de heuvelen,--buitendien
van alle kanten omringd met gedenkteekenen tot eer van Washington
en van gebeurtenissen uit den omwentelingsoorlog: op deze plek nu
verrijst Amerika's Militaire School.
Ze kon op geen geschikter plek staan, en 't zou bezwaarlijk gaan,
om schooner plek aan te wijzen. De wijze waarop de jongelui opgeleid
worden is streng, maar oordeelkundig en mannelijk. Gedurende de
maanden Juni, Juli en Augustus kampeeren ze op de ruime vlakte waar
het gebouw staat, en het geheele jaar door krijgen ze dagelijks les
in de militaire exercitiën. De termijn van studie, dien de Staat van
alle cadetten eischt dat ze aan deze inrichtingen door zullen brengen,
is vier jaar; maar of dit nu komt òf van de strenge wijze waarop de
tucht gehandhaafd wordt òf van het nationale ongeduld dat geen dwang
kan velen, òf van beide oorzaken te zamen, wie zal 't beslissen? maar
zooveel is zeker, dat niet meer dan de helft van de jongelui, die hier
komen, ooit blijft om hun studiën te voltooien. Daar het getal cadetten
ten naastenbij gelijk staat met dat van de leden van 't Congres,
wordt er uit elk district een hier naar toe gezonden: dat districtslid
heeft dan invloed op de keuze. De rangen bij den dienst worden volgens
hetzelfde beginsel verdeeld. De woningen der verschillende leeraren
liggen heel mooi; ook vindt men hier een uitnemend logement voor
vreemdelingen, ofschoon er twee inconveniënten aan verbonden zijn,
en wel deze: dat het ten eerste een logement is waar men noch wijn
noch sterken drank kan krijgen (beide artikelen zijn den studenten
verboden), ten tweede dat de verschillende maaltijden er op zeer
ongeschikte uren gehouden worden: men ontbijt namelijk om zeven uur,
dineert om één uur en soupeert met zonsondergang.
De schoonheid en frischheid van dit vreedzaam lustoord, zelfs
als de zomer pas begint--'t was toen het begin van Juni--waren
inderdaad verwonderlijk. En toen ik het den zesden verliet en naar
New-York terugkeerde, om me den volgenden dag naar Engeland in te
schepen, dacht ik er dan ook met pleizier aan, dat onder de laatste
gedenkwaardige schoonheden, waar ons oog met welgevallen op gerust had,
die waren waarvan de tafereelen, geschetst door geen alledaagsche hand,
frisch aanwezig zijn in de ziel der meeste menschen, en niet licht oud
zullen worden of van kleur verschieten zullen onder 't stof des tijds:
het Kaatskill-gebergte namelijk, en Sleepy Hollow en de Tappaan zee.
XVI.
DE TERUGREIS NAAR 'T VADERLAND.
NAAR HUIS.
Nooit in mijn leven had ik zooveel belang gesteld, en zal
allerwaarschijnlijkst wel nooit zooveel belang stellen in den staat
van den wind, als op den lang verbeiden morgen van Dinsdag den zevenden
Juni. Een zekere autoriteit op zeevaartkundig gebied had me een dag of
twee van te voren gezegd: "elke wind met wat uit 't westen er bij is
gunstig." Toen ik nu bij 't aanbreken van den dag het bed uitsprong,
en mij, zoodra ik het raam opengooide, een frissche noordwestenwind,
die 's nachts op was komen zetten, tegenwoei, viel me dat zoo frisch op
't lijf, en vielen me meteen zooveel gelukkige gedachten in, dat ik op
staanden voet een bijzondere genegenheid opvatte voor alle winden,
die uit dien hoek van 't kompas waaien, een genegenheid die me,
gerust durf ik 't verzekeren, lief en dierbaar zal blijven, totdat
mijn eigen wind zijn laatsten, zwakken zucht heeft uitgeblazen en
zich voor altijd van den kalender der sterfelijkheid verwijderd heeft.
De loods had niet geluierd om zijn voordeel te doen met dit gunstige
weer, en hetzelfde schip, dat gister nog in zoo'n volgepropt dok
gelegen had, dat het, wat toen de kans betreft om uit te kunnen
zeilen, wel gerust zijn matten voorgoed had mogen oprollen, zie,
het lag nu al ruim zestien mijlen verder. Een heerlijk gezicht
leverde het op, toen we, er per boot naar toe stoomende, het in de
verte voor anker zagen liggen, met zijn slanke masten in sierlijke
lijnen tegen de lucht afgeteekend, en elk touw, groot en klein,
schier haarfijn onderscheiden konden; ook heerlijk was 't gezicht,
toen zoodra wij aan boord waren, het anker bij 't forsche, als in
koor gezongen: "Cheerily men, o cheerily!" [13] naar boven rees,
en het schip statiglijk in 't zog kwam van de sleepboot; maar het
heerlijkst van alles was, dat, toen de boegseerlijn losgelaten was,
het dundoek van zijn masten wapperde, en het, als 't ware zijn witte
vleugelen uitslaande, op zijn vrijen en eenzamen weg heenvloog.