peper-en-zout pak aan, die de nieuwsgierigste vent was, waar men
zich met mogelijkheid een denkbeeld van kan vormen. Nooit sprak
hij anders dan vragenderwijs. Kortom, hij was een geïncarneerd
vraagteeken. Hetzij men zitten ging of opstond, hetzij men stil
was of in de weer, hetzij men op dek wandelde of iets gebruikte,
hij was er met een groot vraagteeken in ieder oog, twee in zijn
gespitste ooren, nog twee in zijn wipneus en kin, ten minste nog
een half dozijn meer om de hoeken van zijn mond, en het grootste van
allen in zijn haar, dat heel wijsneuzig bij elkaar gekamd was in den
vorm van een vlaskuif. Iedere knoop aan zijn hoed zei: "Hé? Wat 's
dat? Sprak u? Zeg dat nog 'reis, asjeblieft!" Evenals de betooverde
bruid, die haar man stapelgek maakte, was ook hij altijd kant en
klaar wakker; altijd bij de pinken; altijd dorstig naar antwoorden;
gestadig zoekende en nooit vindende. In één woord, nooit trof men de
weerga van dat vreemde heerschap aan.
Destijds had ik een bonten jas aan, en voordat we nog goed en wel van
wal waren, hoorde hij me uit op ieder punt dat er maar betrekking op
had. Zoo vroeg hij me wat die jas wel kostte, en waar ik ze kocht,
en wanneer, en wat voor bont het was, hoe zwaar zij woog, en wat
dat bont afzonderlijk kostte. Daarna nam hij mijn horloge op, en
vroeg wat dat kostte, en of 't een Fransch horloge was, en waar ik
't gekregen had, en hoe ik 't gekregen had, en of ik 't gekocht had
of dat het een cadeau was; hoe het liep, en waar het sleutelgat zat,
en wanneer ik 't opwond; iederen avond of iederen morgen, en of ik
wel eens vergat 't op te winden, en zoo ja, wat dan? Vervolgens deed
hij er onderzoek naar, waar ik 't laatst geweest was, en waar ik 't
eerst naar toe meende te gaan, en waar ik dan naar toe ging, en of ik
den President gezien had, en wat hij zei, en wat ik zei, en wat hij
zei toen ik dat gezegd had? Hé? Je zoudt zeggen! Wat vertelt u me daar!
Daar ik merkte, dat niets zijn nieuwsgierigheid bevredigen kon,
ontweek ik zijn vragen na het eerste dozijn of twee, en wendde vooral
onwetendheid voor ten opzichte van 't bont, waar de jas van gemaakt
was. Ik kan niet zeggen, waar 't vandaan kwam, maar die jas trok hem
zoo geweldig aan, dat hij er naderhand rust noch duur van had; ging ik
wandelen, hij zat me op de hielen, bewoog ik me, hij deed hetzelfde,
alles met geen ander doel dan om me des te beter op te kunnen nemen;
ja dikwijls ging hij zelfs zoo ver, om met levensgevaar in een nauw
hoekje te kruipen, louter om 't pleizier te hebben, er van achteren
zijn hand op te leggen en er, tegen den draad in, overheen te strijken.
We hadden nog zoo'n oolijken vent aan boord, maar die er heel anders
uitzag. Deze was namelijk een schraal man van middelbare jaren en
lengte, met een pak aan van zoo'n stoffige dofbruine kleur als ik nog
nooit in mijn leven gezien had. Gedurende het eerste gedeelte der
reis hield hij zich doodbedaard, en waarlijk, ik herinner me niet,
dat hij mijn opmerkzaamheid tot zich trok, totdat hij, gelijk dit
met groote mannen dikwijls het geval is, door de omstandigheden aan
't licht werd gebracht. De aaneenschakeling van gebeurtenissen,
die hem vermaard maakten, kwam kortelijk hierop neer:
Het kanaal, moet men weten, loopt tot aan den voet van 't gebergte
en houdt daar natuurlijk op. Dan worden de passagiers verder per
as vervoerd, en naderhand door een andere kanaalboot opgenomen, den
tegenhanger der eerste, die hen aan den overkant wacht. Er zijn twee
gelegenheden om per boot over te varen; de eene boot heet Expresse,
de andere (een goedkooper gelegenheid) de Pionier. De Pionier gaat
het eerst naar 't gebergte, en wacht het volk van de Expresse af,
aangezien de passagiers der twee booten gelijktijdig overgebracht
worden. Wij behoorden onder de passagiers van de Expresse, maar toen
we den berg over waren, en aan de tweede boot waren gekomen, kregen
de eigenaars het in hun hoofd, er al de passagiers van de Pionier
ook in te stoppen, zoodat we minstens met ons vijf en veertigen
waren, en de vermeerdering van passagiers was in 't geheel niet van
dien aard, dat het vooruitzicht om dien nacht te slapen, er beter
op werd. Zooals dat in den regel gebeurt, gingen onze passagiers
daarover aan 't pruttelen, maar lieten het toch over hun dak gaan,
dat de boot met de geheele vracht aan boord op sleeptouw genomen werd,
en alweer voeren we het kanaal af. Thuis zou ik er niet zoo'n klein
beetje tegen geprotesteerd hebben, maar daar ik hier een vreemdeling
was, hield ik mijn mond. Niet alzoo deze passagier. Hij baande zich
een weg midden door 't volk op dek (we waren bijna allen op dek),
en zonder nu het woord tot iemand in 't bijzonder te richten, begon
hij de volgende alleenspraak:
"Dit mag jelui naar den zin wezen, ja jelui, maar mij niet. Laaglanders
uit het Oosten en Bostonners van geboorte mogen er vrede mee hebben,
maar ik in 't geheel niet. Neen waarachtig niet! Ik kom uit de donkere
bosschen van den Mississippi, daar kom ik vandaan, en schijnt de
zon op mij, dan schijnt ze--maar eventjes. Waar ik woon, glinstert
de zon niet, neen, daar glinstert ze niet. Neen. Ik ben een bruine
boschbewoner, ja, die ben ik. Ik ben geen water- en melk-kindje. Waar
ik woon, daar zijn geen teere poppetjes. Daar wonen niet anders
dan ruwe klanten. Ja waarachtig. Zijn er van die Laaglanders uit
het Oosten en van die Bostonners van afkomst, ik ben blij om hen,
maar ik hoor bij dat volkje niet thuis. Neen waarachtig niet. Dit
gezelschap heeft een beetje "fixing" noodig, ja dat heeft het. Ze
zullen aan mij geen katje vinden, dat men zonder handschoenen aan
durft pakken. Zoo iemand ben ik. Ze zullen mij niet kunnen luchten
of zien." Aan 't einde van ieder dezer korte volzinnen draaide hij
zich op zijn hielen om, en liep den anderen kant op, en telkens als
hij zoo'n volzin uit had, maakte hij die manoeuvre.
't Is mij onmogelijk te zeggen, wat voor verschrikkelijke bedoeling
in de woorden van dezen bruinen boschbewoner opgesloten lag, maar
ik weet dat de andere passagiers met een soort van bewonderenden
schrik er bij stonden te kijken, en de boot dadelijk weer naar de
kaai terugstoomde en men zooveel passagiers van de Pionier loosde
als men met een zacht lijntje of met overbluffen maar kwijt kon raken.
Toen we weer heenvoeren, trokken sommige van de haantjes de voorste
hun stoute schoenen aan, om tot hem, die er zoo kennelijk aanleiding
toe gegeven had dat onze vooruitzichten ietwat beter waren geworden
te zeggen: "Zeer verplicht, mijnheer," waarop de bruine boschbewoner
(met zijn hand zwaaiende en nog altijd, evenals te voren, op en neer
loopende) dit ten antwoord gaf: "Dat hoeft volstrekt niet. Jelui bent
immers geen laken van mijn kleur. Jelui moet maar voor je zelf zorgen,
ja dat moet jelui. Ik heb den weg gebaand. Laaglanders uit het Oosten
en papkindertjes, laten die me volgen als ze 'r pleizier in hebben. Ik
ben geen papkind, neen dat ben ik niet. Ik kom uit de bruine bosschen
van den Mississippi, ja daar ben ik vandaan," en zoo voorts, evenals
te voren. Uit aanmerking van de vele en gewichtige door hem aan den
lande--in casu onze boot--bewezen diensten, werd hem met eenparigheid
van stemmen een der tafeltjes toegewezen om er 's nachts voor zijn bed
gebruik van te maken--om zulke tafeltjes worden er nogal wat woorden
vuilgemaakt--ook stond men hem, zoolang als de reis maar duurde, het
warmste hoekje bij de kachel af. Maar ik kon nooit merken, dat hij iets
anders deed dan daar zitten; ook hoorde ik zijn geluid niet weer, voor
en aleer ik onder al de drukte van 't afladen der bagage te Pittsburg,
dat in den donker geschiedde, over hem heen struikelde, terwijl
hij op de trap der kajuit zijn sigaar zat te rooken. Ja toen hoorde
ik hem weer met een kort uitdagend lachje bij zich zelf mopperen:
"Ik ben geen water- en melk-kindje, neen, dat ben ik niet. Ik kom
uit de bruine bosschen van den Mississippi, ja daar ben ik vandaan,
verdomme!" Ik voor mij ben er wel aan toe, hieruit af te leiden, dat
deze woorden, om zoo te zeggen, in zijn mond begraven lagen; maar om
nu, bijaldien ik er altemet door mijn Koningin en Land toe opgeroepen
mocht worden, een beeedigde verklaring van dit gedeelte der historie
af te leggen, zie, dit zou ik niet over mijn geweten kunnen verkrijgen.
Aangezien we echter, in de orde onzer vertelling, Pittsburg tot
dusverre nog niet bereikt hebben, mag ik hier terloops de opmerking
maken, dat ons ontbijt misschien het minst wenschelijk maal van den
dag was, en wel om deze rede dat er, bij de geurtjes van de reeds
vermelde spijs en drank, uit het kleine buffet, dat vlak bij ons was,
nog de lucht kwam, om niet te zeggen stank, van jenever, whiskey,
brandewijn en rum, gekruid door den damp van gemeene tabak. Vele van
de heeren passagiers waren alles behalve zindelijk op hun linnengoed,
dat op sommige plaatsen zoo geel was als de kleine riviertjes, die
hun onder 't pruimen uit de hoeken hunner monden gedropen, en daar
opgedroogd waren. Ook was de dampkring niet vrij van die fluisterende
zefierwindjes uit de dertig bedden, die eerst kort te voren beredderd
waren, en waar we nog verder en dringender aan herinnerd werden
doordien er op ons tafellaken af en toe exemplaren van een soort wild
verschenen, dat niet genoteerd stond op de spijslijst.
En toch, in weerwil van deze onaangenaamheden, die, ten minste in
mijn oog, zelfs iets koddigs, iets uiigs in zich hadden, toch was er
veel in deze manier van reizen, dat me indertijd veel plezier deed, en
waar ik naderhand met groot genoegen op terugzag. Zelfs het loopen met
een blooten hals, om vijf uur 's morgens, uit de bedompte kajuit naar
't vuile dek; het opscheppen van 't ijskoude water, het dompelen van
't hoofd daarin, en het er weer, geheel frisch en gloeiend van de kou,
uithalen,--kijk, zelfs dat was een goed ding. Dan die wandeling,
die vlugge, fiksche, vroolijke wandeling, tusschen dat uur en 't
ontbijt, wanneer iedere ader scheen te tintelen van gezondheid; de
uitgezochte schoonheid van den aanbrekenden dag, als daar het licht
op al de voorwerpen begon te spelen; de trage beweging van de boot,
wanneer men lui en vadsig eer door, dan naar den lichtblauwen hemel
lag te kijken; het 's avonds zoo zachtkens voorbijglijden van sombere
heuvels met hun insgelijks zoo somber uitziende boomen; somtijds met
een als 't ware kwaadaardig kijkende rood gloeiende plek heel in de
hoogte, waar ongeziene menschen omheen kropen: het flikkeren van de
heldere sterren, niet verstoord door 't geweld van raderen of stoom,
of eenig ander geluid dan 't gekabbel van 't spiegelgladde water als
de boot vooruitging. Zie, dat alles was één genoegen al genoegen.
Dan waren 't weer nieuwe nederzettingen en op zich zelf staande
blokhutten en geraamten van huizen, vol belang voor vreemdelingen uit
een oud land: hutten of keeten met eenvoudige ovens, van buiten, en
van klei gemaakt, en varkenskotten, bijna zoogoed als voorteekens van
de menschelijke kwartieren; gebroken ramen, opgelapt met afgedragen
hoeden, oude kleeren, oude planken, brokstukken van dekens en
papier; en eigengemaakte zoogenaamde rechtbanken, die buiten de
deur in de open lucht stonden, waar het niet moeielijk op te tellen
keukengereedschap van steenen potten en pannen op gerangschikt
stond. Treurig was 't om aan te zien hoe elke tarweakker als bezaaid
was met de stronken van groote boomen, en hoe uiterst zeldzaam het
was, als het oog het ellendige en eeuwige moeras niet gewaar werd,
met honderden verrotte boomstammen en knoestige takken die uit zijn
ongezond water oprezen. Maar leverde dat reeds een treurig gezicht
op, pijnlijk, allerpijnlijkst was de aanblik van die groote streken,
waar kolonisten de boomen verbrand hadden, en nu hun zoo zwaar gewonde
lichamen, evenals die van vermoorde schepsels, terneer lagen, terwijl
hier en daar de een of andere geschilde en berookte reus moederziel
alleen een paar verdorde armen opstak, en den vloek over zijn vijanden
scheen in te roepen. Als een bergpas in Schotland kronkelde zich 's
avonds blinkende en koud glinsterend in den maneschijn de weg door
een eenzame bergkloof, die van alle kanten zoodanig tusschen hooge en
steilen heuvels ingesloten was, dat er, behalve door 't nauwe pad,
waar we langs gekomen waren, geen uitkomen aan scheen, totdat zich
een hobbelige heuvelkant scheen te openen, die, toen we zijn donkere
keel doorgingen, het maanlicht opschepte en onzen nieuwen koers in
schaduw en duisternis hulde.
Wij hadden Harrisburgh op een Vrijdag verlaten. Zondagmorgen kwamen
we aan den voet van den weg, waar de spoorweg overheen loopt. Er
zijn tien hellende banen, vijf ophellende en vijf afhellende;
op de eerste worden de rijtuigen naar boven getrokken, en bij de
tweede langzaam naar beneden gelaten, wordende, al naar 't uitkomt,
de vergelijkenderwijs vlakke afstanden nu eens met paarden, dan weer
met stoomkracht afgelegd. Gewoonlijk liggen de rails op den uitersten
kant van een duizelingwekkenden afgrond; en zonder een steen of heg,
ja, zonder een snipper tusschen hem, staart de reiziger, als hij uit
het portierraampje mocht kijken, op eens in de diepten van 't gebergte
daar beneden hem. De reis wordt echter met de grootste omzichtigheid
ondernomen; zoo mogen er bij voorbeeld maar twee rijtuigen tegelijk
reizen, en daar er nog meer voorzorgen van dien aard genomen worden,
behoeft men voor ongelukken niet bang te zijn.
Het was erg prettig om, bij een koelen wind, zoo snel langs
de berghoogten te reizen, en dan meteen in een dal vol licht en
liefelijkheid neer te zien. Ja, dat was prettig, o, zoo prettig! Dan
toch ving men, door de toppen der boomen heen, een vluchtig gezicht
op van hier en daar verspreide hutten; daar zag men kinderen bij de
deuren heen en weer loopen,--honden die blaffend naar buiten vlogen
(natuurlijk konden we die niet zien, maar alleen hooren),--verschrikte
varkens die naar huis schommelden,--huisgezinnen die buiten in
hun ruwe tuinen bij elkaar zaten--koeien die met een stompzinnige
onverschilligheid opkeken,--mannen in hun hemdsmouwen die naar hun
onvoltooide huizen keken en peinsden over 't werk dat morgen diende
verricht te worden, terwijl wij heel hoog boven hen als de wind
voorbijspoorden. En, toen we gegeten hadden, en zonder dat er een
andere kracht in beweging gebracht werd dan de zwaarte der waggons
zelf, een steilen bergpas afgespoord waren, kijk, toen was 't ook
prettig om te zien, hoe de losgemaakte locomotief, lang na ons,
als een groot insect, moederziel alleen aan kwam gonzen, terwijl
haar rug van groen en goud zoo in de zon blonk, dat, had ze een
paar vleugels uitgespreid en was ze weggevlogen, niemand, naar 't
mij voorkomt, reden zou gehad hebben zich daar in 't minst over te
verwonderen. Maar toen wij het kanaal bereikten, stopte ze, met al
de bereddering van een naai-meisje dat haast heeft, en kort na ons,
en voordat wij den steiger verlieten, spoorde ze dezen heuvel weer op,
met de passagiers die onze aankomst af hadden gewacht, ten einde den
weg over te steken waar we langs gekomen waren.
Maandagavond waarschuwden ons ovenvuren en kloppende hamers langs de
oevers van 't kanaal, dat we het einde van dit gedeelte onzer reis
naderden. Na door een andere droomerige plaats te zijn gegaan--een
lange waterleiding namelijk, dwars over de Alleghany-rivier, die er
nog vreemder uitzag dan de brug te Harrisburgh, zijnde een groote
houten kamer vol water--kwamen we op zoo'n leelijken warboel uit van
achtergedeelte van gebouwen en havelooze galerijen en trappen, als
men altijd aan 't water aantreft, onverschillig of men met een rivier,
of zee, of kanaal of sloot te doen heeft; en.... we waren te Pittsburg.
Wat Birmingham is in Engeland, dat is Pittsburg; althans de inwoners
zeggen het. Als men nu de straten, winkels, huizen, wagens,
fabrieken, openbare gebouwen en bevolking op zij zet, dan zal
't misschien wel zoo zijn. Zoo veel is ondertusschen zeker, dat er
veel, verbazend veel rook over hangt, en de stad vermaard is om haar
ijzergieterijen. Behalve de gevangenis, waar ik al op gewezen heb,
vindt men er een aardig tuighuis en andere instellingen. Ze ligt
heel mooi aan de Alleghany-rivier, waar twee bruggen over zijn; ook
de buitenplaatsen der meervermogende burgers, waar de hooge gronden
in den omtrek als bezaaid mee zijn, doen zich vrij gunstig voor. Wij
logeerden in een allervoortreffelijkst hotel en werden op uitnemende
wijze bediend. Oudergewoonte was het vol vreemdelingen, was zeer ruim
en had een breede colonnade aan iedere verdieping van 't huis.
We bleven hier drie dagen. Ons eerstvolgend punt was Cincinnati;
en daar dit weer een reisje per stoomboot was, en in 't reisseizoen
gewoonlijk van die westersche booten een stuk of twee 's wekelijks
in de lucht vliegen, kwam het den passagiers geraden voor, elkaar
te raadplegen ten opzichte van de vergelijkerderwijze veiliger of
onveiliger booten, die met die bestemming op de rivier lagen. Een
daarvan, de Messenger genoemd, werd ons het sterkst aanbevolen. Een
dag of veertien geleden was het onmiddellijk vertrek dag-in dag-uit
aangekondigd geworden, maar wie niet vertrokken was, was de boot. De
kapitein scheen te dien aanzien zelf geen stellig voornemen te
hebben. Maar dit is nu eenmaal de gewoonte in Amerika: want als de wet
een vrij en onafhankelijk burger kon binden, om zijn woord tegenover 't
publiek te houden, wat zou er dan in vredesnaam van onze persoonlijke
vrijheid overblijven? Buitendien, dit ligt zoo op den weg van den
handel. En als passagiers langs den handelsweg beetgenomen worden,
en het volk langs den handelsweg op allerlei wijzen geplaagd wordt,
waar is de man, die, zelf een uitgeslapen koopman zijnde, zeggen zal:
"We moeten hier een stokje voor steken?"
Door de diepe plechtigheid der openbare aankondiging meegenomen (ik
wist toen, met betrekking tot deze gebruiken, van den prins geen
kwaad), repte ik me zoodanig om aan boord te komen, dat ik geheel
buiten adem geraakte; maar gelukkig deelde men me nog bijtijds
vertrouwelijk mee, dat de boot zeker niet voor Vrijdag den eersten
April zou vertrekken, zoodat we 't ons in dien tusschentijd nog zoo
gemakkelijk mogelijk maakten, en eerst 's middags aan boord gingen.
XI.
NAAR CINCINNATI.
VAN PITTSBURG NAAR CINCINNATI OP EEN WESTERSCHE STOOMBOOT.
CINCINNATI.
De Messenger behoorde onder de vele stoombooten van hooge drukking,
die te zamen aan den kant der kaai vastlagen. En van den rijzenden
grond dien de aanlegplaats vormt, èn van den hoogen oever aan den
overkant der rivier beschouwd, scheen deze boot niet grooter dan
een gewone boot. Ze had een stuk of veertig passagiers aan boord,
behalve de armer personen op 't lager dek; en stak in een half uur
of minder van wal.
Voor ons gebruik hadden wij een nietig zoogenaamd staatsievertrek met
twee kooien er in, die in de dameskajuit uitkwam. Zonder twijfel lag er
iets vertroostends in deze "locatie," in zoover ze zich namelijk in den
steven van 't schip bevond, en men ons herhaaldelijk ten ernstigste op
't gemoed gedrukt had, zoo ver mogelijk naar achteren te gaan, "omdat
de stoombooten gewoonlijk van voren in de lucht vliegen." En dat dit
geen overbodige voorzorg was, werd ons op onze reis door meer dan
een soortgelijk noodlottig ongeval voldoende bevestigd. Daargelaten
deze reden tot tevredenheid, deed het ons onuitsprekelijk goed, een
plaatsje te hebben, hoe klein dan ook, waar men alleen kon zijn;
en daar de rij van kleine kamertjes, waar dit een van was, ieder
een tweede glazen deur had, behalve die welke zich in de dameskajuit
bevond, en die deur in een nauwe galerij uitkwam buiten 't schip waar
die andere passagiers zelden kwamen en men dus in vrede kon zitten
kijken naar 't zich telkens afwisselende panorama, zoo namen we ons
nieuwe kwartier met veel genoegen in bezit.
Gelijken de packetschepen, die ik reeds beschreven heb, al bitter
weinig op iets, dat wij gewoon zijn, op 't water te zien,--deze
westersche schepen wijken nog veel verder af van al de denkbeelden,
die wij ons ten opzichte van booten plegen te vormen. Ik weet dan ook
ternauwernood, waar ik ze bij vergelijken of hoe ik ze beschrijven zal.
Ten eerste hebben ze geen mast, touwwerk, takels en want, of wat er
van dien aard aan tuig wordt aangetroffen op een boot; evenmin hebben
ze iets hoegenaamd in hun vorm wat iemand kan herinneren aan den voor-
of achtersteven, de zijden of de kiel van een boot. Behalve dat zij op
't water liggen, en een paar raderkasten ten toon spreiden, zou men
ze kunnen houden voor iets dat integendeel bestemd schijnt te zijn om
hoog en droog op een bergtop den een of anderen onbekenden dienst te
verrichten. Er is zelfs geen dek zichtbaar: niets dan een lang, zwart
leelijk dak, van boven met twee ijzeren schoorsteenpijpen en een ruwe
veiligheidsklep, en een glazen huisjen voor den stuurman. Naarmate
men nu zijne oogen naar 't water toekeert, ontdekt men de zijden en
deuren, en ramen van de zoogenaamde staatsiekamers, zoo ongelijk
door elkaar gehutseld als vormden ze een smalle straat, die naar
den verschillenden smaak van een dozijn menschen aan was gelegd;
het geheel wordt geschraagd door balken en pilaren, die op een vuile
barge rusten, maar een duim of wat boven de oppervlakte van 't water,
terwijl zich in de nauwe ruimte tusschen dat bovenste samenstel
en het dek dezer barge de stookplaatsen en de machinerie bevinden,
die op zij aan weer en wind zijn blootgesteld.
Gaat men nu 's avonds een dezer booten voorbij, en ziet men dan
het groote vuur, open en bloot, zooals ik zoo even beschreven heb,
onder dien brozen toestel van geschilderd hout loeien en razen;
ziet men vervolgens de machinerie, die, ten eenenmale aan haar lot
overgelaten, haar gang gaat te midden van de massa lanterfanters,
landverhuizers en kinderen, die op het lager dek krioelen; en dat onder
het opzicht van achtelooze lieden, die misschien eerst voor een maand
of zes zoo'n betrekking gekozen hebben,--ziet men nu een en ander,
dan voelt men op staanden voet dat het verwonderlijke hierin bestaat,
niet dat er zooveel ongelukken op zoo'n reis gebeuren, maar dat er één,
zegge één reis, veilig en wel kan gedaan worden.
Van binnen is een lange, nauwe kajuit over de geheele lengte der boot,
waar de staatsiehutten van weerszijden op uit komen. Een klein gedeelte
daarvan, aan den steven, is voor de dames afgezonderd, terwijl het
buffet vlak aan den overkant is. In 't midden staat een lange tafel,
en aan ieder eind een kachel. De waschtoestel is vooraan, boven op
't dek. Het is een beetje beter dan aan boord der kanaalboot, maar
niet te veel. Wat de middelen betreft om voor zijne persoonlijke
zindelijkheid te kunnen zorgen, stuit men in Amerika, onverschillig
op welke wijze men ook reizen moge, op gewoonten die uiterst slordig,
neen vuil mogen heeten. Ik voor mij hel dan ook sterk tot het geloof
over, dat vele ziekten, die in Amerika heerschen, aan die verregaande
onzindelijkheid te danken zijn.
Aan boord van de Messenger moeten wij drie dagen blijven, en (gebeuren
er geen ongelukken) dan zijn we Maandagmorgen te Cincinnati. Men eet
driemaal per dag. Zoo ontbijt men om zeven uur, gebruikt het middagmaal
om halfeen, het avondeten tegen zessen. Bij elk maal staan tal van
kleine schotels en schalen op tafel, met bitter weinig er in; zoodat
ofschoon het al den schijn heeft, dat er machtig "uitgehaald" wordt, er
zelden in de werkelijkheid meer is dan een burgerpot, tenzij men houde
van en genoegen neme met wat schijfjes beetwortel, sneedjes gedroogd
vleesch, zuurtjes, mais, Indiaansch koorn, appelmoes en pompoen.