't rechte woord niet,--hun heele zenuwstelsel is in de war, daar ligt
'm de knoop! Zoo kunnen ze hun namen niet in 't boek schrijven; soms
kunnen ze de pen niet vasthouden; kijken om zich heen, blijkbaar zonder
te weten waarom of waar ze zijn; en soms gaan ze wel twintigmaal in
een minuut zitten en opstaan. Dit gebeurt, als ze in 't lokaal zijn,
waar ze voor 't laatst met de gevangeniskap op komen, evenals toen ze
daar voor 't eerst in gebracht werden. Komen ze buiten de poort dan
blijven ze staan, en kijken eerst naar den eenen weg dan naar den
ander: niet wetende wat voor weg ze in zullen slaan. Soms waggelen
ze, alsof ze dronken zijn; soms moeten ze ergens tegen aan leunen,
zoo duizelig zijn ze, maar na verloop van eenigen tijd komen ze wel
weer op hun verhaal."
Toen ik te midden dezer eenzame cellen ronddwaalde en naar de gezichten
keek van de menschen die er in zaten, trachtte ik mij de gedachten
en gevoelens voor te stellen, die zij in hun tegenwoordigen toestand
zouden koesteren. Ik verbeeldde me, dat hun kap hier juist afgenomen
was geworden en het tooneel hunner gevangenschap zich dus in al zijn
akelige eentonigheid voor hem ontvouwd had.
Eerst is de man als bedwelmd. Zijn opsluiting is een afzichtelijk
visioen, en zijn oude leven werkelijkheid. Hij werpt zich op zijn
bed en ligt daar ten prooi aan de wanhoop. Van lieverlede wekt de
onverdraaglijke eenzaamheid en kaalheid der plaats hem uit deze
bezwijming op, en wordt de klep van zijn getraliede deur geopend,
dan bidt en smeekt hij nederig om werk: "Geef me toch wat werk,
of ik word nog stapelgek!"
Hij krijgt werk; en bij buien en vlagen gaat hij aan 't werk; maar
telkens en telkens weer overvalt hem een brandend besef van de jaren
die hij in die steenen doodkist weg moet kwijnen en een folterende
herinnering aan hen, die nu voor zijn gezicht en kennis verborgen
zijn, dat hij van zijn zitplaats opspringt, met saamgevouwen handen
boven zijn opwaarts gericht hoofd de nauwe kamer op en neerloopt,
en spoken meent te hooren die hem aanhitsen om zijn hersens tegen
den muur te pletter te loopen.
En weer valt hij op zijn bed neer, en ligt daar te kermen. Plotseling
springt hij op; hij wil weten of er nog een man in zijn nabijheid
is, of er nog zoo'n cel is aan weerskanten van de zijne, en scherp
luistert hij rechts en links.
Geen geluid treft zijn oor, maar dat neemt niet weg, dat er toch wel
gevangenen in zijn nabijheid zullen zijn. Zoo herinnert hij zich, eens
te hebben gehoord, toen hij er al bitter weinig om dacht, hier eens
zelf in te komen, dat de gevangenen elkaar niet kunnen hooren ofschoon
de beambten ze kunnen hooren. Waar is de naaste man--aan de rechter- of
aan de linkerzij? of is er een aan weerskanten? Waar zit-i nu--met z'n
gezicht naar't licht? of loopt-i heen en weer? Hoe is-i gekleed? Is-i
hier al lang geweest? Is-i erg van de graat gevallen? Ziet-i er erg
wit en spookachtig uit? Denkt ook hij om z'n buurman?
Ziedaar de gedachten die door zijn geest kruisen. Ternauwernood waagt
hij 't om adem te halen, en luisterende terwijl hij denkt, roept hij
een gedaante op met haar rug naar hem toegekeerd, en verbeeldt zich
dat die gedaante zich in de naaste cel beweegt. Wel heeft hij geen
idee van 't gezicht, maar zeker is hij van den donkeren vorm van een
bukkenden man. In de cel aan de andere zij ziet hij in zijn gedachte
een andere gestalte, wier gezicht insgelijks voor hem verborgen
is. Dag-in dag-uit, ja zelfs dikwijls wanneer hij in 't holle van
den nacht wakker wordt, denkt hij om deze twee mannen totdat hij
er bijna waanzinnig van geworden is. Nooit verandert hij ze. Altijd
zijn ze daar waar hij 't zich het eerst verbeeld heeft--een oud man
aan den rechterkant, een jongen man aan de linkerzij.--Hun verborgen
gelaatstrekken folteren hem doodelijk en hebben iets geheimzinnigs
dat hij er van beeft.
Gelijk de rouwdragers bij een begrafenis, zoo gaan de verdrietige
dagen voorbij: met plechtstatige stilte; en van lieverlede begint
hij te gevoelen dat er in de witte muren der cel iets vreeselijks
opgesloten ligt,--dat hun kleur afzichtelijk is,--dat hun effen
oppervlakte zijn bloed doet stollen,--dat er één hoek, één hatelijke
hoek is, die hem foltert. lederen morgen als hij wakker wordt, stopt
hij zijn hoofd onder de deken en rilt bij de gedachte dat hij 't weer
zien zal hoe de spookachtige zolder op hem neer zal zien. Zelfs het
gezegende daglicht, dat door de onveranderlijke spleet, die het raam
zijner gevangenis vertegenwoordigt, naar binnen gluurt, het maakt op
hem den indruk of hij de tronie ziet van een ander leelijk spook.
Langzaam maar zeker zetten zich de verschrikkingen van dien hatelijken
hoek uit, totdat ze hem geen oogenblik meer met rust laten; ja ze
verstoren zijn rust, bezorgen hem akelige droomen en maken zijn nachten
tot iets afgrijselijks. In den beginne walgde hem dit op een ongewone
manier: 't werd hem dan te moede alsof die hoek in zijn hersens iets
deed opstaan, dat insgelijks een akeligen, naren vorm aannam, iets
dat daar niet thuis behoorde en zijn hoofd als 't ware op de pijnbank
legde. Dan begon hij er bang voor te worden, vervolgens er van te
droomen, en ging hij zich verbeelden dat er menschen waren die er
een naam aan geven en er met den vinger naar wijzen. Hierop kan hij
't niet langer uithouden om er naar te kijken, en toch durft hij 't
den rug niet toekeeren. Nu is die akelige, nare hoek iederen nacht
de schuilhoek van een spook; een schim: iets dat zwijgt, iets dat
vreeselijk is om aan te zien, maar waarvan hij niet zou kunnen zeggen,
of 't een vogel, of viervoetig beest, of vermomd menschelijk wezen is.
Is hij over dag in zijn cel, dan vreest hij de kleine plaats
daarbuiten. Is hij op de plaats, dat ziet hij er tegen op, zijn cel
weer binnen te gaan. Valt den avond, het spook staat in den hoek. Heeft
hij den moed om op zijn plaats te gaan staan, en 't te verdrijven
(in een vlaag van wanhoop heeft hij 't eens gedaan), dan... dan
broeit het uit op zijn bed. Tusschen licht en donker, en altijd op
't zelfde uur, roept een stem hem bij zijn naam; wordt het donkerder,
dan begint zijn weefgetouw te leven; en zelfs dat, zijn troost, is een
afzichtelijke gestalte, die hem tot het aanbreken van den dag beloert.
Een voor een beginnen die nare schrikbeelden weer langzaam te
verdwijnen. Wel komen ze nog somtijds onverwachts terug, maar na lange
tusschenpoozen en onder minder verontrustende vormen. Met den heer,
die hem opzocht, heeft hij over godsdienstige onderwerpen gesproken,
en hij heeft zijn Bijbel gelezen, en een gebed op zijn lei geschreven
en ze opgehangen als een soort van bescherming en een verzekering
van 's Hemels nabijheid. Nu droomt hij af en toe van zijn kinderen
of van zijn vrouw, maar is zeker dat zij dood zijn of hem verlaten
hebben. Er is niet veel toe noodig of hij is tot schreiens toe bewogen;
is vriendelijk, onderdanig en verslagen van geest. Nu en dan komt
de oude angst weer terug: een beuzeling, en 't is weer zoo laat;
een gewoon geluid of de reuk van zomerbloemen in de lucht; maar dat
duurt niet lang, want de wereld daarbuiten is nu het visioen, en dit
eenzame leven de droevige werkelijkheid geworden.
Is de tijd zijner opsluiting kort--ik meen vergelijkenderwijs,
want kort kan hij niet zijn--dan is het laatste halve jaar bijna
't ergste van allen; want dan denkt hij dat er brand zal komen in
de gevangenis en hij met den geheelen boel verbranden zal, of dat
hij gedoemd is om binnen de kerkermuren te sterven, of dat hij op
de een of andere valsche beschuldiging vastgehouden en voor nog een
termijn zal gevonnisd worden: of dat er iets, onverschillig wat dan
ook, gebeuren moet om te voorkomen dat hij op vrije voeten gesteld
worde. En zulke denkbeelden spreken vanzelf, en onmogelijk is 't
om er tegen te redeneeren, omdat, na zoo lang van de menschelijke
samenleving gescheiden te zijn geweest, en na zooveel geleden te
hebben, het hem waarschijnlijker voor moet komen, dat er zoo iets
gebeuren zal, dan dat hij weer op vrije voeten zal geraken.
Is daarentegen de tijd zijner opsluiting zeer lang geweest, dan
brengt het vooruitzicht van bevrijding hem geheel en al van streek,
ja verbijstert hem. Denkt hij om de wereld daarbuiten en om 't geen
ze voor hem in al die eenzame jaren geweest is, dan moge zijn gebroken
hart voor een oogenblik hoopvol trillen, maar dat is dan ook alles. De
deur zijner cel is al te lang gesloten geweest voor al zijn hopen
en verwachten. Beter ware het voor hem geweest, als men hem in den
beginne op had gehangen, dan hem in dezen toestand te brengen en hem
daarna weg te sturen om zich te vermengen met anderen van zijn soort,
die zijn soort niet meer zijn.
Op 't magere en verwilderde gezicht van ieder man onder deze gevangenen
zat dezelfde uitdrukking. Ik weet niet waarbij ik die vergelijken
zal. Het had wel iets van die ingespannen aandacht, die we op de
gezichten der blinden en dooven zien, vermengd met een soort van
schrik, alsof men ze allen heimelijk erg bang gemaakt had. In ieder
kamertje dat ik binnentrad, en iedere traliedeur waar ik doorheen
keek, meende ik hetzelfde bange uiterlijk te zien, iets wat mij
even levendig voor den geest is gebleven als de betooverende indruk
eener verdienstelijke schilderij. Laat een honderdtal mannen mijn
oogen voorbijgaan, en één daaronder die zoo even uit deze eenzame
lijdensplaats losgelaten is, en ik zal hem u aanwijzen.
Zooals ik gezegd heb, worden de gelaatstrekken der vrouwen door de
eenzame opsluiting er menschelijker, ja zelfs fijner op. Of dit aan
haar betere natuur is toe te schrijven die in de eenzaamheid voor
den dag komt, of grooter geduld, grooter lijdzaamheid hiervan de
oorzaak is, ik weet het niet; maar 't is zoo. Dat de straf niettemin,
naar mijn gevoelen, ten eenenmale even wreed als verkeerd is,
hetzij ze op vrouwen of op mannen toegepast wordt, zal ik wel niet
opzettelijk behoeven aan te toonen. Bij mij staat het vast, dat,
onafhankelijk van de zielskwelling die door dergelijke opsluiting
veroorzaakt wordt--een kwelling zoo bitter en verschrikkelijk, dat
zelfs de levendigste verbeelding zich geen getrouw denkbeeld van de
werkelijkheid kan vormen--de ziel daardoor in een ziekelijken toestand
geraakt, die haar ongeschikt maakt voor de ruwe aanraking en bezige
werking der wereld. Ja, het is mijn innigste overtuiging, dat zij,
die deze straf ondergaan hebben, zedelijk ongezond en ziekelijk MOETEN
terugkeeren tot de maatschappij. Er bestaan tal van voorbeelden van
menschen, die een leven van volstrekte eenzaamheid óf verkozen hebben
óf daartoe veroordeeld zijn, maar zelfs onder wijzen, met een sterken
en krachtigen geest toegerust, herinner ik me ternauwernood één,
bij wien de uitwerking zich niet geopenbaard heeft in den een of
anderen ongeregelden gedachtengang of in de een of andere sombere
hallucinatie. Wat al monsterachtige droombeelden, door wanhoop en
twijfel geteeld, en geboren en gekoesterd in de eenzaamheid, zijn
over onzen aardbol geslopen, hebben de schepping leelijk gemaakt en
het aangezicht des hemels verduisterd!
Zelfmoorden zijn zeldzaam onder deze gevangenen,--zijn, om de waarheid
te zeggen, bijna onbekend. Maar geen enkel argument ten gunste van
't stelsel kan redelijkerwijze uit deze omstandigheid worden afgeleid,
ofschoon het heel dikwijls aangevoerd wordt. Al wie van zielsziekten
zijn studie gemaakt heeft, weet terdege goed, dat zoo'n buitengewone
neerslachtigheid en wanhoop als waardoor het geheele karakter
verandert en al zijn elasticiteit en weerstandsvermogen geknakt wordt,
in iemand werken kunnen en nochtans kunnen beletten dat men het werk
der zelfvernietiging voltooie, met andere woorden, de handen aan zich
zelven sla. Dit is iets, dat men over 't algemeen heeft opgemerkt.
Dat de eenzame opsluiting de zintuigen verstompt en trapsgewijze
de lichaamsvermogens verzwakt, dat staat bij mij zoo vast als een
paal. Zoo maakte ik hun, die met mij waren in datzelfde gesticht
te Philadelphia, de opmerking, dat de misdadigers, die daar lang
gezeten hadden, doof waren. Zij, die deze menschen gestadig plachten
te zien, stonden vreemd op te kijken bij deze opmerking, die zij dan
ook voor ongegrond en hersenschimmig hielden. En zie, de eerste de
beste gevangene dien zij op dit punt op de proef stelden--iemand dien
zij zelve nota bene uitgepikt hadden--bevestigde dadelijk mijn indruk
(die hem onbekend was) en zei op zoo'n ongekunstelden toon, dat men er
onmogelijk aan twijfelen kon, dat hij niet wist waar 't vandaan kwam,
maar hij was erg hardhoorig geworden.
Dat die straf buitengewoon ongelijk werkt en den slechtsten het
minst treft, ook daar valt niet aan te twijfelen. Dat het zoo bij
uitstek doeltreffend zou zijn als een middel tot verbetering van
den gevangene, in vergelijking met dat andere stelsel krachtens 't
welk de gevangenen gemeenschappelijk mogen werken zonder daarom met
elkaar te mogen praten, ziedaar weer iets waar ik niet het geringste
vertrouwen in stel. Al de voorbeelden toch van verbetering, die
mij meegedeeld werden, waren van dien aard, dat ze evengoed hadden
kunnen teweeggebracht zijn door 't stelsel der stilzwijgendheid, ja,
bij mij staat het alweer vast, dat die vruchten dááraan en niet aan
't stelsel der eenzame opsluiting te danken waren. Ten aanzien van
zulke personen als de zwarte inbreker en de Engelsche dief heeft
zelfs de geestdriftigste voorstander van 't laatstgenoemden systeem
ternauwernood een flauwe hoop dat die er door bekeerd zullen worden.
Mij komt het voor, dat de tegenwerping dat er uit zoo'n onnatuurlijke
eenzaamheid nooit iets gezonds of goeds voortgesproten is, ja zelfs een
hond of eenig ander verstandig dier onder den invloed van 't bewuste
stelsel sufferig en kniezerig wordt, en van lieverlede wegkwijnt,--op
zich zelve reeds als een voldoend argument tegen dat stelsel mag
gelden. Maar er is meer. Ja, als we ons behalve dat te binnenbrengen,
hoe allerslechtst en streng het is, en een eenzaam leven altijd
gepaard gaat met zekere handelingen van hoogst betreurenswaardigen
aard, die hier dan ook voorgevallen zijn; en als we ons vervolgens
herinneren, dat de keus niet is tusschen dit stelsel en een stelsel
dat slecht is of daarvoor gehouden wordt, maar tusschen dit stelsel
en een ander dat goed gewerkt heeft en, wat zijn geheele toeleg en
practijk betreft, voortreffelijk is; me dunkt, dan is er zeker meer
dan voldoende reden om een wijze van bestraffing vaarwel te zeggen,
die zoo luttel weinig hoop op goeden uitslag overlaat, daarentegen
buiten kijf tot een geheele reeks van verkeerdheden aanleiding geeft.
Bij wijze van toepassing op 't geen ik voor 't stelsel der eenzame
opsluiting gezegd heb, wil ik dit hoofdstuk besluiten met een curieus
verhaal, dat op 't zelfde onderwerp betrekking heeft, zooals mij dit
tijdens mijn bezoek in de gevangenis verteld is geworden door een
der heeren, die daarin betrokken is geweest.
Bij gelegenheid van een der periodieke bijeenkomsten van de inspecteurs
dezer gevangenis kwam zich een werkman uit Philadelphia aanmelden,
met dringend verzoek dat men hem op de gewone eenzame wijze op
zou sluiten. Toen hem gevraagd werd, wat voor drijfveer hem met
mogelijkheid aan kon sporen, om met zoo'n vreemd verzoek te berde te
komen, antwoordde hij, dat hij een onweerstaanbaren aandrang gevoelde,
om zich dronken te drinken; dat hij er zich, tot zijn groot ongeluk,
gedurig aan overgaf; dat hij geen kracht had, aan dien verderfelijken
trek weerstand te bieden; dat hij wenschte buiten bereik van alle
verzoeking gesteld te worden en hem derhalve geen geschikter weg
voorkwam dan deze. Hierop gaf men hem te kennen, dat de gevangenis voor
misdadigers was, die door de wet gevonnisd waren, en tot inwilliging
van dergelijke grillige aanzoeken niet opengesteld kon worden. Verder
vermaanden de heeren hem, om zich van bedwelmende dranken te onthouden,
iets wat hij stellig zou kunnen doen als hij dit maar ernstig wou;
ook kreeg hij nog menigen anderen heilzamen raad, waarmee hij naar huis
ging, niet weinig ontevreden over den ongunstigen afloop van zijn stap.
Maar hij liet het hier niet bij. Integendeel. Hij kwam terug, en weer
terug, en nog eens terug. Kortom, hij werd zoo lastig, dat de heeren
eindelijk een raad belegden en zeiden: "Wijzen we hem weer af, dat
doet-i vandaag of morgen zeker nog iets, dat hem recht geeft om hier
te zitten. Laten we hem daarom maar in vredesnaam opsluiten. Hij zal
wel gauw trek krijgen om weer op te stappen, en dan zijn we voorgoed
van hem af." Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij lieten hem een stuk teekenen,
dat hen hiervoor vrijwaarde, dat hij ooit een actie tegen hen in kon
stellen wegens onwettige inhechtenisneming, in welk stuk nadrukkelijk
vermeld stond, dat zijn gevangenschap vrijwillig was en op zijn eigen
verzoek. Verder verzochten zij hem, er wel notitie van te nemen, dat
de dienstdoende suppoost order had, hem ieder uur van den dag of nacht
er uit te laten, als hij op zijn deur mocht kloppen en hem dien wensch
te kennen gaf; maar tevens gaven ze hem duidelijk te verstaan, dat,
eens er uit, hij niet voor de tweede maal zou toegelaten worden. Nadat
hij deze voorwaarden aangenomen had en maar altijd bij zijn voornemen
bleef volharden, werd hij naar de gevangenis gebracht en in een der
cellen opgesloten.
En dezelfde man, die geen standvastigheid genoeg bezat om een glas
sterken drank, dat voor hem op tafel stond, onaangeroerd te laten,
hij bleef uit eigen verkiezing bijna twee jaar in eenzame opsluiting
in deze cel, en verrichtte daarin zijn geregeld werk, dat schoenmaken
was. Toen hij na verloop van dien tijd een beetje begon te sukkelen,
gaf de dokter hem den raad, af en toe in den tuin te werken; en daar
hij hier veel zin in scheen te hebben, ging hij aan dit nieuwe werk
met hart en ziel.
Zoo was hij hier op een zomerdag druk in de weer met spitten, toen het
kleine deurtje van de buitenpoort toevallig open gelaten was, en zich
daar ginds de welbekende stoffige weg en de door de zon verschroeide
velden vertoonden. De weg was even vrij voor hem als voor iedereen,
maar nauwelijks had hij even gekeken naar dat schouwspel, dat zich
als in een zee van licht baadde, of, met het onwillekeurig instinct
van een gevangene gooide hij zijn spa weg, zette het op 'n loopen en
keek naar de gevangenis nooit ofte nimmer meer om.
VIII.
WASHINGTON.
WASHINGTON, DE WETGEVING EN HET HUIS VAN DEN PRESIDENT.
Op een zeer kouden morgen verlieten wij om zes uur Philadelphia per
stoomboot, en keken naar Washington uit.
In den loop van dezen dag kwamen we, evenals bij volgende gelegenheden,
een stuk of wat Engelschen tegen (thuis zou men ze misschien voor
kleine boeren of kommiezen gehouden hebben), die zich in Amerika
neergezet hadden en nu voor hun eigen zaken reisden. Van alle soorten
van menschen, die van de openbare vervoermiddelen van den staat gebruik
maken, zijn deze dikwijls de onverdraaglijkste en onuitstaanbaarste
reisgenooten. Zich onderscheidende door elken onpleizierigen
karaktertrek, die het eigendom is van de ellendigste soort van
Amerikaansche reizigers, leggen deze onze landgenooten zoo razend veel
laatdunkenden trots, zoo razend veel blufferigen eigendunk aan den dag,
dat het waarlijk niet is om aan te zien. In de platte gemeenzaamheid
waarmee zij u aanspreken, en de onbeschofte nieuwsgierigheid waarmee
zij u met allerlei vragen overstelpen (iets wat ze nog wel haastig
ook doen, als waren ze er op uit, om zich te wreken over de kiesche
manieren van Oud Engeland, op dit punt) in een en ander nu overtreffen
zij elk specimen van onzen geboortegrond dat ik onder de oogen kreeg,
en als ik hen zag en hoorde, werd ik dan ook zoo vaderlandsgezind,
dat ik met het grootste pleizier ter wereld een redelijke boete had
willen betalen wanneer ik maar een of ander land in de geheele wereld
de eer had kunnen geven, dat zij daarvan de kinderen waren.
Daar Washington het hoofdkwartier der tabakspruimers mag genoemd
worden, is thans de tijd aangebroken dat ik, zonder 't in 't minst
onder stoelen of banken te binden, met de verklaring voor den dag moet
komen, dat de hier algemeen in zwang zijnde twee verfoeilijke gewoonten
om te pruimen en te spugen mij in die dagen erg begonnen tegen te
staan, ja eindelijk, 't hooge woord moet er uit, misselijk maakten. Op
al de openbare plaatsen van Amerika treft men deze vieze gewoonten
aan. Zoo heeft bij de rechtbank de rechter zijn kwispedoor, de advocaat
het zijne, de getuige het zijne, en de gevangene het zijne; ook is
er gezorgd voor de gezworenen en toeschouwers, als voor de zoodanigen
die volgens den loop der natuur verlangend moeten zijn onophoudelijk
te spugen. In de gasthuizen worden de studenten in de geneeskunde
door middel van tegen den muur aangeplakte biljetten verzocht, om hun
tabaksap in opzettelijk voor dat doel bestemde bakjes te ontlasten,
en niet de trappen te bevuilen. In openbare gebouwen worden bezoekers
langs denzelfden weg gesmeekt, om de essence hunner tabakspruimen of
"plugs" (zooals ik 't door heeren, die in deze soort van lekkernij
uitgestudeerd zijn, heb hooren betitelen) in de nationale kwispedoors
uit te storten en niet op de voetstukken der marmeren kolommen. Maar
op sommige plaatsen is deze gewoonte de onafscheidelijke gezellin van
elken maaltijd en elk ochtendbezoek, ja van alle verrichtingen des
maatschappelijken levens. De vreemdeling, die het door mij ingeslagen
spoor volgen zal, zal ze te Washington dan ook in haar volle fleur
en glorie, ja schitterend in haar verontrustende onbezorgdheid
aantreffen. En laat hij zich in vredesnaam toch niet diets maken
(gelijk ik eens, ik beken 't met schaamte, gedaan heb), dat vroegere
reizigers deze gewoonte overdreven voor hebben gesteld. De zaak zelve
is een overdrijving van morsigheid, die niet overtroffen kan worden.
Aan boord dezer stoomboot waren twee jongeheeren oudergewoonte met
omgeslagen boorden en met erg dikke wandelstokken gewapend. Deze
jongelui zetten twee stoelen midden op 't dek neer, in dier voege dat
ze vier pas van elkaar af zaten; daarop haalden ze hun tabaksdoozen
voor den dag en zaten tegenover elkaar maar weer lekker te pruimen. In
minder dan een kwartier hadden deze jongelui van zooveel verwachting
een milde stortbui van gelen regen op de zindelijke planken om hen
heen uitgestort, en trokken op die manier een soort van toovercirkel
om hen heen, binnen welke grenspalen geen indringer zich dorst wagen,
en dien zij nooit in gebreke bleven te ververschen en telkens weer te
ververschen voordat er een plek droog was. Daar dit voor 't ontbijt
geschiedde, zoo beken ik openhartig, dat ik van dit gezicht zoo vies
werd, dat het maar weinig had gescheeld of ik was er misselijk van
geworden; maar toen ik wat opmerkzamer naar een der spugers keek,
merkte ik heel goed, dat deze nog een groene pruimer was, die zelf
zich alles behalve lekker scheen te voelen. Op deze ontdekking kwam
een glans van vergenoegen over mijn gezicht, en daar ik zag dat hij
hoe langer hoe bleeker werd, terwijl hij, wedijverende met zijn ouder
vriend maar door bleef pruimen en door bleef spugen, kijk, toen had
ik hem wel om zijn hals kunnen vallen om hem te bidden en te smeeken,
dat hij nog uren lang daarmee voort mocht gaan.
Allen gingen wij aanzitten aan een keurig ontbijt in de kajuit
beneden, waar niet meer drukte en omslag heerschte dan gewoonlijk
bij zoo'n maaltijd in Engeland, en waar zeker grooter beleefdheid
aan den dag werd gelegd dan bij de meeste maaltijden, die door onze
postwagen-passagiers gebruikt worden. Tegen negenen kwamen we aan 't
spoorweg-station en namen plaats in de waggons. 's Middags stapten
we er weer uit, om een breede rivier in een andere stoomboot over
te steken; landden aan een voortzetting van den spoorweg aan den
overkant, en gingen verder met andere waggons, waarmee wij, in den
loop van 't volgende uur of daaromtrent, over houten bruggen, ieder
een uur lang; twee kreken passeerden, die respectievelijk de Grove-
en Fijne Buskruitkreek genoemd worden. In beide kreken zag het water
zwart van heele zwermen eenden met zwarte ruggen, die lekker smaken
en hier in dat seizoen bij de vleet worden aangetroffen.
Deze bruggen zijn van hout, zooals ik zei, hebben geen leuning en zijn
juist breed genoeg voor de spoortreinen, die bij 't allergeringste
ongeval onvermijdelijk in de rivier zouden storten. 't Zijn dan ook
van die vervoermiddelen die men 't meest bewondert als men ze achter
den rug heeft.