Gelukkig voor ons, dat we in zoo'n goed humeur waren, want de weg,

dien we dien dag langs reden, was zeker reeds voldoende om gestellen,

die juist niet op Mooi Weer stonden, zoodanig te schokken, dat ze

een duim of wat beneden Stormachtig kwamen. Zoo werden we in 't eene

oogenblik achter in den wagen in een hoop bij elkaar gesmeten, en

het volgende oogenblik bezeerden we onze hoofden aan den hemel. Nu

eens zat de eene kant van 't rijtuig diep in de modder, en klemden

we ons aan de andere zij vast. Dan weer lag de koets op de staarten

van de twee achterste paarden om zoo aanstonds, als in een vlaag

van razernij, in de hoogte te vliegen, terwijl al de vier paarden,

op den top eener onoverkomelijke hoogte staande, hun kop omdraaien

en er doodbedaard naar kijken alsof ze wilden zeggen: "Kom, span ons

maar uit. 't Gaat toch niet." De koetsiers op deze wegen, die zeker

op een bepaald miraculeuze wijze dit terrein overrijden, draaien

en zwaaien bij 't forceeren van een doortocht, die wel iets heeft

van een kurketrekker, zoodanig met hun paarden door al de poelen en

moerassen, dat er, keek men het portierraampje uit, volstrekt niets

vreemds in stak, wanneer men den koetsier met de enden leisels in

zijn handen, alsof hij niets meende, maar louter paardje speelde,

terwijl het voorspan dat stond aan te gapen alsof het er eenig idee

van had, om zoo aanstonds achterop te gaan staan. Een groot deel van

den weg lag over datgene wat men een Corduroyroad noemt; een weg die

hiervan wordt gemaakt, dat men blokken hout, soms heele boomstammen

in een moeras neersmijt, waar ze dan maar uit zich zelf vast moeten

gaan liggen. De lichtste van de schokken, waarmee de zware wagen van

't eene blok op 't andere viel, was genoeg, naar 't scheen, om al

de beenderen in 't menschelijk lichaam te hebben ontwricht. Het zou

dan ook onmogelijk zijn, in andere omstandigheden een dergelijke

reeks van gewaarwordingen te ondergaan, tenzij misschien als men

't eens ging probeeren, om per omnibus naar den top van de Paulskerk

te rijden. Nooit, nooit ofte nimmer was onze wagen dien dag een enkel

oogenblik in eenige stelling of soort van beweging, waar men in koetsen

gewoon aan is. Nooit ondervond men iets, dat zelfs in de verste verte

zweemde naar dat wat men gewoonlijk ondervindt onverschillig in wat

voor voertuig, dat op wielen gaat, men ook reize.

Niettemin, het was een mooie dag en liefelijk was de temperatuur, en

ofschoon wij den zomer achter ons gelaten hadden in 't Westen, en op

't punt stonden om de Lente te verlaten, waren we op reis naar den

Niagara en naar huis. Tegen den middag stapten we in een mooi bosch

af, dineerden op een omgevallen boom, en vervolgden weer vroolijk

onze reis, nadat we onze beste klieken achtergelaten hadden voor een

hutbewoner en onze slechtste voor de varkens (die, tot grooten troost

van ons commissariaat in Canada, als zandkorrels aan 't zeestrand

zoo talrijk, in deze landstreek aangetroffen worden.)

Toen de avond viel begon het pad al nauwer en nauwer te worden,

totdat het zich eindelijk zoo onder de boomen verloor, dat de voerman

instinctmatig zijn weg scheen te vinden. Ten minste hadden we den

troost te weten, dat er geen gevaar bestond dat hij in slaap zou

vallen, want ieder oogenblik kon een der wielen op zoo'n onzachte

manier in botsing komen met een ongezien blok hout, dat hij er als de

kippen bij moest wezen, om zich even gauw als stevig aan de leisels

vast te houden, wou hij niet pardoes van den bok tuimelen. Evenmin

behoefden we 'r bang voor te wezen, dat de paarden op hol zouden

raken; 't was al mooi genoeg voor de dieren om over zoo'n oneffen

weg stapvoets te rijden. En wat nu het schichtig worden betreft,

daar hadden ze geen ruimte voor: een kudde wilde olifanten kon in

zoo'n bosch, met zoo'n koets achter zich, niet aan 't hollen gegaan

zijn. Zoo sjokten we dan maar zonder de minste ongerustheid voort.

Deze boomstronken zijn een opmerkelijke bijzonderheid als men in

Amerika reist. De verschillende begoochelingen, die zij, zoodra het

maar donker wordt, het daaraan ongewone oog aanbieden, zijn waarlijk

verwonderlijk wat haar getal en werkelijkheid betreft. Nu eens

verbeeldt men zich, een Grieksche urn te zien die daar opgericht is in

't midden van een eenzaam veld; dan weer een vrouw weenende bij een

graf; nu eens een alledaagsch oud heer met een wit vest aan, met een

duim in elk armsgat van zijn jas gestoken; dan weer een student die

ijverig in een boek leest; nu eens een kruipenden neger, dan weer

een paard, of hond, of kanon, of gewapend man, of bochel die zijn

mantel afgooit en in 't licht aan komt stappen. Dikwijls vermaakte

ik me daarmee evenzeer als met zoo menig glas in een tooverlantaren,

en nooit namen ze die vormen aan op mijn bevel, maar schenen zich

tegen wil en dank bij me op te dringen; en hoe vreemd, niet waar? soms

herkende ik tegenhangers van figuren er in, die mij eens gemeenzaam

waren uit prentenboekjes, waar ik al lang niet meer om dacht.

Zelfs voor deze vermakelijkheid, werd het echter gauw te donker, en

zoo dicht stonden de boomen naast elkaar, dat hun droge takken aan

weerskanten tegen den wagen aan ratelden en ons allen noodzaakten,

onze hoofden niet uit het portierraampje te steken. Drie uur achter

elkaar weerlichtte het ook. Iedere bliksemflits was zeer helder,

blauw en lang, en daar de felle stralen door de dichte takken heen

schoten en de donder somber boven de kruinen der boomen rommelde,

dacht men er onwillekeurig om, dat er op zoo'n tijd betere buren

waren dan zulke dik begroeide wouden.

's Avonds tusschen tienen en elven daagden er echter een stuk of wat

flauwe lichten in de verte op, en Opper Sandusky, een Indiaansch dorp,

waar we tot den morgen zouden vertoeven, lag voor ons.

In de blokherberg, de eenige restauratie der plaats, lagen ze

al te bed, maar nauwelijks hadden we geklopt of ze stonden op en

haalden wat thee voor ons uit een soort van keuken of gelagkamer,

behangen met oude kranten, die tegen den muur waren aangeplakt. De

slaapkamer, die mijn vrouw en mij aangewezen werd, was een groot,

laag, spookachtig vertrek, met een massa dorre takken op den haard,

en twee deuren zonder de minste sluiting tegenover elkaar, waardoor

men den stikdonkeren avond en de woeste landstreek kon zien, en die

beide zoo gemaakt waren, dat de een altijd de ander open deed waaien:

een huisbouwkundige nieuwigheid, die ik me niet herinner vroeger gezien

te hebben, en waarvan de ontdekking me niet al te pleizierig stemde

toen ik in bed stapte, daar ik een aanzienlijke som in goud voor onze

reiskosten in een kistje bij me had. Maar doordien ik een en ander van

onze bagage voor de deur zette, was dit bezwaar gauw achter den rug,

en sliep ik dien nacht tegen alle verwachting vrij rustig.

Mijn Bostonner vriend kroop ergens op den zolder onder de dekens,

waar een andere logeergast al lag te snorken als een os. Maar daar

hij zoo vreeselijk gebeten werd dat hij 't niet langer uit kon houden,

stond hij weer op en zocht een goed heenkomen in den wagen, die voor

't huis stond te luchten. Politiek was deze stap niet, gelijk van

achteren bleek; want nauwelijks hadden de varkens de lucht van hem

gekregen, of ze zagen op de koets als een soort van pastei neer,

met een of andere vleeschspijs van binnen, met dat gevolg dat ze

'r zoo vreeselijk omheen liepen te knorren, dat hij bang was,

er uit te stappen, en er tot 's morgens in lag te trillen als een

juffrouws hondje. Ook kon men hem met den besten wil niet verwarmen

door middel van een glas brandewijn; want met een zeer goede en wijze

bedoeling verbiedt de Wetgevende macht aan de kroeghouders sterken

drank in Indiaansche dorpen te verkoopen, een voorzorg, die echter

volstrekt niet doeltreft, om de doodeenvoudige reden dat de Indianen

er wel raad op weten om zich van rondventers drank te verschaffen,

van slechter qualiteit en duurder prijs.

Deze plaats wordt door een nederzetting van de Wyandot-Indianen

bewoond. Onder 't gezelschap, waarmee we ontbeten, was een goedhartig

oud heer, die jarenlang gebruikt was geworden door de regeering

der Vereenigde Staten als bemiddelaar bij haar onderhandelingen met

de Indianen, en die juist een tractaat gesloten had met dit volk,

waarbij ze zich voor een zekere jaarlijksche som verbonden, om het

volgende jaar te verhuizen naar een zekere landstreek, bewesten den

Mississippi en een klein eindje achter St. Louis. Hij hing me een

aandoenlijk tafereel op van hun sterke verknochtheid aan de plaatsen

waar eenige herinneringen uit hun kinderlijken leeftijd aan verbonden

waren, en vooral aan de begraafplaatsen hunner nabestaanden. Ook gaf

hij me in niet minder treffende bewoordingen te kennen, hoe zij er

tegen opzagen, al dergelijke plaatsen vaarwel te moeten zeggen. Zulke

verhuizingen had hij meer dan eens bijgewoond, en altijd met tegenzin,

ofschoon hij wist dat zij tot hun eigen welzijn vertrokken. De vraag

of deze stam gaan zou of blijven, was een dag of drie geleden onder

hen besproken geworden in een opzettelijk voor dat doel opgerichte

hut, waarvan de blokken nog voor de herberg op den grond lagen. Toen

de beraadslagingen afgeloopen waren, werden de ja- en neen-stemmers

op twee rijen tegenover elkaar gezet, en bracht ieder volwassen man

op zijn beurt zijn stem uit. Zoodra de uitslag bekend was, onderwierp

de minderheid (een aanzienlijke minderheid) zich gewillig aan de rest

en onthield zich van den geringsten tegenstand.

Naderhand kwamen we sommige van deze arme Indianen op ruige hitten

tegen. Ze hadden zooveel weg van Zigeuners, dat, had ik er een stuk of

wat van in Engeland gezien, ik de gevolgtrekking zou gemaakt hebben,

als iets dat vanzelf sprak, dat ze tot dien omzwervenden en rusteloozen

volksstam behoorden.

Daar we deze stad terstond na ons ontbijt verlieten, zetten we onzen

tocht weer voort over een weg die zoo mogelijk nog slechter was dan

die van gisteren, en kwamen tegen den middag te Tiffin aan, waar we

met den "extra" vertrokken. Om twee uur gingen we per spoor; maar

aangezien ook deze weg alles behalve goed gemaakt, en de grond vochtig

en moerassig was, ging het reizen nog niet zeer vlug en kwamen we eerst

's avonds te Sandusky aan, doch nog juist bijtijds om daar te kunnen

dineeren. We stapten af aan een goed ingericht klein logement aan

den oever van 't Erie-Meer, sliepen daar dien nacht, en hadden geen

andere keus dan om tot den volgenden dag te wachten, totdat er een

stoomboot voor Buffalo op kwam dagen. De stad, die er nogal armzalig

uitzag, had wel iets van den achterhoek eener Engelsche badplaats,

als 't seizoen om is.

Onze kastelein, die er niet weinig op uit was om 't ons zoo gemakkelijk

mogelijk te maken, was een knap man van middelbaren leeftijd die naar

deze stad was toegekomen uit Nieuw Engeland, in welk gedeelte des

lands hij groot was gebracht. Als ik er nu melding van maak, dat hij

gedurig, met zijn hoed op, de kamer in- en uitliep; dat hij dan weer

staan bleef om op dezelfde vrijpostige manier met ons een praatje te

maken, of zoo lang als hij was op onze canapé ging liggen, de krant

uit zijn zak haalde en ze op zijn doode gemak las,--zie, dan maak ik

er alleen daarom gewag van, om den lezer eenigermate de eigenaardige

gewoonten des lands te doen kennen, en in de verste verte niet om mij

er over te beklagen als iets dat me eigenlijk hinderde. Thuis zou ik

me door dergelijke handelwijze ongetwijfeld beleedigd gevoeld hebben,

omdat het bij ons geen gewoonte is, en het in dat geval onbeschoft

zou mogen heeten; maar in Amerika koestert een goede, beste vent van

dit kaliber geen andere begeerte dan zijn gasten gastvrij en goed te

bedienen; en ik had niet meer recht, en gerust mag ik er bijvoegen

niet meer lust, zijn gedrag naar den Engelschen regel en standaard te

beoordeelen, dan met hem aan 't kijven te gaan, omdat hij niet precies

de lengte had, om opgenomen te kunnen worden bij de grenadiers van

de garde der Koningin. Even weinig trek had ik, om ruzie te maken met

een potsierlijke oude juffrouw, die een der eerste dienstboden van dit

etablissement was, en als ze ons bij den een of anderen maaltijd kwam

bedienen, op haar doode gemak plaats nam op den allergemakkelijksten

stoel en dan een bakerspeld voor den dag haalde om er haar tanden

mee uit peuteren, die kiesche plechtigheid zonder ophouden door

bleef verrichten en ons ondertusschen met alle deftigheid aankeek

(ons nu en dan aansporende om haar tafel wat meer eer aan te doen),

totdat het tijd was om op te staan en af te nemen. Het was ons genoeg,

dat men al wat we begeerden, even beleefd als prompt deed, ja, dat men

er zelfs op uit was, om, zooals men dat noemt, onze gedachten te raden.

Den dag na onze aankomst, een Zondag, gebruikten we wat vroeg ons

middagmaal, toen er een stoomboot in 't gezicht kwam en dadelijk aan

de kaai aanlag. Daar 't bleek dat ze op weg was naar Buffalo, repten

we ons zooveel mogelijk om aan boord te komen, en lieten spoedig

Sandusky ver achter ons. Ze was een groot schip van vijfhonderd ton

en fraai gestoffeerd, ofschoon met machines van hooge drukking,

iets waarbij ik altijd dat soort van gevoel had, dat ik, mijns

bedunkens, ondervinden zou, als ik eens op de eerste verdieping van

een kruitmolen logeerde. Ze had een lading meel in, waarvan een stuk

of wat vaten op dek waren opgeslagen. De kapitein, die naar boven kwam

om een praatje te houden en een vriend voor te stellen, ging als een

andere Bacchus met zijn voeten dwars over een dezer vaatjes zitten,

haalde daarop een groot knipmes uit zijn zak en begon het toen onder

't praten te schillen, door dunne spaandertjes van de randen af te

snijden. En dat schillen ging hem zoo fiks en zoo vlug van de hand,

dat, was hij niet heel gauw ergens anders geroepen geworden, van 't

heele vaatje niets anders zou overgebleven zijn dan meel en spaanders.

Nadat we aangelegd hadden aan een paar vlakke plaatjes, met lage

dijken die zich in 't meer uitstrekten, waar, evenals windmolens zonder

zeilen, plompe vuurtorens op stonden (een tooneel dat veel weghad van

een Hollandsch vignet), kwamen we 's nachts om twaalf uur te Cleveland

aan waar we den heelen nacht en tot 's morgens negen uur bleven liggen.

Ik was nogal nieuwsgierig ten opzichte van deze plaats. Men moet

namelijk weten, dat ik te Sandusky een proeve van haar letterkunde

gezien had in den vorm eener krant, die zich ijselijk druk maakte naar

aanleiding van Lord Ashburton's jongste aankomst te Washington, om de

geschilpunten te regelen tusschen de regeering van de Vereenigde Staten

en Groot-Brittannië, en ziehier nu wat ze haar lezers deed opmerken:

had Amerika, toen het nog de kinderschoenen aanhad, Engeland afgerost,

en het nog eens afgerost in zijn jeugd, nu was het klaarblijkelijk

noodig, dat het, thans op rijper leeftijd gekomen, Engeland nog eens

afroste. Daarbij gaf ze allen echten Amerikanen de verzekering, dat,

als mijnheer Webster maar zijn plicht deed in de ophanden zijnde

onderhandelingen en den Engelschen lord een, twee, drie naar huis

stuurde, zij, de Amerikanen, binnen twee jaar "Yankee Doodle zouden

zingen in Hyde Park, en Hail Columbia in de scharlakenroode zalen van

Westminster!" Ik vond het een aardige stad en had het genoegen het

bureau te zien, wel te verstaan van buiten, van 't dagblad waar ik

zoo even gewag van gemaakt heb. Maar het onuitsprekelijke genoegen om

den verstandigen kop te aanschouwen uit wiens brein de bovenvermelde

volzinnen voortkwamen, smaakte ik helaas niet. Ik twijfel er echter

geen oogenblik aan of in zijn soort is hij een genie, een man die

bij een uitgezochten kring zeer in tel is.

Er was een heer aan boord, wien ik zonder het te willen of te weten

veel hartzeer scheen te veroorzaken. Toevallig vernam ik het door

't dunne beschot dat onze staatsiehut scheidde van de kajuit waar

hij en zijn vrouw samen zaten te praten. Waar 't vandaan kwam, weet

ik niet, maar 't scheen dat hij me maar niet uit zijn gedachten kon

verzetten en danig het land aan me had. Het eerste van al wat ik

hem hoorde zeggen (en het grappigste van de zaak was, dat hij het

me niet directer had kunnen meedeelen, al had hij op mijn schouders

geleund en 't me ingefluisterd), het eerste nu van al wat ik hem

hoorde zeggen, was: "Boz is nog aan boord, lieve." Na een vrij lange

pauseering voegde hij er op stenenden toon bij: "Boz laat zich in

't geheel niet zien," iets wat maar al te waar was, want ik was niet

al te wel en lag met een boek in mijn hand te bed. Nu dacht ik,

dat hij me met rust zou laten, maar jawel! Alweer verliep er een

minuut of wat, in welken tusschentijd ik mij verbeeld dat hij erg

aan 't woelen zal gegaan zijn en zijn best zal gedaan hebben om den

slaap te vatten, daar barstte hij opnieuw in een jammerklacht uit:

"Weet je wat ik denk? Boz is bezig met een boek te schrijven en zet

er al onze namen in," op welke denkbeeldige gevolgtrekking van zich

aan boord te bevinden met Boz hij steende en stil werd.

Dien avond kwamen we om acht uur aan de stad Erie aan, en vertoefden

daar een uur. 's Morgens tusschen vijven en zessen arriveerden we te

Buffalo, waar we ontbeten en daar we al te dicht waren bij de Groote

Watervallen om geduldig ergens anders te wachten, spoorden we nog

dienzelfden morgen om negen uur naar den Niagara.

Het was een ellendige dag. Koud en guur was het weer; er viel een natte

mist, en kaal en winterachtig zagen de boomen er in die noordelijke

streek uit. Waar de trein ook stopte, luisterde ik naar 't gebruis,

en gestadig keek ik den kant uit, waar ik wist dat de watervallen

moesten zijn, daar ik de rivier in die richting zag stroomen. En zoo

verwachtte ik ieder oogenblik het schuim te zullen zien. Een paar

minuten voordat we stopten, niet vroeger, zag ik twee groote witte

wolken, die langzaam en statig uit de diepten der aarde oprezen. Dit

was alles. Ten laatste stapten we af; en toen hoorde ik voor 't eerst

het geweldig gebruis van water, en voelde ik den grond onder mijn

voeten dreunen.

De oever is zeer steil, en was glibberig van regen en half gesmolten

ijs. Ik weet ternauwernood hoe ik beneden kwam, maar 't duurde niet

lang of ik was op den bodem, en doof van 't geweld, half blind van

't schuim en kletsnat klauterde ik met twee officieren, die zich bij

me aangesloten hadden, over een stuk of wat gebroken rotsen heen,

en zie, we waren aan den voet van den Amerikaanschen waterval. Ik kon

een onmetelijken waterstroom van een zekere groote hoogte eensklaps

af zien bruisen, maar had geen idee van vorm of ligging, of van wat

dan ook, behalve van onbepaalde onmetelijkheid.

Toen we in 't kleine overhaalbootje zaten en de gezwollen rivier

vlak tegenover beide watervallen overstaken, begon ik te voelen wat

het was; maar zoo bedwelmd was ik dat ik den omvang van 't tooneel

niet begrijpen kon. Eerst toen ik aan de Tafelrots kwam en daar,

Groote Hemel, wat 'n val van licht groen water voor me zag!--eerst

toen deed het zich in al zijn macht en majesteit aan mij voor.

En toen 'k nu voelde, hoe dicht ik bij mijn Schepper stond, was

de eerste en de blijvende uitwerking van 't ontzagwekkend tooneel

Vrede. Zielevrede: Rust: Kalme herinneringen aan de Dooden: Groote

gedachten van Eeuwige Rust en Geluk: niets wat naar Somberheid of

Schrik geleek. Neen, Niagara was op eens in mijn hart afgedrukt

als een Beeld der Schoonheid, om daar te blijven onveranderlijk en

onuitwischbaar, tot zijn slagaderen voor altijd ophouden te kloppen.

O, hoe week de strijd en moeite van ons dagelijksch leven al meer en

meer op den achtergrond, gedurende de tien gedenkwaardige dagen die

wij op dien betooverenden grond doorbrachten! Wat al stemmen spraken

van uit het donderende water; wat al van de aarde verdwenen gezichten

keken mij van uit zijn flikkerende diepten aan; wat hemelsche belofte

glinsterde in de engeltranen, de veelkleurige droppelen, die in de

rondte neerstroomden en zich kronkelend vereenigden met de prachtige

bogen die de steeds afwisselende regenbogen vormden!

In al dien tijd bewoog ik me geen enkel oogenblik van de Canadasche

zijde, waar ik 't eerste naar toe gegaan was; en nooit stak ik de

rivier weer over, want ik wist, dat er aan den overkant menschen

waren en op zoo'n plaats is 't natuurlijk dat men vreemd gezelschap

mijdt. Den ganschen dag heen en weer te loopen, en de watervallen

uit alle gezichtspunten te beschouwen; aan den rand te staan van den

Great Horse Shoe-Val en 't dan op te merken hoe het zich reppende

water kracht schijnt te verzamelen als 't den rand nadert, maar ook

een oogenblik schijnt te wachten voor en aleer het zich werpt in den

afgrond daar beneden; van de effen watervlakte starend op te zien

naar den vloed, zooals die naar beneden stroomt; de naburige hoogten

te beklimmen en den val door de boomen te bespieden en te zien hoe

het water zich al draaiend en kronkelend haast, om zoo aanstonds met

vreeselijk gedruisch omlaag te ploffen, te drentelen in de schaduw der

statige rotsen drie mijlen beneden, en dan de rivier gade te slaan,

zooals ze, door geen zichtbare oorzaak in beweging gebracht, zwol

en draaide en de echo's wakker maakte; de Niagara voor me te hebben,

verlicht door de zon en door de maan, rood als de zon van lieverlede

ondergaat en grauw als de avond langzaam invalt; er alle dag naar te

kijken, en 's nachts wakker te worden en zonder ophouden zijn stem

te hooren: dit was genoeg.

En telkens als het thans rustig om mij heen is in de natuur, denk ik

er aan, dat diezelfde wateren nog altijd rollen en springen, en den

ganschen dag bruisen en ruischen. Dan denk ik er aan, dat, schijnt

de zon er op, ze glinsteren en blinken als gesmolten goud, en dat,

bij somber weer, ze als sneeuwvlokken neervallen of als het voorste

gedeelte van een grooten krijtberg schijnen af te brokkelen of als

dichte witte rook langs de rots schijnen af te rollen. Doch altijd

schijnt de machtige stroom te sterven als hij naar beneden komt, en

altijd verrijst uit zijn onpeilbaar graf dat schrikkelijk spook van

schuim en damp, dat nooit verdwenen is maar altijd door is blijven

spoken met dezelfde ontzettende plechtigheid sedert de Duisternis

broedde over de diepte en die eerste stroom voor den Zondvloed--het

Licht--op Gods woord zich over de schepping kwam verspreiden.

XV.

CANADA TEGENOVER DE VEREENIGDE STATEN.

IN CANADA; TORONTO; KINGSTON; MONTREAL; QUEBEC; ST. JOHN'S. WEER

IN DE VEREENIGDE STATEN; LIBANON; HET KWAKERDORP EN WEST POINT.

Ik wensch er mij van te onthouden, de geringste vergelijking te maken

of eenige parallel te trekken tusschen de kenmerkende eigenschappen van

't maatschappelijke leven der Vereenigde Staten en die van de Britsche

bezittingen in Canada. Om deze reden zal ik me dan ook bepalen bij

een zeer kort verslag van onze uitstapjes naar 't laatstgenoemde

grondgebied.

Maar voordat ik den Niagara verlaat, moet ik op een zekere stuitende

omstandigheid wijzen, die bezwaarlijk ontsnapt kan zijn aan de aandacht

van elken fatsoenlijken reiziger die de watervallen bezocht heeft.

Op de zoogenaamde Tafelrots staat een hut, die aan een gids behoort,

waar kleine relieken van de plaats verkocht worden en bezoekers

hun namen schrijven in een boek dat er expres voor dat doel op na

wordt gehouden. Op den muur der kamer, waar een groote menigte van

deze boeken bewaard worden, is het volgende verzoek aangeplakt: "De

bezoekers worden verzocht, van de aanteekeningen en dichterlijke

ontboezemingen uit de hier gehouden registers en albums noch

afschriften noch uittreksels mede te nemen."

Zonder dien zijdelingschen wenk had ik ze laten liggen op de tafels,

waar ze evenals boeken in een gezelschapskamer, met zorgvuldige

nalatigheid door elkaar verspreid lagen,--ik had toch rijkelijk genoeg

aan de verbazende zouteloosheid van zekere verzen met een anticlimax

aan 't einde van ieder couplet, die in lijstjes gezet en aan den

muur opgehangen waren. Maar daar dat bericht mijn nieuwsgierigheid

geprikkeld had om eens te gaan zien, wat voor geestesproducten zoo

zorgvuldig bewaard werden, sloeg ik een stuk of wat bladen om en vond

ze toen volgekrabbeld met de vuilste en smerigste liederlijkheid,

waar tweevoetige zwijnen ooit schik in hadden.

Is 't nog niet vernederend genoeg te weten, dat er onder menschen

zulke liederlijke en nietswaardige dieren gevonden worden, dat ze

'r schik in kunnen hebben, hun ellendige profanatiën tot zelfs op de

trappen van 't grootst altaar der Natuur neer te leggen?! Maar dat

deze zwijnerijen ten pleiziere van hun medezwijnen opgehoopt en op een

openbare plaats bewaard worden, waar aller oogen ze kunnen zien, kijk,

dat is een schande voor de Engelsche taal, waar ze in geschreven zijn

(ofschoon ik hoop dat maar weinig Engelschen zich aan die vuilheid

hebben schuldig gemaakt) en een verwijt voor den Engelschen kant waar

ze bewaard worden.

De kwartieren van onze soldaten bij den Niagara zijn mooi en luchtig

gelegen. Sommige daarvan zijn groote op zichzelf staande huizen op

de vlakte boven de watervallen, die oorspronkelijk voor logementen

bestemd waren; en 's avonds als de vrouwen en kinderen over de balkons

leunden om naar de mannen te kijken, die op 't gras voor de deur aan

't ballen en met andere spelen bezig waren, leverden ze dikwijls

zoo'n vroolijk en opgewekt, tafereeltje op, dat het een pleizier was,

dien weg langs te komen.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 22 / 48 段