gemaakt, die dwars over twee parallel staande palen liggen, welke
opwippen als de wielen er over rollen; en in de rivier. De rivier
heeft namelijk een kleiachtigen bodem en zit vol gaten, zoodat men
de helft van 't paard telkens onverwachts ziet verdwijnen, en eerst
na verloop van eenigen tijd voor den dag ziet komen.
Maar we komen deze zwarigheden te boven, en op den weg zelf, die uit
een reeks afwisselende moerassen en zandkuilen bestaat. Daar recht
voor ons uit ligt een verschrikkelijke plek, de oogen van den zwarten
koetsier rollen in zijn hoofd, rond als een bal trekken zich zijn
lippen te zamen, en strak kijkt hij tusschen de ooren van zijn voorspan
door, als zei hij tot zich zelf: vroeger hebben we dit meer gedaan,
maar nu denk ik, zullen we een zwaren dobber hebben. In iedere hand
neemt hij een leisel; rukt en trekt aan beide; en evenals wijlen de
betreurde Ducrow op twee zijner fiere paarden danst hij met zijne beide
voeten op 't spatbord (natuurlijk zijn zitplaats niet verlatend). Wij
komen aan de noodlottige plek, zakken bijna tot aan de raampjes in 't
slik, kantelen aan één zij over, dat het rijtuig een hoek van vijf en
veertig graad beschrijft, en blijven daar steken. Die er in zitten,
gillen erbarmelijk; het rijtuig stopt; de paarden spartelen; al de
andere zes wagens stoppen; en hun vier en twintig paarden spartelen
insgelijks: maar louter om ons gezelschap te houden en uit sympathie
met de onze. Hierop vindt het volgende tooneel plaats:
De zwarte koetsier (tegen de paarden): "Hi!"
Er gebeurt niets. Alweer gegil in de wagens.
De zwarte koetsier (tegen de paarden): "Ho!"
De paarden slaan en bespatten den zwarten koetsier.
Een heer daarbinnen (uitkijkende): "Lieve hemel, wat is er toch..."
De heer wordt op allerlei spatten, behalve op liefelijke, getrakteerd
en haalt dan ook maar weer gauw zijn hoofd naar binnen, zonder zijn
vraag te voltooien of op antwoord te wachten.
De zwarte koetsier (nog altijd tegen de paarden): "Jiddy! Jiddy!"
De paarden nemen een geweldigen ruk, sleuren den wagen uit het gat,
en trekken hem op een kant, die zoo steil is, dat de zwarte koetsier
achterover tuimelt met zijn beenen in de lucht en onder de bagage
bovenop terecht komt. Maar onmiddellijk komt hij weer op zijn verhaal
en schreeuwt (nog altijd tegen de paarden):
"Pill!"
Boter aan de galg gesmeerd. Ja, 't baat niets, niemendal. Integendeel,
de koets begint achteruit te rollen op no. 2, no. 2 op no. 3, no 3
op no. 4, en zoo voorts, totdat men no. 7, bijna een kwart mijl ver,
kon hooren vloeken en zwetsen.
De zwarte koetsier (luider dan te voren): "Pill!"
De paarden doen alweer hun best om op den oever te komen, en alweer
rolt de wagen achteruit.
De zwarte koetsier (luider dan te voren): "Pi-i-i-ll!"
De paarden doen hun uiterste best.
De zwarte koetsier (goed op zijn verhaal komende): "Hi, Jiddy,
Jiddy, Pill!"
De paarden probeeren 't opnieuw.
De zwarte koetsier (met groote heftigheid): "Elly Loe! Hi. Jiddy,
Jiddy. Pill. Elly Loe!"
Bijna doen de paarden het.
De Zwarte Koetsier (wiens oogen het hoofd uitpuilen): "Lie, den. Lie,
dere. Hi. Jiddy. Pill. Elly Loe. Lie-ie-ie-ie!"
Ze vliegen den oever op en komen aan den anderen kant op een
gevaarlijke plek terecht, 't Is onmogelijk om ze tegen te houden, en op
den bodem is een diep gat, vol water. De koets rolt verschrikkelijk. De
passagiers, die er in zitten, gillen. De modder en 't water vliegen
om ons heen. De zwarte koetsier danst als een dolleman. Op eens komt
alles terecht, waardoor? ja, dat mag de hemel weten! en nu houden we
stil, om adem te halen.
Een zwarte vriend van den zwarten koetsier zit op een heining. De
zwarten koetsier geeft blijken dat hij hem herkent, door zijn hoofd
rond te draaien als een harlekijn, zijn oogen heen en weer te rollen,
zijn schouders op te halen en zijn mond van 't eene oor naar 't andere
te vertrekken. Op eens stopt hij, keert zich naar mij toe en zegt:
"We zullen er u overbrengen alsof 't van 'n leien dakkie gaat en hopen
dat 't naar uwes zin zal wezen, als we 'r u zoo overbrengen." (Erg
soebattende)! "Thuis heb ik nog 'n ouwe vrouw, meneertje!" (weer
grijnzende): "Als de heeren eenmaal goed en wel thuis zijn, dan denken
ze dikwijls om de oude vrouw thuis, weet uwé."
"Breek daar je hoofd maar niet over! we zullen wel om de oude vrouw
denken."
Alweer grijnst de zwarte koetsier, maar er is nog een gat, en aan
den anderen kant van dat gat, nog een kant vlak voor ons. Zoo stopt
hij op eens, en roept (tegen de paarden alweer): "Zoetjes an. Zoetjes
dan toch. Zoetjes. Hou jelui goed. Hi. Jiddy. Pill. Elly. Loe" (maar
ditmaal roept hij geen enkelen keer: "Lie!"): totdat we, eindelijk
ten einde raad, ons te midden van zooveel moeilijkheden bevinden,
dat het ons onmogelijk schijnt, daaruit te geraken.
En zoo leggen we de tien mijlen of daaromtrent in twee en een half
uur, af, wel is waar noch armen noch beenen brekende, maar een massa
beenen en beentjes kneuzende, kortom den afstand afleggende alsof
't, zou onze zwarte koetsier zeggen, "van 'n leien dakkie ging."
Deze zonderlinge manier van rijden houdt te Fredericksburgh op, alwaar
een spoorweg begint naar Richmond. De streek, waar die weg doorheen
loopt, was eens productief; maar de grond is uitgemergeld doordien men
er met behulp van slavenarbeid te veel van gevergd heeft, zonder hem
door middel van bemesting als anderszins behoorlijk het zijne te geven,
zoodat hij nu niet veel beter is dan een zandwoestijn vol boomen. Zoo
armzalig als de streek er hier uitziet, deed het me waarlijk goed aan
mijn hart, iets te vinden waar de vloek dezer verfoeilijke instelling
op gevallen is, en smaakte grooter genoegen bij den aanblik van den
verwelkten bodem dan de rijkste en vruchtbaarste bebouwing op dezelfde
plaats mij met mogelijkheid kon verschaft hebben.
Evenals in alle andere districten waar de slavernij gevonden wordt
(menigmaal heb ik dit toe hooren geven zelfs door hen die er de
warmste verdedigers van zijn), zoo stuit men ook in dit district
overal op teekenen van achteruitgang en verval, die van 't stelsel
onafscheidelijk zijn. De schuren en bijgebouwen rotten weg; de loodsen
zijn opgelapt en half zonder dak; de blokhutten (die in Virginië
schoorsteenen hebben van buiten, die van klei of hout gemaakt worden)
zijn in den hoogsten graad smerig. Niets treft men er aan wat naar
fatsoenlijkheid zweemt. De ellendige stationsgebouwen aan den kant
van den spoorweg; de groote woeste houtplaats, waar de brandstof
voor de locomotief uit vandaan gehaald wordt; de negerkinderen die
met honden en varkens voor de deuren der hutten op den grond rollen;
de tweevoetige lastdieren die ons voorbijsluipen: over alles ligt
een waas van somberheid en verderf.
In den negerwaggon, die tot den trein behoorde, waar wij dien dag
mee reisden, bevonden zich een moeder en haar kinderen, die juist
verkocht waren; de man en vader was achtergebleven bij hun ouden
eigenaar. De kinderen schreeuwden den geheelen weg over, en de moeder
was een toonbeeld van ellende. De kampioen van Leven, Vrijheid en het
Najagen van Geluk, die ze gekocht had, maakte van denzelfden trein
gebruik, en ging, telkens als wij stopten, eens kijken of ze wel
present waren. De zwarte in Sinbad, steeds met een oog midden in zijn
voorhoofd, dat als een gloeiende kool glinsterde, was in vergelijking
met dezen blanken heer een aristocraat in de natuurlijke orde.
Het was tusschen zessen en zevenen 's avonds, toen wij naar het
logement reden, waar van voren en boven op de breede stoep die naar de
deur geleidde, een stuk of drie burgers onder 't rooken van een sigaar
op schommelstoelen zaten te wiegelen. Wij merkten dat het een zeer
groot en sierlijk gebouw was, en werden zoo goed bediend als reizigers
dit met mogelijkheid kunnen begeeren. Daar het klimaat van dien aard
was, dat men nogal dorst kreeg, was er in de ruime koffiekamer op
geen uur van den dag gebrek aan bezoekers en stond het aan 't buffet,
waar men allerlei koele dranken kon krijgen, geen oogenblik stil;
maar 't waren hier prettige lui, die 's avonds muziek lieten maken,
die men met pleizier hoorde.
De beide volgende dagen reden en wandelden we de stad rond, die
heerlijk op acht heuvelen ligt, welke de James-rivier bestrijken,--een
stroom, waar men hier en daar heldere eilandjes gewaar wordt, of die
over gebroken rotsen heen bruist. Ofschoon het nog maar half Maart
was, was het weer in deze zuidelijke temperatuur buitengewoon warm:
de perzikboomen en magnolia's stonden in vollen bloei; de boomen waren
groen. In een lagen grond onder de heuvelen is een vallei, bekend als
de "Bloody Run" (Bloedige jacht), die dezen naam ontleend heeft aan
een verschrikkelijk gevecht met de Indianen, dat hier eenmaal plaats
vond. Het is dan ook een geschikte plaats voor zoo'n worsteling, en,
in verband gebracht met de een of andere legende van dat wilde volk,
dat nu zoo spoedig van de aarde verdwijnt, boezemde ook zij, evenals
iedere andere plek die ik zag, mij niet weinig belangstelling in.
De stad is de zetel van 't locale parlement van Virginië; en
in zijn belommerde, koele zalen bleven sommige redenaars met
hun slaapverwekkende redevoeringen doorwauwelen tot den heeten
nadenmiddag. Daar ik al zoo menigmaal van dergelijke tooneelen uit de
constitutioneele wereld getuige was geweest, zoo stelde ik er niet veel
meer belang in dan in de zittingen van den een of anderen Kerkeraad
en was ik mooi blij dat ik dit gezicht kon verwisselen met een kijkje
in een goed ingerichte bibliotheek van zoo wat tien duizend deelen,
en een bezoek aan een tabaksfabriek, waar al de werklui slaven waren.
Aan deze fabriek zag ik al wat betrekking heeft op het sorteeren,
rollen, persen, drogen, inpakken in vaten, en merken. Al de tabak, die
op die manier bewerkt wordt, was voor de pruim-liefhebberij bestemd; en
als men die geheele massa overzag, zou men onwillekeurig verondersteld
hebben, dat er in één zoo'n magazijn genoeg zou geweest zijn, om
zelfs de kaken van geheel Amerika, die nogal wat bergen kunnen, te
vullen. In dezen vorm ziet de tabak er als de lijnkoek uit, waar wij
onze beesten mee voeren,--een gezicht dat, daargelaten nog de nadeelige
gevolgen van dit onkruid, alles behalve uitlokkelijk mag heeten.
Verscheidene van de werklui schenen sterke mannen te zijn, en ik zal
er wel niet behoeven bij te voegen, dat ze toen allen stil hun gang
gingen. Na tweeën krijgen ze permissie om wat te zingen, niet allen
tegelijk, maar een zeker getal. Daar 't tijdens mijn bezoek zoo laat
was, waren ze, onder hun werk door, juist met hun stuk of twintig
aan 't zingen, en waarlijk ze zongen volstrekt niet slecht. Op 't
punt staande van heen te gaan, werd er een bengel geluid, waarop
zij allen naar een gebouw vlogen aan den overkant der straat: 't
was etenstijd. Verscheidene keeren zei ik, dat ik ze eens graag zou
willen zien eten; maar aangezien de heer, wien ik dit mijn verlangen
te kennen gaf, op eens doof, stokdoof scheen geworden te zijn, drong
ik er maar niet verder op aan. Hoe zij er wel uitzagen, daar zal ik
zoo aanstonds iets van zeggen.
Den volgenden dag bezocht ik een plantage of boerderij van
ongeveer twaalfhonderd morgen lands, die aan den overkant der
rivier lag. Alhoewel ik met den eigenaar naar 't "kwartier" ging,
zooals dat gedeelte van 't erf, waar de slaven wonen, genoemd wordt,
werd ik ook hier weer niet uitgenoodigd, om een enkele hunner hutten
binnen te gaan. Al wat ik er van zag, was, dat het allerarmzaligste
hutten waren en in de nabijheid troepjes van half naakte kinderen in
de zon lagen te branden of op den vuilen grond lagen te rollen. Maar
ik geloof, dat deze heer een achtingswaardig en voortreffelijk heer
is, die zijn vijftig slaven erfde, en noch een kooper en verkooper
van menschenvleesch; en afgaande op 't geen ik met mijn eigen oogen
gezien heb, heb ik de innige overtuiging, dat hij een goedhartig en
rechtschapen man is.
Het huis van den planter was een luchtige, landelijke woning, die mij
Defoe's beschrijving van zulke plaatsen voor den geest bracht. De dag
was erg warm, maar daar de blinden allen dicht waren en de ramen en
deuren wijd open stonden, waren al de kamers in de schaduw en kwam er
u een koeltje tegen, dat na 't licht en de hitte buitendeurs dubbel
verfrisschend aandeed. Voor de ramen was een open piazza, waar zij,
bij 't geen zij heet weer noemen--onverschillig hoe het weer in de
werkelijkheid is--hangmatten ophijschen, en weelderig liggen te
drinken en te luieren. Ik weet niet hoe hun koele ververschingen
daar binnen in die hangmatten wel zullen smaken, maar daar ik er
op dat punt alles van weet, kan ik bij ondervinding betuigen dat,
daarbuiten, de klompen ijs en de kommen pepermuntwater en zoogenaamde
sherry-cobbler, die zij onder deze hemelstreken fabriceeren, van die
verfrisschingen zijn waar zij, die op tevredenheid van ziel gesteld
zijn, naderhand nooit meer 's zomers om zullen denken.
Er zijn twee bruggen over de rivier: de eene behoort bij den spoorweg,
en de andere, die armzalig in elkaar zit, is het particulier eigendom
van een zekere oude dame in de buurt, die van de stedelingen tol
heft. Bij mijn terugreis over deze brug gaande, zag ik een waarschuwing
op de poort geschilderd, die alle personen vermaande om langzaam te
rijden, op boete van vijf dollars voor een blanke, en van vijftien
zweepslagen voor een zwarte.
Datzelfde waas van somberheid en verval, dat over den weg hangt
wordt men ook boven de stad Richmond gewaar. Er zijn lieve villa's
en aardige huizen in haar straten en de natuur glimlacht over de
omgeving; maar evenals de slavernij gepaard gaat met verscheidene
verhevene deugden, zoo vindt men vlak naast fraaie woonhuizen ellendige
krotten, verwaarloosde heiningen en schuttingen, muren die al bijna
tot een puinhoop vervallen zijn. Het kan niet anders of deze en meer
dergelijke teekenen, die onder de oppervlakte schuilen, dringen zich
onwillekeurig aan uw waarneming op, en even onwillekeurig doemen
ze telkens en telkens weer met weemoedig gevoel voor den geest op,
als pleizieriger herinneringen al lang in 't vergeetboek geraakt zijn.
Op degenen, die er gelukkig niet aan gewend zijn, moeten de
menschelijke gezichten, die hij in de straten en op de werkplaatsen
tegenkomt, een allerpijnlijksten indruk maken. Allen die weten, dat er
wetten tegen het onderwijs der slaven bestaan, waarvan de straffen en
boeten veel zwaarder zijn dan die welke gezet zijn op mishandelingen en
folteringen die hun door hun meester worden aangedaan,--ze moeten er
op voorbereid zijn, dat ze hier gezichten aan zullen treffen, die al
bijster laag staan op de ladder van verstandelijke uitdrukking. Maar
het donkere--niet van huid, maar van ziel--dat des vreemdelings oog
ieder oogenblik tegenkomt; het verdierlijken en uitwisschen van al de
schoone trekken die door de hand der Natuur gewrocht zijn,--dat alles
gaat zijn verwachting op dit punt ver, onmetelijk ver te boven. Die
reiziger, een gewrocht van 't brein van den grooten Satiricus,
die, zoo kersversch van zijn verblijf onder paarden teruggekomen,
met bevenden afschuw uit een hoog raam op de wezens van zijn eigen
soort neerzag, kon door dat gezicht niet pijnlijker getroffen zijn
geworden dan zij die deze menschelijke gelaatstrekken voor 't eerst
van hun leven zagen, ontwijfelbaar getroffen zijn.
Den laatsten hunner liet ik achter me in den persoon van een
ongelukkigen stumpert, die, na den geheelen dag tot middernacht heen
en weer geloopen, en na middelerwijl wat op de trappen gedommeld
te hebben, 's morgens om vier uur alweer present was om de donkere
gangen te schrobben; en ik ging mijns weegs met een dankbaar hart,
dat ik niet gedoemd was om te leven daar waar de slavernij was, en
een slavenhand mijn geestvermogens niet zoo stompgewiegd had, dat ik
al het verkeerde, al het afschuwelijke dat die instelling aankleeft,
niet meer kon beseffen.
Ik was van plan geweest, over de James-rivier en de Chesapeake-baai
naar Baltimore te gaan; maar daar een der stoombooten, die een ongeluk
gekregen had, niet aan de gewone ligplaats te vinden en ons vertrek
dus onzeker geworden was, zoo keerden wij langs denzelfden weg naar
Washington terug, hielden ons daar nog een nacht op en vertrokken
den volgenden namiddag naar Baltimore. In 't voorbijgaan wil ik nog
meedeelen, dat er aan boord van onze stoomboot twee politieagenten
geweest waren, om weggeloopen slaven op te halen.
Het gemakkelijkst en best ingerichte van al de logementen, waar ik
eenige ondervinding van heb opgedaan in de Vereenigde Staten en zij
waren niet weinige, is dat van Barnum in die stad, waar de Engelsche
reiziger voor den eersten en waarschijnlijk laatsten keer in Amerika
gordijnen voor zijn bed zal vinden, en wat alweer niet overal het
geval is, ook genoeg water heeft om zich te wasschen.
Deze hoofdstad van den staat Maryland is een allerdrukste stad met
vrij wat handel van allerlei aard en voornamelijk met scheepvaart. Dat
gedeelte der stad, dat daar 't meest van profiteert, is wel is waar
niet van de zindelijkste, maar het hooger gedeelte ziet er heel anders
uit en heeft tal van aangename straten en openbare gebouwen. Het
Washington-monument, een fraaie kolom met een standbeeld er bovenop,
het Geneeskundig College en het Krijgsmonument ter gedachtenis aan
een gevecht met de Engelschen bij de Noordkaap, ziedaar een en ander
wat het meest in 't oog springt.
In deze stad is ook een zeer goede gevangenis, en het stelsel der
eenzame opsluiting behoort mede tot haar instellingen. In dit laatst
genoemde gesticht deden zich twee opmerkelijke gevallen voor.
Het eene was dat van een jonkman, die wegens vadermoord gevangen
zat. Het bewijs zijner schuld hing geheel en al van bijkomende zaken
af, terwijl de zaak zeer treurig en twijfelachtig mocht heeten; ook was
't onmogelijk, eenige beweegreden bij te brengen, die hem tot zoo'n
vreeselijke misdaad kon aangezet hebben. Tweemaal was hij voor geweest;
en bij de tweede gelegenheid aarzelde de jury zoodanig om hem schuldig
te verklaren, dat zij een verdict van manslag of moord in den tweeden
graad toepasten, iets wat met geen mogelijkheid het geval kon wezen,
aangezien er, en dit stond zoo vast als een paal, noch krakeel noch
uittarting plaats had gevonden, en hij, was hij werkelijk schuldig,
dan ook ontegenzeglijk schuldig was aan moord in de ruimste en ergste
beteekenis des woords.
Het opmerkelijke punt in dit rechtsgeding was dat, bijaldien
de ongelukkige overledene niet werkelijk door dezen zijn eigen
zoon vermoord was geworden, zijn eigen broer de dader moest
zijn. Opmerkelijk inderdaad, maar óf de een óf de ander moest het
gedaan hebben, daar ging niets van af. Op al de bezwarende punten
was de broer van den afgestorvene de getuige; al de verklaringen ten
aanzien van den gevangene (waarvan sommige zeer aannemelijk waren)
moesten den rechter door middel van ontleding en vergelijking tot de
gevolgtrekking brengen, dat de broer er op uit was, om de schuld op
zijn neef te gooien. Nog eens dus: een van beiden moest het gedaan
hebben, en de jury had te beslissen tusschen het vermoeden op beiden,
en dat met betrekking tot een wandaad die, hetzij de zoon of de neef
ze gepleegd had, bijna even onnatuurlijk, onverklaarbaar en vreemd
mocht heeten.
Het andere geval was, dat van een man, die bij een likeurstoker een
koperen maat gestolen had, waar zich een zekere hoeveelheid drank in
bevond. Men had hem achternagezeten en gearresteerd met den eigendom
in zijn bezit, waar hij twee jaar voor gekregen had. Toen hij na
afloop van zijn straftijd uit de gevangenis vandaan kwam, ging hij
weer naar denzelfden stoker toe, en ontstal hem dezelfde koperen maat,
inhoudende dezelfde hoeveelheid drank. Er bestond niet de geringste
reden om te veronderstellen, dat de man naar de gevangenis wenschte
terug te keeren: integendeel, alles, behalve het misdrijf zelf,
pleitte tegen die onderstelling. Er zijn maar twee wegen om deze
ongewone handelwijze te verklaren. De eene is, dat hij, na voor deze
koperen maat zooveel te hebben ondergaan, begreep, dat hij er nu in
zekeren zin recht en aanspraak op mocht laten gelden, terwijl men
van den anderen kant aan zou kunnen nemen, dat het, door er zoo lang
om te denken, een monomanie bij hem geworden was, en dat ding hem
als 't ware zoo betooverd had, dat het in zijn verbeelding van een
aardsche koperen maat in een bovenaardsch gouden vat was veranderd,
zoodat hij er onmogelijk langer weerstand aan had kunnen bieden.
Na hier een paar dagen te hebben vertoefd, besloot ik mijn zoo onlangs
opgevat plan te volvoeren en zonder verwijl onze reis naar 't Westen te
aanvaarden. Ik begon daarom hiermee, dat ik mijn bagage tot den kleinst
mogelijken omvang beperkte, door namelijk al wat ik niet volstrekt
noodig had, naar New-York terug te sturen, met verzoek het naderhand
in Canada naar ons op te zenden. Vervolgens voorzag ik mij van de
noodige kredietbrieven van bankiershuizen, die op onzen weg lagen,
en nadat we buitendien een paar avonden naar de ondergaande zon hadden
gekeken met zoo'n juist omschreven denkbeeld van 't voor ons liggende
land, als stonden we op 't punt van een reis te ondernemen naar 't
middelpunt zelf van die planeet, verlieten we Baltimore langs een
anderen spoorweg om halfnegen 's morgens, en bereikten de stad York,
die er een mijl of zestig van af ligt, juist toen 't etenstijd was aan
't logement, dat de pleisterplaats was van 't vierspannig rijtuig,
waar we naar Harrisburgh mee zouden vertrekken.
Dit vervoermiddel, waarvan ik gelukkig genoeg was den bok machtig
te worden, was ons aan 't station te gemoet gereden en zag er
even modderig en ongemakkelijk uit als naar gewoonte. Daar er meer
passagiers aan de deur van 't logement op stonden te wachten, maakte
de koetsier op den toon, waarop men dit gewoonlijk doet, bij zich
zelf de opmerking, en meteen keek hij naar zijn beschimmeld tuig,
als richtte hij daar het woord tegen:
"Ik denk wel, dat we de groote koets noodig zullen hebben."
Met verwondering vroeg ik me zelf onwillekeurig af, hoe groot die
groote koets dan toch wel zou wezen, en hoeveel personen er wel
in zoude gaan; want het rijtuig, dat te klein was voor ons doel,
was al iets grooter dan twee Engelsche zware nachtdiligences. Mijn
bespiegelingen kwamen evenwel gauw tot rust; want zoodra we gegeten
hadden, kwam er een soort van barge op wielen, die als een zwaarlijvige
reus heen en weer schommelde, de straat op. Na veel horten en stooten
bleef de wagen voor de deur stilstaan, maar al stond hij nu stil,
dit nam niet weg, dat hij nog altijd, en niet weinig ook, van den
eenen kant naar den anderen door bleef schommelen, alsof hij kou
gevat had in zijn vochtigen stal en nu geheel en al van streek was
van kortademigheid, omdat men van hem had durven vergen, op zijn ouden
waterzuchtigen dag een beetje gauwer aan te stappen dan gewoonlijk.
"Zoo, is dan hier eindelijk de postwagen naar Harrisburgh? En wat
ziet-i er vreeselijk glunder en kostelijk uit," riep een bejaard heer
min of meer opgewonden uit, "stop m'n moeder!"
Ik weet waarachtig niet wat voor gewaarwording het is, als men
evenals een kous gestopt wordt, of dat nu juist een mans moeder op
zoo'n stopproces ijselijker gesteld moet zijn, of er vreeselijker
hekel aan moet hebben dan iemand anders; maar als het ondergaan
van deze geheimzinnige plechtigheid door de oude dame in quaestie
bijgeval afhankelijk mocht geweest zijn van de nauwkeurigheid van
haar zoons visioen met betrekking tot de afgetrokken glunderheid
en kostelijkheid van den postwagen op Harrisburgh, dan zal de arme
stumperd de penetentie ondergaan hebben ook. Niettemin, van stoppen
gebroken, zooveel is zeker, dat zij er twaalf man in stopten; en
zoodra de bagage (met inbegrip van zulke beuzelarijen als een groote
schommelstoel en vrij groote eettafel) bovenop den wagen vastgemaakt
was, reden wij heel deftig af.
Aan de deur van een ander logement stond nog een passagier, die
mee moest.
"Is er nog plaats, heerschap?" roept de nieuwe passagier den koetsier
toe.
"Wel, er is ruimte genoeg," antwoordt de koetsier, zonder af te
stappen of zelfs naar hem te kijken.
"Er is in 't geheel geen plaats meer, mijnheer," schreeuwt een heer
van binnen. Iets wat een andere heer (ook van binnen) bevestigt,
door te voorspellen, dat "'t niet goed af zou loopen," als men 't
wou probeeren, er nog meer passagiers in te laten.