springt, is, zooveel geachte leden met opgezwollen tronies te zien;
en 't is ternauwernood minder opmerkelijk, te ontdekken dat dit in
't oogloopende uiterlijk veroorzaakt wordt door de hoeveelheid tabak
die zij in 't holle van hun wangen weten te stoppen. Ook is 't nogal
vreemd, zoo'n geacht kamerlid met zijn rug in zijn stoel en met zijn
beenen op den voor hem staanden lessenaar een behoorlijke "plug"
(pruim) met zijn pennemes af te zien snijden, waarna hij, als ze
kant en klaar is om gebruikt te worden, de oude pruim met zooveel
kracht uit zijn mond spuugt, als kwam ze uit een proppenschieter,
en de nieuwe er voor in de plaats doet.
Ik keek vreemd op, toen ik merkte, dat zelfs geposeerde oude pruimers
van groote ondervinding niet altijd goede mikkers zijn, iets wat me in
de verzoeking heeft gebracht om te gaan twijfelen aan die algemeene
bedrevenheid met de buks, waar we in Engeland zooveel van gehoord
hebben. Zoo kreeg ik onder anderen bezoek van verscheidene heeren die
in den loop van 't gesprek gestadig vijf pas het kwispedoor misten, en
een (maar die was zeker bijziende) zag, op een afstand van drie voet,
een toeraam voor een open raam aan. Bij een andere gelegenheid, toen
ik buitenshuis dineerde, en met twee dames en een stuk of wat heeren
voor den eten rondom een haard zat, miste een uit het gezelschap de
stookplaats zesmaal achtereen. Ik ben er echter wel aan toe, om te
gelooven, dat dit hier vandaan kwam, dat hij niet op dat voorwerp
mikte, aangezien er een wit marmeren plaat voor den haard was,
die dichter bij de hand was en misschien ook beter aan zijn doel
beantwoordde.
Het Octrooi-bureau te Washington levert een buitengewoon voorbeeld op
van Amerikaansche ondernemingsgeest en vernuft; want het onnoemelijk
aantal modellen, die men daar aantreft, vertegenwoordigt de
opeengehoopte uitvindingen van maar vijf jaar, daar de geheele vorige
collectie door brand is vernield geworden. Het sierlijke gebouw, waar
zij in gerangschikt zijn, is eerder een ontworpen dan wel voltooid
gebouw, want van de vier zijden is er maar één opgetrokken, ofschoon
het werk gestaakt is. Het postkantoor is een zeer compact en een zeer
fraai gebouw. In een der vertrekken vindt men, onder een collectie
zeldzame en curieuse artikelen, de geschenken die bij tijd en wijle
gemaakt zijn aan de Amerikaansche gezanten bij vreemde hoven door
de verschillende potentaten bij wie zij de geaccrediteerde agenten
der Republiek waren: geschenken die hun door de wet verboden zijn om
te houden. Ik beken, dat ik hier op neerzag als op een smartelijke
tentoonstelling, en dat wel op een tentoonstelling die in geenen
deele vleiend is voor den nationalen standaard van rechtschapenheid
en eer. Neen, het zedelijk gevoel moet daar alles behalve sterk
ontwikkeld zijn, waar men van de onderstelling uit durft gaan, dat een
man van naam en stand in de vervulling zijner plichten omgekocht kan
worden door 't geschenk van een snuifdoos, of rijk ingelegde sabel,
of oostersche sjaal; en zeker wordt de natie, die vertrouwen stelt
in haar dienaren, beter gediend, dan zij die hen tot voorwerp maakt
van zulke lage en armzalige vermoedens.
Te George Town bevindt zich, in een der voorsteden, een
Jezuieten-college dat overheerlijk gelegen is en voor zoover ik
gelegenheid had om dit op te nemen, goed bestuurd wordt. Ik geloof
dan ook, dat verscheidene personen, die niet tot de Roomsche kerk
behooren, gebruik maken van de voordeelige gelegenheden die deze
instelling oplevert voor de opvoeding hunner kinderen. De hoogten
in deze buurt, boven de Potomac-rivier, zijn zeer schilderachtig, en
naar ik reden heb om te gelooven, vrij van al datgene wat Washington
ongezond maakt. De lucht was op die hoogte geheel koel en frisch,
als ze in de stad brandend heet was.
Het presidentshuis heeft meer van een Engelsch sociëteits-gebouw,
zoowel van binnen als van buiten, dan van eenig ander soort van
gebouw waar ik 't mee vergelijken kan. De grond er omheen is tot
een wandeltuin aangelegd, en aangenaam voor 't oog; ofschoon hij
het onaangename heeft van er uit te zien alsof hij eerst gisteren
was aangelegd, iets wat er alles behalve toe bijdraagt om zulke
schoonheden goed uit te doen komen.
Mijn eerste bezoek aan dit huis was op den morgen na mijn aankomst. Een
officieel heer bracht mij er naar toe en was ook zoo goed mij aan
den President voor te stellen.
Wij traden een groote zaal binnen, en nadat we een keer of drie aan een
bel getrokken hadden, waar niemand op antwoordde, wandelden we zonder
verderen omslag door de kamers gelijkvloers, zooals ook verscheidene
andere heeren (de meesten met hun hoed op en de handen in den zak)
op hun doode gemak deden. Sommigen dezer hadden dames bij zich,
aan wie zij huis en tuin lieten zien; andere lagen zoo lang als ze
waren op de stoelen en sofa's te luieren, nog weer anderen waren
zoo verschrikkelijk lustig dat ze niets anders deden dan geeuwen en
gapen. De meeste dezer bezoekers waren hier eer gekomen om met hun
meerderheid te koop te loopen dan om iets anders, daar zij, gelijk
iedereen wist, hier niets hadden uit te voeren. Een stuk of wat namen
het huisraad op, als om zich te vergewissen dat de President (die alles
behalve populair was) niet een of ander meubelstuk verdonkeremaand
of iets wat spijkervast was ten eigen profijte verkocht had.
Nadat we naar deze doodeters gekeken hadden, die, verspreid over
een lieve zitkamer (uitkomende op een terrein waar men een heerlijk
uitzicht had op de rivier en de daarbij gelegen landstreek), naar
een grooter staatsievertrek flaneerden dat de Ooster-gezelschapskamer
genoemd werd, gingen wij de trap op naar een andere kamer, waar zich
die bezoekers bevonden, welke op eene audiëntie wachtten. Zoodra hij
mijn geleider zag, gaf een eenvoudig aangekleede zwarte met gele muilen
aan, die zachtkens heen en weer trippelde en den meer ongeduldigen de
een of andere boodschap in 't oor fluisterde, een herkenningsteeken
en sloop weg om hem aan te dienen.
Eerst hadden we in een andere kamer gekeken, met een grooten kalen
houten lessenaar of toonbank in de rondte. Stapels nieuwsbladen
lagen er op, waar verscheidene heeren gebruik van maakten. Maar
zulke middelen om den tijd te dooden vond men niet in dit
vertrek. Integendeel, het was even ontmoedigend en vervelend als
zoo'n wachtkamer in een onzer openbare inrichtingen of bij een dokter
gedurende de uren dat hij thuis te consulteeren is.
Er zullen zoo wat een stuk of twintig personen in de kamer geweest
zijn. De een, een lange, gespierde, door de zon verbrande, zwartachtige
oude man uit het Westen, met een bruinwitten hoed op zijn knieën en
een reusachtige paraplu tusschen zijn beenen, zat zoo recht als een
kaars in zijn stoel en keek maar gestadig met zoo'n zuur en strak
gezicht naar 't tapijt, als wou hij zeggen: "als ik 't straks met
den President aan den stok krijg, dan zal i er zoo makkelijk niet van
afkomen, neen waarachtig niet, ik geef hem geen zier toe." Een ander,
een boer uit Kentucky, zes voet zes duim lang, stond met zijn hoed
op en zijn handen onder de panden van zijn jas tegen den muur te
leunen en sloeg met zijn hakken tegen den grond alsof hij het hoofd
van den Tijd onder zijn schoenen hield en hem nu eens letterlijk
"doodde." Een derde, een man met een ovaal gezicht en die er galachtig
uitzag, met kort afgesneden, glimmend zwart haar en puntig afgesneden
baard en snor, zoog maar gedurig aan den knop van een dikken stok,
en haalde hem af en toe uit zijn mond, om te zien hoe ver hij er al
mee gevorderd was. Een vierde deed niets anders dan fluiten. Een
vijfde niets anders dan spugen. En waarlijk, al deze heeren waren
met deze laatste bezigheid zoo druk en zoo onvermoeid in de weer,
overlaadden het tapijt zoo kwistig met hun gunsten, dat het bij mij
vaststond, dat de werkmeiden van den President een hoog loon, of,
om me op gekuischter wijze uit te drukken, een ruime "compensatie"
genoten, zijnde dit ook het woord dat, met betrekking tot alle openbare
beambten in Amerika, in plaats van "loon" gebezigd wordt.
Wij hadden maar een minuut of wat gewacht, of daar kwam de zwarte bode
al terug, en bracht ons in een ander vertrek van kleiner afmetingen,
waar aan een tafel vol papieren de President zelf zat. Hij zag er een
beetje afgemat en verdrietig uit. Nu, dat mocht hij wel. Met Jan en
alleman lag hij toch overhoop. Niettemin had zijn gezicht een zachte en
pleizierige uitdrukking; ook was zijn houding opmerkelijk ongekunsteld,
fijnbeschaafd en innemend. Kortom, op mij maakte hij dezen indruk,
dat hij in al zijn doen en laten zijn hoogen rang alle eer aandeed.
Daar men mij meegedeeld had, dat de verstandige etiquette van
't republikeinsche hof een reiziger zooals ik toestond, zonder
eenige onbeleefdheid te bedanken voor een uitnoodiging om te komen
dineeren--een invitatie die me trouwens eerst gewerd toen ik mijn
aanstalten al getroffen had, om Washington eenige dagen voor den
tijd, waar ik van gewaagde, te verlaten--zoo keerde ik maar eens
naar dit huis terug. Het was bij gelegenheid van een dier algemeene
vergaderingen die op zekere avonden tusschen negenen en twaalven
gehouden, en, nogal grappig, met den naam van "Levee's" bestempeld
worden.
Tegen tienen ging ik er met mijn vrouw naar toe. Er bevonden zich
nogal wat rijtuigen en menschen op de voorplaats, en zoover ik na
kon gaan, waren er geen schikkingen getroffen voor 't ontvangen en
plaatsen der genoodigden. Zeker was 't, dat er geen politie-agenten
waren, om schichtige paarden tot bedaren te brengen, hetzij door aan
hun teugels te trekken of met stokken voor hun oogen te zwaaien;
ook zou ik er wel op durven zweren dat van de menschen, die niets
geen kwaad in hun schild voerden, niemand met geweld een slag op
het hoofd of een stomp tegen den rug of maag kreeg, of op dergelijke
manier tot staan gebracht en dan in bewaring genomen werd, omdat hij
niet uit den weg wou gaan. Maar er was hier ook niet de geringste
wanorde. Zonder eenig getier, gevloek, lawaai of eenigen hinderpaal
kwam ons rijtuig voor 't portaal, en met evenveel gemak stapten we
uit als waren we door de geheele politiemacht der hoofdstad van A
tot Z incluis geëscorteerd geworden.
De suite van kamers op de benedenverdieping was verlicht; en een
militair muziekkorps speelde in de zaal. In de kleiner receptiekamer,
het middelpunt van een gezelschapskring, bevond zich de President
met zijn schoondochter, die de honneurs van 't huis waarnam en een
allerbelangwekkendste, bevallige en fijnbeschaafde jonge dame was. Een
heer, die onder deze groep stond, scheen het ambt van ceremoniemeester
waar te nemen. Andere beambten of oppassers zag ik niet, en waren er
ook niet noodig.
De groote gezelschapskamer, waar ik reeds gewag van gemaakt heb,
en de andere kamers op de benedenverdieping waren stampvol. In den
zin, die wij er aan toekennen, was het gezelschap niet uitgezocht,
want het bevatte personen van allerlei rang en stand, ook was er
niets wat men pronk en praal zou kunnen noemen, integendeel, sommige
kostumes waren in mijn oog nogal potsierlijk. Maar het decorum en
de welgemanierdheid, die er heerschten, werden op geenerlei wijze
verstoord, en ieder man, zelfs onder het gemengd publiek in de zaal,
dat zonder orders of kaartjes toegelaten was, scheen te gevoelen dat
hij deel uitmaakte van 't geheel, en voor zijn deel verantwoordelijk
was voor de waardigheid der bijeenkomst, ja dat op hem zelfs de
verplichting rustte, haar zoo gunstig mogelijk uit te doen komen.
Dat deze bezoekers, onverschillig tot wat voor stand ze behoorden,
buitendien ook niet ontbloot waren van een zekeren fijnen smaak, en
verstandelijke gaven wisten te waardeeren en de zoodanigen die door
de vreedzame beoefening van groote geestvermogens over het huiselijk
leven hunner landgenooten nieuwe bekoorlijkheid verspreiden, den band
van dat leven al hechter en hechter vastsnoerden, en hun goeden naam
meteen in andere landen verhoogden,--dit bleek ten allerduidelijkste
uit de wijze waarop ze mijn waarden vriend Washington Irving ontvingen,
die, onlangs tot hun minister bij 't hof van Spanje benoemd, dien
avond voor 't eerst en voor 't laatst in zijn nieuwe qualiteit in hun
midden aanwezig was. Ik geloof heusch, dat bij al de dwaasheid van
Amerikaansche politiek maar weinig publieke personen zoo oprecht,
zoo eerbiedig en zoo hartelijk aangehaald konden worden als deze
allerboeiendste schrijver; en zelden heb ik een openbare vergadering
meer geëerbiedigd, dan ik deze deed, toen ik er getuige van was
hoe de massa zich eenparig afkeerde van levenmakende redenaars en
officieele wauwelaars en zich met een edelmoedigen en edelaardigen
aandrang rondom den man van stille studie schaarde, trotsch als ze
was dat zijn roem op hun land terugkaatste en dankbaar jegens hem
met geheel hun hart voor den overvloed van liefelijke denkbeelden
die hij over hen had uitgestort. Moge hij zulke schatten nog lang met
kwistige hand uitdeelen; en mogen zij, wat hij zoo ten volle waardig
is, hem nog lang in eere houden!
De tijd, dien wij voor den duur van ons oponthoud in Washington bestemd
hadden, was thans om, en nu zouden we eigenlijk beginnen te reizen;
want de afstanden, die we tot dusverre per spoor hadden afgelegd,
om onder deze oude steden een bezoek af te leggen, worden op dat
groote vasteland als niet geteld.
Eerst was ik van plan, zuidwaarts te gaan, en wel naar
Charlestown. Maar toen ik den langdurigen tijd in overweging nam, dien
deze reis in beslag zou nemen, en de vroegtijdige hitte van 't seizoen,
iets wat zelfs te Washington dikwijls zeer lastig geweest was; toen
ik bovendien het verdrietige van altijd en eeuwig de slavernij voor
oogen te hebben in mijn ziel overwoog tegen de meer dan twijfelachtige
kansen dat ik ze, in den tijd, dien ik besparen kon, ooit ontbloot
zou zien van de vermommingen waar ze zeker in gehuld zou worden, en
zoodoende de al opgedane reeks van daarop betrekking hebbende feiten
met eenig nieuw feit zou kunnen vermeerderen,--zie, toen begon ik
te luisteren naar oud gefluister dat me, in een tijd dat ik er al
bitter weinig om dacht hier ooit te zullen komen, dikwijls thuis in
Engeland voor den geest gestaan had, en weer droomde ik van steden die,
gelijk paleizen in sprookjes, onder de wildernissen en bosschen van
't Westen op kwamen rijzen.
Toen ik nu mijn verlangen te kennen gaf om naar dat punt van 't
kompas te vertrekken, was de raad, dien ik op de meeste plaatsen
ontving, oudergewoonte alles behalve uitlokkend. Zoo werd mijn vrouw
met meer perijkelen en gevaren en ongemakken bedreigd, dan ik mij
kan herinneren of zou willen opsommen als ik kon, maar waarvan het
voldoende zal zijn, wanneer ik eenvoudig zeg, dat het in de lucht
springen met stoombooten en het omvallen met rijtuigen onder de
kleinste ongevalletjes dienden gerekend te worden. Doch aangezien de
beste en vriendelijkste autoriteit, waar ik mij ten deze op verlaten
kon, een wester-route voor me ontworpen had, en ik, om de waarheid
te zeggen, om al de bangmakerijen niet erg mijn hoofd brak, duurde
het niet lang of ik besloot, mijn plan ten uitvoer te leggen.
Dat was om zuidwaarts te reizen, alleen naar Richmond in Virginië; dan
om te keeren en onzen tocht naar 't verre Westen te richten, waarheen
mij de lezer wel in 't volgende hoofdstuk zal willen vergezellen.
IX.
NAAR RICHMOND EN HARRISBURGH.
EEN NACHT-STOOMBOOT OP DEN POTOMAC. EEN RIJWEG IN VIRGINIË EN
EEN ZWARTE KOETSIER. RICHMOND. BALTIMORE. DE MAIL NAAR
HARRISBURGH EN EEN KIJKJE IN DE STAD. EEN KANAALBOOT.
Allereerst zouden wij per stoomboot reizen, en daar de gewoonte
meebrengt, aan boord te slapen, om reden men 's morgens om vier uur
van wal steekt, gingen we naar de ligplaats op dat allerongeschiktste
tijdstip voor zulke tochten, dat pantoffels de meest geliefkoosde
voorwerpen zijn, en het vooruitzicht om over een paar uur in een lekker
bed te zullen stappen vooral den reiziger het best aan zou staan.
Het is tusschen tien uur en half elf in den avond; de maan schijnt,
't is nogal warm, zelfs drukkend. De stoomboot, die, met de machinerie
op dek, uiterlijk wel iets wegheeft van eene arke Noachs van onze
lieve jeugd, ligt langzaam op en neer te wiegelen, en bonst lomp
tegen den houten steiger aan, terwijl het gekabbel der rivier,
om zoo te zeggen, met den loggen klomp aan 't dollen is. De kaai
ligt op eenigen afstand van de stad. Niemand is nog hier; en is ons
rijtuig eenmaal weg, dan zijn een paar matbrandende lampen op dek
de eenige teekenen van leven. Zoodra onze voetstappen op de planken
gehoord worden, komt een vette negerin, die door moeder natuur tot
een echte albedril is gevormd, uit een donkere trap voor den dag, en
brengt mijn vrouw naar de dameskajuit, die er dan ook naar toegaat,
gevolgd door een berg mantels en jassen. Ik voor mij trek mijn stoute
schoenen aan en besluit om in 't geheel niet naar bed te gaan, maar
tot aan den morgen op den steiger op en neer te loopen.
Zoo begin ik dan mijn wandeling, denkende om allerlei verwijderde
dingen en personen, en om geen een ding of persoon in mijn nabijheid,
en stap op die manier zoo wat een half uurtje op en neer. Dan ga
ik weer aan boord, plaats me in 't licht van een der lampen, kijk
op mijn horloge en denk, dat het stil is moeten blijven staan,
en vraag me zelf verwonderd af, wat er toch wel geworden is van
den getrouwen secretaris dien ik van Boston af heb meegebracht. Ter
eere van ons vertrek soupeert hij zeker met wijlen onzen kastelein
(ongetwijfeld op zijn minst een veldmaarschalk) en kan nog wel een
paar uur uitblijven. Alweer ga ik wandelen, maar ik krijg hoe langer
hoe meer het land; de maan gaat onder, de eerstkomende Juni schijnt
verder weg te zijn in den donker en de echo's mijner voetstappen
maken me zenuwachtig. Daarbij is het weer omgeslagen: 't is nu koud
geworden, en om nu in zoo'n eenzaamheid moederziel alleen te kuieren,
dat is ook niet alles. Pleizierig is 't in geen geval. Ik kom daarom
op mijn vast besluit terug en begin te begrijpen, dat het misschien
niet kwaad zou zijn, om onder de dekens te kruipen.
En zoo stap ik weer aan boord, doe de deur van de heerenkajuit open,
en treed binnen. Hoe het komt, dat weet ik gerust niet--maar ik
veronderstel omdat het er zoo doodstil is--ik heb 't in mijn hoofd
gezet, dat er niemand is. Tot mijn schrik en verbazing is de kajuit
vol slapers in iederen hoek, op iedere plaats en in iedere houding:
in de kooien, op de stoelen, op den vloer, op de tafels, en vooral
om de kachel, mijn gezworen vijand. Ik zet nog een stap vooruit
en trap op 't glimmende gezicht van een zwarten hofmeester, die,
gerold in een deken, op den vloer ligt. Hij springt op, grijnst,
half van pijn en half van gastvrijheid, fluistert me mijn eigen naam
in 't oor, en brengt me al tastende door de slapers heen, naar mijn
kooi. Eenmaal naast mijn kooi, tel ik deze slapende passagiers en kom
boven de veertig. Daar er niets anders op zit, zoo begin ik me maar
uit te kleeden, maar waar zal ik mijn kleeren op leggen? De stoelen
zijn immers allen bezet. Ik leg ze dus maar op den grond, edoch
niet zonder mijn handen te bevuilen, want 't is hier één pot nat,
ja, waarachtig, één pot nat, als met de vloerkleeden in 't Kapitool,
en uit dezelfde oorzaak. Ik kleed me maar gedeeltelijk uit, klauter
mijn kooi in, en laat mijn gordijn een minuut of wat open, om al mijn
medereizigers op te nemen. Dat gedaan hebbende, laat ik het vallen
voor hen en voor de geheele wereld, draai me om en ga slapen.
Natuurlijk word ik wakker, als we afvaren, want dan wordt er nogal
leven gemaakt. De dag breekt dan juist aan. Alle reizigers worden
tegelijk wakker. Sommigen zijn dadelijk op hun verhaal, maar anderen
zijn zoo beteuterd en kunnen er maar geen mouw aan passen waar ze
eigenlijk beland zijn, totdat ze zich de oogen hebben uitgewreven,
en, op één elleboog leunende, om zich heen keken. Sommigen geeuwen,
sommigen steunen, bijna allen spugen, en weinigen staan op. Onder de
opstaanders ben ik: want men voelt gemakkelijk, zonder daarom nog
in de frissche lucht te gaan, dat de dampkring der kajuit in den
hevigsten graad bedorven is. Ik schiet mijn kleeren aan, ga naar
de voorkajuit, laat me barbieren en wasch me. De geheele wasch- en
kaptoestel voor al de passagiers bestaat uit twee handdoeken, drie
kleine houten waschkommen, een vaatje water en een lepel om 't er mee
uit te scheppen, zes vierkante duimen spiegel, twee dito dito gele
zeep, een kam en haarborstel, en niets voor de tanden. Ieder bedient
zich van de kam en den borstel, behalve de ondergeteekende. Ieder
gaapt me aan nu men merkt, dat ik mijn eigen spulletjes gebruik; en
een stuk of drie heeren schijnen erg van zins te zijn, mij daarover
in de maling te nemen, maar doen 't niet. Zoodra ik mijn toilet
gemaakt heb, ga ik naar 't groote dek en loop daar een paar uur op
en neer. De zon gaat prachtig op; we stoomen Mount Vernon voorbij,
waar Washington begraven ligt; wijd is de rivier en snelvlietend,
en schoon zijn haar oevers. De dag stelt zich in met al zijn luister
en pracht, en iedere minuut wordt het lichter.
Om acht uur ontbijten we in de kajuit, waar ik den nacht doorbracht,
maar de ramen en deuren zijn allen opengegooid, en nu is 't er frisch
genoeg. Wel verre, dat men zich zou haasten of gulzigheid aan den
dag legt, duurt dit ontbijt langer dan een ontbijt op reis onder ons,
en gaat het er ordentelijker en fatsoenlijker toe.
Even na negenen komen we aan de Potomac-kreek, waar we aan wal moeten
gaan, en dan komt het saaiste deel van de reis. Zeven diligences
worden klaargemaakt om ons verder te brengen. Sommigen daarvan zijn
al klaar, sommigen niet. Sommigen van de koetsiers zijn zwarten,
sommigen blanken. Er zijn vier paarden voor ieder rijtuig, en al
de paarden, getuigd of ongetuigd, zijn er. De passagiers stappen de
boot uit en de wagens in; de bagage wordt met ratelende kruiwagens
getransporteerd; de paarden schrikken van al die herrie en trappelen
van ongeduld; de zwarte koetsiers kakelen er mee als zooveel apen;
en de blanken gaan er op aan als zooveel ossendrijvers, want het
schijnt wel, dat al wat hier op de stalhouderij betrekking heeft,
van 't idee uitgaat, dat men nergens beter den hemel mee verdienen
kan, dan om zooveel mogelijk lawaai te maken. De rijtuigen hebben wel
iets weg van Fransche koetsen, maar zijn niet zoo goed. In plaats van
springveeren, hangen ze op banden van 't sterkste leer. Men vindt er
weinig keus of verschil onder; en men kan ze nog 't best vergelijken
bij de wagens van zoo'n schommel op een Engelsche kermis, met een hemel
of dak, op assen en wielen, en met geschilderd zeildoek er omheen. Van
boven tot beneden zitten ze vol modder; geen wonder, want sinds ze
de wagenmakerij verlaten hebben, zijn ze nog nooit schoongemaakt.
De kaartjes, die wij op de boot gekregen hebben, zijn gemerkt no. 1,
bijgevolg behooren wij bij rijtuig no. 1. Ik gooi mijn jas op den
bok en sjor mijn vrouw en haar meid naar binnen. Het heeft maar één
tree, en daar die zoo wat een el van den grond af is, bedient men
zich gewoonlijk van een stoel om er bij te komen; is er geen stoel,
dan zien de dames zich maar in vredesnaam op de een of andere wijze
te behelpen. In 't rijtuig is er plaats voor negen personen, met een
dwarsbankje van 't eene portier naar 't andere, waar wij in Engeland
onze beenen plegen uit te steken, zoodat er maar één ding moeilijker
valt te bolwerken dan het instappen en dat is het uitstappen. Er is
maar één buitenpassagier, en die zit op den bok. Daar ik die eene ben,
klim ik naar boven; en terwijl ze de bagage boven sjorren en ze achter
in een soort van bak opstapelen, heb ik meteen een goede gelegenheid
om naar den koetsier te kijken.
Hij is een neger, en zwart, pikzwart, dat verzeker ik u. Hij heeft
een peper-en-zout pak aan, dat (vooral aan de knieën) danig opgelapt
en gestopt is; behalve dat draagt hij grijze kousen, verbazend groote
ongepoetste hooge schoenen, en een zeer korte broek. Hij heeft twee
ongelijke handschoenen aan; de eene is van bont sajet, de andere
van leer. Dan heeft hij nog een zwarten hoed op met een lagen bol
en breeden rand: een even flauwe als malle naäping van een Engelsch
koetsier! Maar terwijl ik deze waarnemingen doe, schreeuwt iemand, die
hier zeker een mannetje van gewicht is: "Vooruit, vooruit!" Vooraan
rijdt de brievenpost in een wagen met vierspan, waarop al de wagens,
met no. 1 aan 't hoofd, in statigen optocht volgen.
In 't voorbijgaan wil ik nog aanstippen, dat, waar een Engelschman
zou roepen "All right!" [6] een Amerikaan "Go ahead!" [7] roept,
wat het verschillende nationale karakter der twee landen eenigermate
uit doet komen.