Niemand zal ooit toegeven, dat de plaats zijner inwoning ongezond is

(tenzij hij ze verlate), en daarom zal ik 't stellig wel aan den stok

krijgen met de inwoners van St. Louis, door namelijk in twijfel te

trekken of haar klimaat wel zoo erg gezond is, en een vermoeden te

opperen dat hier 's zomers en in den herfst nogal koortsen moeten

heerschen. Laat mij er slechts dit bijvoegen, dat haar klimaat zeer

heet, en de stad omringd is van groote rivieren en uitgestrekte streken

ongedraineerd moerassig land, dan moge de lezer dienaangaande zijn

eigen gevoelen opmaken.

Daar ik er sterk naar verlangde, een zoogenaamde Prairie te zien

voor en aleer ik van 't verste punt mijner zwerftochten terugkeerde,

en eenige heeren der stad, door gastvrijheid gedreven, dezelfde

begeerte hadden om aan dit mijn verlangen te voldoen, werd er een

dag bepaald waarop wij voor mijn vertrek een tochtje zouden doen,

naar de Looking-Glass [9] Prairie, die ongeveer dertig mijlen van

de stad afligt. Nu zullen mijn lezers er waarschijnlijk niets tegen

hebben, eens te weten, wat zoo'n Zigeunerstocht op zoo'n afstand

van huis wel inheeft, en onder wat voor soort van voorwerpen men

zich daar beweegt. Welaan dan, in een volgend hoofdstuk hoop ik hun

weetgierigheid te bevredigen.

XIII.

NAAR DE PRAIRIE.

EEN UITSTAPJE NAAR DE LOOKING-GLASS PRAIRIE, HEEN EN TERUG.

Laat mij beginnen met voorop te zetten, dat Amerikanen het woord

prairie op verschillende wijzen uitspreken, bij voorbeeld als paraaer,

parearer en paroarer. De laatste wijze van uitspraak is misschien

het meest in zwang.

Wij waren met ons veertienen, en allen jonge mannen. Nu, het is

een zonderlinge, ofschoon zeer natuurlijke kenmerkende trek in de

gezelschappen die deze afgelegen nederzettingen bezoeken, dat ze

voornamelijk uit personen bestaan in den bloei des levens, die voor

geen kleintje vervaard zijn, en dat er maar bitter weinig grijze

hoofden onder door loopen. Dames waren er niet bij. Geen wonder,

want het uitstapje was nogal vermoeiend en 's morgens met klokkeslag

van vijven zouden we op marsch gaan.

Ik werd om vier uur geroepen, om er zeker van te wezen, dat niemand

op mij behoefde te wachten, en nadat ik wat brood en melk gebruikt

had voor mijn ontbijt, gooide ik het raam open en keek in de straat,

denkende dat ik het geheele gezelschap druk in de weer zou zien met

het maken van aanstalten voor onzen tocht. Maar daar alles doodstil

was en de straat er even somber uitzag als dit gewoonlijk elders om

vijf uur in den morgen het geval is, begreep ik dat het maar geraden

zou zijn, weer naar bed te gaan, wat ik dan ook deed.

Om zeven uur werd ik weer wakker, en toen was ons gezelschap bijeen,

rondom een licht rijtuigje met een kolossale wagenas; zoo iets

op wielen als een speelwagentje; een dubbelen phaeton van groote

antiquiteit en bovenaardschen bouw; een sjees met een groot gat in

'r rug en een gebroken hoofd, en een soort van postiljon die te

paard zat, en vooraan zou gaan. Ik ging met drie tochtgenooten in

't eerste rijtuig zitten; de overigen zochten een goed onderkomen

in de andere rijtuigen; twee groote manden werden aan 't lichtste

rijtuig vastgemaakt; twee groote kruiken in teenen kokers, waarvan de

technische naam bij ons demi-johns is, werden aan de "least rowdy"

[10] uit het gezelschap ter bewaring toevertrouwd; en zoo ging de

optocht naar de veerboot, waar, zooals de gewoonte in deze streken

meebrengt, menschen, paarden, wagens en alles mee overgezet zou worden.

Goed en wel kwamen we over deze rivier, en monsterden elkaar weer

voor een kleine houten kast op wielen, die geheel schuins in een

moeras stond met "MEESTER KLEERENMAKER" in zeer groote letters boven

de deur geschilderd. Nadat we onze marschorde en den weg, dien we in

zouden slaan vastgesteld hadden, zetten we ons andermaal in beweging

en begonnen met een slecht ter naam staanden zwarten hollen weg in te

slaan, die men hier, minder krachtig, den Amerikaanschen Bodem noemt.

Den vorigen dag was 't--ik zal niet zeggen heet geweest, want zelfs

dit woord zou te zwak zijn, om den lezer een denkbeeld te geven van

de temperatuur. De stad had als 't ware in een lichtelaaien gloed

gestaan. Maar 's avonds was het beginnen te regenen dat het goot, en

den geheelen nacht was 't zonder ophouden door blijven regenen. Wij

hadden een span stevige paarden, doch legden niettemin maar een

beetje meer dan een paar mijlen per uur af, door één onafgebroken poel

van zwarte modder en water, zonder eenig andere afwisseling dan dat

het hier wat dieper was dan daar. Zoo zakten we 'r nu eens tot half

over de wielen in, dan tot over de as, en straks bijna tot aan de

portierraampjes. Overal weergalmde de lucht van 't luide gekwaak der

kikvorschen, die hier het rijk alleen schenen te hebben in vereeniging

met de varkens (een gemeen, leelijk ras, dat er zoo ongezond uitzag

als was het zoo regelrecht uit deze streek opgegroeid). Hier en daar

reden we een blokhut voorbij; maar de armzalige hutten stonden ver van

elkaar af; want ofschoon de grond te dezer plaatse zeer rijk is, kunnen

er maar weinigen in zoo'n doodelijke atmosfeer leven. Aan iederen kant

van den weg, als hij dien naam nog verdient, bevond zich het dikke

"kreupelhout," en overal zag men stilstaand, slijmerig, stinkend,

smerig water.

Daar 't hier de gewoonte is, een paard een zekere hoeveelheid koud

water te geven, telkens als het zoo heet is dat het schuimt, maakten we

met dat doel halt voor een blokherberg in 't bosch, die ver van eenige

andere woning af stond. Ze bestond uit één vertrek, natuurlijk kaal

van dak en kaal van muren, met een zolder er boven. De dienstdoende

kellner was een zwartachtige jonge neger, in een gedrukt katoenen

hemd, dat wel iets weghad van een beddeken, en met een opgelapte

broek aan. Behalve deze sinjeur waren er nog een paar jonge knapen,

die, bijna naakt, bij den put lagen te luieren; en zij, en hij,

en de reiziger in de herberg, kwamen te voorschijn om ons op te nemen.

De reiziger was een oud man met een grijzen stekeligen baard van

twee duim, een ruigen knevel van dezelfde kleur, en verbazend groote

wenkbrauwen, die zijn lodderige, half beschonken oogen bijna geheel

en al overschaduwden, toen hij zich beurtelings op zijn teenen en

hielen in evenwicht houdende, ons met de armen over elkaar stond aan

te gapen. Zoodra een uit ons gezelschap hem aansprak, kwam hij nader,

krabde aan zijn kin (iets wat onder zijn vereelte hand een geluid

maakte alsof iemand, die spijkers onder de zolen zijner schoenen heeft

zitten, over nieuw kiezelzand loopt), en zei dat hij van Delaware

was. Vervolgens wees hij naar een der moerassen, waar de geknotte

boomen het dichtst naast elkaar stonden, en zei dat hij daar ginds

onlangs een boerderij gekocht had. Nog vertelde hij ons, dat hij naar

St. Louis ging om zijn familie te halen die hij achtergelaten had;

maar hij scheen niet veel haast te hebben, om dit karweitje achter

den rug te krijgen, want toen we wegreden, ging hij op zijn gewone

slungelachtige wijze de hut weer in, en scheen wel van zins om daar

tabernakelen te bouwen tot zijn laatste cent op was. Natuurlijk was

hij een groot staatkundige en ontvouwde aan een uit ons gezelschap

nogal wijdloopig zijn gevoelens; maar ik herinner me alleen, dat hij

met twee uitroepen concludeerde, waarvan de eene was: Iemand voor

altijd! en de andere: Weg met ieder ander! Iets wat in geenen deele

bewijst, dat de man de zaken niet goed inzag.

Toen de paarden tot bijna tweemaal hun natuurlijken omvang gezwollen

waren (men schijnt hier van 't denkbeeld uit te gaan, dat zoo'n soort

van opgeblazenheid hun onder 't loopen goeddoet) gingen we weer verder,

door modder en vocht, en vurige hitte, en struiken en heesters,

altijd geaccompagneerd door de muziek der kikkers en der zwijnen,

en dat hield zoo aan tot bij den middag, toen we halt maakten op een

plaats Belleville genaamd.

Belleville was een kleine verzamelplaats van houten huizen, die

in 't hartje van 't kreupelhout en 't moeras als bijeengehutseld

waren. Verscheidene daarvan hadden opzienbarend lichtrood en geel

geschilderde deuren; want de plaats, moet men weten, was onlangs

bezocht door een reizenden schilder, die, zooals men mij vertelde,

"op die manier aan den kost zag te komen." Het gerechtshof hield juist

een zitting en was op dat oogenblik bezig met het verhooren van eenige

misdadigers, die paarden moesten gestolen hebben: allerwaarschijnlijkst

zou 't slecht met hen afloopen, want daar levende have van allerlei

soort uit den aard der zaak nogal gevaar loopt in de bosschen, zoo

is ze bij de gemeente eigenlijk nog meer in tel dan 't leven van een

mensch, weshalve de jury gewoonlijk iedereen, die van vee-diefstal

beticht wordt, schuldig verklaart, onverschillig of hij 't is al

dan niet.

De paarden van den rechter en de getuigen waren aan tijdelijke ruiven

vastgemaakt, die maar licht en dicht op den weg waren neergezet (onder

dat woordje "weg" heeft men een pad door 't bosch heen te verstaan,

waar men bijna tot aan de knieën in de modder en 't slik zakte).

Er was hier ook een logement, dat evenals alle hotels in Amerika,

een groote eetzaal had waar open tafel werd gehouden. Die zaal was een

armzalige schuur voor het huis, laag van verdieping en half koeienstal,

half keuken, met een gemeen bruin tafelkleed van zeildoek, en aan

den muur vastgemaakte tinnen armblakers, waar men bij 't avondeten de

kaarsen in stak. Onze postiljon of koetsier of hoe men hem noemen wil,

was vooruitgegaan, om koffie en wat "eten" te bestellen, en ze waren er

nu bijna al klaar mee. Hij had "tarwebrood en kuiken-fixing" besteld,

want daar hield hij meer van dan van "witbrood en zoo'n alledaagschen

kost." Met dit laatste bedoelt men hier alleen varkensvleesch en

spek, terwijl men onder kuiken-fixings geroosterde ham, saucijsjes,

kalfslapjes, ossenlapjes en andere soortgelijke vleeschspijzen

verstaat, waar men van veronderstellen kan, dat ze (dit woord in een

nogal ruimen, dichterlijken zin opgevat) een kuiken behoorlijk in de

verteringsorganen van een dame of heer zullen "fix" (bevestigen.)

Aan een der deurposten van dit logement of liever herberg was een

blikken plaatje, waar met vergulde letters "Dokter Crocus" op te lezen

stond, en op een vel papier, dat bezijden dit plaatje aangeplakt was,

las men een geschreven bericht dat Dr. Crocus ten genoegen van het

Belleviller publiek, tegen betaling van zoo en zooveel per hoofd,

dien avond een lezing zou houden over de Phrenologie of Schedelleer.

Terwijl de "kuiken-fixings" klaargemaakt werden, ging ik de trap op,

en kwam toevallig de kamer van den dokter voorbij. Daar nu de deur

wagenwijd openstond, en de kamer leeg was trok ik mijn stoute schoenen

aan en gluurde er eventjes in.

Het was een kaal, ongemeubileerd, ongezellig vertrek, met een

portret zonder lijst dat aan 't hoofdeinde van 't ledikant hing, en,

naar ik gis, den dokter moet verbeeld hebben, want het voorhoofd was

phrenologisch volkomen ontwikkeld, iets waar de kunstenaar kennelijk

nogal werk van gemaakt had, om goed uit te doen komen. Over het

ledikant zelf lag een beddesprei, als men een oude lappedeken met dien

naam mag bestempelen. Geen karpet op den vloer, geen gordijnen voor

de ramen. Er was een vochtige stookplaats zonder iets dat naar een

kachel zweemde, vol houtskool; een stoel, en een zeer klein tafeltje,

op welk laatstgenoemd meubelstuk dokters bibliotheek, bestaande uit

een half dozijn smerige oude boeken, zoo lag uitgespreid, dat het

nogal vertooning moest maken.

Nu zag deze kamer er zeker zoodanig uit, dat men 't voor 't laatste

vertrek ter wereld zou gehouden hebben, waar u of mij iets goeds

uit ten deel kon vallen. Maar, gelijk ik gezegd heb, de deur stond

uitnoodigend open en hield in verband met den stoel, het portret,

de tafel en de boeken als 't ware deze toespraak: "komt maar binnen,

heeren, komt maar binnen! Weest toch niet ziek, heeren, als ge wel kunt

worden in een ommezien. Dokter Crocus is hier, heeren, de beroemde

dokter Crocus! Dokter Crocus heeft deze heele reis afgelegd, om u

te genezen, heeren. Hebt gij niet gehoord van Dokter Crocus, dan is

't uw schuld, heeren, die zoo'n klein beetje buiten de wereld woont,

maar dokter Crocus' schuld is 't niet. Komt maar binnen, heeren,

komt maar binnen!"

Toen ik de trap weer afliep, kwam ik, in de gang beneden, dokter Crocus

zelf tegen. Een massa menschen was uit het Gerechtshof saamgevloeid,

en een stem uit haar midden riep den herbergier toe: "Kolonel! stel

dokter Crocus toch 'reis voor."

"De heer Dickens," zegt de kolonel. "Dokter Crocus."

Waarop dokter Crocus, die een groote, knappe Schot is, maar om de

waarheid te zeggen wat al te forsch en te krijgsmansachtig voor een

beoefenaar van de vreedzame geneeskunst, met zijn rechterarm en zijn

borst zoo ver mogelijk vooruit, op eens uit het oploopje voor den

dag komt en zegt:

"Uw landsman, m'nheer!"

Waarop Dokter Crocus en ik elkaar de hand geven, en dokter Crocus

een gezicht trekt alsof ik in geenen deele aan zijn verwachting

beantwoordde. Nu moet ik dan ook zeggen, dat ik met een linnen kiel

en een grooten strooien hoed met een groen lint, en geen handschoenen

aan, en mijn gezicht en neus rijkelijk versierd met de steken van

muskieten en de beten van wandluizen, er zóó uitzag, dat het niet te

verwonderen was, dat ik daaraan niet beantwoordde.

"Is u al lang hier, m'nheer?" zeg ik. (Ik diende toch iets te zeggen.)

"Een maand of vier, m'nheer," zegt de dokter.

"Is-u van plan om gauw weer naar 't oude vaderland terug te keeren,

m'nheer?" zeg ik.

Een woordelijk antwoord geeft dokter Crocus op die vraag niet, maar

zoo'n smeekenden blik krijg ik van hem, een blik die zoo duidelijk

zegt: "Och toe, wees zoo goed en vraag me dat asjeblieft 'n beetje

luider!" dat ik mijn vraag herhaal.

"Of ik van plan ben gauw weer naar 't oude vaderland terug te keeren,

m'nheer!" herhaalt de dokter.

"Ja, naar 't oude vaderland, m'nheer," herhaal ik weer op mijn beurt.

Dokter Crocus kijkt in de rondte om te zien, wat voor indruk deze

woorden op de menigte om hem heen teweegbrengen, wrijft in zijn handen

en zegt zeer luid:

"Vooreerst nog niet, m'nheer, vooreerst nog niet. Op zoo

iets zal u me niet betrappen. Daartoe hou ik 'n beetje te

veel van vrijheid, m'nheer. Ha! ha! 't Is zoo gemakkelijk

niet, m'nheer, zich los te scheuren van een vrij land zooals

dit. Ha! ha! Neen! neen! Ha! ha! Niets van dat al, of je moet tegen

wil en dank verplicht zijn, dat te doen, m'nheer. Neen, neen!"

Als dokter Crocus deze laatste woorden zegt, schudt hij veelbeteekenend

zijn hoofd en lacht opnieuw. Verscheidene der omstanders schudden

evenals de dokter, met hun hoofden en lachen ook, en kijken elkaar

aan alsof ze wilden zeggen: "Die Crocus is toch 'n vroolijke vent,

'n opperbeste kerel!" en, of ik moet me al danig vergissen, dien avond

gingen er heel veel de lezing bijwonen, die, zoo oud als ze waren,

nog nooit om dokter Crocus of phrenologie gedacht hadden.

Van Belleville zetten we door dezelfde soort van woestenij, en, zonder

dat het een enkel oogenblik ophield, bestendig geaccompagneerd door

dezelfde kikkermuziek, onzen tocht voort, totdat we om drie uur na

den middag nog eens halt maakten aan een dorp Libanon geheeten, om de

paarden weer op te blazen en ze buitendien een beetje koorn te geven

wat ze hoog noodig hadden. Gedurende deze plechtigheid kuierden wij het

dorp in, waar ik een kant en klaargemaakt woonhuis tegenkwam, dat, door

een stuk of twintig ossen voortgetrokken, den heuvel af kwam draven.

Het logement was hier zoo zindelijk en goed, dat de bestuurders

van den tocht besloten, er op de terugreis weer aan te gaan en er

zoo mogelijk den nacht door te brengen. Dit eenmaal vastgesteld,

en de paarden goed verfrischt, rukten we weer op, en kwamen met

zons-ondergang op de Prairie aan.

Waar 't vandaan kwam zou ik moeilijk kunnen zeggen--ofschoon 't

mogelijk was, dat het hier vandaan kwam, dat ik er zooveel van gehoord

en gelezen had--maar dit weet ik wel, dat ik mij nu teleurgesteld

gevoelde. Daar lag dan, den kant uit naar de ondergaande zon, een

uitgestrekte vlakte voor mij, die door niets werd afgebroken dan door

een dunne lijn van boomen, die zich in 't verschiet ternauwernood

als een streep voordeed, totdat die streep, om zoo te zeggen,

den gloeienden hemel ontmoette, waar ze zich in scheen te dompelen,

zich vermengende met zijn rijke kleuren, vooral met zijn overheerlijk

azuur. Daar lag ze, de vlakte, aan een stille zee of meer zonder water

gelijk, bijaldien men zoo'n vergelijking mag maken,--daar lag ze,

terwijl de avondschemering allengs haar sluier er overheen trok:

hier en daar trippelde een vogeltje, overigens was alles om ons

heen even eenzaam en stil. Maar het gras stond er nog niet hoog;

er waren kale zwarte plekken op den grond, en de weinige wilde

bloemen, die het oog kon zien, zagen er armzalig uit. Hoe groot de

schilderij ook was, juist dat vlakke en uitgestrekte, dat hoegenaamd

geen stof aanbood voor de verbeelding, het deed de belangstelling

niet weinig verflauwen. Ik voor mij voelde dan ook weinig van dien

geest van vrijheid en blijheid, dien een Schotsche hei inboezemt, ja

zelfs onze Engelsche duinen opwekken. Het was hier eenzaam en woest,

maar neerdrukkend door zijn kale eentonigheid. Ik voelde dat ik bij

't doortrekken der Prairiën mij nooit zoo met het tooneel om me heen

inlaten kon, dat ik al het andere zou vergeten, wat ik instinctmatig

zou doen als ik daar een heibewoner aan mijn voet mocht zien of een

als in ijzeren banden geklonken kust: maar dat ik dikwijls turen zou

naar de afgelegen en telkens wijkende lijn van den gezichteinder,

en daarbij den wensch zou ontboezemen dat ik zoo ver was ze achter

den rug had. Wel is 't geen tooneel om vergeten te worden, maar

bezwaarlijk zou men 't onder die tooneelen kunnen rekenen, waar men

naderhand met plezier om denkt of die men nog eens weerom verlangt

te zien. Zoo komt het mij althans voor na al wat ik daarvan gezien heb.

Ter wille van 't water dat wij er vonden, kampeerden we in de

nabijheid van een eenzaam blokhuis, en gebruikten ons middagmaal op

de vlakte. In de manden hadden wij gebraden gevogelte, buffeltong

(een uitgezochte lekkernij tusschen twee haakjes), ham, brood, kaas

en boter; beschuit, champagne en sherry; citroenen en suiker voor

punch; en een massa ruw ijs. Het maal was kostelijk, en zij, die er

ons op trakteerden, kruidden het ten overvloede door vriendelijkheid

en opgeruimdheid. Menigmaal heb ik me sinds dien tijd dat vroolijke

partijtje voor den geest geroepen, en al kom ik later weer met vrienden

van ouder dagteekening aan den gezelligen disch bijeen, mijn goede,

beste reismakkers in de Prairie zal ik toch niet gemakkelijk vergeten.

Dien avond naar 't dorp Libanon terugkeerende stapten wij aan de kleine

herberg af, waar we dien middag halt gemaakt hadden. Wat zindelijkheid

en gemak betreft, had het de vergelijking door kunnen staan met elk

min of meer welvarend dorpsbierhuis in Engeland.

Den volgenden morgen stond ik om vijf uur op, en ging toen het dorp

eens in; geen een huis kwam ik dien dag in mijn zwerftocht tegen,

misschien was 't daartoe nog te vroeg. Vervolgens amuseerde ik

me, door in een soort van boeren-erf achter de kroeg eens rond

te drentelen, dat er nogal vreemd uitzag. Verbeeld u een stuk of

wat ruwe loodsen die stallen moesten heeten; een ruwe zuilengang,

gebouwd om 's zomers een koele plaats tot verfrissching te hebben;

een diepen put; een groote hoogte van aarde waar men 's winters

groenten in kon bewaren; een duiventil, waarvan de kleine openingen,

gelijk met alle duivenhokken het geval is, veel te klein schenen te

wezen om er de vette vogels met hun opgezwollen kroppen, die er deftig

en wel omheen stapten, behoorlijk door te laten, ofschoon ze zeker

nooit zoo erg hun best deden om er door te komen als toen. Na mijn

nieuwsgierigheid op dit punt te hebben bevredigd, nam ik een kijkje

in de twee spreekkamers, die versierd waren met gekleurde prenten van

Washington, en President Madison, en van een jonge dame met een blank

gezicht (dat nogal bespikkeld was van de vliegen), die haar gouden

halsketting ter bewondering van den aanschouwer ten toon spreidde

en allen die haar bewonderden meedeelde dat zij "juist zeventien"

was, ofschoon ik haar voor ouder aangezien had. In 't beste vertrek

hingen twee portretten in olieverf, den herbergier en zijn jeugdigen

zoon voorstellende, die er beide zoo stout uitzagen als leeuwen en

je met zoo'n deftigheid aankeken, dat de duurste prijs, die er voor

betaald was geworden, nog goedkoop zou mogen heeten. Ik geloof, dat

ze door denzelfden kunstenaar geschilderd waren, die de deuren in

Belleville zoo mooi met rood en goud belegd had, want onmiddellijk

scheen ik diens verheven stijl te herkennen.

Na 't ontbijt braken wij op, om langs een anderen weg dan wij gister

ingeslagen hadden, terug te keeren, en daar we om tien uur een

kamp van Duitsche landverhuizers tegenkwamen die hun goederen op

wagens meevoerden en een lekker vuur gemaakt hadden dat zij juist

bezig waren te verlaten, zoo maakten we daar halt, om ons wat te

verkwikken. En welkom, uiterst welkom was ons dat vuur, want al was

't gister heet geweest, vandaag was 't erg koud en waaide er een

scherpe wind. Toen we daar langs reden, zagen we in de verte nog

zoo'n oude Indiaansche begraafplaats, de Monnikenhoogte geheeten,

ter gedachtenis aan een vereeniging van dwepers van de orde van La

Trappe, die, toen er duizenden mijlen in den omtrek geen enkel kolonist

gevonden werd, verscheidene jaren geleden daar een eenzaam klooster

hadden gesticht, en allen door het verderfelijk klimaat weggesleept

waren, welk noodlottig ongeval misschien maar weinig verstandige lui

als een ernstig verlies voor de maatschappij zullen beschouwen.

De tocht, dien we dien dag aflegden, bood dezelfde verschijnselen aan

als de tocht van den vorigen. Daar was 't moeras, het kreupelhout,

het eeuwigdurend gekwaak van kikvorschen, de plantengroei en de

ongezonde dampen die uit den grond opstegen. Hier en daar, en nogal

menigvuldig ook, kwamen we een gebroken wagen tegen, die vol was van

't goed van den een of anderen nieuwen kolonist. Het was een naar,

een allernaarst gezicht, zoo'n wagen diep in de modder te zien steken;

de as gebroken; een wiel er naast liggend; de man mijlen ver gegaan

om hulp te halen; de vrouw als een beeld van schier wanhopig geduld,

met een zuigeling aan haar borst te midden harer zwervende huisgoden

zittende; terwijl het span ossen droevig in 't slik nederligt en

zulke dampwolken uit bek en neusgaten blaast, dat al de natte mist

en nevel in de rondte rechtstreeks van hen afkomstig scheen te wezen.

Behoorlijk op zijn tijd kwamen we nog eens voor de woning van den

meester kleerenmaker bijeen, en staken nadat we gemonsterd waren,

per veerboot naar de stad over. Onderweg kwamen we een plek voorbij,

het Bloedige Eiland genaamd, de strijdplaats van St. Louis, en onder

die benaming aangeduid ter eere van den laatsten noodlottigen strijd

die daar, borst tegen borst, met pistolen werd gestreden. Maar de

strijders vielen dood ter aarde; en 't is heel wel mogelijk, dat

enkele verstandige lui van hen zullen denken wat ze van die sombere

bent van in hun hersens geprikte Kluizenaars gedacht hebben, dit

namelijk, dat ook hun dood geen groot verlies was voor de maatschappij.

XIV.

NAAR DE WATERVALLEN VAN DEN NIAGARA.

TERUGKEER NAAR CINCINNATI. EEN RIT PER DILIGENCE VAN DIE STAD NAAR

COLUMBUS EN VAN DAAR NAAR SANDUSKY. ZOO, OVER 'T MEER ERIE, NAAR

DE WATERVALLEN VAN DEN NIAGARA.

Daar ik graag door de binnenlanden van den staat Ohio wou reizen en,

zooals de geijkte uitdrukking in die streken luidt: "strike the lakes"

[11] bij een klein stadje, Sandusky geheeten, waar die route ons

naar toe brengen zou op onzen weg naar Niagara, zoo dienden we langs

denzelfden weg, dien we op waren gegaan, van St. Louis terug te keeren,

en onzen eersten tocht weer te hervatten tot aan Cincinnati.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 20 / 48 段