Daar de stad geen merkwaardigheden bezat van dien aard, dat het de

moeite waard was, ons aldaar op te houden, besloten we reeds den

volgenden dag met een andere stoomboot, de Fulton, verder te gaan. We

hadden ons te dien einde, tegen den middag, naar een zekere voorstad,

Portland genaamd, te begeven, waar de boot een kanaal door moest,

dat haar natuurlijk eenigen tijd op zou houden.

Den tijd, die ons na 't ontbijt overbleef, besteedden we aan 't

doorrijden van de stad, die regelmatig en vroolijk aangelegd is. De

straten beschrijven namelijk rechte hoeken en zijn met jonge boomen

beplant. De gebouwen zien er rookerig en zwart uit, door 't gebruik

van steenkolen, maar een Engelschman is wel gewoon aan dat gezicht en

heeft geen lust daar over te vallen. In den handel scheen niet veel

om te gaan; en sommige onvoltooide gebouwen als anderszins schenen er

op te zinspelen dat de stad overbouwd was in de drift van Amerika's

lievelingsleus: "Vooruit maar! Hals over kop maar!" en nu gebukt

ging onder de reactie, die er een onvermijdelijk gevolg van is,

als men zijn krachten op zoo'n koortsachtig gejaagde wijze overschat.

Op onzen weg naar Portland passeerden we een "Magistrate's office,"

waar ik me niet weinig vroolijk over maakte, daar 't meer weg had van

een jongejuffrouwenschool dan van een politie-bureau. Verbeeld u, dit

ontzagwekkend gebouw was niets dan een klein, nestig spreekkamertje,

dat aan de straat uitkwam, en in dat kamertje lagen twee of drie

figuren (ik veronderstel den schout en zijn rakkers) zich als

toonbeelden van vadsige rust te koesteren in de zon. Kortom 't was

een volkomen beeld van de Justitie die zich uit gebrek aan klanten

uit de zaken teruggetrokken, haar zwaard en schaal verkocht heeft, en

nu met de beenen op de tafel op haar doode gemak ligt te rentenieren.

Evenals overal elders in deze streken, krioelde ook hier de weg

van varkens van allerlei leeftijd, die hier en daar en overal

lagen te slapen of al knorrende aan 't zoeken waren van verborgen

lekkernijen. 't Is misschien een gril van me, nu goed, maar ik kan

't niet helpen, ik ben altijd op de hand geweest van die oolijke

dieren; als niets me op kon vroolijken, dan heb ik toch nog altijd

schik gehad wanneer ik 't naging hoe zij reilden en zeilden. Toen

wij er dien morgen langs reden, merkte ik een klein voorvalletje

op tusschen twee jeugdige varkens, dat onuitsprekelijk koddig mocht

heeten. Ik zal 't u vertellen, lezer, ofschoon ik er zeker van ben,

dat het dan nogal saai zal worden.

Een zekere jongeheer (een zeer delicaat zwijn, wien verscheidene

strootjes nog uit den neus staken, wel een bewijs hoe kort het nog

maar geleden was dat hij een wetenschappelijke reis naar den een of

anderen mesthoop ondernomen had), een zekere jongeheer dan liep,

in diep gepeins verzonken, te kuieren, toen zijn broer, ik wil

zeggen m'nheer zijn broer, die in een modderplas lag, iets wat hij

niet gezien had, spookachtig van de dampende modder zich op eens aan

zijn ontstelde blikken vertoonde. Nooit had een varken al zijn bloed

zoodanig voelen stollen. Ten minste drie voet sprong hij achteruit,

keek een oogenblikje op, en zette het toen zoo hard hij maar kon op

'n loopen, terwijl zijn buitengewoon klein staartje van de haast en

den schrik schudde als een penduleslinger die in de war is. Maar

voordat hij nog heel ver gegaan was, begon hij blijkbaar bij zich

zelf te redeneeren over den aard dezer vreeselijke verschijning; en

onder 't redeneeren begon hij zoetjes aan zachter te loopen; totdat

hij ten laatste stil bleef staan en weer rechtsomkeert maakte. Daar

lag, met de modder op 'm glimmende in de zon, zijn broer hem uit

denzelfden modderplas aan te gapen: men kon 't hem aanzien, dat

hij er met zijn varkensverstand maar niet de hoogte van had kunnen

krijgen wat zijn broer toch bewogen had, zich als zoo'n dolleman

aan te stellen! Nauwelijks had hij zich hiervan verzekerd (en hij

verzekerde zich er zoo sekuur van, dat men bijna zou zeggen, dat hij

zijn hand voor zijn oogen deed, om des te beter te kunnen zien), of

hij keerde op een fiksch drafje terug, vloog op hem aan, en beet hem

zonder complimenten een stukje van zijn staart af, alsof hij 't hem op

die manier in wou peperen, om in 't vervolg wat beter op te passen en

nooit ofte nimmer weer eenig lid zijner familie in de maling te nemen.

Wij vonden de stoomboot in 't kanaal, waar ze wachtte op den afloop

van die even vervelende als langzame karwei, welke bij schippers en

consorten onder den naam van "schutten" bekend staat. We gingen toen

aan boord, waar we kort daarna een nieuw slag van bezoeker hadden in

den persoon van een zekeren Reus uit Kentucky, wiens naam Porter is

en in zijn kousen de gematigde hoogte van zeven voet acht duim bereikt.

Nooit bestond er een menschenras, dat de geschiedenis zoo ten eenenmale

logenstrafte of de kroniekschrijvers zoo gruwelijk in hun geschriften

belasterd hebben, als deze reuzen. In plaats van de wereld in rep

en roer te brengen en ze onderste boven te keeren, in plaats van er

altijd en eeuwig op uit te zijn om hun Cannibalen-provisiekamers van

't noodige te voorzien, en te dien einde gedurig op ongeoorloofde

manier naar de markt te gaan, zijn zij de zachtzinnigste menschen

die men zich met mogelijkheid voor kan stellen: eerder geneigd tot

melk en plantaardig voedsel en over wie men wel, zooals men dit

noemt, heen zou kunnen loopen, als men ze maar met rust en vrede

laat. Ja zoo stellig zijn vriendelijkheid en zachtzinnigheid de

hoofdkenmerken van hun karakter, dat ik beken, op dien jongen,

die zich onderscheidde door 't slachten van deze niets en niemand

kwaaddoende personen, als een valschen roover neer te zien, wien 't,

onder 't voorgeven van menschlievende bedoelingen, wezenlijk nergens

anders om te doen was, dan om de schatten te plunderen die zij in

hun kasteelen opgestapeld hadden. En des te eer hel ik hiertoe over,

daar ik vind, dat zelfs de geschiedschrijver van die heldendaden,

met al de partijdigheid voor zijn held, toch, en grif ook, toe moet

geven, dat de geslachte monsters in quaestie van een zeer onschuldig

en eenvoudig kaliber waren; buitengewoon argeloos en lichtgeloovig;

zoo lichtgeloovig zelfs dat ze de onwaarschijnlijkste vertelseltjes

voor echte munt aannamen; personen die, om kort te gaan, met zich om

lieten springen als de kat met de muis, die zich dan ook zoetsappig

in kuilen lieten stoppen, ja zelfs (evenals in 't geval van den Reus

uit Wallis) met een overmaat van de gastvrije beleefdheid van een

logementhouder zich liever in stukjes lieten hakken, dan dat ze in

de verte op de mogelijkheid zouden gezinspeeld hebben, dat hun gasten

bedreven waren in de landlooperskunst, van de maar al te wel bekende

vlugvingerigheid en hocus-pocus.

Onze Kentuckische reus nu was maar een nieuwe illustratie van de

waarheid dezer stelling. Hij had een zwakte in de kniestreek en een

geloofwaardigheid in zijn langwerpige tronie die zelfs op "vijf voet

negen" een beroep deed, om hier een handje te helpen. Hij was eerst

vijf en twintig jaar, naar hij zei, en nog niet lang geleden uit de

kluiten gewassen, want men had het noodig geoordeeld, een stuk te

zetten aan de pijpen van zijn onderbroek. Op zijn vijftiende jaar was

hij een kleine dreumes, en in die dagen had het weinig gescheeld of

zijn Engelsche vader en Iersche moeder hadden hem vinnig gekapitteld,

als zijnde te klein van postuur om de eer der familie op te houden. Hij

voegde er bij, dat hij niet al te gezond geweest was, ofschoon het

nu wat beter ging; maar er is geen gebrek aan kleine menschen, die

fluisteren dat hij te veel drinkt.

Ik verneem verder, dat hij huurkoetsier is, maar moeielijk zou

men kunnen begrijpen hoe hij 't aanlegt, of hij moet achter op 't

voetenbankje gaan staan, en daar met zijn borst op den hemel en met

zijn kin op den bok gaan liggen. Uit aardigheid had hij zijn geweer

meegebracht. Als "die kleine buks" gedoopt en buiten een winkelraam

uitgestald, zou een winkelier in Holborn er door boven Jan geraakt

zijn. Toen hij zich vertoond en een beetje gepraat had, vertrok hij

met zijn zakinstrument, en als een vuurtoren wandelende onder lantaren

palen, slingerde hij te midden van menschen van zes voet en langer

de kajuit in.

Nu duurde het nog maar een minuut of wat en we waren het kanaal uit,

en weer op den Ohio.

De boot was op dezelfde wijs ingericht als de Messenger; ook de

passagiers waren lui van 't zelfde allooi. Wij aten op dezelfde

uren van dezelfde spijzen op dezelfde saaie manier, en met dezelfde

gebruiken. Het gezelschap scheen onder dezelfde achterkousigheid gebukt

te gaan en dezelfde onvatbaarheid te bezitten om vroolijk te wezen en

luchtig van hart. Nooit in mijn leven zag ik zoo'n onverschillige,

zwaarmoedige saaiheid als die daar broedde over deze maaltijden:

bloot de heugenis daarvan drukt als lood op mijn ziel en maakt me voor

een oogenblik onpasselijk. Geen wonder dan ook, dat, als ik daar in

onze kleine kajuit op mijn knie zat te lezen en te schrijven, ik er

werkelijk tegen opzag dat het aanstonds weer zoo laat was om te komen

eten; en, was het eten afgeloopen, zoo blij van tafel opstond als had

ik in de kast gezeten. Waar gezonde vroolijkheid en opgeruimdheid bij

den disch aanzitten, kon ik met de Le Sage's rondreizenden speelman

mijn broodkorst doopen in de fontein en den grootsten schik hebben in

mijn leven, maar... om nu met zooveel mede-dieren aan te zitten en dan

dorst en honger te stillen op de manier waarop men handel drijft aan

de Beurs; aan te moeten zien, dat ieder schepsel zijn bord leegt zoo

gauw als hij maar kan en dan op eens uitsnijdt; kortom, er getuige van

te wezen, dat deze maatschappelijke gebruiken ontbloot zijn van alles

behalve van datgene wat met de gulzige bevrediging der natuurlijke

behoeften overeenkomt, kijk, dat alles doet bij mij de gal zoodanig

overloopen, dat ik in gemoede geloof dat de herinnering aan deze

begrafenismalen mij een wakende nachtmerrie zal zijn zoolang ik leef.

Er was toch nog iets op deze boot dat ons een beetje opbeurde, wat we

op de anderen niet gevonden hadden. De kapitein (een goed kalf van

'n vent) had namelijk zijn aardig vrouwtje bij zich, die levendig

en spraakzaam van aard, het gezelschap wel waard was, evenals dit

het geval was met een stuk of wat andere damespassagiers, die aan 't

zelfde end van de tafel bij ons zaten. Maar niets was bestand tegen

den neerdrukkenden invloed van 't gezelschap in zijn geheel genomen. Er

heerschte een magnetisme van de saaiste botheid en de botste saaiheid

onder dien troep, dat de koddigste grappenmaker ter wereld zich hier

uit het veld geslagen zou gevoeld hebben. Een schertsend woord zou

een misdaad geweest zijn, en een glimlach zou al heel gauw plaats

hebben moeten maken voor een algemeen gegrijns van afschuw. Zoo'n

doodachtig volk van lood; zoo'n stelselmatig gebuk en getob en gesloof

onder de vervelendste en ondraaglijkste zwaarmoedigheid; zoo'n massa

geanimeerde indigestie met betrekking tot al wat geestig, joviaal,

rondborstig, gezellig of prettig mag heeten; 't was zeker nooit en

nergens bijeengebracht sinds den dag der schepping.

Toen wij de samenvloeiing van den Ohio en den Mississippi naderden,

was het tooneel, dat zich daar aan ons oog vertoonde, ook alles behalve

bezielend en opwekkend. De boomen waren in hun groei belemmerd; de

oevers waren laag en plat; de nederzettingen en blokhutten geringer

in aantal, en die er in woonden, nog bleeker en armzaliger dan de

ellendigste wezens die we tot dusverre tegengekomen waren. Geen

vroolijk gezang van vogels in de lucht, geen liefelijk geuren, geen

afwisselend licht en schaduw van snel voorbijdrijvende wolken. Uur-in

uur-uit scheen de onveranderlijke gloed van den heeten, onvriendelijken

stroeven hemel op dezelfde eentonige voorwerpen. Uur-in uur-uit

stroomde de rivier voort, zoo vervelend en langzaam als de tijd zelf.

In den ochtendstond van den derden dag kwamen we eindelijk aan de plek

die er zooveel woester uitzag dan al wat we tot dusver van dien aard

gezien hadden, dat de armzaligste plaatsen, die we voorbij gekomen

waren, daarmee vergeleken, allerbelangrijkst konden genoemd worden. Aan

de samenvloeiing der twee rivieren ligt op een bodem zoo vlak, en laag,

en moerassig, dat hij op zekere tijden des jaars tot aan de nok der

huizen overstroomd is, een broeinest van koorts, ziekte en dood; en

dat rampzalige oord, het wordt in Engeland opgehemeld als een mijn van

Gouden Hoop, en afgaande op monsterachtig verkeerde voorstellingen,

laat men er zich zelf tot speculatiën door verlokken, die menigeens

onheil ten gevolge hebben. Een akelig moeras, waar de half voltooide

huizen wegrotten: hier en daar over een ruimte van een el of wat van

boomen gezuiverd; en waar dan een welige, ongezonde vegetatie voor den

dag komt, in wier ongezonde schaduw de ongelukkige landverhuizers,

die hierheen gelokt zijn, kwijnen en sterven en begraven worden;

de nare, afschuwelijke Mississippi, die er draaiend en kronkelend

voorbijstroomt, en aan zijn zuidelijken loop een slijmachtig monster

afzet, afzichtelijk om aan te zien; een broeibak van ziekte, een

leelijk graf, een groeve waar geen enkele straal van hoop boven

flikkert: een plaats zonder een enkele eigenschap, in bodem, lucht

of water, die haar in 't minst kan aanbevelen: ziedaar het beeld van

dit ellendig Caïro.

Maar welke woorden zullen den Mississippi beschrijven, dien grooten

vader van rivieren, die (de Hemel zij geloofd!) geen jonge kinderen

heeft als hij! Een reusachtig groote sloot, op sommige plaatsen

een mijl of drie breed, die, zes mijlen in 't uur, niets dan slik

of modder met zich voert; zijn sterke en schuimende stroom overal

belemmerd door blokken, ja, door heele boomen, die zich nu eens

tot groote vlotten samenvlechten, uit wier tusschenruimten een met

duinhelm begroeid, drabbig schuim opwerkt om op de oppervlakte van 't

water te dobberen; dan weer voorbijrollen als monsterachtige lichamen,

terwijl hun verwarde wortels er uitzien als gevlochten haar; die nu

een voor een als reusachtige bloedzuigers voorbijflikkeren, en zich

dan weer als gewonde slangen in de draaikolk van den een of anderen

maalstroom om en om wringen. De oevers laag, de boomen dwergachtig,

de moerassen krioelende van kikkers, de armzalige hutten weinig in

getal en ver van elkaar af, hun bewoners holwangig en bleek, het weer

erg heet, muskieten die doordringen tot in iedere reet en spleet der

boot, slik en slijm op ieder voorwerp: niets, niets dat er plezierig

uitziet, dan het onschadelijke weerlicht dat elken avond aan den

donkeren gezichteinder flikkert.

Twee dagen lang sukkelden we op dezen smerigen stroom voort. Gedurig

stootten we tegen het drijfhout aan, of stopten, om die meer

gevaarlijke hinderpalen te vermijden, de knoesten of zoogenaamde

zagers, die de verborgen stronken der boomen zijn, die onder 't water

wortels geschoten hebben. Zijn de nachten stikdonker, dan weet de

wacht, die voor aan de boot op den uitkijk staat, aan 't rimpelen

van 't water, of er een of ander onheil dicht voor de hand ligt,

en dan luidt hij een bengel naast hem, dat voor de machine het sein

is om te stoppen: maar 's nachts heeft deze bengel altijd werk,

en na ieder gelui komt een schok, die het niet gemakkelijk maakt,

in bed te blijven.

Het ondergaan der zon was hier erg prachtig; het uitspansel zwom als

in een zee van rood en goud, tot boven onze hoofden. Toen de zon

achter den oever onderging, schenen de kleinste grashalmpjes, die

daar groeiden, even duidelijk zichtbaar te worden als de aderen in

't geraamte van een blad, maar toen, daar de zon langzaam onderging,

de roode en gouden strepen op 't water hoe langer hoe doffer van

tint werden, alsof ze ook ondergingen; en al de gloeiende kleuren

van den afscheidnemenden dag duim voor duim voor den somberen nacht

verbleekten, zie, toen werd het tooneel duizendmaal eenzamer en

vervelender dan te voren, ja werd het even doodsch en naar als

de lucht.

Zoolang wij ons op deze rivier bewogen, dronken we het slikkerige

water dat ze opleverde. De inboorlingen houden 't voor gezond;

't is echter nog troebeler dan haverdegort. Ik heb zulk water in de

filtreermachines gezien, maar nergens elders.

Den vierden avond na ons vertrek uit Louisville bereikten we St. Louis,

en hier was ik getuige van 't einde van een voorval, dat nogal

onbeduidend op zich zelf, maar nogal aardig was om aan te zien en

mij gedurende de geheele reis belang had ingeboezemd.

Er was, moet men weten, een klein vrouwtje aan boord, met een klein

kindje; en zoowel dat kleine vrouwtje als dat kleine kindje zagen er

met hun heldere kijkers zoo aardig en zoo vroolijk uit, dat het een

lust was om ze te zien. Het kleine vrouwtje had lang met haar zieke

moeder te New-York gewoond, en haar huis in St. Louis in dien toestand

achtergelaten waar dames, die haar echtgenooten lief hebben, graag

in verkeeren. De kleine was in haar moeders huis geboren; en zij had

haar man (naar wien ze nu terugkeerde) in geen twaalf maanden gezien,

daar ze hem een maand of twee na hun huwelijk verlaten had.

Nu was er zeker nooit een vrouwtje zoo vol hoop en teerheid, zoo

vol liefde en bezorgdheid als dit kleine vrouwtje: en den ganschen

dag zei ze ons, dat het haar benieuwde of "Hij" aan den steiger zou

wezen; en of "Hij" haar brief gekregen had; en of, bijaldien zij

hun kind met iemand anders aan wal stuurde, "Hij" het kennen zou,

als hij 't op straat mocht tegenkomen, iets wat, in 't afgetrokkene

beschouwd, niet zeer waarschijnlijk was, daar hij den kleine immers

nooit gezien had, doch voor de jeugdige moeder waarschijnlijk genoeg

was. Zij was zoo'n ongekunsteld, naïef schepseltje, en verkeerde in

zoo'n zonnige, stralende, hoopvolle gemoedsgesteldheid, en liet zich

over al wat haar zoo na aan 't hart lag zoo vrijmoedig uit, dat al de

damespassagiers er evenzeer in deelden als zij zelf; en de kapitein

(die er alles van hoorde door tusschenkomst van zijn vrouw) was

verwonderlijk sluw, dat beloof ik u. Zoo deed hij er, telkens als we

elkaar aan tafel ontmoetten, heel leuk onderzoek naar, of zij altemet

ook iemand verwachtte die haar te St. Louis tegen zou komen, en of

zij ook begeerte had, nog denzelfden avond van onze aankomst aan wal

te gaan (maar hij veronderstelde, dat ze niet wou); en in dien trant

veroorloofde hij zich nog meer geestige doch droge kwinkslagen. Onder

't gezelschap bevond zich een zeker stokvischachtig oud vrouwtje met

een tronie als een gedroogde appel, die deze gelegenheid te baat nam

om haar twijfel uit te spreken aangaande de standvastigheid van mannen,

als ze zoo lang bij hun vrouwen vandaan zijn; en er was nog een andere

dame bij (met een schoothondje), oud genoeg om te moraliseeren over

de lichtzinnigheid der menschelijke hartstochten en toch nog niet zoo

oud, dat ze 't laten kon om af en toe den zuigeling aan te halen,

of met de overigen te lachen als het kleine vrouwtje hem bij zijn

vaders naam noemde en in de blijdschap haars harten hem allerlei

gekke vragen deed, betrekking hebbende op papa.

Het was min of meer een slag voor het kleine vrouwtje, dat, toen we

nog maar twintig mijlen van de plaats onzer bestemming af waren, het

natuurlijk noodig was, haar kleine te bed te leggen. Maar ook dit kwam

ze met haar gewone opgeruimdheid te boven; zij bond een doek om haar

hoofd en kwam met de overigen op de kleine galerij. Lieve hemel! wat

werd zij toen een orakel met betrekking tot de localiteiten! en wat

al aardigheden werden er toen uitgekraamd door de getrouwde dames! en

wat werd er toen een sympathie aan den dag gelegd door de eenloopende

dames! en wat beantwoordde het kleine vrouwtje zelf (die het wel

uit had willen schreeuwen van de pret) al die kwinkslagen met den

gulsten schaterlach!

Ten laatste vertoonden zich de lichten van St. Louis, en hier was

de kaai en daar lag de trap, en met haar handen voor haar gezicht

en harder dan te voren lachende (of schijnende te lachen), vloog

ze naar haar eigen hut en sloot zich daarin op. Ik maak me sterk,

dat ze, in de bekoorlijke onstandvastigheid van zoo'n overspanning,

haar ooren toestopte, opdat ze "Hem" niet naar haar zou hooren vragen:

maar gezien heb ik 't niet.

Hierop stormde een massa volks aan boord, ofschoon ze nog niet

vastgemaakt was, maar tusschen de andere booten doorvoer, ten einde

een landingsplaats te vinden; en ieder keek naar den echtgenoot uit,

en niemand zag hem, toen in 't midden van ons allen--de Hemel weet

hoe ze daar ooit beland is--het kleine vrouwtje een knappen, stevigen

jongen kerel met beide armen om den hals viel! en een oogenblik

later was zij daar weer, nu in de handen klappende van blijdschap,

terwijl ze hem door de kleine deur van haar kleine hut heenduwde om

naar den kleine te kijken, die daar rustig en wel lag te slapen!

We gingen naar een groot logement, het Planters' House genaamd,

gebouwd in den trant van een Engelsch hospitaal, met lange gangen en

kale muren, en lantarens boven de kamerdeuren voor den vrijen omloop

der lucht. Dit logement was druk bezocht, en toen wij de straat in

kwamen rijden, zagen we zooveel licht uit de benedenramen glinsteren,

alsof het ter eere van de een of andere festiviteit geïllumineerd

was. Het is een voortreffelijk huis, en de eigenaars zijn volkomen

op de hoogte van al wat het gemak der bezoekers maar eenigermate kan

verhoogen. Zoo dineerde ik eens met mijn vrouw alleen op onze kamer,

en telde toch niet minder dan veertien schotels.

In het oude Fransche gedeelte der stad zijn de straten hoekig en

nauw; maar enkele huizen zijn allerkeurigst en schilderachtig,

gebouwd als ze zijn van hout, met schuins afloopende balkons voor

de ramen, die men langs een trap of liever ladder van de straat af

bereikt. Ook zijn in deze wijk vreemdsoortige scheerwinkeltjes en

kroegen; en massa bouwvallige huizingen met draairamen, zooals men

die in Vlaanderen aantreft. Sommige van deze ouderwetsche woningen,

met spits toeloopende vlieringramen in 't dak, zien er min of meer

op zijn Fransch uit en schijnen, daar ze stokoud zijn, hun hoofden op

zij te houden, alsof ze bij de aanschouwing van al die Amerikaansche

verbeteringen gezichten trokken van verbazing.

Ik zal wel niet opzettelijk behoeven te vermelden, dat deze

verbeteringen uit kaaien en magazijnen, en nieuwe gebouwen in alle

richtingen bestaan, alsmede uit tal van plannen die nog in "wording"

zijn. Niettemin, verscheiden goede huizen, breede straten en winkels

met marmeren voorpuien zijn reeds zoo ver af, dat men ze voltooid kan

noemen, en het laat zich buitendien wel aanzien, dat de stad binnen

weinig jaren aanmerkelijk verfraaid zal worden, ofschoon zij het,

wat sierlijkheid of schoonheid betreft, wel nooit van Cincinnati

zal winnen.

De Roomsch-Katholieke godsdienst, die hier door de vroegste Fransche

kolonisten is ingevoerd, heeft sterk de overhand. Zoo telt men onder

de openbare instellingen een Jezuïetencollege; een klooster voor de

"Zusters van 't Heilige Hart" en een groote kapel, die, bij 't college

behoorende, tijdens mijn bezoek in aanbouw was en den tweeden December

dezes jaars ingewijd zou worden. De architect van dit gebouw is een

van de eerwaarde vaders der school, en onder zijn opzicht alleen

worden de werken voortgezet. Het orgel komt uit België.

Behalve deze inrichtingen is er een Roomsch-Katholieke hoofdkerk,

gewijd aan den H. Franciscus Xaverius; een gasthuis gesticht door de

weldadigheid van een overleden resident, die een lid der kerk was. Van

hier stuurt ze ook zendelingen uit naar de Indiaansche stammen.

Evenals in de meeste andere deelen van Amerika wordt de kerk

der Unitariërs op deze plaats vertegenwoordigd door een hoogst

achtingswaardig en voortreffelijk heer. De armen hebben wel reden

om haar in gedachtenis te houden en te zegenen; want zij begunstigt

hen en bevordert de zaak der zedelijke opvoeding zonder sectarische

of zelfzuchtige oogmerken. Kortom, deze kerk is achtbaar in al haar

daden, welwillend tegenover andersdenkenden en milddadig zonder de

minste bekrompenheid.

Er zijn in deze stad al drie vrije scholen opgericht en in volle

werking. Een vierde is in aanbouw en zal spoedig geopend worden.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 19 / 48 段