demarcatielijn tusschen het eene land en het andere zoo allersmalst is
als bij den Niagara, menigmaal gevallen van desertie voor moeten komen,
en redelijkerwijs mag men veronderstellen, dat, koesteren de soldaten
de wildste en dolste verwachtingen dat daar aan den overkant fortuin
en onafhankelijkheid voor hen weggelegd zijn, de impulsie om den
verrader te spelen, die zoo'n plaats laaghartige gemoederen instort,
er niet zwakker op wordt. Maar zelden, uiterst zelden gebeurt het,
dat de menschen, die deserteeren, naderhand gelukkig zijn en 't naar
hun zin hebben. Er zijn zelfs voorbeelden van in menigte, dat ze hun
smartelijke teleurstelling bekend en meteen hun ernstige begeerte
te kennen gegeven hebben, om tot hun ouden dienst terug te keeren,
als ze maar verzekerd konden zijn van pardon of ten minste van een
lichte straf. Verscheidene hunner kameraden maken er zich echter af
en toe schuldig aan; en voorvallen van soldaten, die bij hun pogingen
om de rivier over te zwemmen er het hachje bij inschieten, behooren
waarlijk niet onder de zeldzaamheden. Het is nog niet zoo lang geleden,
dat verscheidene mannen jammerlijk verdronken toen ze probeerden om
naar den overkant te zwemmen, en een, die de dolheid had om zich op
een tafel als op een vlot te vertrouwen, werd naar de draaikolk heen
gesleurd, waar zijn gehavend lijk dagen achtereen ronddraaide.
Ik voor mij geloof, dat men het gedruisch der watervallen erg
overdreven heeft voorgesteld, en dat zal des te waarschijnlijker
voorkomen, als men de diepte der groote kom, waar het water in
opgevangen wordt, in aanmerking gelieft te nemen. Zoolang wij ons
hier ophielden was de wind geen enkel oogenblik hoog of onstuimig,
en toch hebben we op een afstand van drie mijlen dat gedruisch nog
nooit gehoord, zelfs niet bij zonsondergang, wanneer alles zoo rustig
om ons heen was en wij onze ooren terdege spitsten.
Queenston, vanwaar de stoombooten naar Toronto afvaren (of ik moest
liever zeggen waar ze stoppen, want hun aanlegplaats is te Lewiston
aan den overkant), Queenston ligt in een liefelijk dal, waardoor de
Niagara, donkergroen van kleur, haar loop voortzet. Men komt aan deze
plaats langs een weg, die zich slingert onder de hoogten waar de stad
door beschut wordt, en levert, van dit punt gezien, een buitengewoon
mooi en schilderachtig gezicht op. Op de verhevenste dezer hoogten
stond een gedenkteeken opgericht door de Provinciale Vergadering ter
eere van generaal Brock, die, na de overwinning te hebben behaald
in een gevecht met de Amerikaansche legermacht sneuvelde. De een of
andere vagebond--men veronderstelt dat het een deugniet, een zekere
Lett is, die nu zit, althans nog onlangs wegens een zwaar vergrijp
in de gevangenis was--deze nu heeft dit monument voor een paar jaar
in de lucht doen vliegen, zoodat het thans een nare puinhoop is met
een lang stuk van een ijzeren leuning, dat er boven aan hangt, en
evenals een wilde klimoptak of geknotte wijngaardrank heen en weer
slingert. Het is van veel hooger gewicht dan men bij oppervlakkige
beschouwing zou veronderstellen, dat dit standbeeld op algemeene
kosten weer hersteld wierd, iets wat trouwens al sinds lang had
moeten geschieden. Ten eerste, omdat het beneden de waardigheid van
Engeland is, een gedenkteeken, dat ter eere van een zijner verdedigers
op de plaats zelve waar hij stierf opgericht is geworden, in dezen
toestand te laten. Ten tweede, omdat het gezicht van dat gedenkteeken
in zijn tegenwoordigen toestand, en de herinnering aan de ongestrafte
beleediging die daarvan de oorzaak was, waarlijk niet zeer geschikt
is, om beter gevoelens onder de hier wonende Engelsche onderdanen aan
te wakkeren of hun twisten en oneenigheden over de grensbepaling bij
te leggen.
Ik stond hier op de kaai naar de passagiers te kijken, die zich
inscheepten in een stoomboot, die de door ons verwachte boot voorafging
en deelde in de ongerustheid waarmee een sergeantsvrouw haar armzalig
boeltje bij elkaar legde. Strak hield ze haar eene afgetrokken oog
gevestigd op de kruiers, die haar goed aan boord gooiden, en haar
andere op een waschtobbe zonder hoepels, waar ze, al was het ook
het geringste stuk van haar huisraad, bijzonder veel van scheen te
houden. Ondertusschen kwamen er een stuk of vier soldaten met een
milicien aan, die aan boord gingen.
De milicien was op 't oog nog piepjong, stevig gebouwd en welgemaakt,
maar alles behalve nuchter, ja had zelfs al het voorkomen van iemand
die dagen achtereen min of meer beschonken was geweest. Hij droeg een
klein bundeltje over zijn schouder dat aan 't end van een wandelstok
was vastgemaakt, en had een korte pijp in zijn mond. Hij was even
stoffig en vuil als miliciens gewoonlijk zijn, en aan zijn schoenen kon
men zien, dat hij al een aardig eindje te voet had afgelegd. Niettemin,
hij had niet weinig schik in zijn leven. Zoo schudde hij den eenen
soldaat de handen, en klopte een ander op zijn rug, en praatte en
lachte onophoudelijk, kortom maakte een drukte als een dartele,
speelsche keffer.
De soldaten lachten eerder om dezen vroolijken snuiter dan met hem, en
zooals ze daar hun rottingen recht stonden te buigen en hem koeltjes
aankeken, schenen ze wel te zeggen: "ga je gang maar, jongelief,
doe maar net of je thuis bent! langzamerhand zal je wel ontgroend
worden".... daar viel de nieuweling, die in zijn brooddronkenheid
achteruit naar 't gangboord geloopen was, voor hun oogen pardoes in
't water en spartelde niet zoo'n klein beetje in de rivier tusschen
't schip en 't dok.
Nooit zag ik iets dat me zoo goeddeed als de verandering die ik op
eens bij deze soldaten bespeurde. Bijna voordat de man er in lag, was
al hun stijfheid en stroefheid, hun stand zoo eigen, in een ommezien
verdwenen, en legden ze de grootste geestkracht aan den dag. In minder
tijd dan vereischt wordt om 't te vertellen, hadden ze hem er weer uit,
eerst de voeten, met de panden van zijn jas die hem over zijn oogen
fladderen, terwijl alles hem verkeerd aan 't lijf hing en het water
uit iederen draad van zijn kaalgesleten kleeren stroomde. Maar op
't zelfde oogenblik dat ze hem op de been hadden geholpen en merkten
dat alles goed afgeloopen was, waren ze weer soldaten en keken stijver
en strakker dan ooit.
De halfontnuchterde milicien keek een oogenblik rond, alsof de eerste
opwelling bij hem dit was, zijn redders te bedanken, maar toen hij
zag hoe doodonverschillig zij er bij stonden en dezelfde soldaat,
die zich het drukst bij de karwei geweerd had, hem met een vloekwoord
zijn natte pijp terug gaf, toen stak hij ze in zijn mond, stopte zijn
handen in zijn vochtige zakken en ging, zonder zelf het water uit zijn
kleeren te schudden, al fluitend op en neer loopen, precies alsof er,
ik zal niet zeggen niets gebeurd was, maar alsof hij 't voor de grap
gedaan had en de grap hem volkomen was gelukt.
Zoodra deze boot weg was, kwam de onze aanstoomen en bracht ons gauw
naar de monding van de Niagara, waar de sterren en strepen van Amerika
aan den eenen kant wapperen en Engelands nationale vlag aan de andere
zij: en zoo nauw is de ruimte tusschen hen, dat de schildwachten in
ieder fort dikwijls elkaars parool kunnen verstaan. Vandaag stoomden
wij het meer Ontario in, een binnenlandsche zee, en waren tegen
halfzeven te Toronto.
Daar de landstreek rondom deze stad zeer vlak is, treft men er ook geen
opmerkelijke natuurtooneelen aan, maar de stad zelf is vol leven en
beweging, en draagt alle kenmerken dat er veel om- en vooruitgaat. De
straten zijn goed geplaveid en met gas verlicht, de huizen groot en
goed; de winkels uitmuntend. In verscheiden winkels was de uitstalling
van dien aard dat men 't op de drukste plaatsen van Engeland niet
beter kan vinden; sommige magazijnen zouden zelfs de hoofdstad niet
ontsieren. Er is een goede steenen gevangenis hier, buitendien een
mooie kerk, een gerechtshof, openbare bureaux, tal van geriefelijke
particuliere woningen, en een gouvernements-observatorium om de
magnetische veranderingen op te teekenen en er vervolgens verslag van
uit te brengen. In 't college van Opper Canada, een van de openbare
instellingen der stad, wordt een gezond onderwijs gegeven in alle
vakken die tot een beschaafde opvoeding behooren. Het leergeld is
zeer matig gesteld. Iedere leerling betaalt namelijk jaarlijks niet
meer dan hoogstens negen pond sterling. Deze school is nogal rijk in
land en bekleedt onder de nuttige maatschappelijke instellingen een
eervolle plaats.
't Was maar een dag of wat geleden, dat de gouverneur-generaal den
eersten steen had gelegd van een nieuwe school. Het zal een fraai,
ruim gebouw worden, met een lange laan tot toegang, die al geplant is
en als een openbare wandelplaats zal gebruikt worden. De stad is wel
geschikt voor een gezonde beweging in elk seizoen, want de voetpaden
in de passages, die achter de hoofdstraat liggen, zijn met planken
beschoten evenals een vloer en worden goed en zindelijk onderhouden.
Wel is het grootelijks te bejammeren, dat staatkundige geschillen
te dezer stede zoo hoog kunnen loopen, dat ze de allertreurigste en
allernadeeligste gevolgen hebben. Zoo is 't nog niet lang geleden,
dat er uit een raam geschoten werd op de gelukkige candidaten bij een
verkiezing, bij welke gelegenheid de koetsier van een hunner een schot
in zijn lijf kreeg, dat Goddank! niet doodelijk afliep. Maar er was één
man, die bij dezelfde gelegenheid gedood werd, en van 't zelfde raam
waar hij het doodelijk schot uit ontving, werd dezelfde vlag die zijn
moordenaar beschermde (niet alleen in de uitvoering zijner misdaad,
maar zelfs tegen haar gevolgen) opnieuw uitgestoken bij gelegenheid
dat de openbare plechtigheid waar ik zoo even op gezinspeeld heb,
door den gouverneur-generaal geleid werd. Van al de kleuren in den
regenboog is er maar één, die zóó gebruikt kon worden: ik behoef niet
te zeggen dat die vlag de oranje-vlag was.
Van Toronto vertrekt men 's middags naar Kingston. Den volgenden morgen
is de reiziger om acht uur aan 't eind zijner reis, die per stoomboot
afgelegd wordt op 't meer Ontario. De boot legt te Port Hope en Coburg
aan. Deze laatste plaats is een vroolijk en bedrijvig stadje. Ook de
lading dezer schepen bestaat voornamelijk uit meel. Zoo hadden wij
tusschen Coburg en Kingston niet minder dan duizend tachtig vaatjes
aan boord.
Kingston, thans de zetel der regeering in Canada, is een armzalige
stad, die er nog armzaliger uitziet, omdat er onlangs een brand geweest
is, die op haar marktplein nogal wat verwoestingen heeft aangericht. Ja
waarlijk van Kingston mag gezegd worden, dat de eene helft er van
verbrand schijnt te zijn en de ander helft niet schijnt opgebouwd te
worden. Het gouvernementsgebouw is noch sierlijk noch gemakkelijk,
en toch is 't het eenige huis van eenig gewicht in de buurt.
Men vindt hier een uitmuntende gevangenis, die met veel beleid bestuurd
wordt en waarvan de inrichting in ieder opzicht voortreffelijk mag
heeten. De mannen worden er aan 't werk gezet als schoenmakers,
touwslagers, grofsmeden, kleermakers, timmerlui en steenhouwers;
ook waren er sommige bezig met het bouwen van een nieuwe gevangenis,
die op een kleinigheid na af was. De vrouwelijke gevangenen waren
met naaiwerk in de weer. Onder haar was een mooi twintigjarig meisje,
dat er al bijna drie jaar geweest was. Tijdens den opstand in Canada
diende zij als overbrengster van geheime depêches voor de zoogenaamde
Patriotten op Navy Island, bij welke gelegenheid zij nu eens als
een meisje gekleed was en dan de depêches in haar korset verstopte,
dan weer jongenskleeren droeg en ze tusschen de voering van haar
hoed verborg. In dit laatsten karakter reed ze altijd zoo goed als
de beste jongen, iets wat niets voor haar was, want ze kon rijden
tegen den besten, ja kon met de zweep in de hand zelfs een vierspan
mennen. Op een harer patriottische zendingen eigende zij zich het
eerste het beste paard toe, dat ze machtig kon worden, welke daad
haar daar bracht waar ik ze nu zag. Zij had een allerliefst gezicht,
ofschoon er, gelijk de lezer uit deze schets van haar geschiedenis op
kan maken, een duiveltje in haar helder oog op de loer lag, waarmee
ze nogal scherp tusschen de tralies van haar gevangenis zat te gluren.
Er is hier een verbazend sterk bomvrij fort, waarvan de positie
uitnemend is, en dat zonder twijfel in oorlogstijd van grooten dienst
zou zijn, ofschoon 't mij voorkomt dat de stad te dicht bij de grenzen
ligt om in zoo'n tijd lang aan zijn doel te beantwoorden. Ook vindt men
hier een kleine marine-werf, waar een paar gouvernements-stoombooten
gebouwd werden, iets wat daar vlug van de hand scheen te gaan.
's Morgens om halftien vertrokken we van Kingston naar Montreal, en
stoomden de St. Laurentius-rivier af. Bezwaarlijk kan men zich een
denkbeeld vormen van de schoonheid van dezen edelen stroom op bijna
ieder punt, maar voornamelijk in 't begin dezer reis, als hij zich
te midden van al die honderden eilanden heenslingert. Het getal en
gestadig voor den dag komen van deze eilanden, alles groen en verbazend
houtrijk; hun afwisselende omvang, zoodat sommigen zoo groot zijn,
dat ze een half uur lang den overkant der rivier schijnen te wezen, en
sommigen zoo klein dat ze louter kuiltjes zijn in haar breeden boezem;
hun oneindige verscheidenheid van vormen, en de ontelbare mengelingen
van schoone vormen die de daarop groeiende boomen aanbieden: dat
alles maakt een schilderij uit, die geen alledaagsch genot oplevert.
In den namiddag schoten we langs eenige snelvlietende punten naar
beneden, waar de rivier op een vreemde manier kookte en borrelde en
de plotselinge heftigheid van den stroom geweldig was. Om zeven uur
bereikten we de landingsplaats van Dickenson, van waar de reizigers een
uur of drie per diligence reizen, daar de rivier hier zoo snel vliet,
dat het te gevaarlijk en te moeielijk zou wezen voor de stoombooten,
om hier den overtocht te wagen. Het getal en de lengte dier portages,
waarover slechte wegen loopen en het reizen dus langzaam gaat, maken
den weg tusschen de steden Montreal en Kingston min of meer vervelend.
Onze weg lag over een wijde, open landstreek op een kleinen
afstand van den rivieroever, van waar de helder waarschuwende
lichten op de gevaarlijke punten van de St. Laurentius-rivier
ons tegenglinsterden. Donker en guur was de avond, en de weg nogal
eentonig. Het was bij tienen toen we aan den steiger kwamen, waar de
volgende stoomboot lag. Hier gingen we aan boord, en naar bed.
Zij lag daar dien ganschen nacht, en vertrok zoodra de dag aanbrak. De
morgen werd ingewijd met een geweldigen donderstorm en was erg nat,
maar van lieverlede klaarde het weer op. Toen ik na 't ontbijt op
dek ging, keek ik vreemd op, een reusachtig vlot, met een stuk of
veertig houten huizen er op, en ten minste met even zooveel masten,
met den stroom naar beneden te zien drijven, zoodat het wel iets
weghad van een straat op zee. Naderhand zag ik verscheidene van deze
vlotten, maar nooit een dat zoo groot was. Al het timmerhout ("lumber"
noemt men dit in Amerika), dat de St. Laurentius-rivier passeert,
wordt op deze manier gevlot. Bereikt nu zoo'n vlot de plaats zijner
bestemming, dan wordt het opgebroken, het materieel verkocht, en de
vlotters keeren huiswaarts, om nieuwe vracht te halen.
Om acht uur landden we weer, en reisden vier uur achtereen per
diligence door een liefelijke en welbebouwde streek, die er in ieder
opzicht geheel op zijn Fransch uitzag: de hutten; de houding, taal
en kleeding van den boerenstand; de uithangborden voor de winkels en
kroegen; nissen met Mariabeelden er in, en kruisen langs den weg. Bijna
iedere gemeene landbouwer en jongen, al had hij geen schoenen aan zijn
voeten, droeg een sjerp van de een of andere lichte kleur om zijn
middel: gewoonlijk rood; en de vrouwen, die aan de velden en tuinen
werkten en daar allerlei arbeid verrichtten, hadden altemaal groote
platte stroohoeden op met allerbreedste randen. Er waren Roomsche
priesters en liefdezusters in de dorpsstraten; en beeltenissen van
den Zaligmaker aan de hoeken van kruisstraten en op andere publieke
plaatsen.
's Middags gingen we aan boord van een andere stoomboot, en bereikten
tegen drieën het dorp Lachine, negen mijl van Montreal. Daar verlieten
we de rivier en gingen over land.
Montreal ligt heel aardig aan den oever der Laurentius-rivier en heeft
van achteren een stuk of wat beduidende hoogten, waar bekoorlijke rij-
en wandelwegen zijn aangelegd. Over 't algemeen zijn de straten nauw
en onregelmatig, zooals in de meeste Fransche steden die een beetje
oud zijn; maar in de nieuwere gedeelten zijn ze wijd en luchtig. De
winkels, die men daar aantreft bieden nogal wat verscheidenheid aan en
zijn heel goed, en zoowel in de stad als in de voorsteden zijn tal van
uitmuntende particuliere woningen. De granietsteenen kaaien vallen in
't oog door hun schoonheid, stevigheid en uitgebreidheid.
Er bevindt zich hier een zeer groote Roomsche hoofdkerk, die eerst
onlangs is gebouwd, met twee slanke torenspitsen, waarvan de eene
nog niet af is. Op de open ruimte voor dit gebouw staat geheel op
zich zelf een sombere vierkante steenen toren, die er erg vreemd
en in 't oogloopend uitziet, weshalve de wijsneuzen der plaats dan
ook besloten hebben, hem onmiddellijk onder den voet te halen. Het
gouvernementsgebouw is veel beter dan dat te Kingston, en de stad
vol leven en vertier. In een der voorsteden is een planken weg--geen
voetpad--die een mijl of zes lang is, en een weg waar wat omgaat
ook. Al de rijwegen in den omtrek waren hier eens zoo druk geworden
door 't invallen der lente, die hier zoo op eens verschijnt, dat men
als 't ware binnen een dag uit den barren winter de bloeiende jeugd
des zomers voor zich ziet.
De stoombooten op Quebec leggen de reis 's nachts af; dat is te zeggen,
's avonds om zes uur verlaten ze Montreal en den volgenden morgen om
zes uur zijn ze te Quebec. Tijdens ons oponthoud te Montreal (dat ruim
veertien dagen duurde) hebben we dit uitstapje eenmaal gedaan, en waren
verrukt door al het belangwekkende en schoone, dat we daar aantroffen.
Met zijn duizelingwekkende hoogten, zijn citadel die als 't ware in
de lucht hangt, zijn schilderachtige steile straten en dreigende
poortwegen en de prachtige gezichten waar telkens en telkens weer
het oog op stuit, is de indruk, dien dit Gibraltar van Amerika op den
bezoeker maakt, èn eenig in zijn soort èn duurzaam. Het is een plaats
die niet vergeten, of in onzen geest met andere plaatsen verward, of
maar een enkel oogenblik in gewicht verminderd kan worden te midden
van de massa tooneelen die een reiziger in zijn geheugen terug kan
roepen. Daargelaten de werkelijkheden dezer allerschilderachtigste
stad, hechten er zich zooveel belangrijke herinneringen aan, dat het
zelfs een woestijn belangwekkend zou maken. De gevaarlijke afgrond,
bij welks rotsachtig front Wolfe en zijn dappere metgezellen het pad
der glorie beklommen; de Vlakten van Abraham, waar hij zijn doodelijke
wond ontving; de vesting, door Montcalm zoo ridderlijk verdedigd; en
het graf van zijn soldaat, door 't springen van een bom nog tijdens
zijn leven voor hem gedolven, ziedaar eenige van de herinneringen,
die waarlijk niet onder de onbeduidendste kunnen gerekend worden,
maar integendeel tot de gewichtigste episoden der geschiedenis
behooren. Meteen is dat een edel Gedenkteeken, en twee groote Natiën
waardig, dat de nagedachtenis van beide dappere generaals vereeuwigt
en waar hun namen gezamenlijk op gegriffeld staan.
De stad is rijk in openbare instellingen, en in Roomsche kerken en
gestichten van liefdadigheid, maar 't is voornamelijk in 't gezicht,
dat men van 't oude Gouvernementsgebouw en van de Citadel geniet, dat
haar weergalooze schoonheid gelegen is. De even voortreffelijke als
uitgebreide landstreek, rijk in akkers en in bosschen, in berghoogten
en in water, die daar voor u ligt, terwijl mijlen ver Canadasche
dorpen u tegenglinsteren in lange witte strepen, evenals aderen
die door 't landschap loopen; de bonte massa spitse gevels, daken,
schoorsteentoppen in de oude heuvelachtige stad onmiddellijk bij de
hand; de schoone St. Laurentius-rivier vonkelend en flikkerend in de
zon; en de nietige schepen, daar onder aan de rots vanwaar ge het
tooneel aanstaart, waarvan de tuigage, op zoo'n afstand beschouwd,
wel iets wegheeft van spinnewebben, terwijl de groote en kleine vaten
op hun dekken tot speelgoed inkrimpen en aan den gang zijnde matrozen
zooveel poppetjes worden; dit alles, omlijst als het is door een
ingezakt raam in de vesting en beschouwd van uit de beschaduwde kamer
daarbinnen, het vormt een der helderste en bekoorlijkste schilderijen
waar 's menschen oog op rusten kan.
In 't voorjaar trekken groote massa's landverhuizers die onlangs uit
Engeland of Ierland kwamen, tusschen Quebec en Montreal door, op hun
weg naar de zwarte wouden en nieuwe nederzettingen van Canada. Is het
(gelijk ik heel dikwijls ondervonden heb) een aardig tijdverdrijf,
als men 's morgens op de kaai te Montreal rondslentert en ze dan
bij groepen van honderden op de steigers ziet bij hun kisten en
koffers,--een allerbelangrijkste zaak mag het heeten, hun medepassagier
te zijn op een dezer stoombooten en, vermengd onder den grooten hoop,
ze dan onopgemerkt gade te slaan.
Het schip, waarmee we van Quebec naar Montreal terugkeerden,
krioelde van dat soort volkje, en 's nachts spreidden zij hun bedden
tusschendeks (zij althans, die een bed rijk waren) en sliepen zoo
vlak naast de deur onzer kajuit, dat de passage heen en terug gestremd
was. Bijna allen waren ze Engelschen, grootendeels uit Cloucesterhire,
en hadden een lange winterreis gehad; maar 't was verwonderlijk hoe
zindelijk de kinderen waren gehouden en hoe onvermoeid al de arme
ouders in hun liefde en zelfverloochening waren.
Laten we op dit punt nog zoo'n huichelachtigen onzin uitkramen--en
we zullen dit wel doen tot aan 't einde der dingen--het is veel
moeielijker voor den arme om deugdzaam te wezen dan voor den rijke,
en het goede, dat in hem is, schijnt daarom des te helderder. In
menige adellijke huizing woont een man, de beste echtgenoot en vader,
wiens voortreffelijkheid in beiderlei gezicht terecht hemelhoog
verheven wordt. Maar breng hem eens hier, op dit volgepropte
dek. Ontdoe zijn mooie jonge vrouw van haar zijden japonnen en
juweelen, maak los heur gevlochten haar, groef vroege rimpels boven
haar wenkbrauwen, druk op haar verflenste wang den stempel van zorg
en veel ontbering, hul haar uitgemergelde gestalte in een armzalige
opgelapte kleeding, laat er niets anders dan zijn liefde wezen om haar
te prijzen of op te schikken, en ge zult hier waarlijk de som op de
proef zetten. Verander buitendien zijn stand in de wereld, zoodat
hij in deze jonge kinderkens, die daar klauteren op zijn knieën,
geen dragers van zijn naam en rijkdom ziet, maar stumpertjes met hem
worstelend om hun dagelijksch brood, eigenlijk zooveel stroopers op
zijn dak, die zijn schralen pot nog schraler, zijn bange zorg nog
banger maken. Stapel op zijn hoofd in plaats van al datgene wat voor
de rijken de prille jeugd hunner lievelingen tot een Eden toovert, al
haar nooden en behoeften, haar ziekten en gebreken, haar knorrigheid en
luimen, en wat er al meer in de schamele hut of vochtige kelderwoning
of bedompte vliering binnensluipt en nestelt;--laat geen: "Och toe,
papa, geef me dit; och toe, mama, geef me dat," of soortgelijk gesnap
zijn ooren kittelen maar de nare, allernaarste tonen, die gorgelend
uit de zwakke keeltjes komen: "Vader, 'k heb zoo'n honger en dorst;
moeder, 'k ben zoo koud," zijn vaderhart als vaneenrijten, en... als
nu zijn vaderlijke liefde dit alles uit kan staan, en hij geduldig,
waakzaam, teeder blijft, altijd bezorgd voor 't leven zijner kinderen,
altijd deelend in hun vreugd en smart, welnu, stuur hem dan terug naar
Parlement en Kansel en Rechtbank, en hoort hij dan van die mooie,
honingzoete praatjes over de verdorvenheid van dezulken die van de
hand in den tand leven en hard werken om er op die manier nog rond
te komen, laat hem dan, als iemand die er nu alles van weet, zijn
mond open gaan doen om die wauwelaars in de ooren te donderen dat
zij, die in zoo'n gansch andere klasse dan die der armen verkeeren,
aartsengelen in hun dagelijksch leven konden zijn en moesten wezen,
en dat, vergeleken bij haar, de klasse der armen, de weg naar den
Hemel hun zoo effen gebaand is, dat zij hem als 't ware maar voor
't grijpen hebben.