We maakten halt om te Baltimore het middagmaal te gebruiken, en

daar we nu in Maryland waren, werden we voor 't eerst door slaven

bediend. De gewaarwording dat men den een of anderen dienst vergt van

menschelijke schepselen die gekocht en verkocht worden, is waarlijk

niet benijdenswaardig. In zoo'n stad als deze bestaat de instelling

misschien in haar minst stuitenden en meest vermomden vorm, maar

slavernij is het niettemin; en ofschoon ik te haren opzichte zoo

onschuldig was als een pasgeboren kind, dit nam niet weg dat haar

aanwezigheid te dezer plaatse mij met een gevoel van schaamte en

zelfverwijt vervulde.

Na den eten gingen we alweer naar 't spoor, en namen plaats in den

trein naar Washington. Daar 't nog tamelijk vroeg was, omringden al

die mannen en jongens, die toevallig niets bijzonders hadden te doen,

en nieuwsgierig waren naar vreemdelingen, oudergewoonte den waggon waar

ik in zat, maar daar bleef het hier niet bij. Zonder omslag lieten ze

de raampjes der portieren neer, staken er hun hoofden en schouders in,

gingen er op hun gemak met hun ellebogen op neerliggen, en begonnen

toen met elkaar van gedachten te wisselen over mijn uiterlijk, als was

ik een ledepop geweest. Nooit kwam ik er zoo nauwkeurig achter hoe mijn

neus en oogen er eigenlijk toch wel uitzien, wat voor verschillende

indrukken mijn mond en kin op verschillende gemoederen maken, en hoe

mijn hoofd er uitziet als men 't van achteren bekijkt,--als bij deze

gelegenheden. Sommige heeren waren tevreden door te mijnen aanzien

enkel van 't zintuig van hun gevoel gebruik te maken; doch de jongens

(die in Amerika verwonderlijk vroeg rijp zijn) waren zelfs daarmee

zelden tevreden, maar keerden telkens terug om 't fijne van de zaak

uit te pluizen. Zoo heeft menig president in knop met zijn pet op en

zijn handen in zijn zakken in mijn kamer gewandeld en me twee heele

uren aangegaapt, terwijl hij zich af en toe bij wijze van tijdkorting

in den neus kneep of een teug uit de waterkruik nam, of naar de ramen

toeliep en, onder den uitroep van: "Hier is-i! Kom boven! en breng al

jelui broers mee!" en andere gastvrije uitnoodigingen van dien aard,

andere jongens op straat beneden uitnoodigde om boven te komen en

net zoo te doen.

Dien avond kwamen we om halfzeven te Washington aan, en hadden

onderweg een mooi gezicht op 't Kapitool, een fraai gebouw in den

Corinthischen stijl, dat op een indrukwekkende verhevenheid gebouwd

is. Eens in mijn logement zag ik dien avond niets meer van de plaats;

ik was namelijk doodmoe en blij dat ik naar bed kon gaan.

Zoodra ik den volgenden morgen ontbeten had, kuierde ik een uur of

twee de straten door, en toen ik weer thuis kwam deed ik mijn voor-

en achterraam open en keek uit. Hier nu is Washington, zooals het

mij nog kersversch voor den geest en voor de oogen gebleven is.

Neem de leelijkste gedeelten van den City Road en Pentonville

zooals ze daar reilen en zeilen in al hun eigenaardige leelijkheid,

maar vooral de kleine winkels en woningen, die daar (maar niet te

Washington) door uitdragers, ordinaris-houders voor de smalle gemeente

en vogelliefhebbers bewoond worden. Verbrand het geheel en al; bouw

het weer op in hout en pleister; vergroot het een beetje; gooi er een

gedeelte van St. John's Wood in en voorzie al de particuliere huizen

van buiten van groene blinden met een rood gordijn en een wit gordijn

voor ieder raam; beploeg er alle wegen; beplant iedere plaats met

een groote massa gemeene graszoden waar ze niet thuis behooren; trek

ergens die fraaie gebouwen in steen en marmer op, maar hoe verder uit

de buurt des te beter; noem het eene het Postkantoor, het andere het

Bureau der Octrooien en het derde de Thesaurie; maak het 's morgens

verschroeiend heet en na den middag ijskoud om te bevriezen met een

intermezzo van dwarrelwind en stof; laat overal waar ge uit den aard

der zaak een straat zoudt durven verwachten den heelen boel onbestraat:

Ziedaar Washington!

Het logement, waar wij in wonen, is een lange rij kleine huizen,

die van voren op straat uitzien en van achteren op een algemeene

plaats uitkomen, waar een groote triangel hangt. Heeft men nu een

bediende noodig, dan heeft men doodeenvoudig van één tot zevenmaal op

dien triangel te slaan, al naar het nommer is van 't huis waar zijn

tegenwoordigheid vereischt wordt: en aangezien men altijd en eeuwig al

de bedienden noodig heeft, en geen hunner ooit op komt dagen, zoo hoort

men dat levenmakend ding den ganschen dag door. Op deze zelfde plaats

hangen ook kleeren te drogen; slavinnen met katoenen zakdoeken om 't

hoofd loopen heen en weer, om de huiselijke bezigheden te verrichten;

zwarte kellners zijn in voortdurende beweging met schotels in de

handen; twee groote honden spelen op een hoop losse steenen midden

op de plaats; een varken koestert zich in de zon en knort "omdat het

zoo lekker is!" en noch de mannen, noch de vrouwen, noch de honden,

noch het varken, noch eenig geschapen schepsel neemt de geringste

notitie van den triangel, die maar altijd aan 't tingelen is.

Ik loop naar het voorraam en kijk dwars over den weg op een lange,

alleenstaande rij huizen, één verdieping hoog, die bijna aan den

overkant, maar een beetje links, in een armzalige lap woesten

grond uitloopt met wat duf gras, die er uitziet als een klein

stuk verdronken land. Als een meteoor die uit de maan gevallen is,

staat ergens, in die open ruimte een wonderlijk eenoogig soort van

houten gebouw, dat er als een kerk uitziet, met een vlaggestok zoo

lang als het zelf is, en met een toren die iets breeder is dan een

theekist. Onder 't raam is een kleine staanplaats voor rijtuigen,

waarvan de koetsiers, die slaven zijn, op de stoep onzer deur met

elkaar over koetjes en kalfjes in de zon staan te babbelen. De drie

huizen, die 't dichtst bij de hand zijn en het meest in den weg

staan, zijn de drie gemeenste. Op een daarvan--een winkel, waar

nooit iets uitgestald is en nooit de deur openstaat--ziet men met

groote letters dit opschrift geschilderd: "DE STADSGAARKEUKEN." In

't tweede, dat er uitziet alsof het een achterstuk van een ander

huis is, maar toch een op zich zelf staand gebouw uitmaakt, kan men

op allerlei manieren klaargemaakte oesters krijgen; terwijl voor

't derde huis, dat een klein, bitter klein kleermakerswinkeltje is,

een stuk of wat broeken hangen, ten bewijze dat hier broeken op de

maat gemaakt worden: Ziedaar onze straat te Washington!

Washington wordt soms de Stad van Prachtige Afstanden genoemd, maar

veel eigenaardiger ware het, bijaldien men ze de Stad van Prachtige

Bedoelingen noemde; want een enkele blik, à vol d'oiseau van boven

van 't Kapitool af op haar geslagen, is voldoende om u de grootsche

plannen te doen begrijpen van hem, die haar aanleg ontworpen heeft, een

eerzuchtig Franschman namelijk. Ruime avenuën die bij niets beginnen en

nergens op uitloopen; straten, een mijl lang, waar niets aan mankeert

dan huizen, wegen en bewoners; openbare gebouwen, waar niets dan

een publiek aan mankeert om compleet te zijn; en op grootsche schaal

aangelegde passages, waar niets aan mankeert dan passage: Ziedaar de

kenmerkende eigenschappen dezer stad! Al licht zou men zich verbeelden,

dat het mooie seizoen daar was, en de meeste huizen tegelijk met hun

bewoners naar buiten waren gegaan. Voor de bewonderaars van steden is

't een feest der Barmeciden; een pleizierig veld voor de verbeelding

om er zich in te vermeien; een gedenkteeken opgericht ter eere van

een overleden ontwerp, waar men zelfs geen leesbaar opschrift aantreft

om zijn voorbijgegane grootheid in herinnering te brengen.

Zooals ze is, zoo zal ze wel blijven. Oorspronkelijk was ze

uitgekozen voor den zetel der regeering, om zoodoende de gevolgen

van den onderlingen naijver der verschillende staten af te wenden;

waarschijnlijk ook om zich te vrijwaren voor de aanraking van 't

Janhagel, een punt dat zelfs in Amerika niet over 't hoofd gezien

wordt. Ze heeft van zich zelve noch klein- noch groothandel. Men vindt

er namelijk geen andere bevolking dan de president en zijn personeel;

de leden der wetgevende vergadering die daar gedurende de zitting

hun verblijf houden; de klerken en ambtenaren aan de verschillende

departementen; de houders van de logementen en kosthuizen; en de

winkeliers die in hun tafels voorzien. Ze is zeer ongezond. Ik houd

het er voor, dat er maar weinigen in Washington zouden wonen, die er

niet beroepshalve toe verplicht waren; en de stroomen van emigratie en

speculatie, de snelvlietende en onachtzame stroomen, zullen wel nooit

ofte nimmer den weg nemen naar zoo'n stilstaand en slikkerig water.

Wat van 't Kapitool het meest in 't oog loopt, zijn natuurlijk de Twee

Huizen der Volksvergadering. Maar behalve dat is er in 't middelpunt

van 't gebouw een mooie rotonde, zes en negentig voet in doorsnede,

en zes en negentig hoog, waarvan de rondloopende muur verdeeld is

in vertrekken, die met geschiedkundige schilderstukken versierd

zijn. Vier daarvan hebben betrekking op voorname gebeurtenissen uit

den revolutionairen worstelstrijd. Ze werden geschilderd door kolonel

Trumbull, zelf een lid van Washingtons staf tijdens ze voorvielen;

aan welke omstandigheid zij een bijzonder belang ontleenen. In deze

zelfde zaal is onlangs Greenough's groot standbeeld van Washington

geplaatst geworden. Natuurlijk heeft het groote verdiensten, maar

het maakte op mij den indruk dat het wat al te forsch is voor zijn

doel. Misschien zou de indruk gunstiger geweest zijn, als het op een

andere plaats gestaan had en het licht er wat beter op gevallen was.

Men vindt een allerpleizierigste en gemakkelijke boekenkamer op

't Kapitool, en van een balkon voor dit vertrek geniet men nu

het gezicht à vol d'oiseau, waar ik zoo even van gesproken heb,

alsmede een prachtig panorama van de omliggende landstreek. In een der

versierde afdeelingen van 't gebouw is een beeld dat de Gerechtigheid

voorstelt, waaromtrent de Gids zegt, dat "de kunstenaar eerst van

plan was om het naakter voor te stellen, maar gewaarschuwd zijnde

dat de openbare smaak daar niet van hield, is hij misschien in een

ander uiterste vervallen." Arme Gerechtigheid! men heeft ze in Amerika

wel in nog vreemder dos gestoken dan waarin ze op 't Kapitool staat

te kniezen. Laat ons hopen, dat ze haar aankleeder bekeerd heeft

sinds deze kleeren gemaakt werden, en de openbare smaak des lands de

kleeren niet uitsneed, waar zij juist nu haar beminnelijke gestalte

in verbergt.

Het Huis der Volksvertegenwoordigers is een fraaie en ruime zaal,

half rond van vorm, die door schoone pilaren gedragen wordt. Het eene

gedeelte der galerij is voor de dames bestemd, die daar, evenals

in schouwburg en concertzaal, in loges vooraan gaan zitten, en in-

en uitloopen. Het spreekgestoelte is van een troonhemel voorzien, en

staat heel hoog boven den grond; en ieder lid heeft een leuningstoel

en een lessenaar voor hem apart, iets wat door sommigen buitensdeurs

als een der ongelukkigste en verderfelijkste bepalingen gebrandmerkt

wordt, als leidende in de practijk tot lange zittingen en prozaïsche

redevoeringen. De kamer biedt een sierlijk gezicht aan, maar is

zoo slecht mogelijk wat de acoustiek betreft. De senaatskamer, die

kleiner is, is vrij van dit gebrek, en bij uitstek goed geschikt voor

't gebruik waar ze toe bestemd is. Ik zal er wel niet opzettelijk

behoeven bij te voegen, dat de zittingen over dag plaats vinden, en de

parlementaire vormen op de leest van 't oude vaderland geschoeid zijn.

Later op andere plaatsen komende, vroeg men mij nu en dan, of de

hoofden der wettenmakers te Washington geen diepen indruk op me

gemaakt hadden: men bedoelde hier niet mee hun chefs en leiders,

maar letterlijk hun persoonlijke hoofden, waar hun haar op groeide

en het phrenologisch karakter van elken wetgever was uitgedrukt, en

bijna altijd deed ik mijn ondervrager van verontwaardigde verbazing

verstommen door te antwoorden: "Neen, ik herinnerde me niet, dat zoo

iets me overkomen was." Daar ik, het ga zooals 't ga, deze mijne gulle

bekentenis hier wil herhalen, zoo wil ik er meteen en met zoo weinig

woorden mogelijk het verslag op laten volgen van de indrukken die ik

daaromtrent bij tijd en wijle heb opgedaan.

Zoo herinner ik me in de allereerste plaats niet--misschien

komt dit wel hier vandaan, dat mijn vereenigingsorgaan niet al

te volmaakt ontwikkeld is--dat ik op 't gezicht van een of ander

wetgevend lichaam ooit van me zelf gevallen ben, of tot schreiens

toe bewogen ben geworden, of van de pret drie voet hoog van den grond

opgesprongen ben. In het Lagerhuis heb ik me als een man gedragen en

in 't Hoogerhuis heb ik me aan geen andere zwakheid schuldig gemaakt

dan af en toe een uiltje te knappen. Verkiezingen heb ik gezien voor

burg- en graafschap, en nooit heeft men mij zoover kunnen brengen

(onverschillig welke partij aan de winnende hand was) om mijn hoed

te bederven door 'm in triomf in de lucht te gooien of mijn stem te

bederven door te jubelen en te juichen ter eere van onze Roemrijke

Grondwet, van de edele zuiverheid onzer onafhankelijke kiezers of van

de vlekkelooze onomkoopbaarheid onzer onafhankelijke leden. Aangezien

ik nu zulke sterke aanvallen op mijn zelfbeheersching of zedelijke

kracht weerstaan heb, is 't heel wel mogelijk, dat ik in dergelijke

zaken van een koud, ongevoelig, eigenlijk ijskoud gestel ben, en daarom

moeten de indrukken, die ik van de levende pilaren van 't Kapitool te

Washington heb opgedaan, met die inschikkelijkheid ontvangen worden

als waar zoo'n gulle bekentenis als deze zekerlijk recht op heeft.

Zag ik in dit openbare lichaam een vergadering van menschen,

saamverbonden in de geheiligde namen van Vrijheid en Gelijkheid, en die

in al hun discussiën de kuische waardigheid dier tweeling-godinnen in

die mate ophielden, dat zij op eens de Eeuwige beginselen vaststelden,

welke uit die namen voortvloeien, beginselen die hun eigen karakter

en het karakter hunner landgenooten tot een voorwerp van bewondering

maakten in de oogen der geheele wereld?

Het was maar een week geleden sinds een oud man met grijze haren,

een man die altijd en eeuwig tot eer zal strekken van 't land dat hem

zag geboren worden, een man die, evenals zijn voorvaderen, zijn land

goede diensten bewezen heeft en tal van jaren in gezegend aandenken zal

blijven als zelfs de wormen, die uit zijn verrottend lijk voortkomen,

zooveel stofhoopjes geworden zijn--'t was maar een week geleden sinds

deze oude man dagen lang voor de vierschaar dezer zelfde vergadering

te recht stond, en dat waarom? Omdat hij beschuldigd werd van de

misdaad dat hij al het schandelijke, al het menschonteerende aan

de kaak had durven stellen van dien handel, waarvan de vervloekte

koopwaar uit mannen en vrouwen, en hun ongeboren kinderen bestaat. Ja

daarom! En de verklaring van de Dertien Vereenigde Staten van Amerika,

inhoudende: dat alle menschen gelijk geschapen, en door hun Schepper

met de onvervreemde rechten van leven en vrijheid en.... tot het

najagen van geluk toegerust zijn,--diezelfde verklaring, diezelfde

eenparige, plechtige verklaring is ondertusschen openlijk in dezelfde

stad ten toon gesteld; verguld, in een lijst gezet en met glas er voor;

opgehangen ter algemeene bewondering; vertoond aan vreemdelingen niet

met schaamte maar met trots; niet met haar voorste gedeelte naar den

muur toegekeerd, niet afgenomen en verbrand!

Het was geen maand geleden, sinds deze zelfde vergadering er zoo

kalmpjes bij zat en 't zoo kalmpjes aanhoorde, dat iemand, een der

hunnen nota bene, met scheld- en vloekwoorden waar dronken schooiers

zich over schamen zouden, een ander uit diezelfde vergadering dorst

bedreigen, dat hij hem zijn strot van 't eene oor tot het andere af

zou snijden. Daar zat hij, dat edele lid, onder hen; niet verpletterd

door 't algemeene gevoelen der vergadering, och neen, zoo rustig en

wel als ieder ander.

Er behoefde nog maar één week verder te verloopen, en een ander lid van

diezelfde vergadering zou verhoord en schuldig bevonden, en strengelijk

berispt worden door zijn overige medeleden, en dat waarom? vroeg ik

alweer. Omdat hij zijn plicht betrachtte tegenover hen, die hem daar

naar toe stuurden; omdat hij in een Republiek de vrijheid vorderde, om

rond voor hun meening uit te komen, en hun bede bekend te maken. Nu,

hij had zich dan ook aan een gruwelijk misdrijf schuldig gemaakt,

dat dient gezegd te worden, want jaren te voren was hij terzelfder

plaatse opgestaan en had hij gezegd: "Een troep slaven en slavinnen,

wier echtheid gewaarborgd is alsof het vee was en die met ijzeren

boeien aan elkaar vastgebonden zijn, passeert op dit oogenblik de

publieke straat onder de ramen van uw Tempel van Gelijkheid! Ziet

maar!"--Doch 't is waar ook! Er zijn verschillende soorten jagers

op de jacht naar Geluk, en niet alle jagers zijn op een en dezelfde

wijze gewapend. Zoo behoort het tot het onvervreemdbare recht van

sommigen onder hen, dat ze, met zweep en stok en ijzeren kraag en

ketting uitgerust, hun geluk najagen, en (natuurlijk altijd tot lof

van Vrijheid en Gelijkheid) hun blijde hoerah's vermengen met de

hemelsche muziek van klinkende ketens en bloedige zweepslagen.

Waar zaten de vele wetgevers met hun laaghartige bedreigingen, met

hun woorden en slagen waarop sjouwerlui elkaar somtijds plegen te

trakteeren, ja waar zaten zij, die zoo ten eenenmale kunnen vergeten

dat ze beschaafde mannen zijn, althans heeten? Waar ze zaten? Aan

weerzijden. Iedere zitting levert haar eigenaardige voorvalletjes

van dien aard op, en die er gewoonlijk in betrokken zijn, waren

allen present.

Herkende ik in deze vergadering een corporatie van mannen die,

volijverig in de weer om enkele van de verkeerdheden en ondeugden

der oude wereld te verbeteren, de toegangen tot het openbare leven

van 't vaak maar al te welig opschietend onkruid zuiverden,--die de

vuile wegen tot eer en aanzien bestraatten, die, met andere woorden,

hervormend optredende, misbruiken uitroeiden, wetten uitvaardigden

ten algemeenen nutte en geen andere partij kenden dan hun vaderland?

Of ik zulke mannen in hen herkende?! Lacy! ik zag in hen de raderen

die de ergste verbastering van de beste staatkundige machinerie

in beweging brengen, welke ooit door de slechtste gereedschappen

gesmeed kunnen worden: verachtelijke bedriegerij bij verkiezingen;

onderhandsche omkooping voor openbare betrekkingen; laffe aanvallen op

tegenstanders met gemeene kranten tot schilden en gehuurde pennen tot

dolken; schandelijke flikflooierij ten opzichte van veile schurken,

wier eenige aanspraak op de algemeene achting hierin bestaat dat ze

met hun veile typen, die de drakentanden vanouds in alles behalve

in scherpte zijn, dag-in dag-uit, week-in week-uit nieuw zaad des

verderfs zaaien, elke slechte neiging in de ziel des volks in de

hand werken en versterken, elken invloed ten goede daarentegen op

kunstmatige wijze onderdrukken: zulke sujetten nu herkende ik in hen,

kortom, de laagste Factiegeest, en die in zijn schaamteloossten,

nakendsten vorm, hij grijnsde me uit iederen hoek van de bewuste,

vaak zoo talrijk bezette zaal tegen!

Zag ik onder hen het verstand en de beschaving: het echte,

rechtschapen, vaderlandslievende hart van Amerika? Hier en daar

waren druppels van zijn bloed en leven, maar die druppels waren

ternauwernood voldoende om den stroom te kleuren van wanhopige

gelukzoekers, die louter uit eigenbelang dien weg opgaat. Nu is 't

juist de tactiek van die gelukzoekers en hun losbandige organen,

om den staatkundigen strijd zoo alleronbeschoftst aan te binden,

daarbij het gevoel van eigenwaarde en zelfachting zoo ten eenenmale

te dooden, dat al degenen, wien 't hart nog op de rechte plaats zit,

reeds kieschheidshalve zich op behoorlijken afstand houden met dat

natuurlijk gevolg dat die anderen hun bedorven hart op kunnen halen, ja

hun zelfzuchtige bedoelingen onbelemmerd ten uitvoer kunnen leggen. En

op die manier gaat dan hier de partijstrijd, die zeker wel de laagste

strijd is, dien men zich met mogelijkheid denken kan, zijn gang, en

zij, die in andere landen krachtens hun verstand en rang de eersten

zouden wezen om zich op den voorgrond te plaatsen waar het geldt,

het zijne bij te dragen om goede, deugdelijke wetten te maken,--zij

onttrekken zich hier zoo ver mogelijk van datgene wat in de gegeven

omstandigheden een verlaging, een schande in hun oog zou mogen heeten.

Dat er onder de vertegenwoordigers des volks in beide Huizen, en onder

alle partijen, sommigen gevonden worden van een even voortreffelijk

karakter als uitstekende bekwaamheid, zal ik wel niet opzettelijk

behoeven te vermelden. De voornaamsten onder die staatkundigen, die

in Europa bekend zijn, zijn reeds beschreven geworden, en ik voor

mij zie niet in, waarom ik thans af zou wijken van den regel dien

ik mij eenmaal voorgeschreven heb, om namelijk geen persoon bij name

aan te duiden. Het zal voldoende zijn, als ik er bijvoeg, dat ik de

gunstige verslagen, die omtrent hen uitgebracht zijn, ten eenenmale en

van ganscher harte onderteeken; en dat ik bij een persoonlijke, vrije,

ongedwonge kennismaking niet dat gevolg ondervonden heb, waar een zeker

nogal twijfelachtig spreekwoord op zinspeelt, maar integendeel mijn

bewondering en eerbied nog hoe langer hoe meer heb voelen toenemen. Ze

zijn voortreffelijke mannen, mannen die men niet gemakkelijk een knol

voor een citroen in de hand zou kunnen stoppen, mannen die vaardig

zijn waar 't op stuk van handelen aankomt, leeuwen in geestkracht,

Crichton's wat veelzijdige ontwikkeling betreft, Indianen in vuur

van oog en gebaar, Amerikanen in sterke en edelmoedige impulsie; en

evengoed vertegenwoordigen zij de eer en wijsheid van hun land thuis,

als de uitstekende heer, die hun minister is bij 't Britsche hof, die

eer, die wijsheid, en dat in haar hoogsten graad, buitenslands ophoudt.

Gedurende mijn verblijf te Washington bezocht ik beide

huizen bijna elken dag. Bij mijn eerste bezoek aan 't huis der

Volksvertegenwoordigers waren zij 't oneens over een beslissing van

den president; maar de president won het. Den tweeden keer dat ik er

naar toe ging, bauwde het lid, dat aan 't spreken was en door een

lach in de rede gevallen werd, dit na precies als een kind dat met

een ander kind aan 't krakeelen was, en voegde er bij "dat hij nu wel

zou maken dat de geachte heeren van de oppositie hun mond een beetje

naar den anderen kant zouden vertrekken." Maar zelden gebeurt het,

dat de spreker in de rede gevallen wordt; gewoonlijk toch wordt hij

bedaard aangehoord. Er wordt meer gekibbeld dan bij ons; ook is men

er gauwer en meer met dreigementen in de weer dan fatsoenlijke heeren

zich in eenige beschaafde maatschappij zouden durven veroorloven:

maar imitatiën van redevoeringen, die naar den stal rieken, zijn

tot dusverre nog niet ingevoerd geworden uit het Parlement van 't

Vereenigde Koninkrijk. De eigenaardigste trek in hun redevoeringen,

die het meest voorkomt en waar ze 't meest van schijnen te houden,

bestaat in de gestadige herhaling van 't zelfde denkbeeld of zweem

van een denkbeeld in nieuwe bewoordingen; en buitensdeurs wordt er

niet gevraagd: "Wat zei-i?" maar: "Hoe lang sprak-i?" Dat zijn evenwel

maar uitbreidingen van een beginsel dat overal de overhand heeft.

De Senaat is een hoogst achtenswaardig en deftig lichaam, dat zijn

werkzaamheid met veel deftigheid en orde verricht. In beide huizen

liggen fraaie tapijten, maar de toestand waar deze tapijten in

gebracht zijn door 't veronachtzamen van 't kwispedoor, dat ieder

geacht lid te zijner beschikking heeft, en de buitengewone oplappingen

die men overal aantreft,--ziedaar iets wat zich onmogelijk laat

beschrijven. Alleen wil ik doen opmerken, dat ik alle vreemdelingen

sterk aanraad om niet naar den grond te kijken, en dat, mochten ze

bijgeval iets laten vallen, al was 't hun beurs, die in geen geval

zonder handschoen op te rapen.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 13 / 48 段