zich in 't minst over die praatjes bekommert, kijk eerst in de koets
en vervolgens naar den koetsier, en zegt na een poos: "Welnu, wat
dunkt u er van, koetsier, want mee moet ik?"
De koetsier legt een knoop in zijn zweep en neemt verder geen notitie
van de vraag, daarmee klaarblijkelijk te kennen gevende, dat dit
iedereen behalve hem aangaat, en de passagiers dit maar onder malkander
uit moeten maken. In dezen staat van zaken schijnt ieder in den wagen
een beetje op te moeten schikken.... daar roept alweer een andere
passagier die in een hoekje zit en bijna stikt, met een matte stem:
"Ik ga er uit!"
Dat is geen zaak waar de koetsier zich geluk mee wenscht, want met
zijn onveranderlijke wijsbegeerte komt het hem niet aan de koude
kleeren, wat er ook daar binnen in den wagen voor moge vallen. Van
alle dingen ter wereld zou juist de koets het laatste ding blijken
te zijn, waar hij zijn hoofd over brak. Ondertusschen de ruilhandel
heeft zijn beslag gekregen, met dat gevolg, dat de passagier, die
zijn plaats heeft afgestaan, den derden persoon uitmaakt op den bok,
plaats nemende daar wat hij het midden gelieft te noemen, dat wil
zeggen, met de helft van zijn corpus op mijn beenen en met de andere
helft op de beenen van den koetsier.
"Vooruit kapitein!" roept de bevelvoerende kolonel.
"Voor--uit!" roept de kapitein tot zijn kompagnie--de paarden; en
weg rijden we.
Nadat we een mijl of acht gereden hadden, namen we aan een dorpsherberg
een beschonken heer op, die bovenop den wagen klauterde onder de
bagage; maar er zich naderhand weer van af liet glijden, zonder zich
te bezeeren, en dien we in de verte naar den drankwinkel, waar we
hem gevonden hadden, terug zagen waggelen. Nu en dan stapte er ook
een passagier af, zoodat, toen we versche paarden kregen, ik weer
alleen buiten zat.
Krijgt men andere paarden, men krijgt ook een anderen koetsier, die
gewoonlijk even vuil is als de wagen. Zoo was de eerste gekleed als
een allergemeenste Engelsche bakker; de tweede als een Russische boer,
want hij had een losse, roode kamelotten jas aan met een bonten kraag,
die om zijn middel met een bonte sajetten sjerp vastgemaakt was; een
grijze broek, lichtblauwe handschoenen en een muts van berenvel. Het
was ondertusschen erg beginnen te regenen; ook viel er buitendien een
koude natte mist, die ons door merg en been drong. Ik was erg in mijn
schik toen ik gebruik kon maken van een halte en naar beneden ging om
mijn beenen eens fiks uit te rekken, het water van mijn reismantel
schudde en een beetje van dat anti-matigheids-recept gebruikte,
ten einde een verkoudheid te voorkomen.
Toen ik weer op den bok klom, merkte ik dat er een nieuw pakje op den
wagen lag, dat ik voor een groote viool aanzag, in een bruine kast. Na
een mijl of wat verder te hebben gereden, ontdekte ik echter, dat het
een verlakte pet aan 't eene eind en een paar beslijkte schoenen aan
't andere had; en bij een verdere waarneming bleek het een kleine
jongen te zijn met een snuifkleurig jasje aan, die zijn handen zoo
diep in zijn zakken gestoken had. dat het precies was alsof zijn
armen tegen zijn zijden aangeplakt waren. Ik vermoed, dat hij een
nabestaande of vriendje van den koetsier was, want hij lag boven
op de bagage met zijn gezicht naar 't regenzeil toe; en behalve
wanneer een verandering van positie zijn schoenen in aanraking met
mijn hoed bracht, scheen hij te slapen. Eindelijk en ten laatste,
't was bij gelegenheid dat we weer eens stilhielden, richtte dit ding
zich tot de hoogte van drie voet zes duim op, keek mij strak aan en
maakte mij, met een gemeenzamen geeuw, die half getemperd werd door
een nederbuigenden blik van vriendelijke bescherming, deze opmerking:
"Wel, vreemdeling, ik gis, dat u dit bijna net zoo pleizierig vindt
als 'n ritje na den middag in Engeland, niet waar?"
Het tooneel, dat in den beginne nogal saai geweest was, was de laatste
tien of twaalf mijlen mooi. Onze weg kronkelde door de liefelijke
vallei van de Susquehanna; bezaaid met ontelbare groene eilandjes, lag
de rivier aan onze rechterhand, en aan onze linker een steile helling,
oneffen van klipstukken en donker van pijnappelboomen. De mist, die
ontelbare phantastische vormen aannam, bewoog zich plechtstatig op het
water; en de avondschemering zette alles een waas van geheimzinnigheid
en stilte bij, waardoor het op zich zelf reeds zoo belangwekkend
tooneel nog oneindig dieper indruk moest maken.
Deze rivier passeerden wij over een houten brug, die van alle
kanten boven en op zij bedekt was, en ongeveer een mijl in de lengte
besloeg. Het was er pikdonker, want groote balken kruisten er elkaar
in alle hoeken, terwijl, heel ver beneden ons, de snelvlietende
rivier door de wijde reten en spleten van den vloer als een legioen
van oogen heenblonk. Lampen hadden we niet, en daar de paarden deze
plaats met een echten sukkeldraf aflegden in de richting van de plek
in de verte waar het licht hoe langer hoe matter werd, zoo werd het
ons te moede alsof er nooit een eind aan zou komen. Ik althans kon
't me in den beginne waarlijk niet uit 't hoofd praten dat ik benauwd
droomde, toen we daar zoo zwaarmoedig voortstrompelden dat de brug er
dof van dreunde en ik mijn hoofd omlaag hield om 't tegen de balken
daar boven me te beschutten; want ik heb er dikwijls van gedroomd,
dat ik zulke plaatsen doortobde, en altijd mopperde ik in me zelf,
ook als ik wakker was: "maar neen, dit kan geen werkelijkheid zijn."
Ten langen leste belandden we evenwel aan de straten van Harrisburgh,
waarvan de flauwe verlichting, die door den natten grond akelig
teruggekaatst werd, alles behalve dezen indruk maakte, dat we nu in
een vroolijke stad waren. Het duurde niet lang of we bevonden ons in
een pleizierig logement, dat, ofschoon kleiner en veel minder prachtig
dan menig ander waar we afgestapt waren, het gunstigst van allen bij
me aangeteekend staat, doordien de houder er van de dienstvaardigste
en fatsoenlijkste persoon was waar ik ooit mee te doen heb gehad.
Daar we niet voor na den middag verder zouden gaan, ging ik den
volgenden morgen na 't ontbijt uit, om eens een kijkje om me heen te
nemen. Bij die gelegenheid liet men mij behoorlijk een modelgevangenis
zien naar 't systeem van eenzame opsluiting, die zoo even gebouwd was
en waar tot dusverre niemand in zat; den stam van een ouden boom, waar
Harris, de eerste kolonist hier (naderhand is hij er onder begraven),
door vijandelijke Indianen aan vast gebonden werd met den brandstapel
om hem heen, toen hij nog bijtijds gered werd door de verschijning van
een troep zijner vrienden aan den overkant der rivier; de vergaderzaal
van 't wetgevend lichaam (want ook hier was zoo'n lichaam, en druk
in de weer ook); en de andere merkwaardigheden der stad.
Ik stelde veel belang in 't nazien van een aantal tractaten, die, bij
tijd en wijle met de arme Indianen gesloten, door de verschillende
opperhoofden bij gelegenheid hunner ratificatie onderteekend en
onder de archieven van de secretarie van 't Gemeenebest bewaard
werden. Deze onderteekeningen, natuurlijk door hun eigen handen gezet,
zijn ruwe teekeningen van de schepsels of wapens waar zij zich naar
noemden. Zoo maakte de Groote Schildpad bij wijze van handteekening
met pen en inkt een ruwe schets van een groote schildpad; de Buffel
een dergelijke schets van een buffel; de Strijdbijl een dito van dat
wapen. Hetzelfde deden de Pijl, De Visch, de Scalp, de Groote Cano,
en hoe zij zich verder mochten noemen.
Toen ik deze zwakke en bevende voortbrengselen zag van handen, die den
langsten pijl in een forschen elandshoornen boog tot aan 't boveneinde
konden spannen, of een kraal of veer met een bukskogel door midden
zouden geschoten hebben, zie, toen dacht ik, of ik wou of niet, om
Crabbe's Mijmeringen over 't Parochiale Register, en de met een pen
gemaakte, onregelmatige krabben door menschen die van 't eene end
naar 't andere een vore in al haar lengte lijnrecht zouden weten te
trekken. Ook rezen er onwillekeurig de pijnlijkste gedachten in mijn
ziel op met betrekking tot die eenvoudige krijgslieden wier handen
en harten daar zoo ter goeder trouw waren neergezet en in den loop
der tijden van blanke menschen alleen dit leerden, hoe men 't best
zijn woord kan breken en den inhoud van overeenkomsten spitsvindig
verdraaien kan. Verwonderd vroeg ik me zelf ook af, hoe dikwijls de
lichtgeloovige Groote Schildpad of vertrouwende Kleine Strijdbijl
zijn merk wel zal gezet hebben onder tractaten die hem valsch voor
waren gelezen, en maar weggeteekend had, zonder te weten wat, totdat
het hem van achteren bleek, dat diezelfde tractaten hem inderdaad
tot een wilde tegenover de nieuwe bezitters van 't land gemaakt hadden.
Voordat we gingen eten, deelde onze logementhouder ons mee, dat
sommige leden van de wetgevende vergadering van plan waren, ons de
eer van een bezoek aan te doen. Heel vriendelijk had hij ons zijn
vrouws eigen spreekkamertje afgestaan, en toen ik hem nu verzocht,
de heeren maar hier te laten komen, zag ik hem met een verdrietig
gezicht naar 't lieve vloerkleed kijken, dat daar lag; ofschoon ik
't toen zoo druk met andere dingen had, dat ik niet op de gedachte
kwam, waarom hij toch zoo zuur keek.
Natuurlijk had het allen betrokken partijen meer tot eer gestrekt, en
mijns bedunkens hun onafhankelijkheid in geenen deele gecompromitteerd,
als enkele dezer heeren ditmaal niet alleen toegegeven hadden aan
't vooroordeel om kwispedoors te gebruiken, maar zich buitendien
hadden willen verwaardigen om zich voor 't oogenblik op te houden
met de elders in zwang gebrachte ongerijmdheid van zakdoeken.
Het regende nog maar altijd hard door, en toen we na den eten naar
de kanaalboot gingen (want met dat vervoermiddel moesten wij de reis
verder voortzetten), was het weer zoo nat en onpleizierig dat het
weinig goeds voorspelde. Ook leverde deze kanaalboot, waar wij een dag
of vier in door moesten brengen, een alles behalve prettigen indruk op;
want we merkten al heel gauw, dat we 's nachts met onze ligplaatsen
nogal wat te stellen zouden hebben, dan spreek ik nog niet eens van
de overige inrichting, die waarlijk niet zeer opbeurend was.
Maar we zaten nu eenmaal in 't schuitje, en zoo zat er dan niets anders
voor ons op dan om ons in ons lot zoo goed mogelijk te schikken. Ja,
daar was ze, onze kanaalboot! Van buiten gezien, had ze wel iets
van een barge met een klein huisje er in; en van binnen bekeken,
leek ze op een kermistroep: de heeren toch waren er in gestopt, en
dat evenzeer op hun gemak, als dit met hen het geval pleegt te zijn
die op een kermis zoo'n tent met de een of andere verwonderlijke zaak
voor 't "bagatel van èèn stuiver of vijf centen" gaan bezichtigen,
terwijl de dames van hen afgesloten waren door een rood gordijn,
op de manier van de dwergen en reuzen in soortelijke inrichtingen,
die men, 't spreekt vanzelf, in hun doen en laten aan de oogen der
buitenwereld dient te onttrekken.
Hier zaten we nu stilzwijgend te kijken naar de rij kleine tafels, die
aan weerskanten van de kajuit stonden, en luisterden naar den regen
zooals die op de boot droop en kletterde, en met een geluid, daar
je naar van werd, in 't water plaste, totdat de spoortrein aankwam,
dien we, met het oog op eventueele passagiers af moesten wachten,
voor en aleer we weer vertrekken gingen. De trein bracht een groote
massa koffers mee, die bovenop 't dek werden gesjord en gesmeten, en
dat met zoo'n herrie, dat het ons even pijnlijk aandeed als had men
't zonder behulp van een kruier maar pardoes neergegooid; ook kwamen
er verscheiden heeren mee, wier kleeren, toen ze rondom de kachel
waren gaan zitten, begonnen te dampen dat het een aard had. Zonder
twijfel was het een beetje pleizieriger geweest, als de regen, die nu
nog harder dan ooit neerviel, toegelaten had, een raam open te doen,
of als ons aantal een beetje minder dan dertig geweest was; maar er
schoot nauwelijks zooveel tijd over, aan een en ander te denken,
of er werden drie paarden achter elkaar voor de lijn gespannen,
de jongen, die op het eerste ging zitten, klapte met zijn zweep,
het roer kraakte en steende erbarmlijk, en... onze reis was begonnen.
X.
NAAR PITTSBURG.
WAT VERDER NIEUWS AANGAANDE DE KANAALBOOT; HAAR HUISHOUDELIJKE
INRICHTING EN PASSAGIERS. REIS NAAR PITTSBURG OVER 'T
ALLEGHANY-GEBERGTE. PITTSBURG.
Daar het maar zonder ophouden door bleef regenen, bleven we allen
beneden: de natte heeren rondom de kachel, die door de werking van 't
vuur langzaam van honigdauw doortrokken werden; en de droge heeren die
zoo lang als ze waren op de banken, of met hun gezichten ongemakkelijk
op de tafeltjes lagen te dutten, of de kajuit op en neer wandelden,
die zoo laag was, dat alleen een man van middelbare lengte het doen
kon zonder kale plekken op zijn hoofd te krijgen. Tegen zessen werden
al de tafeltjes naast elkaar gezet, om één lange tafel uit te maken,
en iedereen ging zitten aan een tafeltje welbereid, bestaande uit:
thee, koffie, brood, zalm, elft, lever, lapjes, aardappelen, zuur,
ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes.
"Zal u hiervan ook iets gebruiken?" vroeg mijn overbuur, bij 't
overhandigen van een schaal in melk en boter gestoofde aardappelen;
eigenlijk vroeg hij, of ik niets van deze "fixings" gebruiken zou.
Er zijn maar weinig woorden die zoo verschillende beteekenissen hebben
als dit woordje "fix." Het is de Caleb Quotem van 't Amerikaansche
Woordenboek. Gaat ge bij een heer in een landstad aan, zijn knecht
deelt u mee, dat hij juist met "fixing himzelf" bezig is, maar dadelijk
beneden zal komen: hiermee wordt u dan te kennen gegeven, dat hij zich
aankleedt. Vraagt ge aan boord eener stoomboot, aan een medepassagier
of 't ontbijt gauw klaar zal zijn, hij zegt u dat hij dit wel denkt,
want toen hij zoo even beneden was, waren zij "fixing the tables,"
dekten met andere woorden de tafel. Verzoekt ge een kruier om uw
bagage te dragen, hij bidt u, daar het hoofd niet over te breken,
want "dadelijk zal-i 't "fix," ja dadelijk," en klaagt ge over de
een of andere ongesteldheid, men geeft u den raad, om dokter zoo en
zoo te sturen, die u in een oogenblik zal "fix."
Zoo bestelde ik op zekeren avond in een logement waar ik logeerde een
flesch heetgemaakten kruiderwijn, en wachtte er lang op; eindelijk
werd ze op de tafel neergezet met een verontschuldiging van den
logementhouder, dat hij bang was dat de wijn niet behoorlijk was
"fixed." Ja zelfs herinner ik me, aan een postwagen-diner, een heer,
die alles behalve onder de vriendelijkste kon gerekend worden, een
kellner, die hem een schaaltje met half gaar roast-beef gaf, deze
vraag te hebben hooren doen: "hoe of-i dát noemde, om de gaven van
God Almachtig zoo te "fix"?"
Ik moet gulweg bekennen, dat de maaltijd die tot deze uitweiding
aanleiding heeft gegeven, nogal gulzig naar binnen geslagen werd,
en dat de heeren de breedgelemmete messen en de tweetandige vorken
verder in hun keelgaten staken dan ik deze wapens ooit te voren,
behalve in handen van een vlug goochelaar, een dergelijke manoeuvre
heb zien maken. Niettemin, niemand ging zitten, voordat de dames
plaats hadden genomen, of verzuimde de geringste beleefdheid om
't haar zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Op mijn uitstapjes door
Amerika zag ik trouwens nergens en bij geen enkele gelegenheid een
vrouw blootgesteld aan de geringste daad van lompheid, onbeleefdheid,
zelfs niet van onoplettendheid.
Toen we gedaan hadden met eten, was de regen, die wel vermoeid
scheen te zijn dat hij zich in de laatste uren zoo geweerd had, ook
bijna opgehouden, en konden we op dek gaan. Dit was een groot genot,
niettegenstaande het dek maar bitter klein was en nog kleiner gemaakt
werd door de bagage, die in 't midden onder een zeil opeengehoopt
lag, dat er aan weerskanten zoo'n smal pad overbleef, dat er kunst en
vliegwerk toe vereischt werd, om daar heen en weer te loopen en niet
over boord te tuimelen in 't kanaal. Buitendien was 't in den beginne
nogal lastig, iedere vijf minuten een, twee, drie te moeten bukken als
de man aan 't roer "Brug!" riep, en soms, als hij "Lage Brug!" riep,
verplicht te zijn, plat op den buik te gaan liggen. Maar men kan aan
alles wennen, en er waren zooveel bruggen, dat het niet lang duurde
of we waren ook hieraan gewend.
Toen de avond viel, en wij de eerste heuvelrij in 't gezicht kregen,
die als 't ware de buitenposten van 't Alleghany-gebergte vormt, begon
het tooneel, dat tot dusverre geen belang had ingeboezemd, stouter
en indrukwekkender te worden. De natte grond rookte van de geweldige
regenbuien die er gevallen waren; en het gekwaak der kikvorschen
(die in deze streken een ongeloofelijk lawaai maken) klonk alsof
er een millioen kaboutermannetjes met bellen een luchtreis deden en
gelijken tred met ons hielden. De lucht was nog altijd bewolkt, maar
de maan scheen toch ook, en woest en grandioos was het schouwspel
toen we de Susquehanna overstaken,--over welke rivier, om dit in 't
voorbijgaan te doen opmerken, een buitengewone houten brug geslagen
is met twee galerijen boven elkaar, zoodat, als de spannen van twee
booten elkaar ontmoeten, dit zonder hinder kan geschieden.
Ik heb er al van gewaagd, dat ik, wat de slaapplaatsen aan boord
dezer boot betreft, in den beginne min of meer ongerust was. In die
weifelende gemoedsgesteldheid bleef ik tot tien uur of daaromtrent,
toen ik naar beneden ging en aan iederen kant der kajuit drie
lange rijen boekenplanken zag hangen, die waarschijnlijk bestemd
waren voor boekdeelen van klein-octavo formaat. Maar toen ik deze
dingen wat aandachtiger opnam (het verwonderde me natuurlijk zulke
letterlievende toebereidselen op zoo'n plaats aan te treffen), werd
ik op iedere plank een soort van microscopisch laken en deken gewaar,
en ging me flauwtjes een licht op, dat de passagiers de bibliotheek
waren, en zij op deze planken behoorlijk op hun kant gearrangeerd
zouden worden tot de morgen aanbrak.
Ik werd in deze gevolgtrekking versterkt, doordien ik sommige hunner
rondom den kapitein aan een der tafeltjes zag staan, waar ze met
al den angst en hartstocht van echte spelers op 't gezicht hun lot
trokken; terwijl anderen met kleine cartonnen reepjes in de hand
onder de planken aan 't zoeken waren naar de nommers die met door
hen getrokken nommers overeenkwamen. Zoodra deze of gene heer zijn
nommer vond, nam hij het in bezit, door zich op staanden voet uit
te kleeden en in bed te kruipen. De vlugheid, waarmee een opgewonden
speler in een snorkende slaper veranderde, was een der zonderlingste
uitwerkselen, waar ik ooit getuige van was. Wat de dames aangaat, die
lagen al te bed, achter 't roode gordijn, dat zorgvuldig toegetrokken
en in 't midden vastgemaakt was; maar aangezien elk gekuch of genies
of gefluister achter dit gordijn heel goed gehoord kon worden, zoo
bleven wij ons zelven levendig bewust van haar nabijheid.
De beleefdheid van den gezagvoerder had mij aan een plank geholpen in
een hoekje dicht bij dit roode gordijn, min of meer verwijderd van den
grooten hoop der slapers, waar ik, hoogst verplicht door zijn attentie,
mij dan ook naar toe begaf. Toen ik er de maat van nam, vond ik, dat
ze juist zoo breed was als een gewoon vel Bath postpapier; en geen
wonder, dat ik eerst een beetje met mijn handen in mijn haar stond,
hoe en op wat voor manier ik me daar 't best op en neer zou kunnen
vlijen. Maar daar de plank een onderste was, besloot ik ten langen
leste, op den vloer te gaan liggen, mij zachtjes boven op de plank
te rollen, dadelijk op te houden zoodra ik maar de matras voelde,
en er in vredesnaam den nacht door te brengen met dien kant van mijn
lichaam naar boven, zooals 't uitviel. Gelukkig kwam ik op 't juiste
oogenblik op mijn rug terecht. Ik maakte me erg ongerust toen ik omhoog
kijkende, merkte dat de plank vlak boven me wel een half el doorzakte,
doordien er een allerzwaarlijvigst heer op lag, en de dunne koorden
dien last niet schenen te kunnen torsen. Onwillekeurig dacht ik er
om, wat wel de gevolgen konden wezen voor mijn vrouw en familie,
als ik dien nacht zoo'n vrachtje op me kreeg. Maar daar ik zonder
een geweldige inspanning van mijn lichaamskrachten niet op kon staan,
iets wat de dames had kunnen storen; en ik buitendien niet wist waar,
gesteld dat ik er met goed fatsoen uit kon komen, dan mijn ankertje
neer te leggen, zoo deed ik mijn oogen voor 't gevaar dicht, en bleef
waar ik was.
Ziedaar nog een paar bijzonderheden, die mijn nachtelijke ervaring
verrijkt hebben met betrekking tot die klasse der maatschappij, die
op deze booten reist. Of ze voeren hun onrustigheid tot die hoogte op,
dat ze in 't geheel niet slapen, òf ze spugen in hun droomen, iets wat
een opmerkelijk mengelmoes van 't werkelijke en denkbeeldige leven kan
genoemd worden. Dien ganschen nacht, ja iederen nacht, dien ik op dit
kanaal doorbracht, was er een echte storm en onweersbui van spugen; en
eens hadden ze mijn jas, die toevallig midden in zoo'n spuugorkaan lag,
die door vijf heeren volgehouden werd, (welke heeren zich verticaal
bewogen, precies zooals Reid's Theorie over de wetten van stormen dit
beschrijft), en eens, zeg ik, hadden ze mijn jas zoodanig bevuild,
dat, wou ik ze weer in een draagbaren toestand brengen, er voor mij
niets anders op zat, dan ze den volgenden morgen op 't dek uit te
leggen en met schoon water fiks af te boenen.
Tusschen vijven en zessen stonden we op. Sommigen gingen daarop naar
't dek om gelegenheid te geven tot het weghalen der planken; terwijl
anderen, daar 't erg koud was, om de roestige kachel heen gingen
zitten, waar ze zich aan 't zoo even aangestoken vuur koesterden
en, natuurlijk, ook niet in gebreke bleven, om den rooster te
overladen met die vrijwillige bijdragen, waar ze den heelen nacht
zoo scheutig mee geweest waren. Al het waschgereedschap verkeerde in
den maagdelijken toestand van eenvoud. Er was een tinnen lepel aan
't dek vastgemaakt, waar ieder heer, die het noodzakelijk achtte
zich te reinigen (sommigen waren boven de zwakheid verheven), het
vuile water uit het kanaal mee opschepte en in een op dezelfde wijze
vastgemaakte waschkom overgoot. Er was ook een vod van 'n handdoek,
terwijl men eindelijk voor een klein spiegeltje, in de onmiddellijke
nabijheid van brood en kaas en beschuit, een kam en haarborstel ten
algemeenen gebruike aantrof.
Nadat de planken weggenomen en de tafeltjes weer bij elkaar gezet
waren, ging iedereen weer aanzitten bij 't zelfde tafeltje welbereid,
bestaande uit thee, koffie, brood, boter, zalm, elft, lever, lapjes,
aardappelen, zuur, ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes van
voren af aan. Sommigen hielden er dolveel van, om van dit alles een
zoogenaamd allegaartje te maken, en om die reden alles tegelijk op hun
borden te hebben. Als nu een heer het klaargespeeld had met zijn eigen
persoonlijk bedrag van thee, koffie, brood, boter, zalm, elft, lever,
lapjes, aardappelen, zuur, ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes,
stond hij op en ging heen. Toen iedereen het klaargespeeld had met
alles, werden de klieken afgenomen, waarop een der kellners, die
opnieuw voor den dag kwam en wel in 't karakter van een barbier, al
wie lust had van de heeren om geschoren te worden, schoor, terwijl de
overblijvers dat aangaapten of hun nieuwsbladen geeuwend inkeken. Het
diner was de herhaling van 't ontbijt, zonder de koffie en thee;
ook het souper was aan 't ontbijt gelijk.