ik naar bed ging, het raam mijner kamer uitkeek, zag ik aan den
overkant van den weg een mooi wit marmeren gebouw, dat er zoo somber en
spookachtig uitzag, dat men er akelig van werd als men er naar keek. Ik
schreef dit aan den somberen invloed van den nacht toe, en zoodra ik
's morgens opstond, keek ik nog eens uit, niets anders verwachtende of
't zou op de treden en in 't portaal krioelen van menschen, die er
in- en uitgingen. Maar jawel, de deur was nog potdicht; hetzelfde
doodsche waas lag over alles, en het gebouw zag er uit alsof het
marmeren standbeeld van Don Guzman alleen iets te verhandelen kon
hebben binnen zijne sombere muren. Ik maakte er gauw werk van, om
er achter te komen hoe het heette en waar 't toe dienen moest. Ik
kwam er achter, en.... weg was mijn verbazing. Dit gebouw was het
graf van zoo menig fortuin; de groote Catacombe van geldbelegging:
de gedenkwaardige Bank der Vereenigde Staten.
Dat deze bank haar betaling gestaakt had, had, naar men mij van alle
kanten vertelde, Philadelphia als 't ware in diepen rouw gehuld, en
nog altijd worstelde het met al de heillooze gevolgen dezer staking. De
stad zag er, mijns bedunkens, dan ook nog al droefgeestig uit.
Philadelphia is een mooie stad, maar om de waarheid te zeggen,
al te regelmatig gebouwd. Nadat ik er zoo wat een uur of twee in
rondgekuierd had, werd ik te moede alsof ik de geheele wereld voor
een bochtige straat had willen geven, 't Was precies alsof onder den
kwakerachtigen invloed mijner omgeving de kraag van mijn jas stijf werd
en de rand van mijn hoed breeder. Mijn haar begon sluik te hangen,
mijne handen vouwden zich vanzelf in kalme eensgezindheid over mijn
borst te zamen, en onwillekeurig schoten gedachten mij te binnen, om
in Mark Lane te gaan logeeren tegenover de Markt en door speculatiën
in de granen een kolossaal fortuin machtig te worden.
Philadelphia is rijkelijk van versch water voorzien, waarmee van
alle kanten om u heen gegoten en geplast wordt, dat het een aard
heeft. De waterwerken, die zich op een hoogte in de nabijheid der
stad bevinden, zijn niet minder fraai dan nuttig. Ze zijn namelijk
als een publieke tuin met smaak aangelegd, en worden zoo goed en
net mogelijk onderhouden. De rivier is op dit punt afgedamd en door
haar eigen kracht naar zekere hooge vijvers of reservoirs afgeleid,
met dat gevolg, dat de geheele stad tot aan de bovenste verdieping
der huizen met bitter weinig onkosten van water voorzien wordt.
Er zijn verscheidene openbare inrichtingen, waaronder een
allervoortreffelijkst gasthuis, dat wel is waar een gesticht
der Kwakers is, maar waar men het sektarisch karakter gaarne van
over 't hoofd ziet door de groote zegeningen die het om zich heen
verspreidt. Verder treft men daar aan: een allerkeurigste Bibliotheek,
die naar Franklin genoemd is, een fraai Beursgebouw en Postkantoor;
en zoo voorts. Bij 't Kwakershospitaal behoort een schilderij door
West, die men ten behoeve van 't gesticht voor geld laat zien. Het
onderwerp is: onze Zaligmaker de kranken genezende; en stelt den
Meester op zulk een gunstige wijze voor, als men misschien nergens
beter aan zal treffen. Of deze lof te sterk of te zwak zal bevonden
worden, hangt van des lezers smaak af.
In dezelfde kamer bevindt zich een zeer karakteristiek en sprekend
gelijkend portret door den heer Sully, een beroemd Amerikaansch
kunstenaar.
Mijn verblijf in Philadelphia was zeer kort, maar wat ik van
de samenleving aldaar zag, beviel mij bij uitstek goed. Wat zijn
algemeene kenmerken betreft, zou ik wel durven zeggen, dat de toon
die hier heerscht meer naar 't provinciale zweemt dan te Boston
of New-York, en dat er in de schoone stad wat smaak en critischen
geest aangaat, over 't algemeen te denken viel aan die interessante
gesprekken over dezelfde onderwerpen in verband met Shakespeare en de
"Musicaal Glasses," waar we in de Vicar of Wakefield van lezen. Dicht
bij de stad is een allerprachtigst onvoltooid marmeren gebouw voor het
Girard College, gesticht door een overleden heer van dien naam en die
schatrijk was,--een gebouw, dat als 't eenmaal naar 't oorspronkelijk
ontwerp afgemaakt is, misschien het rijkste gebouw uit onzen modernen
tijd zal wezen. Maar men is aan 't procedeeren over 't legaat, en
heeft ondertusschen het werk gestaakt; zoodat het met deze stichting
wel net zal gaan als met andere groote ondernemingen in Amerika:
komt het er vandaag niet, dan wel morgen, of overmorgen of later.
In een der voorsteden staat een groote gevangenis, die het
Ooster-Verbeterhuis genoemd, en volgens een stelsel bestuurd wordt,
dat den staat Pennsylvanië bijzonder eigen is, het stelsel namelijk
van strenge en hopeloos eenzame opsluiting. Ik voor mij geloof,
dat het in zijn gevolgen even wreed als verkeerd is.
Nu ben ik er wel van overtuigd, dat dit stelsel van een welgezinde en
menschlievende bedoeling uitgaat, en louter de zedelijke verbetering
van den gevangene op 't oog heeft, maar 't staat niet minder bij
me vast, dat zij, die dit stelsel van gevangenistucht bedachten,
en die welgezinde heeren, welke het in toepassing brengen, eigenlijk
niet weten wat ze doen. Ik geloof, dat er maar zeer weinigen gevonden
worden, die in staat zijn om al de foltering, al den angst te beseffen,
waar zij aan onderworpen zijn, die deze straf jaren achtereen hebben te
ondergaan; en als ik maar bij mij zelven naga en in overweging neem al
wat ik op hun gezichten heb gelezen en al wat ik weet dat zij inwendig
gevoelen, dan bevestigt mij dit slechts te dieper in mijn overtuiging,
dat er in dit stelsel een diepte van schrikkelijk lijden opgesloten
ligt, die alleen de lijders zelven kunnen peilen en geen mensch ter
wereld het recht heeft, zijn medeschepsel op te leggen. Ik houd 't er
voor dat deze langzame en dagelijksche omgang met de geheimen van 't
brein onmetelijk erger is dan lichamelijke tuchtiging, onverschillig
welke; en omdat de akelige teekenen dier zedelijke marteling niet zoo
zichtbaar en tastbaar zijn als litteekenen op 't vleesch; omdat haar
wonden niet op de oppervlakte zijn en zij maar weinig kreten afperst
die 's menschen oor kan hooren; zie, dat is voor mij een reden te meer,
dat stelsel te brandmerken als een geheim strafmiddel, waartegen de
sluimerende menschelijkheid al lang had moeten opkomen. Eens ging
ik met mij zelven te rade, of ik, gesteld ik had de macht om "ja" of
"neen" te zeggen, mijn toestemming zou geven, om deze straf in zekere
gevallen van kortstondige opsluiting toe te passen, en.... aarzelde
toen; maar nu, nu verklaar ik plechtig, dat ik, hoezeer ook met
belooningen of eerbewijzen overladen, onmogelijk als een gelukkig man
over dag onder den blooten hemel zou kunnen wandelen of me 's nachts
op mijn bed zou kunnen neervlijen, als ik mij zelven bewust mocht
zijn, dat een menschelijk schepsel, onverschillig voor hoe langen
of korten tijd, deze onbekende straf in zijn eenzame cel onderging,
waar ik de oorzaak van was of, in hoe geringen graad dan ook, de hand
in geleend had.
Twee heeren, die officieel tot haar bestuur in betrekking stonden,
vergezelden mij naar deze gevangenis waar ik een dag doorbracht
door van de eene cel naar de andere te gaan en met de gevangenen
te spreken. Al wat de uiterste hoffelijkheid maar kan verzinnen om
't iemand bij zoo'n bezoek gemakkelijk te maken, viel mij bij die
gelegenheid ten deel. Niets werd aan mijn oog onttrokken, en op
elk punt, waar ik onderzoek naar deed, kreeg ik een onbewimpeld en
ondubbelzinnig antwoord. Aan de volmaakte orde van 't gebouw kan
niet te uitbundige lof worden toegezwaaid, en wat de uitstekende
bedoelingen betreft van hen, die onmiddellijk in betrekking staan tot
de toepassing van dit stelsel, daaromtrent zou men zelfs geen zweem
van twijfel durven koesteren.
Tusschen de gevangenis zelve en den buitenmuur is een ruime tuin. Toen
wij dien tuin door een deurtje in de massieve poort ingingen, liepen
we het pad voor ons af en traden een groote kamer binnen, waar zeven
lange gangen op uitloopen. Aan elken kant van zoo'n gang is een lange,
lange rij van lage celdeuren, die allen met een zeker merk geteekend
zijn. Daarboven bevindt zich een galerij van cellen zooals die beneden,
met dit verschil, dat zij geen kleine ruimte naast zich hebben gelijk
die van de benedenverdieping en ietwat kleiner zijn. Het bezit van
twee dezer cellen wordt beschouwd als een vergoeding voor 't gemis van
zooveel lucht en beweging als men een uur per dag in iedere benedencel
kan genieten, en vandaar dat iedere gevangene in deze bovenverdieping
twee cellen heeft die met elkaar gemeenschap hebben.
Als men op 't middelpunt dezer gevangenis staat en dan op al die
akelige gangen neerziet, wordt men naar van de doodsche stilte die
er heerscht. Af en toe hoort men wel een dof geluid van een enkele
weversspoel of schoenmakersleest, maar de klank wordt gedempt door
de dikke muren en zware kerkerdeur, en dient slechts om de algemeene
stilte nog des te dieper te maken. Over 't hoofd en gezicht van
iederen gevangene, die in dit zwaarmoedige huis komt, wordt een
zwarte kap getrokken, en in dit donkere omhulsel, een zinnebeeld
van 't gordijn dat tusschen hem en de levende wereld is opgehangen,
wordt hij naar de cel gebracht, die hij nooit weer verlaat, totdat
zijn geheele straftijd om is. Nooit hoort hij van vrouw en kinderen;
van huis of vrienden; van 't leven of sterven van eenig menschelijk
schepsel. Hij ziet de ambtenaren der gevangenis, maar behalve hen ziet
hij nooit een menschelijk gezicht, hoort hij nooit een menschelijke
stem. Hij is levend begraven, om na verloop van jaren weer opgegraven
te worden; en ondertusschen dood voor alles, behalve voor folterende
angsten en vreeselijke wanhoop.
Zijn naam en misdaad, en de tijd van zijn lijden zijn hem zelfs
onbekend, die hem zijn dagelijksch voedsel reikt. Er staat een getal
boven de deur zijner cel en in een zeker boek, waarvan de directeur der
gevangenis een afschrift heeft en de godsdienstonderwijzer insgelijks:
ziedaar de aanwijzing zijner geschiedenis. Buiten deze bladzijden om
draagt de gevangenis geen kennis van zijn bestaan, en al zou hij tien
in een gevangenis zoo langzaam voortkruipende en daarom zoo afmattende
jaren in één en dezelfde cel doorbrengen, tot het allerlaatste uur
toe heeft hij geen middel om te weten in wat voor gedeelte van 't
gebouw zijn cel ligt; wat voor menschen om hem heen zijn; of er in
de lange winternachten levende menschen in zijne nabijheid wonen, of
dat hij in een of anderen afgelegen hoek der groote gevangenis zit,
met muren en gangen en ijzeren deuren tusschen hem en den naasten
deelgenoot zijner vreeselijke eenzaamheid.
Iedere cel heeft dubbele deuren: de buitenste van stevig eikenhout,
de andere van getralied ijzer, met een luikje waardoor hij zijn
voedsel krijgt. Hij heeft een Bijbel, en een lei en grift, en, onder
zekere beperkingen, somtijds andere boeken, natuurlijk doelmatige,
en pen en inkt en papier. Zijn scheermes, kan en kom hangen aan den
muur, of glinsteren op 't plankje. In iedere cel is een buis van de
waterleiding, waar hij naar verkiezing gebruik van kan maken. Over
dag draait zijn bedstee tegen den muur aan, en maakt zoodoende meer
plaats voor hem om te werken. Daar is zijn weefgetouw of bank of wiel,
en daar werkt hij, slaapt en waakt en telt de jaargetijden al naar
ze veranderen, en wordt oud.
De eerste man, dien ik zag, zat aan zijn weefgetouw te werken. Al
zes jaar was hij daar geweest; ik meen, dat hij nog drie jaar moest
zitten. Hij was overtuigd geworden als heler van gestolen goed, maar
zelfs na deze langdurige gevangenschap ontkende hij zijn schuld en
zei dat hij hard was behandeld geworden. 't Was al de tweede maal
dat hij zat.
Hij scheidde uit met werken toen wij binnenkwamen, zette zijn bril
af en antwoordde vrijmoedig op al wat hem gevraagd werd, maar altijd
na eerst op vreemdsoortige wijze gewacht te hebben, en als hij begon
te spreken, dan geschiedde dit met een zachte nadenkende stem. Hij
droeg een papieren hoed van zijn eigen maaksel en 't deed hem goed
dat er notitie van genomen werd en men hem er een pluimpje over
gaf. Heel vernuftig had hij van eenige stukken en brokken een soort
van Hollandsche klok gemaakt, waarbij hem zijn azijnfleschje tot
slinger diende. Toen hij merkte, dat ik in dit knutselwerk belang
stelde, keek hij er niet weinig grootsch naar, en zei dat hij er aan
dacht om er wat verbetering in aan te brengen, en hoop had met behulp
van een hamer en een stukje gebroken glas er muziek mee te kunnen
maken. Behalve dat had hij nog eenige kleuren weten te krijgen uit
het garen waar hij mee werkte en schilderde daarmee een stuk of zes
armzalige figuren. Een daarvan, een vrouwelijke figuur, over de deur,
noemde hij: "De Dame van 't meer."
Hij glimlachte toen ik naar deze knutselarijen keek waarmee hij den
tijd trachtte te dooden; maar toen ik van de knutselarijen naar hem
zelf keek, zag ik dat zijn lip beefde, en kon het kloppen van zijn
hart gehoord hebben. Ik weet niet meer, hoe het gesprek hierop kwam,
maar er werd min of meer op gezinspeeld, dat hij een vrouw had. Op
dat woord schudde hij met zijn hoofd, draaide zich om en bedekte zijn
gezicht met zijn handen.
"Maar u is nu toch gelaten onder uw lot, niet waar?" vroeg een der
heeren na een korte poos, in welken tusschentijd hij weer op zijn
verhaal gekomen was. Met een zucht, waar èn de grootste gelatenheid èn
de diepste wanhoop uit sprak, antwoordde hij: "Wel zeker, wel zeker! Ik
ben er gelaten onder."--"En nu is u een beter mensch geworden, niet
waar?"--"Nu, ik wil 't hopen, waarom niet?"--"En gaat de tijd nogal
gauw om?"--"Binnen deze vier muren, heeren, duurt de tijd lang, o,
zoo lang!"
Toen hij deze laatste woorden sprak, keek hij om zich heen--God
alleen weet, hoe droevig!--en verviel ondertusschen in een soort
van vreemdsoortige verbijstering alsof hij iets vergeten had. Een
oogenblik later zuchtte hij geweldig, zette den bril op, en ging weer
aan zijn werk.
In een andere cel zat een Duitscher, die wegens diefstal vijf jaar
gekregen had, waarvan er juist twee om waren. Met kleuren, die hij
langs denzelfden weg verkregen had, had hij, en dat waarlijk heel
mooi, elken duim van de muren en den zolder beschilderd. De weinige
voeten gronds er achter, had hij met keurige netheid ingericht en in
't midden een klein bed gemaakt, dat er, om dit in 't voorbijgaan
te doen opmerken, als een graf uitzag. De smaak en vindingrijkheid,
die hij in alles ten toon gespreid had, waren buitengewoon, en toch
had men zich geen neerslachtiger en rampzaliger schepsel voor kunnen
stellen. Ja, nooit zag ik een toonbeeld van zoo wanhopige smart, van
zoo diepe zielsbedroefdheid, in één woord, nooit zag ik iemand wiens
hart meer gebroken was dan bij hem het geval scheen te wezen. Mijn hart
bloedde dan ook om zijnentwille; en toen de tranen langs zijn wangen
biggelden en hij, een der bezoekers ter zijde nemende en zich met
bevende handen zenuwachtig aan diens jas vastklemmende, dezen vroeg
of er geen hoop was, dat zijn akelig vonnis veranderd zou worden,
zie, toen werd het schouwspel waarlijk al te pijnlijk om er nog
langer getuige van te blijven. Nooit zag of hoorde ik van ellende,
onverschillig van welken aard, die dieper indruk op me maakte dan de
rampzaligheid van dezen man.
In een derde cel was een lange sterke zwarte, een inbreker, die zich
met zijn eigen vak onledig hield, om namelijk schroeven en soortgelijke
zaken te maken. Zijn tijd was bijna om. Hij was niet alleen een
allerbehendigste dief, maar stond ook bekend om zijn stoutheid
en onbeschaamdheid, en om de hoeveelheid zijner misdrijven. Hij
onderhield ons met een lang relaas zijner heldendaden, dat hij zoo
allersmakelijkst voordroeg, dat hij zijn lippen nog scheen af te
likken toen hij ons pikante anekdotes op ging disschen van gestolen
tafelzilver, en van oude dames die hij, aan den overkant der straat
staande, bespionneerd had toen zij met een zilveren bril voor 't raam
zaten, om ze, wat hij dan ook gedaan had, bij de eerste gunstige
gelegenheid te bestelen. Ik maak me sterk, dat deze snaak, op de
geringste aanmoediging van onzentwege, al die prachtige herinneringen
nog buitendien met de verachtelijkste leugens zou opgesierd hebben;
maar ik zou me al danig moeten vergissen, als hij de onverbloemde
huichelarij had kunnen overtreffen, waarmee hij verklaarde, dat
hij den dag zegende waarop hij in die gevangenis kwam en dat hij,
zoo oud als hij werd, zich nooit meer aan den geringsten diefstal
schuldig zou maken.
Hierop kwamen we aan de cel van een ander man, die de bijzondere
vergunning gekregen had om er konijntjes op na te houden. Daar zijn
vertrek dientengevolge een eigenaardigen reuk had, riepen zij hem
toe, dat hij in de gang moest komen. Terstond voldeed hij aan de
oproeping, en daar stond hij nu voor ons, met zijn akelig bleek
gezicht waar het ongewone licht van 't groote raam op viel, en zoo
flets, zoo spookachtig flets zag hij er uit als kwam hij zoo even
uit zijn graf vandaan. Hij had een wit konijntje tegen zijn borst,
en zoodra het kleine diertje op den grond was, wipte het gauw naar
de cel terug, waarop hij, na permissie gekregen te hebben om ook
heen te gaan, bedeesd het konijntje achterna sukkelde. Dat ziende,
vroeg ik mij zelven af, in wat voor opzicht die man een edeler dier
was dan dat konijntje.
Er zat ook een Engelsche dief, die er, op een dag of wat na, al
zeven jaar geweest was: een gemeene vent met een laag voorhoofd,
dunne lippen en een bleeke tronie. Deze scheen er alles behalve op
gesteld te zijn, bezoek te krijgen, maar zou daarentegen niet weinig
trek gehad hebben, om mij met zijn schoenmakersmes zonder omslag naar
de andere wereld te sturen, hadde hij niet vrees gehad voor verzwaring
van straf. Er zat nog een Duitscher, die eerst gister in de gevangenis
was gekomen. Zoodra wij in zijn cel keken, sprong hij van zijn bed op,
en soebatte in gebroken Engelsch om werk. Er zat ook een dichter, die
in iedere vier en twintig uren twee dagen werk verrichtte, één voor
hem zelf en één voor de gevangenis,--die verzen maakte op schepen (hij
was een zeeman van beroep), en op "den bedwelmenden wijnbeker," en op
zijn vrienden thuis. Van dat slag zaten er heel velen. Sommigen kregen
een kleur als ze bezoekers zagen, sommigen werden doodsbleek. Een stuk
of drie hadden waaksters bij zich, want ze waren erg ziek; en een, een
zwaarlijvige neger, wiens been was afgezet geworden in de gevangenis,
had om hem gezelschap te houden een student en een volleerd chirurgijn,
een gevangene net als hij. Een aardige jongen, een kleurling, zat op
de trap wat gemakkelijk werk te verrichten. "Maar is hier dan geen asyl
voor jeugdige misdadigers?" vroeg ik,--"O, ja, maar alleen voor blanke
kinderen." Wat 'n edele aristocratie in zake misdadigers, niet waar?!
Er was onder anderen een zeeman, die hier al elf jaar gezeten had
en over een maand of wat losgelaten zou worden. Elf jaar eenzame
opsluiting!
"'t Doet me recht veel plezier te hooren, dat je tijd bijna om is." Wat
zegt hij hierop? Niets. Waarom kijkt hij zoo strak naar zijn handen
en plukt aan 't vleesch zijner vingers, en vestigt telkens en telkens
weer zijn oogen naar die kale muren die zijn hoofd hebben zien grijs
worden? Dat doet hij af en toe.
Kijkt hij de menschen nooit vlak in hun gezicht, en plukt hij altijd
zoo aan zijn handen, alsof hij 't vel van 't been wou scheiden? Och,
een gril, anders niet.
Zoo is 't ook een gril van hem, als hij zegt dat hij er niet meer
verlangend naar uitziet, om op vrije voeten te komen; dat hij niet
blij is dat die tijd zoo aanstaande is: dat hij er eenmaal verlangend
naar uitzag, maar dat was al heel lang geleden; dat hij nergens meer om
maalt. 't Is maar een gril van hem, een hulpeloos, innerlijk gekneusd,
neen, gebroken man te zijn. Een gril! Nu, de Hemel weet er alles van,
dat hij zijn luimen van A tot Z heeft kunnen botvieren!
Er zaten drie jonge vrouwen in cellen naast elkaar, allen tegelijk
hiervan overtuigd, dat ze afgesproken hadden, om haar vrijer te
bestelen. Stil en eenzaam als ze nu binnen die muren geleefd hadden,
waren ze mooi opgegroeid. Ze zagen er erg bedroefd uit en zouden
den ernstigsten bezoeker tot schreiens toe hebben kunnen bewegen,
maar niet tot die soort van weemoed zooals door 't zien van de mannen
wordt opgewekt. De eene was een jong meisje; nog geen twintig, als
ik me wel herinner. Haar sneeuwwit vertrek was behangen met het werk
van den een of anderen vorigen gevangene, en op haar neerslachtig
gezicht scheen de zon in al haar pracht door de hooge spleet in den
muur, waar een kleine strook van den helder blauwen hemel zichtbaar
was. Zij was zeer boetvaardig en bedaard; ze berustte geheel en al
in haar lot, zei ze (en ik geloof haar); en daar binnen in haar ziel
was 't rustig. "U voelt u dus, in één woord, gelukkig hier?" zei
een van hen, die bij me waren. Het kostte haar moeite--o, 't kostte
haar zooveel moeite--om op die vraag "ja" te antwoorden, maar zie,
daar sloeg ze haar oogen op, en die oogen ontmoetten dien straal der
vrijheid boven haar hoofd, en nu barstte zij in tranen uit, en zei dat
"ze haar best deed om gelukkig te zijn; ze uitte geen klacht; maar 't
was immers natuurlijk dat ze 'r somtijds naar snakte, om uit die eene
cel te komen; dát kon ze gerust niet helpen,"--ze snikte, 't arme kind!
Dien dag ging ik van cel tot cel; en ieder gezicht dat ik zag, of
woord dat ik hoorde, of opmerkelijk geval dat me trof, 't staat me
nog altemaal voor den geest in al zijn naarheid en akeligheid. Maar
laat ik hiervan afstappen, om me thans te bepalen bij een gevangenis
die opwekkender gezicht opleverde,--een gevangenis volgens 't zelfde
plan ingericht, die ik naderhand te Pittsburgh zag.
Toen ik die op dezelfde wijze doorloopen had, vroeg ik den directeur
of hij iemand onder de gevangenen had die binnenkort losgelaten
zou worden, waarop hij antwoordde, dat hij er een had, wiens tijd
den volgenden dag om was; maar dat was er een, die maar twee jaar
gezeten had.
Twee jaar! Ik wierp een blik terug door twee jaar van mijn eigen
leven--buiten de gevangenis, in voorspoed, gelukkig, van alle kanten
en in alle opzichten met zegeningen overladen--en ik dacht er aan, hoe
wijd reeds die gaping was en hoe lang, hoe ontzettend lang die twee
jaren zouden geduurd hebben, als ik ze eens in eenzame gevangenschap
door had moeten brengen. Terwijl ik dit schrijf, staat het gezicht
van dezen man, die den volgenden dag op vrije voeten zou komen, voor
't oog mijner verbeelding. Het verdient bijna meer herdacht te worden
in zijn geluk dan de andere gezichten in hun ellende. Hoe gemakkelijk
en hoe natuurlijk ging het hem af, toen hij zei, dat het stelsel
een goed stelsel was; en dat de tijd "nogal gauw om ging--alles in
aanmerking genomen," en dat, als een mensch eenmaal viel, hij de wet
overtreden had en daarvoor boeten moest, "er niets anders op zat dan
om den tijd zoo goed mogelijk te dooden," en zoo voorts.
"Wat was de reden dat die man u terugriep en u iets op zoo'n vreemden
trillenden toon vroeg?" vroeg ik mijn geleider, toen hij de deur
gesloten en mij weer ingehaald had.
"O! Hij was bang, dat de zolen van zijn laarzen niet meer deugen
zouden, om er op te loopen. U moet weten, toen-i hier kwam, waren ze
al tamelijk versleten; nu gaf-i me kennis, dat hij me erg dankbaar
zou wezen, als ik ze gauw 'n beetje op liet lappen."
Die laarzen waren van zijn voeten afgenomen en met zijn overige
kleederen weggelegd.... twee jaar geleden!
Ik maakte van die gelegenheid gebruik, om er naar te vragen, hoe
zij zich aanstelden onmiddellijk voordat ze de gevangenis verlieten;
ik voegde er bij, dat ik vermoedde, dat zij nogal beefden.