bezochte straat. Dit is een wijde en woelige straat, die, van de
Battery Gardens naar zijn uitgangspunt, dat in een landweg uitkomt, zoo
wat vier mijlen lang zal wezen. Komaan, wat zullen we doen? Me dunkt,
we moesten maar eens wat uit gaan rusten op een der bovenkamers van
't Hotel "The Carlton House," dat op het beste gedeelte van deze
kolossale slagader van New-York staat, en zijn we vermoeid van 't
kijken naar al dat leven, daar beneden aan onzen voet, dan kunnen we
gearmd opstappen en den stroom volgen.
O wat is 't warm! De zon steekt ons door dit open raam op 't
hoofd, alsof haar stralen door een brandglas geconcentreerd waren;
maar we zijn ook midden op den dag, en 't is een buitengewoon warm
seizoen. Heeft men ooit in zijn leven zoo'n zonnige straat als deze
Broadway gezien? De straatsteenen worden van al dat geloop zoo glad,
dat ze opnieuw beginnen te glinsteren; de roode baksteenen der huizen
schijnen nog wel in den heeten oven te liggen; en de hemels van
die omnibussen zien er uit alsof ze, bijaldien er water op gestort
mocht worden, aan 't sissen en rooken en rieken zouden gaan als
een half uitgedoofd vuur. Aan omnibussen geen gebrek hier! Een half
dozijn hebben wij voorbij zien rijden in minder dan een half dozijn
minuten. Ook huurrijtuigen en koetsen ziet men hier bij de vleet;
sjeezen, phaëtons, tilbury's met groote wielen, en particuliere
rijtuigen--van een nogal plomp model, en die niet veel verschillen van
de openbare rijtuigen, maar gemaakt zijn met het oog op de zware wegen
buiten de stad. Zwarte koetsiers en blanke; met stroohoeden, zwarte
hoeden, witte hoeden, verlakte petten, en bonte petten; met zwarte,
bruine, groene, blauwe, nankingsche en linnen jassen; en daar ziet
ge ook in 't zelfde oogenblik (kijk goed toe als ze voorbijgaat, of
't zal te laat zijn) een equipage met knechts in livrei. Dat behoort
zeker aan den een of anderen republikein uit het Zuiden, die zijn
zwarten in livrei steekt en al de staatsie van een sultan ten toon
spreidt. Daar ginds, waar die phaëton met de grijze kortstaarten
stil is blijven staan--nu staat hij voor hun koppen--is een groom
uit Yorkshire, die hier nog niet lang geweest is en goed rondkijkt
naar een kameraad van zijn kaliber, dien hij wel niet tegen zal
komen al rijdt hij een half jaar lang de stad door. Lieve hemel,
wat gaan hier de dames gekleed! In deze tien minuten hebben wij
meer kleuren gezien, dan we elders zouden gezien hebben in evenveel
dagen. Wat verscheidenheid van parasols! Wat zijden en satijnen japons
in alle kleuren van den regenboog! Wat sluiten die dunne kousen om
't been! Wat passen die dunne schoentjes goed! Wat waaien en zwaaien
die linten en zijden kwasten! Wat 'n opschik van rijke mantels met
prachtige hoeden en niet minder prachtige voering! Naar ge ziet, maken
de jonge heeren nogal werk van hun omgeslagen boorden en bakkebaarden,
doch vooral van wat daar groeit onder hun kin; maar in hun kleeding
en manieren kunnen zij onmogelijk met de dames concurreeren, daar,
om de waarheid te zeggen, hun beschaving van een geheel ander allooi
is. Byrons van den lessenaar en de toonbank, gaat maar door, en laat
ons zien wat voor soort van menschen daar achter u komen, ik bedoel
die op zijn Zondags gekleede twee landbouwers, waarvan de een een
gefrommeld stukje papier in zijn hand houdt, met een moeielijken naam
er op, dien hij probeert te ontcijferen, terwijl de ander dien naam
aan al de deuren en ramen opzoekt.
't Zijn beiden Ieren! Al droegen ze ook een masker, men zou ze
herkennen aan de lange panden hunner blauwe rokken, aan hun glimmende
knoopen, en aan hun bruine broeken, die zij dragen als lui, die wel
gewoon zijn aan een werkpak en zich in andere kleeding niet op hun
gemak voelen. Het zou u ongemakkelijk vallen, om uw model-republiek
aan den gang te houden zonder de mannelijke en vrouwelijke landslui
van die twee landbouwers. Want wie zou anders voor u graven en spitten,
sloven en slaven, uw huiswerk verrichten, wegen en kanalen aanleggen en
uw groote plannen tot verbetering van uw binnenlandschen toestand ten
uitvoer leggen? Ieren zijn 't, Ieren, die soms nog wel met de handen in
't haar zitten, om datgene te worden wat ze zoeken. Komt, laten wij ze
dan op gaan zoeken, en hun de behulpzame hand gaan bieden! Laten we
dat doen uit liefde tot ons huis en dien geest van vrijheid, die aan
eerlijke lieden eerlijken arbeid, en aan eerlijken arbeid een eerlijk
stuk brood verschaft, onverschillig waar die arbeid in moge bestaan.
Zoo is 't goed! Wij hebben eindelijk het rechte adres gevonden,
ofschoon het waarlijk met vreemdsoortige letters geschreven is,
ja misschien neergekrabbeld met den stompen steel van de schop waar
de schrijver beter mee weet om te gaan dan met een pen. Hun weg ligt
ginds, maar wat moeten zij daar uitvoeren? Zij hebben hun overgewonnen
geld bij zich. Om 't op renten te zetten? Neen, zij zijn broers, die
mannen. De een stak alleen de zee over, werkte een half jaar zoo hard
hij maar kon, en leefde zoo sober mogelijk, totdat hij geld genoeg
had, om zijn broer over te laten komen. Eenmaal bij elkaar werkten
zij te zamen; met een tevreden hart deelden zij den zwaren arbeid
en de sobere levenswijze samen, maar nu met een ander oogmerk, en
toen kwamen hun zusters, toen nog een broer, en eindelijk hun oude
moeder. En wat nu? Wel, de arme oude stumper heeft in dat vreemde
land rust noch duur, en smacht er naar, dat, zooals zij zegt, haar
gebeente moge rusten onder haar eigen volk op 't oude kerkhof thuis,
en nu gaan zij haar overtocht betalen.... Moge God haar nabij zijn,
haar en hun, en ieder eenvoudig hart, en allen die naar 't Jeruzalem
hunner kindsheid wederkeeren en een altaarvuur hebben op den kouden
haard hunner vaderen.
Deze nauwe passage, waar de zon zoo op staat te gloeien en te blakeren,
is Wall Street: de Stock Exchange (Effectenbeurs) en Lombardstreet
van New-York. Menigeen heeft in deze straat gauw fortuin gemaakt,
en menigeen is in deze zelfde straat niet minder gauw ongelukkig
geworden. Sommige van deze zelfde kooplui, die ge hier nu rond
ziet scharrelen, hebben, evenals de man in de "Duizend en één
nacht-vertellingen," geld in hun ijzeren kisten opgesloten, hebben die
kisten opengemaakt en..... er niets anders dan verlepte bladeren in
gevonden. Daar beneden aan den waterkant, waar de boegsprieten der
schepen, over de kaai heen, bijna in de ramen te land komen, daar
liggen die kostbare Amerikaansche schepen, die hun packetdienst tot
de voortreffelijkste ter wereld gemaakt hebben. Zij hebben hier de
vreemdelingen aangebracht, die in al de straten krioelen; misschien
niet omdat er hier meer zijn dan in andere koopsteden, maar elders
hebben zij particuliere plaatsen, waar men ze op moet zoeken; hier
overstroomen zij de stad.
Alweer moeten wij Broadway door. Maar nu verfrisschen we ons van
de hitte door 't gezicht van de groote blokken kristalhelder ijs,
die naar winkels en koffiehuizen gebracht worden; een verfrissching
waar de pijnappelen en watermeloenen, die bij de fruithandelaren in
grooten getale uitgestald zijn, niet weinig toe bijdragen.
Wat prachtige huizen ziet men hier in al die mooie straten!--Wall
Street heeft er, en heel dikwijls ook, velen van zien opbouwen en
weer zien afbreken--en daar een donker groene, lommerrijke square. Ge
kunt er op aan, dat is een gastvrij huis met bewoners, waar men
altijd met toegenegenheid aan denken zal, ik bedoel dat huis dáár,
waar de deur openstaat en ge van binnen die vroolijke planten gewaar
wordt, en waar 't kind met lachende oogjes uit het raam kijkt naar
den kleinen hond beneden. Ge kijkt vreemd op en vraagt u zelven af,
waar die hooge vlaggestok in de achterstraat toe dient, met iets er
bovenop, dat wel iets weg heeft van een vrijheidsmuts. Zoo gaat het
mij ook. Maar in deze buurt houdt men hartstochtelijk veel van groote
vlaggestokken, en als ge er maar acht op geeft, zult gij binnen vijf
minuten den tweelingbroer van dien vlaggestok vinden.
Al weer Broadway door, en zoo--de bontgekleurde menigte en schitterende
winkels voorbij--en zoo naar een andere lange hoofdstraat, de Bowery
genaamd. Kijk, daar ginds is een spoorweg, waar twee fiere paarden
langs draven, en die met gemak een stuk of veertig passagiers en een
groote houten ark voorttrekken. De uitstallingen zijn hier armer;
de voorbijgangers minder vroolijk. Gemaakte kleeren en klaargemaakt
eten kan men in deze buurt te koop krijgen; en het levendig geratel
van rijtuigen maakt hier plaats voor den doffen dreun van karren en
wagens. Die uithangteekenen, die men in den vorm van bakentonnen en
kleine ballons aan staken ziet bengelen, maken er u attent op, als ge
naar boven kijkt, dat daar "oesters op allerlei manier klaargemaakt"
te koop zijn. 's Avonds verleiden ze de hongerige magen 't meest,
want dan glinsteren er vetkaarsjes van binnen, die deze uitlokkende
woorden verlichten en de leegloopers doen watertanden als ze hier
loopen te kuieren en dat opschrift lezen.
Wat is dat voor 'n allerakeligst, in bastaard Egyptischen stijl
opgetrokken gebouw, dat zich daar als een toovenaarspaleis in een
melodrama voordoet? Wat dat is? Een beruchte gevangenis, De Graven
genaamd. Zullen we 'r reis ingaan?
Goed! Het is een lang, smal, hoog gebouw, oudergewoonte door een kachel
verwarmd, met vier galerijen boven elkaar, die er omheen loopen,
en door middel van een trap gemeenschap met elkaar hebben. Tusschen
de twee zijden van iedere galerij, en in 't midden daarvan, een brug
om des te gauwer over en weer te kunnen komen. Op iedere brug zit een
man òf te dutten òf te lezen, òf met een kameraad, die niets uitvoert,
te babbelen. Op elke galerij zijn twee rijen kleine ijzeren deuren
tegenover elkaar. Ze hebben wel iets van fornuisdeurtjes, maar zijn
koud en zwart, alsof het vuur van buiten uit was gegaan. Een stuk of
drie staan er open, en vrouwen met voorovergebogen hoofd ziet men met
de gevangenen praten. Het geheel wordt verlicht door een zoogenaamde
daklantaren, maar die is bijna dicht; en van 't dak bengelen, lenig
en slap, twee nuttelooze koelzeilen.
Daar komt een man met sleutels om ons rond te leiden. De vent ziet
er gunstig uit en is zelfs, op zijn manier, beleefd en gedienstig.
"Zijn deze zwarte deuren de cellen?"
"Ja."
"Zijn ze allemaal vol?"
"Wel, dat scheelt niet veul, want waarheid is waarheid, dat spreekt
als 'n boek."
"Die onderste cellen zijn stellig ongezond, niet waar?"
"Och, daar stoppen we alleen kleurlingen in. Ja, zoo is 't."
"Wanneer nemen de gevangenen eenige beweging?"
"Wel, ook zonder dat blijven ze vrij gezond."
"Wandelen ze nooit eens in den tuin?"
"Al heel zelden."
"Somtijds toch wel, veronderstel ik?"
"Och, maar heel zelden. Zonder dat zien ze 'r vrij goed uit."
"Maar gestel nu eens, dat iemand twaalf maanden lang moet zitten. Ik
weet, dat dit alleen een gevangenis is voor misdadigers, die zware
misdaden tot hun last hebben, terwijl ze hun terechtstelling afwachten
of na 't verhoor weer hier naar toe gebracht worden, maar de wet
doet hier immers den misdadigers tal van middelen van uitstel aan de
hand. Nu geloof ik, dat zoolang de terechtzittingen over hem duren, of
wat dies ook zij, hij hier toch wel een maand of twaalf in voorarrest
zal blijven?"
"Ja, zoolang zal dat wel duren."
"En in al dien tijd zal zoo iemand dus nooit die kleine ijzeren deur
uitgaan, om wat beweging te nemen, heb je me dat niet verteld?"
"O, hij mag wel een beetje wandelen, maar niet lang."
"Wil je wel een van de deuren opendoen?"
"Wel zeker, als u daar zoo op gesteld is."
De sloten knarsen en rammelen, en langzaam draait een der deuren op
haar scharnieren. Laten we 'r reis een kijkje in nemen. Hoe ziet ze
'r uit? 't Is een kleine kale cel, waar het licht in doordringt door
een spleet heel boven in den muur. Men vindt er geen ander meublement
dan een ruw ding dat een waschtafel moet verbeelden, een tafel en
een krib. Op die krib zit een man van zestig jaar te lezen. Een
oogenblik kijkt hij op, maakt met zijn hoofd een gebaar van gemelijk
ongeduld en slaat dan weer zijn oogen op zijn boek. Zoodra wij onze
hoofden terugtrekken, wordt de deur weer voor zijn neus dicht gedaan,
en evenals te voren gesloten. Deze man heeft zijn vrouw vermoord en
zal waarschijnlijk worden opgehangen.
"Hoelang is-i hier al geweest?"
"Een maand."
"Wanneer komt-i voor?"
"Bij de eerstkomende zitting."
"Wanneer is dat?"
"De volgende maand."
"Al is 't doodvonnis over hem uitgesproken, dan mag zoo iemand in
Engeland toch nog wat beweging nemen in de open lucht."
"Is 't mogelijk?"
Op wat voor schrikkelijk en onuitsprekelijk koelen toon zegt hij dit,
en hoe slungelachtig brengt hij ons naar den kant waar de vrouwen
zitten, terwijl hij onder 't loopen van den sleutel en de trapleuning
een soort van ijzeren castagnette maakt!
Iedere celdeur aan dezen kant heeft een kleine vierkante
opening. Sommige der vrouwen kijken er nieuwsgierig doorheen,
zoodra zij maar voetstappen vernemen; andere duiken van schaamte
achteruit.--Om wat voor vergrijp kan dat eenloopende kind, van een
jaar of twaalf, hier opgesloten zijn? En wat doet die jongen hier? Hij
is de zoon van den gevangene, dien we zoo even zagen; is een getuige
tegen zijn vader, en wordt hier voor alle securiteit gehouden totdat
zijn vader voor is geweest: dat 's alles.
"Maar is dit nu een plaats voor een kind, om daar dagen en nachten
lang door te brengen?! Zoo'n akelige, nare plaats! Me dunkt, zoo'n
behandeling is wat al te bar voor zoo'n jeugdig getuige. Wat zegt
onze wegwijzer er van?"
"Wat ik er van zeg, meneer? Wel, dat die jongen hier een gemakkelijk
leventje leidt; anders niets!"
En weer klinkt hij met zijn metalen castagnette en leidt ons op zijn
gemak verder. Onder 't gaan valt me nog iets in, dat ik hem vragen wil.
"A propos, waarom noemen ze deze plaats De Graven?"
"Wel, dat 's zoo de manier."
"Nu ja, maar waarom?"
"Toen ze pas gebouwd was, hebben hier nogal wat zelfmoorden plaats
gevonden. Ik denk, dat 't daar vandaan komt."
"Ik zag daar juist, dat die man zijn kleeren maar op den vloer van
zijn cel neergegooid heeft. Noodzaak je de gevangenen niet, om zich
ordelijk te gedragen en zulke dingen behoorlijk weg te bergen?"
"Waar zouden zij ze wegbergen?"
"Zeker niet op den grond. Me dunkt, hij moest ze ophangen."
Hij blijft staan en kijkt rond om zijn woorden meer klem en nadruk
bij te zetten.
"En mij dunkt, dat 't er dan mooi uit zou zien! Hadden ze krammen,
dan hingen ze 'r niet hun goed, maar hun eigen corpus an, en om die
reden zijn ze dan ook uit iedere cel weggenomen, en kan je alleen de
moeten zien, waar ze gezeten hebben."
De binnenplaats der gevangenis, waar hij nu ophoudt, is het tooneel
geweest van verschrikkelijke dingen. Hier toch, op deze nauwe, op een
graf gelijkende plaats, worden de menschen gebracht, die de doodstraf
moeten ondergaan. Het ongelukkige schepsel staat onder de galg op
den grond, met het touw om zijn nek; en als het sein gegeven wordt,
komt een zwaar gewicht aan 't andere eind van 't touw naar beneden
schieten en... als een lijk bengelt de rampzalige in de lucht.
De wet vereischt, dat de rechter, de jury en een vijf-en-twintigtal
burgers bij dat akelig schouwspel tegenwoordig zijn. Voor 't publiek
is het verborgen. Voor de losbandigen en slechten blijft het een
ontzettend geheim. Als een sluier, als een dikke ondoordringbare sluier
is de gevangenismuur tusschen den misdadiger en hen opgetrokken. De
muur is als 't ware de gordijn van zijn sterfbed, zijn doodshemd en
zijn graf. De muur sluit hem af van 't leven en van al die drangredenen
om tot zelfs in die laatste ure geen berouw te toonen, tot zelfs in
die laatste ure nog even verstokt van hart te blijven, die louter door
't gezicht van anderen maar al te vaak kunnen opgewekt worden. Ja
daar zijn geen brutale oogen om hem brutaal te maken; daar zijn geen
schurken om hem op te hitsen dat hij toch zijn roep als schurk tot
aan den jongsten snik handhave. Al wat achter dien onbarmhartigen
steenen muur is, is hem een onbekende ruimte.
Laten we weer naar de vroolijke straten gaan!
Alweer naar Broadway! Hier zijn dezelfde opzichtig gekleede dames, die,
gepaard of alleen, heen en weer wandelen; daar dezelfde lichtblauwe
parasol die twintigmaal het raam van ons hotel voorbijging, toen wij
daar voor zaten. We willen hier oversteken. Pas op de varkens. Twee
zwaarlijvige zeugen draven achter dit rijtuig, en een uitgezochte
partij van een half dozijn heeren-zwijnen zijn juist den hoek
omgeslagen.
Hier is een eenloopend varken, dat in zijn eentje naar huis
sukkelt. Hij heeft maar een oor; het andere is hij kwijt geraakt
in den loop van zijn uitstapjes door de stad, die hem menigmaal met
rondzwervende honden in botsing hebben gebracht. Maar hij schijnt zich
in zijn leed nogal wel te schikken; althans hij leidt een flaneerend,
iets heerachtig, vagebondig leven, kortom, nagenoeg zoo'n leventje
als onze sociëteits-bezoekers thuis. Op een bepaald uur verlaat hij
iederen morgen zijn logies, kuiert de stad in, brengt zijn dag door op
een manier dat hij er zelf volkomen over tevreden is, en verschijnt
geregeld weer 's avonds aan de deur van zijn eigen huis, evenals
de geheimzinnige meester van Gil Blas. Hij is een frank en vrij,
zorgeloos, onverschillig slag van varken, heeft een massa kornuiten
onder andere varkens van 't zelfde karakter, die hij eer van aangezicht
dan persoonlijk kent, daar hij zich zelden de moeite geeft om stil te
staan en complimenten te wisselen, maar al knorrende zijn gang gaat,
om al de nieuwtjes van de stad in den vorm van koolstronken en afval
op te doen, en daarbij niets anders inbrokt dan een stuk van zijn
staart, die al heel kort is, daar zijn oude vijanden, de honden,
er ook bij geweest zijn en altijd gemaakt hebben, dat hij 't hard te
verantwoorden had. In leder opzicht is hij een republikeinsch varken,
daar hij overal gaat waar 't hem maar goeddunkt, en zich met het beste
gezelschap op een gelijken, zoo al niet superieuren voet vermengt, want
ieder gaat uit den weg als hij voor den dag komt, en de hoogmoedigste
laat hem, als hij dit mocht verkiezen, den huizenkant voorbijgaan. Hij
is een groot wijsgeer, en zelden onthutst, behalve door de zoo even
vermelde honden. Soms zou men hem wel met zijn kleine oogjes kunnen
zien knippen naar een geslachten vriend, wiens geraamte den deurpost
van een slagerswinkel versiert, maar hij bromt bij zich zelf: "Zoo is
't leven: alle vleesch is varkensvleesch!" steekt zijn neus maar weer
wroetend in de vullis en schommelt langs de riolen, zich troostende
met de overweging dat er nu weer een snuit minder is om zich aan
koolstronken en andere dergelijke lekkernijen goed te doen.
Om de waarheid te zeggen, zijn deze varkens de
stadsstraatvegers. Leelijke dieren zijn ze, want meerendeels hebben
ze schrale, bruine ruggen, zoo wat in den trant van oude paardenharen
koffers: met ongezonde zwarte puisten bevlekt. Ook hebben ze lange,
dunne pooten en zulke spitse snuiten, dat, als een hunner kon
overgehaald worden om zoo te gaan poseeren, dat men hem en profiel uit
kon teekenen, niemand zou zeggen, dat het op een varken geleek. Nooit
worden ze opgepast, of gevoed, of gedreven, of gevangen, maar zijn van
kindsbeen af aan hun eigen lot overgelaten, iets wat niet missen kan
of 't moet hen tot bijdehandjes van de eerste klasse maken. Zoo weet
ieder varken dan ook precies waar hij woont, veel beter dan iemand
hem zou kunnen vertellen. Op dit uur, de avond valt juist in, zult ge
ze bij dozijnen naar bed zien schommelen: voor 't laatst doen ze, en
passant, zooveel mogelijk hun buikje te goed. Nu kan 't wel gebeuren,
dat de een of andere jongeheer, die zijn maag wat al te zeer overladen
of 't met de andere honden wat al te kwaad gekregen heeft, als de
verloren zoon druipstaartend naar huis draaft, maar zoo iets behoort
onder de zeldzaamheden: volkomen zelfbeheersching, zelfvertrouwen en
onverstoorbare bedaardheid, ziedaar hun eerste eigenschappen!
De straten en winkels zijn nu verlicht; en als men zijn oogen rond
laat weiden over de lange passage, waar 't één licht al licht is,
dan denkt men onwillekeurig aan Oxford Street of Piccadilly. Hier en
daar komt een vleugel van een breede steenen keldertrap voor den dag,
en wijst u een geschilderde lamp den weg naar 't Balspel-Salon of de
Kegelbaan met de Tien Kegels: een nieuw spel, dat niet alleen door
't toeval beslist wordt, maar waar ook en wel deugdelijk verstand
bij te pas komt, en dat uitgevonden is geworden toen de Wetgeving
een akte uitvaardigde die het Negen-Kegelspel verbood. Bij andere
naar beneden gaande trappen zijn andere lampen, die de plaatsen der
oesterhuizen aanwijzen--pleizierige lokalen, dat durf ik verzekeren,
niet alleen omdat er de oesters op zoo'n verwonderlijke wijze
gekookt worden, oesters bijna zoo groot als kaaskoppen (is dat geen
kolfje naar uw hand, o erentfeste professoren in 't Grieksch!), maar
omdat van alle soorten van visch- of vleesch- of gevogelte-eters de
oesters-smulpapen alleen hier niet bij elkaar zitten, maar, zich als 't
ware schikkende naar den aard van datgene, wat ze naar binnen werken,
en de preutschheid kopieerende van 't ding dat ze opeten, insgelijks
in hun schulp kruipen, met andere woorden, apart in kleine hokjes gaan
zitten met gordijnen er voor, met hun tweeën, niet met hun tweehonderd.
Maar wat zijn de straten stil! Zijn er geen straatmuzikanten? geen
blaas- of strijkinstrumenten? Neen, geen een. Wat! Zijn er over
dag geen poppenkasten, geen dansende honden, geen goochelaars, geen
geestenbezweerders, geen koorddansers, zelfs geen draaiorgels? Neen,
geen een. Toch, ik herinner me er een. Een, zegge één draaiorgel en
een dansend aapje--een spring-in-'t-veld van natuur, maar wien 't was
aan te zien, dat 't niet lang zou duren of hij zou zoo'n lodderige Jan
Salie van 'n aap uit de school van de voorstanders der Utiliteitsleer
wezen. Behalve dat nu was alles dood als een pier; ja er was nog niet
eens zooveel leven als een witte muis in een draaikooitje maakt.
Zijn er dan geen vermakelijkheden? Wel ja. Er is een leeskamer daar
ginds, waar al dat licht uit schijnt, en zeker zal er driemaal per
week, of nog meer, avonddienst voor de dames gehouden worden. Voor de
jongeheeren is het kantoor, het magazijn, de koffiekamer; zooals ge
door deze ramen kunt zien, is de laatste nogal aardig vol. Hoor! Wat
klinken die hamers, die de blokken ijs stuk slaan, en wat klokken de
afgebroken stukjes, als ze in 't vermengingsproces van 't eene glas
in 't andere worden overgegoten! Geen vermakelijkheden? Wat doen
deze sigarenzuigers en pimpelaars, wier handen en beenen we in alle
mogelijke beweging zien, anders dan zich vermaken? Wat zijn de vijftig
kranten, die door die vroegrijpe deugnieten van kwajongens straat-op
straat-af worden rondgeschreeuwd, en die men er in de koffiehuizen
op nahoudt,--wat zijn die anders dan vermakelijkheden? Geen duffe
waarachtige vermakelijkheden, maar krachtige, stevige kost; waar
niemand een vinger in de asch kan steken of 't wordt aan de klok
gehangen, waar geen publiek persoon iets uit kan voeren of 't wordt aan
de gemeenste drijfveeren toegeschreven, kortom, waar Jan en alleman,
onverschillig wie, ja al was 't ook de Barmhartige Samaritaan in
eigen persoon, over den hekel wordt gehaald.... en dat zouden geen
vermakelijkheden zijn?.... Loop heen!
Laten we opstappen en verder gaan, en die echte wildernis van
'n hotel voorbijgaan met magazijnen aan 't onderste gedeelte,
dat wel iets wegheeft van een schouwburg op 't vaste land of van de
Londensche opera, maar zonder colonnade; dan komen we weer aan de Vijf
Punten. Maar eerst dienen we bij wijze van escorte die twee hoofden
der politie mee te nemen, die ge voor uitgeslapen ambtenaren aan zoudt
zien, als gij ze in de Groote Woestijn tegenkwaamt. Zoo waar is 't,
dat de menschen de eigenaardige kenmerken gaan dragen van hun beroep,
hoe dat ook moge zijn. Waarlijk, deze twee hadden in Bow Street kunnen
geteeld, geboren en grootgebracht zijn.
Bedelaars hebben we noch over dag noch 's avonds gezien, maar andere
soorten van straatslijpers bij de vleet. Waar we nu naar toe gaan,
staan armoede, ellende en ondeugd in vollen bloei.