overal, waar men ook komt, van de smerigheid. Welnu, zoo'n leven als
hier geleid wordt, draagt dezelfde vruchten als overal. De gemeene
opgezwollen tronies aan de deuren hebben huns gelijken bij ons en in
de wijde wereld. De lichtmisserij heeft zelfs de huizen voor hun tijd
oud gemaakt. Zie maar eens hoe de vermolmde balken uitzakken en hoe
zwart de opgelapte en gebroken ramen er, om zoo te zeggen, uitzien
als oogen die bij een dronkemanspartij uit hunne kassen geslagen
zijn. Verscheidene van die varkens houden hier hun residentie. Zouden
zij zich nooit verwonderen, waarom toch hun meesters recht overeind
gaan in plaats van op handen en voeten? en waarom zij spreken in
plaats van knorren?
Tot nog toe is bijna ieder huis een gemeene kroeg; en aan de
muren der gelagkamers hangen gekleurde prenten van Washington en
koningin Victoria van Engeland, en den Amerikaanschen Adelaar. Onder
de flesschenbakjes, waar de flesschen op staan, liggen stukken
spiegelglas en sitspapier, want in zekeren zin is er zelfs hier een
zucht tot opschik. En daar 't vooral zeelui zijn, die hier komen,
zoo vindt men zeestukken bij de vleet: voorstellingen bij voorbeeld
van matrozen die afscheid nemen van hun liefjes; portretten van
Willem, uit de ballade, en zijn zwartoogige Susanne; van Will Watch,
den Stouten Smokkelaar; van Paul Jones, den Kaper, en dergelijken,
waarop de geschilderde oogen van koningin Victoria, en van Washington
op de koop toe, in even vreemde kameraadschap gevestigd zijn als op
de meeste tooneelen die in hun tegenwoordigheid afgespeeld worden.
Wat is dat voor 'n plaats, waar de vuile straat ons naar toe
brengt? Een soort van blok leprozenhuizen, waarvan men sommige alleen
bereiken kan langs een gebrekkige houten buitentrap. Wat ligt er toch
wel achter die massa waggelende treden, die onder onze voetstappen
kraken? Een ellendige kamer, door één armzalige kaars verlicht, en waar
zich niets in bevindt wat tot gemak kan verstrekken, of er moest iets
van dien aard in een ellendig bed verscholen zijn. Naast dat bed zit
een man: met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn handen voor zijn
gezicht. "Wat scheelt dien man?" vraagt de eerste beambte. "Koorts,"
antwoordt hij gemelijk, zonder op te zien. Verbeeld u, wat er, op
zoo'n plaats als deze, in een door koorts verhit brein om moet gaan!
Kom, klim deze pikdonkere trap op, maar pas goed op, dat ge geen
misstap doet op de waggelende planken, en zoek tastend uw weg met
mij in dit donker hol, waar geen enkele lichtstraal, geen enkel
koeltje schijnt te komen. Een zwarte jongen, die door de stem van
den ambtenaar--welke hij goed kent--wakker wordt dat hij opspringt,
maar gauw weer op zijn verhaal komt door diens verzekering dat hij
zijn gemak mag houden, is uit zich zelf zoo gedienstig dat hij een
kaars opsteekt. Een oogenblik flikkert de pit, dat we groote bergen
vodden op den vloer zien liggen; dan sterft het licht weg, en laat,
als er sprake kan zijn van graden in zoo'n uiterste, een duisternis
achter, nog dikker dan te voren. Hij schommelt de trap af, en 't
duurt niet lang of hij is weer terug, een flikkerende flambouw met
zijn hand schuddende. Daar zien we leven in de bergen vodden komen,
die nu vanzelf langzaam oprijzen, en zie, de vloer is bedekt met
hoopen negerinnen, die wakker worden: haar witte tanden klapperen en
haar heldere oogen vonkelen en knippen naar alle kanten van verbazing
en vrees, precies alsof men het een of andere Afrikaansche gezicht
in een wonderspiegel ontelbare malen weerkaatst zag.
Beklim ook deze trap met niet minder voorzorg, want ook hier liggen als
't ware voetangels en klemmen voor hen die niet zoo'n goed geleide
hebben als wij. En zoo gaan we naar de nok van 't huis, waar men
de kale balken en sparren boven zijn hoofd bespeurt, en 't kalme
maanlicht door de reten in 't dak heen gluurt. Doe de deur open van
een dezer toegekramde hokken vol negers. Bah! Ze hebben daarbinnen een
houtskoolvuur; ook is er een lucht van zengende kleeren, of vleesch,
zoo dicht hokken ze bij elkaar rondom 't komfoor; en dampen rijzen
er uit op, dat men niet zien kan, en bijna stikt. Terwijl ge in deze
donkere holen om u heen kijkt, kruipt er uit elken hoek de een of
andere half wakker geworden gedaante voor den dag, alsof de ure van
't laatste oordeel nabij was en ieder graf zijn doode wedergaf. Waar
honden zouden janken als zij er moesten liggen, vlijen vrouwen, mannen
en jongens zich ter ruste, en dwingen zoodoende de opgejaagde rotten
om ergens anders een beter logies op te zoeken.
Ook hier vindt men stegen en gangen, waar de weg geplaveid is met
modder die tot aan de knieën reikt: kamers onder den beganen grond,
waar gedanst en gespeeld wordt; de muren bedekt met ruwe schetsen
van schepen en forten, en vlaggen, en Amerikaansche adelaars bij de
vleet; vervallen huizen, die open zijn naar de straatkant en met groote
openingen in de muren, waardoor men andere puinhoopen bespeurt, alsof
de wereld van ondeugd en ellende niets anders heeft om te laten zien:
afzichtelijke woningen die haar naam aan diefstal en moord ontleenen;
kortom, al wat walglijk is en in vervallen toestand verkeert, is hier.
Onze geleider heeft zijn hand aan de klink van "Almacks" geslagen,
en roept ons van beneden de treden toe; want de vergaderzaal van
de fashionabele lui uit de Vijf Punten heeft men in de laagte te
zoeken. Zullen we 'r reis ingaan? Kom, 't is maar voor 'n oogenblikje.
Hola! Daar smaken we het onwaardeerbaar genoegen de waardin van de
"Almacks" te zien. Het schijnt haar nogal naar den vleesche te gaan,
die vroolijke mulattin, met vonkelende oogen, wier hoofd keurig
versierd is met een bontgekleurden zakdoek. Ook de waard is niet
minder aangedirkt. Evenals een scheepshofmeester heeft hij een mooi
blauw buis aan met een dikken gouden ring aan zijn pink en om zijn
hals een schitterenden gouden horlogeketting. Wat is-i blij dat-i ons
ziet! Wat zullen we bestellen? Een dans? 't Zal dadelijk gebeuren,
m'nheer: "'n regular break-down."
De zwaarlijvige zwarte vioolkrasser en zijn vriend die op de tamboerijn
speelt, slaan met hun voeten de maat op de planken van 't kleine
orchest, waar we zitten, en spelen een vroolijk deuntje. Een paar
of zes komen voor den dag, geleid door een levendigen jongen neger,
die de grappenmaker van de vergadering is en de grootste danser die
bekend is. Zonder ophouden trekt hij koddige gezichten, en amuseert
al de overigen, die maar niets ander doen dan ginnegappen. Onder de
dansers zijn twee jonge mulattinnen, met groote, zwarte, kwijnende
oogen, en met een hoofdtooisel in den trant der waardin. Deze meisjes
zijn of veinzen zoo bleu te zijn alsof ze nooit te voren dansten,
en slaan dermate de oogen neer voor de bezoekers, dat haar cavaliers
alleen maar de dikke haartjes harer oogleden kunnen zien.
Maar nu begint het dansen. Men danst, men danst, totdat men moe schijnt
te worden, en het dansen een beetje begint te verflauwen. Daar springt
op eens onze levendige jonge held er bij. En dadelijk grijnst de man
die op de viool speelt, en krast en krast dat het een aard heeft;
in de tamboerijn vaart nieuwe kracht; de dansers gaan weer lachen;
de waardin gaat weer glimlachen; de waard krijgt weer vertrouwen; de
kaarsen beginnen weer helder te branden. Hij vooral, onze matadoor
in 't dansen, hij danst dat het een lust is om aan te zien; hij
klopt daarbij met zijne vingers, draait met zijn oogen, trekt zijn
knieën in, zet zijn knieën uit, doet met zijn hielen en teenen wat
de tamboerijn-speler met zijn vingers doet; daarna danst hij met
twee linkerbeenen, twee rechterbeenen, twee houten beenen, kortom
met beenen, met allerlei beenen die beenen en geen beenen zijn--wat
maakt dat uit voor hem? En in wat voor levenswandeling of levensdans
oogst iemand ooit zulke prikkelende toejuichingen in als er om hem heen
donderen, wanneer hij, eerst zijn dame van den vloer gedanst hebbende,
en dan zich zelven, de kroon op zijn werk zet door fier op de toonbank
te springen, en dan met een onnavolgbaar geluid om wat drinken vraagt!
Zelfs in deze ellendige wijk mag de lucht frisch heeten vergeleken
bij den verstikkenden dampkring der huizen; en nu, terwijl we een
breede straat inslaan, waait ze ons met een zuiverder adem tegen en
flonkeren de sterren weer boven ons hoofd. Hier komen we De Graven nog
eens tegen. De stadshoofdwacht is een gedeelte van 't gebouw. Ze volgt
natuurlijk op 't gezicht dat we zoo even achter den rug hebben. Laat
ons ook hierin nog even een kijkje nemen en dan naar bed!
Wat zie ik? Stop jelui de menschen, die aan niets anders schuldig zijn
dan aan de een of andere politie-overtreding, in zulke holen? Liggen
mannen en vrouwen, die zich aan geen misdaad schuldig gemaakt hebben,
den geheelen avond in 't stikdonker, en dat midden in al die ongezonde
dampen die daar hangen om de matbrandende lamp, waar ge ons mee
bijlicht,--dampen waarvan zij natuurlijk den walglijken, voor de
gezondheid zoo schadelijken stank in moeten ademen! Waarlijk, zulke
onbehoorlijke en walglijke stinkgaten als deze cellen zijn, ze zouden
zelfs 't despotiekste bestuur ter wereld tot schande strekken. Kijk
'reis naar die beklagenswaardigen, gij man, die ze alle nachten ziet
en de sleutels bewaart. Ziet ge wat ze zijn? Weet ge wel hoe de riolen
onder de straten gemaakt worden, en waarin deze voor menschen bestemde
riolen verschillen? Immers nergens anders in dan dat in deze laatste
geen water staat!
Wel, dat weet hij niet. Vijf en twintig jonge vrouwen heeft hij
tegelijk in ditzelfde hok opgesloten, en ge zoudt er u bezwaarlijk een
juist denkbeeld van kunnen vormen, wat lieve gezichten er bij waren.
In Gods naam! doe de deur toe achter die ongelukkige schepsels, die
er nu in zijn, en breng een scherm aan voor een plaats, wier weerga
ge zelfs in de op dit punt als de gemeenste, als de nalatigste te
boek staande oude stad van Europa tevergeefs zult zoeken.
Maar zeg, is 't heusch waar, blijven de menschen den heelen nacht in
die zwarte stinkgaten onverhoord zitten?--Alle nachten. Om zeven uur
begint de wacht haar ronde. Om vijf uur 's morgens opent de rechter
zijn rechtbank. Dat's 't vroegste uur waarop de eerste gevangene los
kan gelaten worden, en heeft deze of gene beambte iets tegen hem in
te brengen, dan gaat-i er niet voor negenen of tienen uit.--Maar als
er nu eens in dien tusschentijd iemand komt te sterven, zooals niet
lang geleden gebeurd is? Dan is-i in een uur half opgevreten door de
ratten; zooals met dien man het geval was, en daarmee is 't uit.
Wat is dit onuitstaanbaar geluid van zware klokken en geratel van
wielen, en gejoel in de verte? Er is brand. En wat die roode gloed
aan den overkant? Daar is ook brand. En wat beteekenen deze verkoolde
en zwart berookte muren, waar we voor staan? Een gebouw waar brand
in geweest is. In een officieel verslag is er niet lang geleden vrij
duidelijk op gezinspeeld, dat sommige dezer branden niet geheel en
al toevallig waren en de speculatiegeest tot zelfs in de vlammen een
veld van exploitatie zocht. Doch wat hiervan ook zij, gisteravond was
er brand, van avond zijner twee, en veilig zoudt ge een weddenschap
aan kunnen gaan, dat er morgen minstens één brand zal wezen. Laat
ons dezen troost mee naar huis nemen, elkaar wel te rusten wenschen
en naar bed gaan.
Tijdens mijn verblijf te New-York heb ik ook een bezoek gebracht aan
de verschillende openbare inrichtingen op Long Island. Een daarvan
is een krankzinnigengesticht. 't Is een mooi gebouw, waarin een
bezienswaardige ruime en sierlijke trap. Het is nog niet geheel en
al af, maar nu reeds een gebouw van buitengewoon grooten omvang,
zoodat er tal van patiënten in opgenomen kunnen worden.
Ik kan niet zeggen, dat wat ik in dat liefdadigheidsgesticht gezien
heb mij bijzonder veel pleizier heeft gedaan. De verschillende zalen
hadden zindelijker kunnen zijn en beter ingericht; niets zag ik van dat
heilzame stelsel, dat elders zoo'n gunstigen indruk op me gemaakt had;
en alles zag er zoo dommelig, zoo lusteloos, zoo dolhuisachtig uit,
dat men er naar van werd. De druiloorige idioot, die met zijn haar
in de war op zijn hurken ging zitten; de wartaal uitkramende gek, met
zijn vreeselijken lach en uitgestoken vinger; het gedachtelooze oog,
het woeste gezicht, het zwaarmoedige plukken aan handen en lippen,
het bijten op de nagels; al die kenteekenen der krankzinnigheid,
men zag ze hier in al hun naaktheid en akeligheid. In de eetkamer,
een nare sombere plaats, waar men niets gewaar werd dan kale muren,
zat een vrouw alleen opgesloten. Men vertelde me, dat zij tot
zelfmoord overhelde. Als iets haar in haar besluit kon versterkt
hebben, dan zou het zeker de onuitstaanbare eentonigheid van zoo'n
bestaan geweest zijn.
De verschrikkelijke menigte, waarmee deze zalen en galerijen gevuld
waren, schokte me zoo erg, dat ik mijn oponthoud daar ter plaatse
zooveel mogelijk bekortte en er van afzag om dat gedeelte van 't gebouw
te zien, waar de weerspannigen en kwaadaardigen onder strenger bedwang
gehouden worden. Ik twijfel niet of de heer, die in 't tijdstip waar
ik van schrijf met het bestuur dezer inrichting belast was, ook wel
bevoegd was om aan 't hoofd daarvan te staan, en insgelijks al wat
in zijn vermogen lag ook gedaan had om haar aan haar nuttig doel
te doen beantwoorden: maar zal men nu wel kunnen gelooven, dat de
ellendige partijgeest tot zelfs in dat akelig verblijf der droevige
en verbasterde menschheid overgebracht is? Zal men kunnen gelooven,
dat de oogen, die geroepen zijn om te waken over de afdwalingen van die
zielen, welke met het verschrikkelijkste bezocht zijn, waar onze natuur
aan blootgesteld is, den bril moeten dragen van de partij die op 't
oogenblik de overhand heeft? Zal men kunnen gelooven, dat de directeur
van zoo'n huis als dit, benoemd en afgezet, ja telkens vervangen wordt,
naarmate deze of gene partij den boventoon slaat, en haar verfoeilijke
weerhanen dezen of genen kant heendraaien? Honderdmaal in iedere week
was ik getuige van de een of andere nieuwe, beuzelachtige openbaring
van dien even bekrompen als verderfelijken partijgeest, die, als
Amerika's Samoem in de zedelijke orde, elke uiting van gezond leven,
die onder zijn bereik valt, ontzenuwt en bederft; maar nooit, nooit
keerde ik dien helschen geest den rug toe met gevoelens van zoo diepen
afkeer, van zoo matelooze verachting als toen ik den drempel van dit
krankzinnigengesticht overschreed.
Op korten afstand van dit gebouw staat een ander, het Aalmoezeniershuis
genaamd, dat is te zeggen, het Werkhuis van New-York. Ook dit is
een groot gesticht. Ik geloof dat er, toen ik er was, zoowat een
duizend armen in waren. Èn ventilatie èn verlichting waren slecht;
de zindelijkheid liet insgelijks nogal wat te wenschen over; kortom,
over 't algemeen maakte het een alles behalve gunstigen indruk op
me. Maar men dient hierbij in aanmerking te nemen, dat New-York, als
een groote markt of stapelplaats en tevens als een verzamelingspunt,
waar men niet alleen uit alle deelen der Vereenigde Staten, maar uit
de meeste deelen der wereld naar toe stroomt, een groot getal armen
tot zijn last heeft, en bijgevolg te dezen opzichte onder geldelijke
moeielijkheden gebukt gaat. Ook mag men niet vergeten, dat New-York
een groote stad is, en dat in alle groote steden een ontzaglijk groote
hoeveelheid goed en kwaad dooreengemengd is.
In dezelfde buurt is de Hoeve van Long Island, waar jonge weezen
grootgebracht worden. Ik zag het niet, maar geloof dat het goed
bestuurd wordt; en des te beter kan ik dit gelooven, om reden
ik weet hoe nauwgezet zij in Amerika die schoone plaats uit onze
Litanie betrachten, welke alle zieke personen en jonge kinderen in
herinnering brengt.
Ik werd naar deze inrichting over water gebracht, en wel in een boot
die aan de gevangenis van Long Island behoorde en geroeid werd door
een stuk of acht gevangenen, die allen een zwart en lichtgeel pak
droegen, in welk pak ze wel iets weghadden van afgematte tijgers. Met
hetzelfde vervoermiddel brachten zij me ook naar de gevangenis zelve.
Het is een oude gevangenis, en geheel en al een inrichting voor
schansgravers, op dezelfde leest geschoeid als ik reeds beschreven
heb. Ik was blij dit te hooren, want ontegenzeglijk heeft ze weinig
om 't lijf. Er wordt echter zooveel mogelijk partij getrokken van de
middelen, waar ze over te beschikken heeft, terwijl de organisatie
zoo goed is als men van zoo'n plaats kan verwachten.
De vrouwen werken in opzettelijk daarvoor opgeslagen, overdekte
loodsen. Als ik me goed herinner, zijn er geen winkels of werkplaatsen
voor de mannen, maar wat hiervan ook zij, de meesten hunner werken in
zekere steengroeven die dicht bij de hand zijn. Daar 't dien dag erg
regenachtig was, was dit werk gestaakt, en waren de gevangenen in hun
cellen. Verbeeld u nu een honderd of drie van deze cellen, en in ieder
daarvan een paar man opgesloten; de een aan zijn deur om een luchtje
te scheppen, met de handen door te tralies gestoken; de ander te bed
(midden op den dag, vergeet dit niet); een derde in elkaar gedoken op
den grond liggende, met zijn hoofd tegen de ijzeren bouten, precies
als een wild dier. Verbeeld u verder, dat buiten de regen neervalt,
alsof hij met emmers uit den hemel gegoten wordt, en daarbinnen in
't midden de eeuwigdurende kachel roodgloeiend en tot stikkens toe
staat te dampen, gelijk de kookketel van een tooverkol. Voeg er, in
de gedachte, een collectie geurtjes bij, van die lekkere geurtjes bij
voorbeeld zooals er op zouden stijgen uit een duizendtal kletsnatte
van honigdauw doortrokken paraplu's, en een duizendtal waschmanden
vol halfgewassen linnen, en.... ge kunt u een denkbeeld vormen van
een gevangenis, gelijk wij dien dag bezochten.
De staatsgevangenis te Sing Sing daarentegen is een
model-gevangenis. Die en Mount Auburn zijn de grootste en beste
gevangenissen volgens 't stelsel der stilzwijgendheid.
In een ander gedeelte der stad vindt men het Refuge for the Destitute
(Toevluchtsoord voor de Verlatenen): een gesticht dat zich het
lot aantrekt van jeugdige overtreders, mannelijke en vrouwelijke,
zwarte en blanke, zonder onderscheid, door ze een of ander nuttig
ambacht te leeren, bij fatsoenlijke meesters in de leer te doen en
ze tot waardige leden der maatschappij te vormen. Naar men ziet,
heeft dus deze Inrichting hetzelfde doel als het gesticht te
Boston, en is als zoodanig waarlijk niet minder verdienstelijk en
lofwaardig. Toen ik deze instelling van liefdadigheid onderzocht,
maakte zich onwillekeurig een vermoeden van mij meester, te weten,
of de hoofdopzichter wel voldoende wereld- en menschenkennis bezat,
en of hij niet bepaald verkeerd handelde door sommige jonge meisjes,
die èn wat de jaren èn wat vroegere levenswijze betreft, vrouwen waren,
als kleine kinderen te behandelen; iets wat in mijn oogen al heel
grappig was, en, of ik moet me danig vergissen, niet minder grappig in
haar eigen oogen. Daar de inrichting echter onder 't waakzame toezicht
eener corporatie van heeren van groot verstand en groote ondervinding
staat, zoo vloeit hieruit vanzelf voort, dat het beheer zeer goed is,
en hetzij ik nu op dit eene punt gelijk of ongelijk hebbe, dit doet
niets toe of af aan haar verdiensten en karakter, waar men in geen
geval te hoogen lof aan toe zou kunnen zwaaien.
Behalve deze inrichtingen zijn er ook in New-York voortreffelijke
gasthuizen en scholen, letterkundige instellingen en boekerijen;
een bewonderenswaardig ingerichte brandweer (wat trouwens wel noodig
is, daar ze gestadig werk heeft), en allerlei instellingen van
liefdadigheid. In een der voorsteden treft men een ruim kerkhof
aan; 't is nog wel niet af, maar 't vordert bij den dag. De
treurigste begraafplaats, die ik daar zag, was "De groeve der
Vreemdelingen. Bestemd voor de verschillende logementen te dezer
stede."
Er zijn drie schouwburgen. Twee daarvan, de Park-schouwburg en
de Bowery-schouwburg, zijn groote, sierlijke en fraaie gebouwen,
maar worden, 't spijt me dat ik dit neerschrijven moet, slecht, heel
slecht bezocht. De derde, de olympische schouwburg, is een kleinere
zoogenaamde Salon des Variétés voor blij- en kluchtspelen, en wordt
op allervoortreffelijkste wijze gedirigeerd door den heer Mitchell,
een komiek van grooten humor en oorspronkelijkheid, die bij Londensche
tooneelbezoekers in hooge achting staat. Het doet me pleizier, dat
ik met het oog op dezen verdienstelijken man hier mee kan deelen,
dat zijn banken gewoonlijk welbezet zijn, en zijn schouwburg alle
avonden getuige is van de grootste vroolijkheid. Bijna had ik een klein
zomertheater vergeten, Nible's schouwburg geheeten, waar tuinen en
vermakelijkheden in de open lucht aan verbonden zijn; maar ik geloof,
dat ook deze plaats niet vrij is van den gedrukten toestand waarmee
dergelijke uitspanningen over 't algemeen te worstelen hebben.
De omstreken van New-York zijn schilderachtig bij uitnemendheid. Het
klimaat is, gelijk ik al aangestipt heb, nogal warm. Wat er van zou
worden zonder de zeekoelte, die 's avonds uit haar schoone Baai naar
de stad toe waait, zie, ik zal mij zelven noch mijn lezers de koorts op
't lijf jagen door daarnaar onderzoek te doen.
De toon, die in de beschaafde kringen dezer stad heerscht, komt met
den toon te Boston overeen; misschien kan men er den koopmansgeest
ietwat sterker in proeven, doch met dat al is hij over 't algemeen
hoogst beschaafd en altijd van den meest gastvrijen aard. De huizen
en tafels zijn sierlijk; en men gaat later naar huis en is minder
ingetogen; ook hecht men misschien grooter gewicht aan den schijn en
is er meer op uit, om pracht en weelde ten toon te spreiden, dan te
Boston. De dames zijn bijzonder schoon.
Alvorens New-York te verlaten, maakte ik de noodige schikkingen om
huiswaarts te kunnen keeren met het packetschip George Washington,
waarvan het vertrek tegen Juni was aangekondigd. Ik had namelijk het
besluit opgevat, om, bijaldien er zich geen onverwachte beletselen
op mochten doen, in die maand Amerika te verlaten.
Nooit had ik gedacht, dat ik, teruggaande naar Engeland, waar ik hen
weer zou vinden die mij lief en dierbaar waren, en mij buitendien
bezigheden wachtten die mij onmerkbaar tot een tweede natuur waren
geworden, zooveel verdriet kon gevoeld hebben als ik ondervond, toen ik
eindelijk aan boord van dit schip afscheid nam van de vrienden, die mij
uit deze stad vergezeld hadden. Nooit had ik gedacht, dat de naam van
eenige plaats, zoo verre weg en mij eerst onlangs bekend geworden, zich
ooit in mijn geest kon vereenigen met al die teedere herinneringen die
er nu omheen zweven. Er zijn er in deze stad, die mij den donkersten
winterdag, die ooit in Lapland aanbrak, zouden verhelderden, en in
wier tegenwoordigheid zelfs het Te-Huis verbleekte, toen zij en ik
dat pijnlijke woord wisselden, dat ons onder al ons denken en handelen
bijblijft, dat om onze wieg heen spookt in onze kinderlijke jaren en
het uitzicht van ons leven afsluit op den rijpen leeftijd.
VII.
PHILADELPHIA.
PHILADELPHIA EN ZIJN CELLULAIRE GEVANGENIS.
De reis van New-York naar Philadelphia wordt per spoor en twee
veerbooten afgelegd; en gewoonlijk is daar een uur of zes mee gemoeid,
't was een mooie avond toen wij in den trein zaten; en toen we uit
een raampje dicht bij 't portier, waar we naast zaten, het heldere
ondergaan der zon gadesloegen, werd mijn aandacht getrokken door
een vreemde verschijning, die uit de raampjes van den heeren-waggon,
voor ons uit, vandaan kwam. Een tijdlang veronderstelde ik, dat deze
verschijning te danken was aan tal van vlijtige menschen, die er in
zaten en zich bezighielden met veeren bedden open te scheuren en de
veeren in den wind te strooien; maar eindelijk en ten laatste meende
ik te merken, dat ze niets anders deden dan spugen, wat inderdaad
het geval was, ofschoon het mij, niettegenstaande de ondervinding in
allerlei spuug-verschijnselen, die ik naderhand opdeed, nog altijd
een raadsel is gebleven, hoe een zeker aantal passagiers, gelijk zoo'n
waggon immers maar bevatten kon, zoo'n vermakelijke en onophoudelijke
spuug-bui vol heeft kunnen houden.
Op deze reis maakte ik kennis met een zachten en bescheiden jongen
Kwaker, die het gesprek opende door me op deftig fluisterenden toon mee
te deelen, dat zijn grootvader de uitvinder was van koud getrokken
ricinusolie. Ik maak hier melding van, omdat het waarschijnlijk
wel de eerste gelegenheid geweest is, dat het bewuste onschatbare
geneesmiddel ooit diende als een soort van purgatief voor conversatie.