aangezien nu de stoomboot, die, ik weet niet hoe vroeg in den morgen
af zou varen, voor de derde of vierde maal haar vertrek tot na den
middag uitstelde, reden we naar een oud Fransch dorp aan de rivier,
waarvan de eigenlijke naam Carondelet, doch de spotnaam Vide Poche
(Leege Zak) was, en spraken af dat de packet ons daar af zou wachten.
De plaats bestond uit een stuk of wat arme hutten en twee of drie
herbergen, waarvan de provisiekamers in dien toestand verkeerden,
dat dit alleen den spotnaam wettigde, want in geen van de drie kon
men iets te eten krijgen. Door zoo wat een halve mijl terug te gaan,
vonden we echter ten laatste een eenzaam huis waar men ham en koffie
krijgen kon, en daar toefden we om de komst af te wachten van de boot,
die we, al heel in de verte, van uit het lommer voor de deur waar
zouden kunnen nemen.
Het was een nette, doodeenvoudige dorpskroeg, waar we ons
middagmaal gebruikten in een net kamertje met een ledikant er in,
dat opgepronkt was met een stuk of wat oude schilderijen, die in
hun tijd waarschijnlijk dienst gedaan hadden in een Roomsche kapel
of klooster. Al wat men er te eten kreeg, was zeer goed en werd met
groote zindelijkheid opgedischt. Het huis werd gehouden door een
karakteristiek oud paar, waar wij een lang gesprek mee hadden, en dat
misschien een zeer goed exemplaar was van dat slag van menschen in
't Westen.
De herbergier was een droge, taaie, ruwe oude kwant (wel niet zoo heel
oud, want hij was maar even over de zestig, naar ik denk), en hij had
in den laatsten oorlog met Engeland bij de militie gestaan en daar
allerlei dingen gezien, die betrekking hebben op den krijgsdienst,
ja, allerlei dingen... behalve een veldslag; maar hij was er toch
heel dicht bij geweest, om een veldslag bij te wonen, heel dicht,
voegde hij er bij. Daar hij razend veel van verandering hield en
aan dien trek geen weerstand had kunnen bieden, had hij zijn leven
lang rust noch duur gehad. Vandaar dat hij 't niet lang op een en
dezelfde plaats uitgehouden, maar gedurig heen en weer gezworven had;
en nog altijd was hij zoo lustig als een eenloopend gezel, want was er
niets dat hem aan huis bond (en toen hij dit zei, wees hij even met
zijn hoed en duim naar 't raam van de kamer waar de oude vrouw zat,
terwijl wij voor 't huis stonden te babbelen), dan maakte hij in een
wip zijn geweer schoon en was morgenochtend op reis naar Texas. Hij
was een van de oude afstammelingen van Kaïn, die aan dit vasteland zoo
bijzonder eigen zijn; een van die mannen met andere woorden, die van
hun geboorte bestemd schijnen te wezen om als pioniers in de groote
armee der menschheid te dienen; die jaar-in jaar-uit blijmoedig haar
voorposten uit gaan breiden, en het eene te-huis na 't andere achter
zich laten en ten laatste sterven, zonder dat zij zich er 't minst
hun hoofd over breken of het op hen volgende, insgelijks zwervende
geslacht zich op zijn beurt weer duizenden mijlen zal verwijderen
van hun graven.
Zijn vrouw was een van lieverlede huishoudelijk geworden, goede,
beste oude stumperd, met hem meegekomen "uit de koninginne-stad van
de wereld," die, naar 't scheen, Philadelphia was; maar hart had ze
niet voor dit westersche land. Nu, daar bestond dan ook wel reden
toe. Begrijp eens, al haar kinderen had ze hier een voor een in den
vollen bloei hunner jaren zien sterven! Haar hart werd pijnlijk
aangedaan, zei ze, als ze daarom dacht; en als ze nu maar eens,
al was 't dan ook maar tegenover vreemdelingen, dienaangaande haar
hart uit kon storten op deze rampzalige plaats die zoo ver van haar
geboortegrond af lag, kijk, dat schonk haar eenige verlichting, ja,
werd haar tot een droefgeestig genot.
Daar de boot tegen den avond aankwam, zeiden we die goede, beste,
oude vrouw en haar zwervenden man vaarwel, begaven ons daarop
naar de naastbijgelegen aanlegplaats, en nu duurde het niet lang,
of we waren weer aan boord van de Messenger, in onze oude kajuit,
en stoomden den Mississippi op.
Is het opvaren van deze rivier, zoo langzaam als het dan tegen den
stroom in gaat, een vervelende reis,--het afvaren met haar troebelen
stroom is bijna nog erger; want dan heeft de boot, die twaalf of
vijftien mijlen per uur aflegt, zich met geweld een weg te banen door
een doolhof van drijvende blokken, die men in den donker dikwijls
onmogelijk van te voren kan zien, laat staan vermijden. Den ganschen
nacht was de bengel dan ook geen vijf minuten achtereen stil, en na
ieder gelui kreeg de boot een schok, soms twaalf schokken gauw achter
elkaar, en van die schokken dat de lichtste meer dan genoeg scheen te
wezen om haar broze kiel als pasteikorst te vergruizen. Keek men nu bij
't aanbreken van den dag in de smerige rivier, dan scheen ze te wemelen
van insecten, daar deze zwarte massa's op de oppervlakte dreven, of,
met den kop het eerst, op eens uit het water te voorschijn kwamen,
wanneer de boot, door al die hinderpalen heenstoomende, een stuk of
wat voor een oogenblik onder water duwde. Soms stopte de machine vrij
lang, en dan bevonden zich voor de boot en er achter, en dicht aan
alle kanten, zooveel van die ellendige hindernissen, dat zij er, als
het middelpunt van een drijvend eiland, ten eenenmale van ingesloten,
en wel genoodzaakt was daar te blijven, totdat ze, evenals donkere
wolken zulks voor den wind doen, ergens naar toe gingen en van
lieverlede een doortocht ontsloten.
Den volgenden morgen kwamen we echter weer in 't gezicht van 't
afschuwelijk moeras Caïro genaamd. Daar stopten we, om hout in te
nemen, en gingen naast een barge liggen, waarvan het hier en daar
uitschietend getimmerde nauwelijks den boel bij elkaar hield. Ze was
aan den oever vastgemaakt, en op haar zij stond het woord "koffiehuis"
geschilderd. Dat nu was, naar ik veronderstel, het drijvende Paradijs,
waar het volk een toevluchtsoord zoekt, als het voor een maand of
twee zijn huizen verliest onder de afzichtelijke wateren van den
Mississippi. Maar toen we zuidwaarts van dit punt afzagen, smaakten
we de zelfvoldoening, die onuitstaanbare rivier al haar slijmerigen
en leelijken last plotseling naar New Orleans te zien voortstuwen:
en nadat we een gele streep over waren, die zich dwars door den stroom
uitstrekte, waren we weer op den helderen Ohio, om naar ik vertrouw,
nooit den Mississippi meer te zien, of 't moest wezen in onrustige
droomen en nachtmerries. Hem verlaten voor 't gezelschap van zijn
glinsterenden buur, stond dan ook gelijk met den overgang van smart
tot vreugd, of het ontwaken uit een verschrikkelijk visioen tot een
vroolijke werkelijkheid.
Op den vierden avond kwamen we te Louisville aan, en maakten terdege
van ons voortreffelijk logement gebruik. Den volgenden dag gingen
we op de Ben Franklin, een mooie mailboot, en bereikten kort na
middernacht Cincinnati. Daar 't thans zoover gekomen was, dat het
slapen op planken ons eigenlijk eer vermoeide dan uit deed rusten,
waren we maar wakker gebleven, om dadelijk aan wal te kunnen gaan;
en ons terstond een weg banende door al de donkere dekken van andere
booten, en onder doolhoven van stoommachines en lekke suikervaten,
belandden we eindelijk op de straten, porden den portier wakker aan
't logement waar we vroeger gelogeerd hadden, en nu duurde het niet
lang, of we waren tot onze groote blijdschap gezond en wel onder dak.
Te Cincinnati bleven we maar één dag, en vertrokken toen naar
Sandusky. Daar met dat uitstapje twee diligence-ritten gemoeid waren,
die, met de door mij reeds aangestipte, de hoofdkenmerken bevatten
van deze wijze van reizen in Amerika, wil ik den lezer als onzen
reisgenoot meenemen en mij verbinden om den afstand zoo gauw mogelijk
af te leggen.
De plaats onzer bestemming in eerste instantie is Columbus. Het
ligt maar ongeveer honderd en twintig mijlen van Cincinnati, doch
(een zeldzame zegen inderdaad!) de geheele weg is gemacadamiseerd,
en de berekening is, dat men hier zes mijlen per uur aflegt.
's Morgens om acht uur stappen we in een groote diligence, waarvan
de kolossale wangen zoo erg rood en volbloedig zijn, dat ze wel
last schijnt te hebben van neiging tot bloedopstijging naar 't
hoofd. Waterzuchtig is ze zeker, want ze kan wel een dozijn passagiers
bergen. Maar--hoe verwonderlijk, niet waar? dat we 'r dit bij kunnen
voegen--ze is erg glunder en schoon, want ze is pas nieuw, moet men
weten, en vroolijk ratelt ze door Cincinnati's straten.
Onze weg ligt door eene mooie landstreek die welig bebouwd is en een
schitterend overvloedigen oogst belooft. Soms rijden we een veld
voorbij, waar de als borstels overeindstaande sterke stengels van
Indiaansch koorn er als zooveel wandelstokken uitzien, en soms een
omheinden akker waar de groene tarwe onder een doolhof van boomstronken
opspringt. De primitieve omheining van wormhout is algemeen en staat
alles behalve mooi; maar de boerderijen werden netjes onderhouden,
en, dit alleen daargelaten, zou men wanen in Kent te reizen.
Dikwijls blijven we stilstaan bij een herberg aan den landweg,
om aan de paarden water te geven; bij zoo'n herberg is 't altijd
doodstil. De koetsier klimt van den bok, vult zijn emmer en houdt
dien zijn paarden voor. Het gebeurt bijna nooit, dat er iemand is,
om hem een handje te helpen; zelden treft hij er zoo'n exemplaar van
'n straatslijper aan; en nooit een stalknecht om wat gekheid mee
te maken. Soms, wanneer we van span verwisseld zijn, kost het een
beetje moeite, weer voort te komen, en dat komt hier vandaan, dat
in deze buurt een zonderlinge manier heerscht, om een jong paard te
dresseeren. Ziehier hoe dit in zijn werk gaat. Men vangt het, tuigt
het tegen wil en dank, en spant het dan maar voor een diligence,
zonder er verder notitie van te nemen. Geen wonder, dat het dan eerst
met horten en stooten gaat; edoch, dit verbetert van lieverlede,
en zoo zetten we onze reis weer voort.
Nu en dan gebeurt het, dat, als we pleisteren, om van paarden te
verwisselen, een stuk of drie half dronken straatslijpers met hun
handen in hun zakken aan komen drentelen. Of wel, men ziet ze zoo
lang als ze zijn in schommelstoelen liggen of tegen de vensterbank of
kolonnade aanleunen. Het gebeurt niet vaak, dat ze òf ons òf iemand
anders iets te zeggen hebben, maar ze zitten, of staan, of liggen daar
maar vadsig en lui naar de koetspaarden te kijken. Gewoonlijk is de
herbergier onder hen. Deze sinjeur schijnt zich echter het minst van
allen te bemoeien met hetgeen er in zijn huis omgaat. Ja, hij staat
in dezelfde verhouding tot de kroeg, als de koetsier tot de koets en
de passagiers; wat er ook binnen den kring zijner werkzaamheid voor
moge vallen, och, het komt hem niet aan de koude kleeren, en in dat
opzicht laat hij Gods water maar over Gods akker loopen.
Hoe dikwijls men ook van koetsier verandere, dit brengt niet de
geringste verandering in des koetsiers karakter. Of ge 'r één ziet
of tien, altijd is hij vuil, altijd knorrig, altijd stil. Indien hij
vatbaar mocht zijn voor eenige aandoening, hetzij van zedelijken of
lichamelijken aard, dan bezit hij een vermogen om dit te verbergen,
dat waarlijk wonderbaar is. Zit ge naast hem op den bok, nooit spreekt
hij een woord tot u, en spreekt gij tot hem, dan antwoordt hij (als
hij antwoordt!) met eenlettergrepige woorden. Niets zal hij u op den
weg aanwijzen; trouwens hij kijkt zelden naar iets en heeft er al
den schijn van, of hem dit alles te veel, ja, hij eigenlijk levenszat
is. Hoe neemt hij nu de honneurs waar ten opzichte zijner koets? Dit
heb ik al gezegd: hij bemoeit zich met zijn paarden, en daarmee
uit. De koets volgt, omdat ze aan de paarden vastgemaakt is en op
wielen gaat: niet, omdat gij of ik er in zit. Soms--'t loopt dan naar
'n end van een langen rit--begint hij op eens een brokstuk van een
of ander lievelingsliedje te zingen, valsch ook, maar zijn gezicht
zingt nooit mee: 't is alleen zijn stem, en die dikwijls nog niet eens.
Altijd pruimt hij, en altijd spuugt hij, en nooit getroost hij zich
de moeite, om een zakdoek te gebruiken. Nu, waartoe zal een vrij
schepsel zoo'n last zich op den hals halen?! Dat is waar ook, maar
niet minder waar, dat de gevolgen niet uitblijven voor den passagier
die op den bok zit, vooral als de wind naar zijn kant is, en dat die
gevolgen alles behalve plezierig zijn.
Telkens als de wagen stil blijft staan, en ge de stemmen kunt hooren
van de passagiers daarbinnen; of telkens als er een der omstanders
tot hen of een der hunnen het woord richt, of ze elkaar aanspreken,
zult ge één volzin gedurig en gedurig, ja oneindige keeren hooren
inhalen. Op zich zelf is 't al een ordinaire en weinig om 't lijf
hebbende volzin. 't Is toch noch meer, noch minder dan "Ja m'nheer";
maar diezelfde volzin wordt op allerlei omstandigheden toegepast en
vult iedere pauze in den loop van 't gesprek. Bij voorbeeld:
't Is een uur na den namiddag. Het tooneel is een plaats waar we dien
dag zullen ophouden om te eten. De wagen rijdt tot aan de deur der
herberg, 't Is warm weer, en er zijn verscheidene straatslijpers, die
om en nabij de kroeg slenteren, en er op wachten tot de open tafel
klaar is. Onder hen bevindt zich een kranig heer met een bruinen
hoed op, die zich in een schommelstoel op straat heen en weer zit
te wiegelen.
Als de koets ophoudt, kijkt een heer met een stroohoed uit het
portierraampje.
Stroohoed (tot den kranigen heer in den schommelstoel). Ik meen,
dat ik daar den rechter Jefferson voor me zie, niet waar?
Bruinhoed (nog altijd wiegelend, en zeer langzaam en doodbedaard
sprekende). Ja, m'nheer.
Stroohoed. Warm weer, Rechter.
Bruinhoed. Ja, m'nheer.
Stroohoed. Verleden week was 't een beetje koud.
Bruinhoed. Ja, m'nheer.
Stroohoed. Ja, m'nheer.
Een pauze. Allerernstigst kijken ze elkaar aan.
Stroohoed. Ik ga bij me zelf na, dat u nu toch wel die zaak (van de
"Corporation judge") achter den rug zult hebben.
Bruinhoed. Ja, m'nheer.
Stroohoed. Hoe is de zaak uitgewezen, m'nheer?
Bruinhoed. De eischer is in 't ongelijk gesteld geworden, m'nheer.
Stroohoed (vragenderwijs). Ja, m'nheer?
Bruinhoed (bevestigenderwijs). Ja, m'nheer.
Beiden (peinzend, daar ieder naar de straat kijkt). Ja, m'nheer.
Een nieuwe pauze. Alweer kijken ze elkaar aan, en nog ernstiger dan
te voren.
Bruinhoed. Ik geloof, dat de wagen vandaag nogal wat over zijn tijd
aankomt.
Stroohoed (twijfelachtig). Ja, m'nheer.
Bruinhoed (op zijn horloge ziende). Ja, m'nheer, 't is dicht bij
tweeën.
Stroohoed (zijn wenkbrauwen met groote verbazing fronsend). Ja,
m'nheer!
Bruinhoed (op stelligen toon, terwijl hij zijn horloge weer in zijn
zak steekt). Ja, m'nheer.
Al de andere passagiers van binnen (onder elkaar). Ja m'nheer.
Koetsier (op een allerknorrigsten toon). Neen, dat 's niet waar.
Stroohoed (tot den koetsier). Nu, ik weet 't niet, m'nheer. We zijn
die laatste vijftien mijlen nogal aardig opgeschoten. Dat's waarheid.
Daar de koetsier geen antwoord geeft en er niets van wil weten om
in eenige woordenwisseling te treden over een onderwerp waar zijn
sympathie en gevoelens zelfs in de verte niets mee te maken hebben,
zegt een andere passagier: "Ja, m'nheer," en om nu die loffelijke
daad te erkennen, zegt de heer met den stroohoed op zijn beurt:
"Ja, m'nheer," tot hem. De stroohoed vraagt dan aan den bruinhoed,
of de koets waar hij (de stroohoed) in zit, niet een nieuwe is? Waarop
bruinhoed antwoordt: "Ja, m'nheer."
Stroohoed. Dat dacht ik wel. Wat 'n sterke vernislucht, niet waar,
m'nheer?
Bruinhoed. Ja m'nheer.
Al de andere passagiert van binnen. Ja, m'nheer.
Bruinhoed (tot het gezelschap in 't algemeen). Ja, m'nheer.
Aangezien er nu al heel wat gevergd is van de spraakzaamheid van
't gezelschap, doet de stroohoed het portier open en stapt uit. Al de
anderen volgen zijn voorbeeld. Kort daarna eten we met de logeergasten,
en krijgen niets te drinken dan koffie en thee. Daar beide zeer slecht
zijn en het water nog slechter is, vraag ik om brandewijn; maar
het is een Matigheids-Hotel, en sterken drank kan men er noch voor
goede woorden noch voor geld krijgen. Deze dwaze manier om reizigers
te dwingen, dat ze nare dranken tegen wil en dank door hun keelgat
jagen, is in Amerika in 't geheel niet ongewoon, maar nooit ontdekte
ik, dat de teere gemoedsbezwaren van zulke brave Hendrikken onder de
logementhouders hen aanspoorden om dan ook tusschen de qualiteit van 't
geen men bij hen krijgen kan en de prijzen die er voor genoteerd worden
een ongewoon fatsoenlijke evenredigheid in acht te nemen: integendeel,
ik vermoedde eerder, dat zij, bij wijze van schadeloosstelling voor de
winstderving op den verkoop van geestrijke dranken, slechter qualiteit
aansmeerden voor hooger prijs. Doch wat hiervan ook zij, voor personen
van zulke teere gewetens zou 't misschien het meest geraden zijn,
om zich maar geheel en al te onthouden van 't kasteleinsbedrijf.
Zoodra we gegeten hebben, stappen we in een ander rijtuig, dat bij de
deur klaar staat (want onze koets is in dien tusschentijd verwisseld),
en gaan weer op reis. Onze weg voert ons door dezelfde soort van
landstreek tot aan den avond, als wanneer we aan de stad komen, waar we
aanleggen om thee te drinken en te soupeeren; en nadat de brievenzakken
aan 't postkantoor afgegeven zijn, rijden we door de gewone breede
straat, met de gewone magazijnen en huizen, naar 't logement waar
deze maaltijd klaargemaakt is. In 't voorbijgaan wil ik nog meedeelen,
dat de lakenkoopers, bij wijze van uithangbord, altijd een stuk rood
laken aan hun deur hebben hangen. We komen dan aan 't logement aan,
en aangezien hier velen van de open tafel gebruik plegen te maken,
is het gezelschap nogal groot en... oudergewoonte nogal saai. Maar
aan 't hooger eind der tafel zit de vroolijke kasteleines, en daar
vlak tegenover een eenvoudige schoolmeester uit Wallis met zijn
vrouw en kind, die op een speculatie, die meer beloofde dan ze wel
gaf, hier naar toe kwam om de klassieken te onderwijzen. Zoowel in
dezen meester en de zijnen als in de dame, wordt ruimschoots belang
gesteld, totdat men gedaan heeft met eten en nu staat een ander rijtuig
gereed. Door helder maanlicht beschenen stappen we daar nog eens in,
en rijden door tot middernacht. Dan stoppen we, om alweer van koets te
veranderen, en blijven zoo wat een half uur in een armzalig vertrek,
met een besmeerde steendrukplaat van Washington boven den rookerigen
haard, en een kolossale kruik koud water op de tafel,--aan welke
verfrissching zich de knorrige passagiers zoodanig te goed doen,
dat ze altemaal wel trouwe patiënten van dokter Sangrado lijken te
wezen. Onder hen is een kleine dreumes van een jongen die pruimt
als de grootste; en een vadsige heer die, om met poëzie te beginnen,
over alle onderwerpen op arithmetische en statistieke wijze spreekt;
en die altijd op denzelfden toon spreekt, met precies denzelfden
nadruk en met een allerdeftigsten ernst. Hij was zoo even uit den
wagen gestapt en vertelde me hoe de oom van een zekere jonge dame,
die door een zekeren kapitein met list ontvoerd en gehuwd was geworden,
in deze streek woonde; en hoe deze oom zoo'n razende Roeland was, dat
hij zich niet zou verwonderen of hij volgde den bewusten kapitein naar
Engeland, "en schoot hem op straat dood, waar hij hem ook tegenkwam,"
iets wat ik hem zoo grif niet toe wou geven. Ik voelde me namelijk zoo
doodmoe, dat ik mijn oogen nauwelijks open kon houden, en nu kwam 't
zeker hier vandaan, dat ik op eens trek kreeg hem tegen te spreken, en
hem daarom de opmerking maakte, dat, als die oom het hart in zijn lijf
mocht hebben om tot zoo'n krassen maatregel zijn toevlucht te nemen,
hij op een mooien morgen in de vroegte in de Old Bailey opgeknoopt
zou worden; en dat hij wel zou doen, zijn testament te maken voordat
hij vertrok, daar hij niet heel lang in Engeland zou wezen, of hij zou
't van noode hebben.
Den ganschen nacht rijden we door. Van lieverlede begint de dag
aan te breken, en nu duurt het niet lang of de eerste liefelijke
stralen der warme zon komen ons in de schuinte beschijnen. Ze wierp
overigens haar licht op een ellendige woestenij van verzengd gras,
doodsche boomen en armzalige hutten, een tooneel zoo allernaarst dat
men zich met mogelijkheid niets ergers voor zou kunnen stellen. Ja,
't was een woestijn zelf in 't bosch, waarvan de plantengroei even
dampig is en schadelijk als die welke men op de oppervlakte van
stilstaand water aantreft; waar de giftige paddestoel in den zeldzamen
voetafdruk op den drabbigen bodem groeit, en uit de reten in muur
en zolder opschiet. Afzichtelijk, niet waar? om zoo'n plek gronds
zoo dicht in de nabijheid, ja, als 't ware op den drempel eener stad
tegen te komen! Maar wat zal ik u daarvan zeggen? Jaren geleden was
die ellendige plek opgekocht, maar de eigenaar is niet op te sporen,
en nu kan de Staat er de handen niet aan slaan. Zoo blijft ze daar
dan te midden eener ontgonnen en bebouwde streek als een stuk gronds,
waar de vloek van de een of andere groote misdaad aan kleeft.
Even voor zevenen bereikten we Columbus en bleven daar dien dag en
nacht om ons wat te verfrisschen. We troffen 't goed: voortreffelijke
apartementen toch stonden ons ten dienste in een zeer groot doch
nog niet afgebouwd hotel, het Neill House genaamd, die, rijkelijk
gestoffeerd met meubelstukken van 't gepolijste hout van den zwarten
noteboom, evenals kamers eener Italiaansche huizing, op een fraai
portico en steenen veranda uitkwamen. De stad is zindelijk en aardig,
en is natuurlijk "op weg" om hoe langer hoe meer uitgebreid te
worden. Ze is de zetel van de Wetgevende Vergadering van Ohio en
maakt bijgevolg aanspraak op eenig aanzien en gewicht.
Daar er langs den weg, dien wij wenschten te volgen, den volgenden dag
geen diligence afreed, zoo huurde ik tot billijken prijs een "extra" om
ons naar Tiffin te brengen, een klein stadje van waar een spoor loopt
naar Sandusky. Dit zoogenaamde extra was een gewone diligence met vier
paarden, zooals ik die reeds beschreven heb; een rijtuig dat gedurig
van paarden en koetsiers veranderde, maar voor deze reis uitsluitend
ter onzer beschikking bleef. Ten einde ons er van te verzekeren, dat
we aan alle pleisterplaatsen paarden zouden krijgen en geen overlast
zouden hebben van vreemdelingen, stuurden de eigenaars een agent op
den bok mee, die ons den heelen weg over gezelschap zou houden; en
onder dat geleide nu, en buitendien een sluitmand vol geurige koude
vleeschspijzen, vruchten en wijn meenemende, reden we den volgenden
morgen om halfzeven welgemoed af, ook niet weinig in onzen schik dat
we onder ons waren, en met de ernstigste voornemens dat we ons zelfs
door de ruwste teleurstellingen der reis niet uit ons humeur zouden
laten brengen.