Het was een mooie dag toen we van St. Louis afscheid zouden nemen, en

aangezien nu de stoomboot, die, ik weet niet hoe vroeg in den morgen

af zou varen, voor de derde of vierde maal haar vertrek tot na den

middag uitstelde, reden we naar een oud Fransch dorp aan de rivier,

waarvan de eigenlijke naam Carondelet, doch de spotnaam Vide Poche

(Leege Zak) was, en spraken af dat de packet ons daar af zou wachten.

De plaats bestond uit een stuk of wat arme hutten en twee of drie

herbergen, waarvan de provisiekamers in dien toestand verkeerden,

dat dit alleen den spotnaam wettigde, want in geen van de drie kon

men iets te eten krijgen. Door zoo wat een halve mijl terug te gaan,

vonden we echter ten laatste een eenzaam huis waar men ham en koffie

krijgen kon, en daar toefden we om de komst af te wachten van de boot,

die we, al heel in de verte, van uit het lommer voor de deur waar

zouden kunnen nemen.

Het was een nette, doodeenvoudige dorpskroeg, waar we ons

middagmaal gebruikten in een net kamertje met een ledikant er in,

dat opgepronkt was met een stuk of wat oude schilderijen, die in

hun tijd waarschijnlijk dienst gedaan hadden in een Roomsche kapel

of klooster. Al wat men er te eten kreeg, was zeer goed en werd met

groote zindelijkheid opgedischt. Het huis werd gehouden door een

karakteristiek oud paar, waar wij een lang gesprek mee hadden, en dat

misschien een zeer goed exemplaar was van dat slag van menschen in

't Westen.

De herbergier was een droge, taaie, ruwe oude kwant (wel niet zoo heel

oud, want hij was maar even over de zestig, naar ik denk), en hij had

in den laatsten oorlog met Engeland bij de militie gestaan en daar

allerlei dingen gezien, die betrekking hebben op den krijgsdienst,

ja, allerlei dingen... behalve een veldslag; maar hij was er toch

heel dicht bij geweest, om een veldslag bij te wonen, heel dicht,

voegde hij er bij. Daar hij razend veel van verandering hield en

aan dien trek geen weerstand had kunnen bieden, had hij zijn leven

lang rust noch duur gehad. Vandaar dat hij 't niet lang op een en

dezelfde plaats uitgehouden, maar gedurig heen en weer gezworven had;

en nog altijd was hij zoo lustig als een eenloopend gezel, want was er

niets dat hem aan huis bond (en toen hij dit zei, wees hij even met

zijn hoed en duim naar 't raam van de kamer waar de oude vrouw zat,

terwijl wij voor 't huis stonden te babbelen), dan maakte hij in een

wip zijn geweer schoon en was morgenochtend op reis naar Texas. Hij

was een van de oude afstammelingen van Kaïn, die aan dit vasteland zoo

bijzonder eigen zijn; een van die mannen met andere woorden, die van

hun geboorte bestemd schijnen te wezen om als pioniers in de groote

armee der menschheid te dienen; die jaar-in jaar-uit blijmoedig haar

voorposten uit gaan breiden, en het eene te-huis na 't andere achter

zich laten en ten laatste sterven, zonder dat zij zich er 't minst

hun hoofd over breken of het op hen volgende, insgelijks zwervende

geslacht zich op zijn beurt weer duizenden mijlen zal verwijderen

van hun graven.

Zijn vrouw was een van lieverlede huishoudelijk geworden, goede,

beste oude stumperd, met hem meegekomen "uit de koninginne-stad van

de wereld," die, naar 't scheen, Philadelphia was; maar hart had ze

niet voor dit westersche land. Nu, daar bestond dan ook wel reden

toe. Begrijp eens, al haar kinderen had ze hier een voor een in den

vollen bloei hunner jaren zien sterven! Haar hart werd pijnlijk

aangedaan, zei ze, als ze daarom dacht; en als ze nu maar eens,

al was 't dan ook maar tegenover vreemdelingen, dienaangaande haar

hart uit kon storten op deze rampzalige plaats die zoo ver van haar

geboortegrond af lag, kijk, dat schonk haar eenige verlichting, ja,

werd haar tot een droefgeestig genot.

Daar de boot tegen den avond aankwam, zeiden we die goede, beste,

oude vrouw en haar zwervenden man vaarwel, begaven ons daarop

naar de naastbijgelegen aanlegplaats, en nu duurde het niet lang,

of we waren weer aan boord van de Messenger, in onze oude kajuit,

en stoomden den Mississippi op.

Is het opvaren van deze rivier, zoo langzaam als het dan tegen den

stroom in gaat, een vervelende reis,--het afvaren met haar troebelen

stroom is bijna nog erger; want dan heeft de boot, die twaalf of

vijftien mijlen per uur aflegt, zich met geweld een weg te banen door

een doolhof van drijvende blokken, die men in den donker dikwijls

onmogelijk van te voren kan zien, laat staan vermijden. Den ganschen

nacht was de bengel dan ook geen vijf minuten achtereen stil, en na

ieder gelui kreeg de boot een schok, soms twaalf schokken gauw achter

elkaar, en van die schokken dat de lichtste meer dan genoeg scheen te

wezen om haar broze kiel als pasteikorst te vergruizen. Keek men nu bij

't aanbreken van den dag in de smerige rivier, dan scheen ze te wemelen

van insecten, daar deze zwarte massa's op de oppervlakte dreven, of,

met den kop het eerst, op eens uit het water te voorschijn kwamen,

wanneer de boot, door al die hinderpalen heenstoomende, een stuk of

wat voor een oogenblik onder water duwde. Soms stopte de machine vrij

lang, en dan bevonden zich voor de boot en er achter, en dicht aan

alle kanten, zooveel van die ellendige hindernissen, dat zij er, als

het middelpunt van een drijvend eiland, ten eenenmale van ingesloten,

en wel genoodzaakt was daar te blijven, totdat ze, evenals donkere

wolken zulks voor den wind doen, ergens naar toe gingen en van

lieverlede een doortocht ontsloten.

Den volgenden morgen kwamen we echter weer in 't gezicht van 't

afschuwelijk moeras Caïro genaamd. Daar stopten we, om hout in te

nemen, en gingen naast een barge liggen, waarvan het hier en daar

uitschietend getimmerde nauwelijks den boel bij elkaar hield. Ze was

aan den oever vastgemaakt, en op haar zij stond het woord "koffiehuis"

geschilderd. Dat nu was, naar ik veronderstel, het drijvende Paradijs,

waar het volk een toevluchtsoord zoekt, als het voor een maand of

twee zijn huizen verliest onder de afzichtelijke wateren van den

Mississippi. Maar toen we zuidwaarts van dit punt afzagen, smaakten

we de zelfvoldoening, die onuitstaanbare rivier al haar slijmerigen

en leelijken last plotseling naar New Orleans te zien voortstuwen:

en nadat we een gele streep over waren, die zich dwars door den stroom

uitstrekte, waren we weer op den helderen Ohio, om naar ik vertrouw,

nooit den Mississippi meer te zien, of 't moest wezen in onrustige

droomen en nachtmerries. Hem verlaten voor 't gezelschap van zijn

glinsterenden buur, stond dan ook gelijk met den overgang van smart

tot vreugd, of het ontwaken uit een verschrikkelijk visioen tot een

vroolijke werkelijkheid.

Op den vierden avond kwamen we te Louisville aan, en maakten terdege

van ons voortreffelijk logement gebruik. Den volgenden dag gingen

we op de Ben Franklin, een mooie mailboot, en bereikten kort na

middernacht Cincinnati. Daar 't thans zoover gekomen was, dat het

slapen op planken ons eigenlijk eer vermoeide dan uit deed rusten,

waren we maar wakker gebleven, om dadelijk aan wal te kunnen gaan;

en ons terstond een weg banende door al de donkere dekken van andere

booten, en onder doolhoven van stoommachines en lekke suikervaten,

belandden we eindelijk op de straten, porden den portier wakker aan

't logement waar we vroeger gelogeerd hadden, en nu duurde het niet

lang, of we waren tot onze groote blijdschap gezond en wel onder dak.

Te Cincinnati bleven we maar één dag, en vertrokken toen naar

Sandusky. Daar met dat uitstapje twee diligence-ritten gemoeid waren,

die, met de door mij reeds aangestipte, de hoofdkenmerken bevatten

van deze wijze van reizen in Amerika, wil ik den lezer als onzen

reisgenoot meenemen en mij verbinden om den afstand zoo gauw mogelijk

af te leggen.

De plaats onzer bestemming in eerste instantie is Columbus. Het

ligt maar ongeveer honderd en twintig mijlen van Cincinnati, doch

(een zeldzame zegen inderdaad!) de geheele weg is gemacadamiseerd,

en de berekening is, dat men hier zes mijlen per uur aflegt.

's Morgens om acht uur stappen we in een groote diligence, waarvan

de kolossale wangen zoo erg rood en volbloedig zijn, dat ze wel

last schijnt te hebben van neiging tot bloedopstijging naar 't

hoofd. Waterzuchtig is ze zeker, want ze kan wel een dozijn passagiers

bergen. Maar--hoe verwonderlijk, niet waar? dat we 'r dit bij kunnen

voegen--ze is erg glunder en schoon, want ze is pas nieuw, moet men

weten, en vroolijk ratelt ze door Cincinnati's straten.

Onze weg ligt door eene mooie landstreek die welig bebouwd is en een

schitterend overvloedigen oogst belooft. Soms rijden we een veld

voorbij, waar de als borstels overeindstaande sterke stengels van

Indiaansch koorn er als zooveel wandelstokken uitzien, en soms een

omheinden akker waar de groene tarwe onder een doolhof van boomstronken

opspringt. De primitieve omheining van wormhout is algemeen en staat

alles behalve mooi; maar de boerderijen werden netjes onderhouden,

en, dit alleen daargelaten, zou men wanen in Kent te reizen.

Dikwijls blijven we stilstaan bij een herberg aan den landweg,

om aan de paarden water te geven; bij zoo'n herberg is 't altijd

doodstil. De koetsier klimt van den bok, vult zijn emmer en houdt

dien zijn paarden voor. Het gebeurt bijna nooit, dat er iemand is,

om hem een handje te helpen; zelden treft hij er zoo'n exemplaar van

'n straatslijper aan; en nooit een stalknecht om wat gekheid mee

te maken. Soms, wanneer we van span verwisseld zijn, kost het een

beetje moeite, weer voort te komen, en dat komt hier vandaan, dat

in deze buurt een zonderlinge manier heerscht, om een jong paard te

dresseeren. Ziehier hoe dit in zijn werk gaat. Men vangt het, tuigt

het tegen wil en dank, en spant het dan maar voor een diligence,

zonder er verder notitie van te nemen. Geen wonder, dat het dan eerst

met horten en stooten gaat; edoch, dit verbetert van lieverlede,

en zoo zetten we onze reis weer voort.

Nu en dan gebeurt het, dat, als we pleisteren, om van paarden te

verwisselen, een stuk of drie half dronken straatslijpers met hun

handen in hun zakken aan komen drentelen. Of wel, men ziet ze zoo

lang als ze zijn in schommelstoelen liggen of tegen de vensterbank of

kolonnade aanleunen. Het gebeurt niet vaak, dat ze òf ons òf iemand

anders iets te zeggen hebben, maar ze zitten, of staan, of liggen daar

maar vadsig en lui naar de koetspaarden te kijken. Gewoonlijk is de

herbergier onder hen. Deze sinjeur schijnt zich echter het minst van

allen te bemoeien met hetgeen er in zijn huis omgaat. Ja, hij staat

in dezelfde verhouding tot de kroeg, als de koetsier tot de koets en

de passagiers; wat er ook binnen den kring zijner werkzaamheid voor

moge vallen, och, het komt hem niet aan de koude kleeren, en in dat

opzicht laat hij Gods water maar over Gods akker loopen.

Hoe dikwijls men ook van koetsier verandere, dit brengt niet de

geringste verandering in des koetsiers karakter. Of ge 'r één ziet

of tien, altijd is hij vuil, altijd knorrig, altijd stil. Indien hij

vatbaar mocht zijn voor eenige aandoening, hetzij van zedelijken of

lichamelijken aard, dan bezit hij een vermogen om dit te verbergen,

dat waarlijk wonderbaar is. Zit ge naast hem op den bok, nooit spreekt

hij een woord tot u, en spreekt gij tot hem, dan antwoordt hij (als

hij antwoordt!) met eenlettergrepige woorden. Niets zal hij u op den

weg aanwijzen; trouwens hij kijkt zelden naar iets en heeft er al

den schijn van, of hem dit alles te veel, ja, hij eigenlijk levenszat

is. Hoe neemt hij nu de honneurs waar ten opzichte zijner koets? Dit

heb ik al gezegd: hij bemoeit zich met zijn paarden, en daarmee

uit. De koets volgt, omdat ze aan de paarden vastgemaakt is en op

wielen gaat: niet, omdat gij of ik er in zit. Soms--'t loopt dan naar

'n end van een langen rit--begint hij op eens een brokstuk van een

of ander lievelingsliedje te zingen, valsch ook, maar zijn gezicht

zingt nooit mee: 't is alleen zijn stem, en die dikwijls nog niet eens.

Altijd pruimt hij, en altijd spuugt hij, en nooit getroost hij zich

de moeite, om een zakdoek te gebruiken. Nu, waartoe zal een vrij

schepsel zoo'n last zich op den hals halen?! Dat is waar ook, maar

niet minder waar, dat de gevolgen niet uitblijven voor den passagier

die op den bok zit, vooral als de wind naar zijn kant is, en dat die

gevolgen alles behalve plezierig zijn.

Telkens als de wagen stil blijft staan, en ge de stemmen kunt hooren

van de passagiers daarbinnen; of telkens als er een der omstanders

tot hen of een der hunnen het woord richt, of ze elkaar aanspreken,

zult ge één volzin gedurig en gedurig, ja oneindige keeren hooren

inhalen. Op zich zelf is 't al een ordinaire en weinig om 't lijf

hebbende volzin. 't Is toch noch meer, noch minder dan "Ja m'nheer";

maar diezelfde volzin wordt op allerlei omstandigheden toegepast en

vult iedere pauze in den loop van 't gesprek. Bij voorbeeld:

't Is een uur na den namiddag. Het tooneel is een plaats waar we dien

dag zullen ophouden om te eten. De wagen rijdt tot aan de deur der

herberg, 't Is warm weer, en er zijn verscheidene straatslijpers, die

om en nabij de kroeg slenteren, en er op wachten tot de open tafel

klaar is. Onder hen bevindt zich een kranig heer met een bruinen

hoed op, die zich in een schommelstoel op straat heen en weer zit

te wiegelen.

Als de koets ophoudt, kijkt een heer met een stroohoed uit het

portierraampje.

Stroohoed (tot den kranigen heer in den schommelstoel). Ik meen,

dat ik daar den rechter Jefferson voor me zie, niet waar?

Bruinhoed (nog altijd wiegelend, en zeer langzaam en doodbedaard

sprekende). Ja, m'nheer.

Stroohoed. Warm weer, Rechter.

Bruinhoed. Ja, m'nheer.

Stroohoed. Verleden week was 't een beetje koud.

Bruinhoed. Ja, m'nheer.

Stroohoed. Ja, m'nheer.

Een pauze. Allerernstigst kijken ze elkaar aan.

Stroohoed. Ik ga bij me zelf na, dat u nu toch wel die zaak (van de

"Corporation judge") achter den rug zult hebben.

Bruinhoed. Ja, m'nheer.

Stroohoed. Hoe is de zaak uitgewezen, m'nheer?

Bruinhoed. De eischer is in 't ongelijk gesteld geworden, m'nheer.

Stroohoed (vragenderwijs). Ja, m'nheer?

Bruinhoed (bevestigenderwijs). Ja, m'nheer.

Beiden (peinzend, daar ieder naar de straat kijkt). Ja, m'nheer.

Een nieuwe pauze. Alweer kijken ze elkaar aan, en nog ernstiger dan

te voren.

Bruinhoed. Ik geloof, dat de wagen vandaag nogal wat over zijn tijd

aankomt.

Stroohoed (twijfelachtig). Ja, m'nheer.

Bruinhoed (op zijn horloge ziende). Ja, m'nheer, 't is dicht bij

tweeën.

Stroohoed (zijn wenkbrauwen met groote verbazing fronsend). Ja,

m'nheer!

Bruinhoed (op stelligen toon, terwijl hij zijn horloge weer in zijn

zak steekt). Ja, m'nheer.

Al de andere passagiers van binnen (onder elkaar). Ja m'nheer.

Koetsier (op een allerknorrigsten toon). Neen, dat 's niet waar.

Stroohoed (tot den koetsier). Nu, ik weet 't niet, m'nheer. We zijn

die laatste vijftien mijlen nogal aardig opgeschoten. Dat's waarheid.

Daar de koetsier geen antwoord geeft en er niets van wil weten om

in eenige woordenwisseling te treden over een onderwerp waar zijn

sympathie en gevoelens zelfs in de verte niets mee te maken hebben,

zegt een andere passagier: "Ja, m'nheer," en om nu die loffelijke

daad te erkennen, zegt de heer met den stroohoed op zijn beurt:

"Ja, m'nheer," tot hem. De stroohoed vraagt dan aan den bruinhoed,

of de koets waar hij (de stroohoed) in zit, niet een nieuwe is? Waarop

bruinhoed antwoordt: "Ja, m'nheer."

Stroohoed. Dat dacht ik wel. Wat 'n sterke vernislucht, niet waar,

m'nheer?

Bruinhoed. Ja m'nheer.

Al de andere passagiert van binnen. Ja, m'nheer.

Bruinhoed (tot het gezelschap in 't algemeen). Ja, m'nheer.

Aangezien er nu al heel wat gevergd is van de spraakzaamheid van

't gezelschap, doet de stroohoed het portier open en stapt uit. Al de

anderen volgen zijn voorbeeld. Kort daarna eten we met de logeergasten,

en krijgen niets te drinken dan koffie en thee. Daar beide zeer slecht

zijn en het water nog slechter is, vraag ik om brandewijn; maar

het is een Matigheids-Hotel, en sterken drank kan men er noch voor

goede woorden noch voor geld krijgen. Deze dwaze manier om reizigers

te dwingen, dat ze nare dranken tegen wil en dank door hun keelgat

jagen, is in Amerika in 't geheel niet ongewoon, maar nooit ontdekte

ik, dat de teere gemoedsbezwaren van zulke brave Hendrikken onder de

logementhouders hen aanspoorden om dan ook tusschen de qualiteit van 't

geen men bij hen krijgen kan en de prijzen die er voor genoteerd worden

een ongewoon fatsoenlijke evenredigheid in acht te nemen: integendeel,

ik vermoedde eerder, dat zij, bij wijze van schadeloosstelling voor de

winstderving op den verkoop van geestrijke dranken, slechter qualiteit

aansmeerden voor hooger prijs. Doch wat hiervan ook zij, voor personen

van zulke teere gewetens zou 't misschien het meest geraden zijn,

om zich maar geheel en al te onthouden van 't kasteleinsbedrijf.

Zoodra we gegeten hebben, stappen we in een ander rijtuig, dat bij de

deur klaar staat (want onze koets is in dien tusschentijd verwisseld),

en gaan weer op reis. Onze weg voert ons door dezelfde soort van

landstreek tot aan den avond, als wanneer we aan de stad komen, waar we

aanleggen om thee te drinken en te soupeeren; en nadat de brievenzakken

aan 't postkantoor afgegeven zijn, rijden we door de gewone breede

straat, met de gewone magazijnen en huizen, naar 't logement waar

deze maaltijd klaargemaakt is. In 't voorbijgaan wil ik nog meedeelen,

dat de lakenkoopers, bij wijze van uithangbord, altijd een stuk rood

laken aan hun deur hebben hangen. We komen dan aan 't logement aan,

en aangezien hier velen van de open tafel gebruik plegen te maken,

is het gezelschap nogal groot en... oudergewoonte nogal saai. Maar

aan 't hooger eind der tafel zit de vroolijke kasteleines, en daar

vlak tegenover een eenvoudige schoolmeester uit Wallis met zijn

vrouw en kind, die op een speculatie, die meer beloofde dan ze wel

gaf, hier naar toe kwam om de klassieken te onderwijzen. Zoowel in

dezen meester en de zijnen als in de dame, wordt ruimschoots belang

gesteld, totdat men gedaan heeft met eten en nu staat een ander rijtuig

gereed. Door helder maanlicht beschenen stappen we daar nog eens in,

en rijden door tot middernacht. Dan stoppen we, om alweer van koets te

veranderen, en blijven zoo wat een half uur in een armzalig vertrek,

met een besmeerde steendrukplaat van Washington boven den rookerigen

haard, en een kolossale kruik koud water op de tafel,--aan welke

verfrissching zich de knorrige passagiers zoodanig te goed doen,

dat ze altemaal wel trouwe patiënten van dokter Sangrado lijken te

wezen. Onder hen is een kleine dreumes van een jongen die pruimt

als de grootste; en een vadsige heer die, om met poëzie te beginnen,

over alle onderwerpen op arithmetische en statistieke wijze spreekt;

en die altijd op denzelfden toon spreekt, met precies denzelfden

nadruk en met een allerdeftigsten ernst. Hij was zoo even uit den

wagen gestapt en vertelde me hoe de oom van een zekere jonge dame,

die door een zekeren kapitein met list ontvoerd en gehuwd was geworden,

in deze streek woonde; en hoe deze oom zoo'n razende Roeland was, dat

hij zich niet zou verwonderen of hij volgde den bewusten kapitein naar

Engeland, "en schoot hem op straat dood, waar hij hem ook tegenkwam,"

iets wat ik hem zoo grif niet toe wou geven. Ik voelde me namelijk zoo

doodmoe, dat ik mijn oogen nauwelijks open kon houden, en nu kwam 't

zeker hier vandaan, dat ik op eens trek kreeg hem tegen te spreken, en

hem daarom de opmerking maakte, dat, als die oom het hart in zijn lijf

mocht hebben om tot zoo'n krassen maatregel zijn toevlucht te nemen,

hij op een mooien morgen in de vroegte in de Old Bailey opgeknoopt

zou worden; en dat hij wel zou doen, zijn testament te maken voordat

hij vertrok, daar hij niet heel lang in Engeland zou wezen, of hij zou

't van noode hebben.

Den ganschen nacht rijden we door. Van lieverlede begint de dag

aan te breken, en nu duurt het niet lang of de eerste liefelijke

stralen der warme zon komen ons in de schuinte beschijnen. Ze wierp

overigens haar licht op een ellendige woestenij van verzengd gras,

doodsche boomen en armzalige hutten, een tooneel zoo allernaarst dat

men zich met mogelijkheid niets ergers voor zou kunnen stellen. Ja,

't was een woestijn zelf in 't bosch, waarvan de plantengroei even

dampig is en schadelijk als die welke men op de oppervlakte van

stilstaand water aantreft; waar de giftige paddestoel in den zeldzamen

voetafdruk op den drabbigen bodem groeit, en uit de reten in muur

en zolder opschiet. Afzichtelijk, niet waar? om zoo'n plek gronds

zoo dicht in de nabijheid, ja, als 't ware op den drempel eener stad

tegen te komen! Maar wat zal ik u daarvan zeggen? Jaren geleden was

die ellendige plek opgekocht, maar de eigenaar is niet op te sporen,

en nu kan de Staat er de handen niet aan slaan. Zoo blijft ze daar

dan te midden eener ontgonnen en bebouwde streek als een stuk gronds,

waar de vloek van de een of andere groote misdaad aan kleeft.

Even voor zevenen bereikten we Columbus en bleven daar dien dag en

nacht om ons wat te verfrisschen. We troffen 't goed: voortreffelijke

apartementen toch stonden ons ten dienste in een zeer groot doch

nog niet afgebouwd hotel, het Neill House genaamd, die, rijkelijk

gestoffeerd met meubelstukken van 't gepolijste hout van den zwarten

noteboom, evenals kamers eener Italiaansche huizing, op een fraai

portico en steenen veranda uitkwamen. De stad is zindelijk en aardig,

en is natuurlijk "op weg" om hoe langer hoe meer uitgebreid te

worden. Ze is de zetel van de Wetgevende Vergadering van Ohio en

maakt bijgevolg aanspraak op eenig aanzien en gewicht.

Daar er langs den weg, dien wij wenschten te volgen, den volgenden dag

geen diligence afreed, zoo huurde ik tot billijken prijs een "extra" om

ons naar Tiffin te brengen, een klein stadje van waar een spoor loopt

naar Sandusky. Dit zoogenaamde extra was een gewone diligence met vier

paarden, zooals ik die reeds beschreven heb; een rijtuig dat gedurig

van paarden en koetsiers veranderde, maar voor deze reis uitsluitend

ter onzer beschikking bleef. Ten einde ons er van te verzekeren, dat

we aan alle pleisterplaatsen paarden zouden krijgen en geen overlast

zouden hebben van vreemdelingen, stuurden de eigenaars een agent op

den bok mee, die ons den heelen weg over gezelschap zou houden; en

onder dat geleide nu, en buitendien een sluitmand vol geurige koude

vleeschspijzen, vruchten en wijn meenemende, reden we den volgenden

morgen om halfzeven welgemoed af, ook niet weinig in onzen schik dat

we onder ons waren, en met de ernstigste voornemens dat we ons zelfs

door de ruwste teleurstellingen der reis niet uit ons humeur zouden

laten brengen.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 21 / 48 段