koop toe) bij wijze van dessert op hun gebraden varkensvleesch. Dat
zijn dan gewoonlijk van die aan slechte spijsvertering sukkelende
heeren en dames, die bij hun ontbijt en avondeten ongehoorde
hoeveelheden heet brood verorberen (iets wat tusschen twee
haakjes bijna even goed voor de spijsvertering is als een gekneed
speldenkussen). Zij, die deze gewoonte niet opvolgen, en af en toe het
een en ander gebruiken, zitten gewoonlijk in gedachte te zuigen aan hun
messen en vorken, totdat ze 't met zich zelf eens geworden zijn, wat
nu te nemen,--halen dan die voorwerpen uit den mond, leggen ze op hun
bord neer, bedienen zich en gaan weer aan den gang. Onder 't middageten
valt er niets te drinken dan koud water, dat in groote kruiken op de
tafel staat. Eet men, hetzij 's morgens of 's middags of 's avonds,
dan wordt er niet gesproken. Al de passagiers zijn erg zwaarmoedig,
zoo zwaarmoedig alsof er allerlei schrikkelijke geheimen op hun ziel
drukken. Men praat niet, men lacht niet, men maakt geen pret, kortom
men doet niets dat gezellig mag heeten, of 't moest spugen zijn,
en dit laatste wordt gedaan in stille kameraadschap, om de kachel,
als men gedaan heeft met eten. Iedereen zit stil en sprakeloos op
zijn stoel; slokt zijn ochtend- en middag- en avondeten op alsof dat
alles louter noodzakelijke behoeften waren die nooit met een of ander
genot of pleizier kunnen gepaard gaan; en na zijn voedsel in sombere
stilte in zijn lichaam te hebben opgesloten, sluit hij zich meteen
al dichter en dichter op, met dat gevolg, dat, als men ze niet zag
eten en drinken, ge onwillekeurig zoudt gaan veronderstellen, dat al
de mannelijke leden, die daar aanzaten, de droefgeestige schimmen
van opgestapte boekhouders waren, die voor hun lessenaar dood zijn
neergevallen. Ja, waarachtig, met zoo'n voorkomen van drukke bezigheid
zitten ze daar aan tafel. Bij hen vergeleken, zou men een kraai of
aanspreker of groefbidder, of hoe men zoo'n tweevoeter ook betitele,
een vroolijken Frans kunnen noemen, en zou een grafmaal met zijn
geraspte broodjes en wat dies meer zij, in vergelijking met deze
maaltijden, als een dollemans-partij door kunnen gaan.
Wat nu het volk aangaat, dit is koekoek één zang. Verschillende
karakters treft men onder hen niet aan. Zij reizen bijna voor dezelfde
boodschap, doen en zeggen dezelfde dingen op precies dezelfde manier,
en loopen in één en 't zelfde sombere kringetje rond. Over de geheele
lange tafel is er ternauwernood één die in eenigerlei opzicht van zijn
buurman verschilt. 't Is waarlijk een buitenskansje, tegenover dat
vijftienjarig meisje met haar praatachtig kinnetje te mogen zitten:
zij toch, om haar dit recht te laten wedervaren, is levendig als
kwikzilver en doet alle eer aan de handteekening der natuur, want
van al de kleine snapsters, die ooit de rustige rust eener dommelige
dameskajuit verstoorden, is zij hennetje de voorste. Het mooie meisje,
dat een beetje van haar af zit--daar verder aan 't end der tafel--huwde
eerst de vorige maand den jongen man met den donkeren knevel, die naast
haar zit. In datzelfde verre Westen gaan zij zich nederzetten, waar
hij vier jaar gewoond heeft, waar zij nog nooit geweest is. Onlangs
waren zij beiden met een diligence omgevallen (een ongunstig voorteeken
overal waar zulke ongelukken niet dagelijks voorvallen), en zijn hoofd,
dat de teekenen van een versche wond draagt, is nog verbonden. Ook
zij werd bij die gelegenheid gekwetst, en lag, zoo helder als haar
oogen nu zijn, een dag of wat van haar zelf.
Nog verderop zit een man, die eenige mijlen verder dan de plaats
hunner bestemming gaat, om een kortelings ontdekte kopermijn te
"exploiteeren." Het dorp--dat heet wat het dorp worden moet--brengt hij
mee: een stuk of wat geraamten van hutten, en een toestel om het koper
te smelten. Ook de aanstaande bewoners brengt hij mee. Deels zijn ze
Amerikanen en deels Ieren, die te zamen op 't lager dek hokken, waar
zij zich gisteravond, tot de nacht al aardig gevorderd was, vermaakten
met het nu eens afschieten van pistolen dan weer zingen van liederen.
Zij, en de zeer weinigen die zoo wat een minuut of twintig aan tafel
geweest zijn, staan op en gaan heen. Wij doen hetzelfde, en onze
kleine staatsiehut doorgaande, hernemen we onze zitplaatsen in de
rustige buitengalerij.
De rivier is hier altijd fiks breed, maar op sommige gedeelten wijder
dan op andere; buitendien is er gewoonlijk een groen met boomen bedekt
eilandje, dat haar in twee stroomen verdeelt. Hetzij om hout in te
nemen, hetzij voor passagiers, stoppen we hier nu en dan een paar
minuten aan 't een of andere stedeken of dorp (ik moest eigenlijk
stad zeggen, want iedere plaats is hier een stad); maar meerendeels
zijn de oevers wildernissen, echte wildernissen, begroeid met boomen
die in dezen omtrek al in blad staan en groen ook. Mijlen en mijlen
ver breekt geen enkel teeken van menschelijk leven, geen enkel spoor
van menschelijke voetstappen deze wildernissen af; ook ziet men in
den omtrek geen andere beweging dan die van de blauwe meerkol, wier
kleur zoo helder is en toch zoo fijn dat ze 'r als een vliegende
bloem uitziet. Op grooten afstand van elkaar komt hier en daar een
blokhut, met haar kleine, van boomen gezuiverde lap gronds er omheen,
uit een heuvelachtigen bodem voor den dag, en kronkelend stijgt er een
draad van blauwen rook naar den hemel op. Ze staat in den hoek van 't
armzalige tarweveld, dat vol is van groote wanstaltige boomstronken,
die wel iets weghebben van slagers-hakblokken. Soms is de grond eerst
nu gezuiverd; de gevelde boomen liggen nog op den grond, en eerst van
morgen is er een begin gemaakt met het bouwen van 't blokhuis. Als
wij zoo'n stuk gronds voorbijvaren, leunt de kolonist op zijn bijl of
hamer, en kijkt peinzend naar 't volk van de "wereld". De kinderen
kruipen uit de tijdelijke hut, die, evenals een Zigeunerstent, zoo
maar vlak op den grond gezet is, en klappen in hun handen, en maken
een leven dat het een aard heeft. Eerst gluurt de hond naar ons,
en kijkt dan weer zijn meester vlak in 't gezicht, alsof hij zich
niet recht op zijn gemak voelde op 't vermoeden dat zij in hun arbeid
gestoord zouden worden, en van grappenmakers niets meer wou weten. En
met dat al bespeurt men daar denzelfden, eeuwigen voorgrond. De rivier
heeft zijn oevers weggespoeld en statige boomen zijn in den stroom
neergevallen. Sommigen hebben er zoo lang in gelegen, dat ze niet
meer zijn dan droge grijsachtige geraamte. Sommigen zijn er zoo even
in neergetuimeld en baden, terwijl er nog slik aan hun wortels zit,
hun groene kruinen in de rivier en brengen nieuwe loten en takken
voort. Sommigen zijn nog bijna aan 't glijden, als gij er naar kijkt,
en sommigen waren al zoo lang geleden verdronken, dat hun verbleekte
armen midden uit den vloed opsteken en hun best schijnen te doen om
de boot te grijpen en ze onder water te sleepen.
Door zoo'n tooneel nu als dit, zet de logge machine stenend en
norsch haar weg voort, en bij elke wenteling van haar raderen
dreunt ze zoo geweldig, dat het, naar men meenen zou, voldoende
was om de Indianen wakker te maken die daar begraven liggen onder
die groote terp ginder,--een terp zoo oud, dat machtige eiken en
andere woudboomen hun wortels geslagen hebben in haar bodem, en zoo
hoog, dat het een heuvel is zelfs onder de heuvels die de Natuur
in de rondte geplant heeft. Zelfs de rivier, alsof ze deelde in de
gevoelens van medelijden voor de uitgeroeide volksstammen, die,
in hun gezegende onwetendheid aangaande het bestaan van blanken,
hier honderden jaren geleden zoo vreedzaam woonden,--zelfs de rivier,
zeg ik, sluipt eventjes weg om naar deze aardhoogte heen te kabbelen;
en er zijn maar weinig plaatsen waar de Ohio helderder glinstert dan
bij de kreek dier groote begraafplaats.
Al wat ik daar beschrijf, zie ik, terwijl ik in de kleine buitengalerij
zit. De avondschemering sluipt langzaam over het landschap heen en
verandert het voor mijn oogen. Nu is ook het oogenblik daar, dat we
stilhouden, om een stuk of wat landverhuizers aan wal te zetten.
Vijf mannen, even zooveel vrouwen, en een klein meisje. Al hun aardsche
goederen bestaan uit een zak, een groote kist en een ouden stoel;
zoo'n ouden, hooggerugden stoel met matten zitting; een eenzaam
kolonist op zich zelf. In de boot worden ze naar den wal toegeroeid
terwijl het schip een beetje verder haar terugkomst afwacht, want het
water is ondiep. Zij worden afgezet aan den voet van een hoogen oever,
op welks top zich een stuk of wat blokhutten bevinden, die alleen
langs een lang slingerpad genaakbaar zijn. Het wordt ondertusschen
hoe langer hoe donkerder; maar de zon is nog erg rood en schijnt in
't water en op sommige der boomkruinen als vuur.
Eerst stappen de mannen de boot uit; helpen er de vrouwen uit; halen
er den zak, de kist en den stoel uit; zeggen den roeiers "goeiendag,"
en duwen daarna de boot van den wal af. Bij den eersten plas van de
riemen in 't water gaat de oudste vrouw van 't gezelschap, zonder
een woord te kikken, heel dicht bij den waterkant zitten. Niemand
van de anderen gaat zitten, ofschoon de kist zoo breed is, dat
menigeen er op zou kunnen zitten. Als waren ze in steen veranderd,
blijven ze maar staan daar waar men ze aan land gezet heeft, en
kijken de boot na. En dat duurt zoo een poos. Alles is doodstil:
de oude vrouw en haar oude stoel in 't midden; de zak en de kist op
't strand, zonder iemand om er op te passen: aller oogen op de boot
gevestigd. Ze komt op zij van ons schip, ze wordt vastgemaakt, de
mannen klauteren aan boord, de machine wordt in beweging gebracht
en weer gaan we hijgend en stenend weg. Zij blijven daar nog maar
altijd staan en verroeren geen vin. Met mijn verrekijker kan ik ze
zien, als ze door den afstand en steeds toenemende duisternis voor
't oog niets meer dan stippen zijn: de oude vrouw zit nog altijd in
den ouden stoel, en de rest staat om haar heen, onbeweeglijk als een
paal. En zoo verlies ik ze van lieverlede uit het oog.
De avond is donker, en we varen voort in de schaduw van den boomrijken
oever, die het nog donkerder maakt. Na gedurende eenigen tijd een
somber doolhof van takken voorbij te zijn gevaren, komen we aan
een open ruimte waar de groote boomen in brand staan. De vorm van
iederen tak en twijg teekent zich bij den donkerrooden gloed af,
en als een licht koeltje er doorheen ritselt, schijnen ze in vuur te
groeien. Kortom, 't is zoo'n gezicht als waarvan we in legenden van
betooverde bosschen lezen, met dat onderscheid, dat het naar is om
aan te zien hoe die edele werken der natuur zoo jammerlijk aan hun
einde komen, en men niet minder treurig te moede wordt als men bedenkt
hoeveel jaren er niet moeten verloopen voor en aleer de tooverkracht,
die ze schiep, huns gelijken weer op dezen grond te voorschijn zal
roepen. Maar die tijd zal komen, en wanneer in hun veranderde asch de
groei van ongeboren eeuwen wortel zal geschoten hebben, dan zullen
ook de onvermoeide geslachten dier volgende eeuwen weer optrekken
naar deze onbevolkte wildernissen, en hun medeschepselen, uit ver
verwijderde steden, die misschien nu nog onder de baren der zee
sluimeren, ze zullen in een taal die vreemd zal klinken in elk oor,
daar die taal hun nu reeds zeer oud is, van oorspronkelijke wouden
lezen waar de bijl nooit werd gehoord en waar geen menschelijke voet
den met dichte bosschen bezetten grond ooit betreden had.
De middernacht en de slaap wisschen al deze tooneelen en gedachten
uit; en schijnt de morgen weer, dan verguldt hij de nokken der huizen
van een drukke stad, voor wier breed geplaveide kaai de boot wordt
vastgemaakt, met andere booten, en vlaggen, en bewegende raderen,
en een gekrioel van menschen om zich heen, alsof er duizend mijlen
in den omtrek geen eenzaam of rustig plekje gronds te vinden waren.
Cincinnati is een mooie stad; vroolijk, bedrijvig en druk. Niet
dikwijls heb ik een plaats gezien, die zich bij den eersten aanblik
zoo gunstig en pleizierig voordoet aan een vreemdeling als deze
stad met haar nette roode en witte huizen, haar welbestrate wegen en
voetpaden van glinsterend gebakken steen. Ook bij nader kennismaking
wordt deze goede indruk niet minder. Breed en luchtig zijn de straten,
de winkels buitengewoon goed, en de particuliere huizen moeten wel
in 't oog vallen, zoo sierlijk en net zijn ze. Deze huizen zijn in
verschillenden, soms eigenaardigen stijl opgetrokken, een stijl, die
van een vindingrijken geest en werkzame verbeelding getuigt, iets dat
iemand, na in gezelschap te zijn geweest van zoo'n even smakeloos als
saaie stoomboot, alweer hoogst pleizierig aan moet doen, aangezien
men nu immers bij zich zelf de gevolgtrekking gaat maken, dat daar
ter stede de zoo even vermelde hoedanigheden niet gemist worden. De
neiging om deze lieve villa's te versieren en aantrekkelijk te maken,
leidt vanzelf tot de boom- en bloemkweekerijen, alsmede tot het
aanleggen van goed onderhouden tuinen, waarvan het gezicht voor hen,
die langs de straten wandelen, onuitsprekelijk verkwikkend en aangenaam
is. Ik stond dan ook opgetogen van verrukking over het voorkomen van
de stad en haar nabijgelegen voorstad Mount Auburn. Vooral van deze
voorstad bezien, doet de stad zelf, die in een amphitheater van heuvels
ligt, zich allergunstigst voor, ja, levert een werkelijk schoonen,
weergaloozen aanblik op.
Den dag na onze aankomst hield het Matigheidsgenootschap er
toevallig een groote vergadering; en daar, volgens den wegwijzer,
de optocht het hotel, waar wij logeerden, voorbij moest, had ik
een goede gelegenheid hem te zien, toen ze 's morgens onder onze
ramen voorbijtrokken. De optocht bestond uit ettelijke duizenden
menschen, altemaal leden van verschillende "Onderafdeelingen van het
Matigheidsgenootschap Washington," en werd gedirigeerd door beambten
te paard, die met sjerpen en linten van heldere kleuren, die vroolijk
achter hen wapperden, langs den geheelen trein kranig op en neer
draafden. Muziekkorpsen waren er ook bij, en banieren zonder tal,
en het geheel zag er als een fiksch, feestelijk concours uit.
Wat mij bijzonder goeddeed, was het gezicht van de Ieren, die een
duidelijk te onderscheiden afdeeling op zich zelf uitmaakten, en met
hun groene sjerpen nogal in 't oog liepen. Hun nationale harp droegen
zij bij zich, en hoog boven hun hoofden stak hun portret van Vader
Matthew uit. Zij zagen er even lustig en goed geluimd uit als altijd,
en daar zij hard voor hun dagelijksch brood werkten en allen arbeid,
die op hun weg lag, hoe zwaar ook, verrichtten, waren zij, mijns
bedunkens, hier de onafhankelijkste mannen.
De banieren waren goed geschilderd en wapperden door de straten dat
het een aard had. Een was er bij, waar het slaan tegen de rotsen
en het springen van 't water op afgeschilderd stond. Ook was er
een matigheidsman met "considerable of a hatchet" [8] (gelijk de
banierdrager waarschijnlijk zou gezegd hebben), die een doodelijken
slag wou toebrengen aan een slang, die kennelijk op 't punt stond,
van boven een vaatje met sterken drank op hem aan te vliegen. Maar
de voornaamste trek van dit gedeelte der vertooning was een groote
Allegorie, die in de groep der scheepstimmerlui gedragen werd, en
aan den eenen kant de stoomboot Alcohol voorstelde, waarvan de ketel
sprong, en die met een groot gekraak in de lucht vloog, terwijl op de
andere zij het goede schip Matigheid afgebeeld was, een Brave Hendrik
onder de schepen, die dan ook, tot innige tevredenheid van kapitein,
bemanning en passagiers, met een gunstigen wind doorzeilde.
Nadat de optocht de stad rondgegaan was, begaf hij zich naar
een bepaalde plaats, waar hij, naar luid van 't gedrukte program,
ontvangen zou worden door de kinderen der verschillende vrije scholen,
"Matigheidsliederen" zingende. Ik had verhindering gekregen en kon
dus niet bijtijds present wezen om deze Kleine Nachtegalen te hooren,
kan dus evenmin verslag uitbrengen van deze nieuwe soort van vocale
vermakelijkheid: nieuw althans voor mij; maar ik vond in een groote
open ruimte iedere afdeeling om haar eigen banieren geschaard, waar
men in stille aandacht naar zijn eigen redenaar luisterde. Afgaande
op het weinige, dat ik daarvan hooren kan, waren de redevoeringen
zeker welberekend voor de gelegenheid, want ze hadden dien graad van
betrekking op koud water, als waar natte dekens recht en aanspraak op
hebben; edoch het voornaamste was de wijze waarop de toehoorders zich
den ganschen dag aanstelden, en dat was waarlijk bewonderenswaardig
en veelbelovend.
Cincinnati staat allergunstigst bekend om zijn vrije scholen, die
het in zoo grooten getale bezit, dat op de geheele bevolking geen
kind met mogelijkheid verstoken is van de middelen van opvoeding en
onderwijs, waar dan ook gemiddeld vier duizend leerlingen jaarlijks
gebruik van maken. Ik ben maar in een dezer inrichtingen geweest,
terwijl er onderwijs gegeven werd. In de afdeeling voor de jongens,
die vol kleine kleuters was (van verschillenden leeftijd, ik geloof,
van zes jaar tot tien of twaalf), stelde de meester voor, de leerlingen
voor de vuist eenige algebra-sommen te laten maken; een voorstel waar
ik zoo vrij was, niet zonder eenige verlegenheid, voor te bedanken, en
wel om de doodeenvoudige reden, dat ik mijn bekwaamheid om misslagen
in die wetenschap aan te wijzen, volstrekt niet vertrouwde. In de
meisjesschool stelde de onderwijzer voor, dat er iets gelezen zou
worden. Nu, die kunst meende ik nogal tamelijk goed machtig te zijn,
weshalve ik me bereid verklaarde, een klasse te hooren. Boeken werden
er dus rondgedeeld, en een stuk of zes meisjes losten elkaar af met het
lezen van paragrafen uit de Engelsche Geschiedenis. Maar 't was niets
meer dan een droge compilatie, die hun bevattingsvermogen oneindig ver
te boven ging; en toen zij (klaarblijkelijk zonder er tien woorden van
te verstaan), drie of vier saaie passages betrekkelijk het Verdrag van
Amiens en andere zieldoorvlijmende onderwerpen van denzelfden aard
afgeraffeld hadden, gaf ik te kennen, dat ik geheel voldaan was. 't
Is wel mogelijk dat het alleen geschiedde om de verbazing van den
vreemden bezoeker gaande te maken, dat zij deze verbazend hooge sport
op de ladder der Geleerdheid beklommen en zich bij andere gelegenheden
ietwat lager bij den grond hielden; doch ik voor mij zou meer in mijn
schik geweest zijn en me meer voldaan gevoeld hebben, bijaldien het
examen geloopen had over eenvoudige lessen die zij begrepen.
Evenals op iedere andere plaats die ik bezocht, waren de rechters
hier mannen van uitstekend karakter en talent. Ik woonde een der
terechtzittingen een minuut of wat bij, en vond ze gelijk aan die,
waar ik al gewag van gemaakt heb. Het geding liep over een eisch tot
schadeloosstelling; er waren niet veel toehoorders, en de getuigen,
raadsman en jury vormden een soort van familiekransje; nogal lollig,
moet ik zeggen,
De gezellige kringen waar ik mij hier mee inliet, waren verstandig,
hoffelijk en aangenaam. De bewoners van Cincinnati zijn trotsch
op hun stad als een der belangrijkste in Amerika, en niet zonder
reden; want zoo fraai en bedrijvig als ze nu is met een bevolking van
vijftig duizend zielen, zijn er maar twee en vijftig jaar verloopen,
sinds de grond waar ze op staat (die toen ter tijd voor een handvol
dollars gekocht werd) een woest bosch was, en haar burgers maar een
handvol personen waren, die in verspreide blokhutten aan den oever
der rivier woonden.
XII.
NAAR St. LOUIS.
VAN CINCINNATI NAAR LOUISVILLE MET EEN ANDERE WESTERSCHE STOOMBOOT;
EN VAN LOUISVILLE NAAR ST. LOUIS MET NOG EEN ANDERE. ST. LOUIS.
Om elf uur voor den middag verlieten we Cincinnati en scheepten ons
in naar Louisville in de stoomboot de Pike. Deze boot, die de brieven
overbracht, was een packet van veel beter allooi dan die waarmee
we van Pittsburg waren gekomen. Daar deze overtocht niet meer dan
een uur of dertien vereischte, maakten we de noodige schikkingen,
om dien avond aan wal te gaan, alles behalve van plan als we waren om
in een zoogenaamde staatsiehut te slapen, wanneer het mogelijk was,
ergens elders te slapen.
Behalve de gewone alledaagsche massa passagiers bevond zich toevallig
aan boord dezer boot een zekere Pitchlynn, een opperhoofd van den
stam der Choctaw-Indianen, die mij zijn kaartje zond, en met wien ik
het genoegen had, een langdurig onderhoud te hebben.
Engelsch sprak hij volmaakt goed, ofschoon hij, naar hij me vertelde,
die taal eerst begonnen was te leeren, toen hij een volwassen
jonkman was. Hij had vele boeken gelezen; en Scott's poëzie scheen
een sterken indruk op zijn ziel te hebben gemaakt: vooral het begin
van de Dame van 't Meer en de scène van den grooten Slag in Marmion,
waar hij, ongetwijfeld om de overeenkomst der onderwerpen met zijn
eigen lievelingswerk en smaak, veel belang in stelde, en niet minder
genoegen in smaakte. Al wat hij gelezen had, scheen hij zeer goed
te begrijpen; en elke fictie, die zijn sympathie verworven had,
hij sloeg er mannelijk en ernstig geloof aan, ik moest bijna zeggen
heftig. Hij had onze gewone dagelijksche kleeding aan, die hem los en
met ongekunstelde sierlijkheid om zijn fraaie gestalte hing. Toen ik
hem zei, dat het mij speet, dat ik hem niet in zijn eigen kleederdracht
zag, stak hij een oogenblik zijn rechterarm uit, alsof hij een of ander
zwaar wapen zwaaide, en antwoordde, toen hij hem weer liet vallen,
dat zijn ras gaandeweg nog wel heel wat andere dingen verloor, dan hun
kleeding, en het niet lang zou duren, of ze werden niet meer gezien
op aarde: maar hij droeg ze thuis, voegde hij er met fierheid bij.
Verder vertelde hij me nog, dat hij zeventien maanden lang bewesten den
Mississippi geweest was en zich nu op de terugreis bevond. Voornamelijk
was hij daarom te Washington geweest, om eenige onderhandelingen
ten einde te brengen, die al sinds lang tusschen zijn stam en het
Gouvernement aanhangig waren, maar (en dit zei hij op droefgeestigen
toon) ze waren nog altijd niet tot een goed einde gebracht, en hij
vreesde dat dit wel nooit zou gebeuren, want wat vermochten een stuk of
wat Indianen tegenover zulke uitgeslapen kooplui als de blanken? Van
Washington hield hij niet; de steden, groot en klein, hingen hem gauw
de keel uit, en hij verlangde naar 't Bosch en de Prairie.
Ik vroeg hem, wat hij van 't Congres dacht? Glimlachend gaf hij ten
antwoord, dat het in 't oog van een Indiaan waardigheid miste.
Voor zijn dood, zei hij, zou hij heel graag Engeland willen zien; ook
sprak hij met veel belangstelling over de groote dingen die daar te
zien waren. Toen ik hem van die kamer in 't Britsch Museum sprak, waar
huishoudelijke souvenirs bewaard worden van een ras dat reeds duizend
jaar geleden opgehouden had te bestaan, was hij zeer aandachtig,
en het viel niet moeielijk te zien, dat hij bij zich zelf dit feit
met het trapsgewijze wegkwijnen van zijn eigen volk in verband bracht.
Dit bracht het onderwerp van ons gesprek op het Kunstkabinet des
heeren Catlin, dat hij hoogelijk prees, en er de opmerking bijvoegde,
dat zijn eigen portret onder de collectie was, en allen "keurig"
geleken. Volgens hem had de heer Cooper de Roodhuiden goed getroffen;
en hij wist, dat ik dit ook wel zou doen, als ik maar met hem wou gaan
op de buffeljacht, iets wat hij erg graag had, dat ik zou doen. Toen
ik hem zei, dat, gesteld ik ging ook zijn landstreek bezoeken, ik
den buffels al bitter weinig schade toe zou brengen, vatte hij het
als een kolossale grap op en lachte hartelijk.
Hij was een opmerkelijk schoon man, naar mijn gevoelen een jaar of
wat over de veertig, met lang zwart haar, een arendsneus, breede
wangbeenderen, een door de zon verbrande tint en een zeer helder,
scherp, donker en doordringend oog. Naar hij me vertelde, waren er
nog maar twintig duizend Choctaws over, en hun getal slonk bij den
dag. Enkele van zijn medechefs waren genoodzaakt geweest, de beschaving
der blanken aan te nemen en zich bekend te maken met hetgeen de blanken
wisten, want dit was hun eenige kans om te blijven bestaan. Maar hun
getal was niet groot; en de overigen waren zooals ze altijd geweest
waren. Lang stond hij bij dit punt stil, en zei meermalen dat zij als
weggeveegd moesten worden voor de reuzenschreden die de beschaafde
maatschappij zette, tenzij ze probeerden om zich met hun veroveraars
te vereenzelvigen.
Toen we bij 't afscheidnemen elkaar de hand drukten, zei ik hem,
dat hij naar Engeland moest komen, daar hij immers zoo verlangend
was, dat land te zien,--dat ik hoopte, hem daar nog eenmaal aan te
zullen treffen en hem wel dorst beloven, dat hij goed ontvangen en
vriendelijk behandeld zou worden. Deze verzekering deed hem blijkbaar
goed, ofschoon hij hier met een vroolijken glimlach en schalksche
beweging van zijn hoofd op repliceerde, dat de Engelschen dol veel van
de Roodhuiden plachten te houden, als ze hun hulp van noode hadden,
maar.... zich naderhand weinig om hen bekommerden.
Hij nam dan afscheid van me en deed dit met zooveel waardigheid, den
onbedorven Zoon der Natuur eigen, als ik ooit in mijn leven gezien
heb. Hierop bewoog hij zich onder 't volk in de boot, als een ander
soort van schepsel. Kort daarna stuurde hij me zijn gelithographeerd
portret, zeer gelijkend, ofschoon ternauwernood mooi genoeg,--dat ik
ter herinnering aan onze korte kennismaking zorgvuldig bewaard heb.
De reis van dien dag leverde ons overigens weinig belangwekkends op,
en te middernacht kwamen we te Louisville aan. Wij sliepen in 't Galt
House, een prachtig logement, waar we zoo allerkostelijkst logeerden
als waren we te Parijs geweest, en niet honderden mijlen aan genen
kant van 't Alleghany-gebergte.