van waggon terug Daar een der passagiers er niet weinig op uit scheen
te zijn, om (natuurlijk niet aan mij) maar aan mijn reisgenoot zoo
breedvoerig mogelijk de echte beginselen uiteen te zetten, volgens
welke boeken over reizen in Amerika door Engelschen zouden geschreven
moeten worden, deed ik net alsof ik in slaap viel. Maar den geheelen
weg over pinkoogend uit het raampje kijkend, vond ik voor 't overige
van den rit overvloedig genot in 't nagaan van de uitwerkingen van den
boschbrand, die 's morgens onzichtbaar was geweest, maar nu door de
duisternis in al zijn glans uitkwam: want we reisden in een warrelwind
van heldere vonken, die als een sneeuwjacht om ons heen stoven.
V.
VAN WORCESTER NAAR NEW-YORK.
WORCESTER, DE RIVIER DE CONNECTICUT, HARTFORD. NEW HAVEN. NAAR
NEW-YORK.
In den namiddag van Zaterdag den vijfden Februari verlieten wij
Boston en spoorden langs een anderen weg naar Worcester: een lieve
stad uit Nieuw Engeland, waar we schikking getroffen hadden, om tot
Maandagmorgen onder 't gastvrije dak van den gouverneur van den staat
door te brengen.
Deze groote en kleine steden van Nieuw Engeland (waarvan velen
dorpen zouden zijn in Oud Engeland) zijn even gunstige specimens van
't landbouwend Amerika als haar bewoners gunstige specimens mogen
heeten van Amerikaansche landbouwers. Wel vindt men hier niet de
netjes gesnoeide lanen en groene weiden van ons vaderland, en is
het gras, vergeleken met dat van onze kunstig aangelegde parken,
spichtig, ruw en wild, maar sierlijk hellende stukken land, zachtkens
rijzende heuvelen, boschrijke dalen en zachtkabbelende rivieren kan
men daarentegen bij de vleet aantreffen. Iedere kleine kolonie van
huizen heeft haar kerk en school, die tusschen de witte daken en
lommerrijke boomen uitsteken; ieder huis is witter dan wit; ieder
zonnescherm groener dan groen; iedere lucht bij mooi weer blauwer
dan blauw. Een scherpe droge wind en een beetje vorst had de wegen
zoo hard gemaakt toen wij te Worcester aankwamen, dat hun gegroefde
sporen wel iets weghadden van granietaderen. Natuurlijk lag ook hier
over alle voorwerpen de glans der nieuwheid. Al de gebouwen zagen er
uit alsof ze eerst dien zelfden morgen waren neergezet en geverfd,
en Maandag met weinig moeite weer konden weggehaald worden. Helder als
de avondlucht was, kwam elke scherpe omtrek nog honderdmaal scherper
uit. De nette bordpapieren colonnades hadden niet meer perspectief
dan een chineesche brug op een theekopje en schenen insgelijks wel
berekend voor 't gebruik. De scheermesachtige kanten van de hier en
daar verstrooide huisjes schenen den wind zelven, als die er tegen
aan suisde, als 't ware te snijden en hem met een schriller kreet dan
te voren verderop te sturen. Door die licht en dicht gebouwde houten
woningen, waarachter de zon met schitterenden luister onderging, kon
men zoo geheel en al heen kijken, dat het denkbeeld dat iemand, die er
in woonde, zich aan de blikken van 't publiek kon onttrekken of eenig
geheim voor zich kon houden, een oogenblik onder de onmogelijkheden
gerekend werd. Zelfs waar een vlammend vuur door de zonder gordijnen
gelaten ramen van 't een of ander afgelegen huis heen scheen, zag
't er uit alsof het zoo even aangelegd en nog niet recht aan was;
en in plaats van gedachten op te wekken aan een prettige huiskamer,
die opgevroolijkt was door gezichten die voor 't eerst het licht zagen
om dienzelfden haard en waar 't behangsel de pleizierige warmte nog
meer scheen te verhoogen,--in plaats nu van zulke gedachten op te
wekken, werd het den aandachtigen beschouwer te moede alsof de lucht
van versche kalk en vochtige muren hem onder den neus kwam.
Zoo althans dacht ik dien avond. Den volgenden morgen toen de zon zoo
helder scheen, en de kerkklokken luidden, en het volk in hun Zondagsche
kleeren doodbedaard het dicht bij de hand liggende voetpad afliep,
toen lag er een pleizierige sabbatsrust over alles, die het gevoel
liefelijk aandeed. Beter zou ze gepast hebben bij een oude kerk,
nog beter bij wat oude graven, maar al werden beide hier gemist,
toch heerschte er over 't geheele tooneel zoo'n aangename kalmte,
dat dit vooral na den rusteloozen oceaan en de drukke stad een dubbel
heilzame werking op de ziel uitoefende.
Den volgenden morgen begaven wij ons, nog altijd per spoor, naar
Springfield. Vandaar naar Hartford, de plaats onzer bestemming, is een
afstand van maar vijf en twintig mijlen, maar zoo slecht waren de wegen
in dat gedeelte des jaars, dat de reis te land ons waarschijnlijk een
uur of twaalf zou geduurd hebben. Daar 't een bijzonder zachte winter
geweest was, zoo lag echter gelukkig de Connecticut "open", of was,
met andere woorden, niet bevroren. De kapitein van een kleine boot zou
zijn eerste vaart van dat seizoen (bij menschengeheugenis het tweede
voorbeeld van een vaart in Februari) af gaan leggen en wachtte alleen
op ons, om aan boord te gaan. Wij gingen dan ook aan boord zoodra we
maar konden. Hij hield zich aan zijn woord en stoomde dadelijk weg.
Ze werd waarlijk niet zonder reden een kleine stoomboot genoemd. Ik
vergat om er naar te vragen, maar ik zou denken, dat het een boot was
van zoo wat een halve-ponny-kracht. Meneer Paap, de beroemde Dwerg,
had gelukkig kunnen wonen en staan in de kajuit, die evenals een gewoon
woonhuis van schuiframen was voorzien. De ramen hadden ook licht door
de gordijnen, die voor de onderste glazen aan slappe koorden hingen,
zoodat de geheele kajuit veel weghad van een lilliputsch koffiehuis,
dat door een hoogen vloed of eenig ander onheil van dien aard vlot was
geraakt en nu, de Hemel mag weten waarheen, lag te drijven. Maar zelfs
in deze kamer was een schommelstoel. Het zou trouwens onmogelijk zijn,
ergens in Amerika te wezen zonder een schommelstoel.
Ik zie er tegen op, te vertellen hoeveel voeten dit schip kort,
en hoeveel voeten het smal was: om nu de woorden lengte en breedte
op zoo'n afmeting toe te passen, zou een soort van zelftegenspraak
zijn. Maar dit kan ik nog constateeren, dat wij allen midden op 't
dek bleven, uit vrees dat de boot eens onverwachts mocht kantelen;
en dat de machine, dank hebbe een verwonderlijk condensatieproces,
juist tusschen 't dek en de kiel werkte, het geheel een warm kadetje
vormende van zoo wat drie voet dik.
Het regende den ganschen dag zooals ik eens dacht, dat het alleen
in de Schotsche Hooglanden kon regenen. De rivier zat vol drijvende
ijsschotsen, die gedurig onder ons knapten en kraakten; en de diepte
van water, waar we doorheen gingen om de groote massa's, die door den
stroom midden naar de rivier gevoerd waren, te vermijden, beliep maar
een duim of wat. Evenwel, we vorderden, we vorderden knapjes; en daar
we ons goed toegestopt hadden, trotseerden wij het weer en hadden
zelfs schik in ons leed. De Connecticut is een mooie rivier; en ik
twijfel niet of 's zomers zijn haar oevers zelfs prachtig. Althans dit
werd me verteld door een jonge dame in de kajuit, en als het bezit van
een eigenschap de eigenschap mede insluit om ze te kunnen waardeeren,
dan moest zij voorzeker bevoegd geacht worden om over schoonheid te
oordeelen, want een mooier schepsel zag ik in mijn leven niet.
Na twee en een half uur op deze origineele manier te hebben gereisd
(met inbegrip hiervan, dat we aan een kleine stad gestopt hadden, waar
we een saluut kregen van een kanon dat veel dikker was dan onze eigen
schoorsteen) kwamen wij te Hartford aan, en begaven ons onmiddellijk
naar een bij uitstek goed ingericht logement, met uitzondering,
oudergewoonte, van de slaapkamers, die op bijna iedere door ons
bezochte plaats erop ingericht waren, om iemand vroeg op te doen staan.
Hier vertoefden wij vier uur. De stad ligt prachtig in een kom
van groene heuvelen; de grond is rijk, boschrijk, en zorgvuldig
onderhouden. Zij is de zetel van de Wetgevende Vergadering van
Connecticut, welke wijze corporatie in vroeger dagen de vernieuwde
editie der zoogenaamde "Blauwe wetten" invoerde, krachtens welke--en
nu noem ik maar een enkel staaltje van haar verlichte bepalingen
op--burger, van wien bewezen kon worden dat hij 's Zondags zijn
vrouw gezoend had, strafbaar was, ik meen, met den stok. Tot op den
huidigen dag is er nog maar al te veel van den ouden puriteinschen
zuurdeesem in deze streek overgebleven, maar, voor zoover ik weet,
heeft dat nog volstrekt niet de uitwerking gehad, dat de bevolking
in haar handel en wandel ietwat menschelijker, ietwat redelijker
geworden is. Daar ik nog nooit van zoo'n gunstige uitwerking elders
gehoord heb, zoo kom ik voor mij tot de gevolgtrekking, dat men ze
ook niet zal beleven voor en aleer de kalveren met sint jutmus op
't ijs dansen. Waarlijk, wat groote uitstalling en uitgestreken
gezichten betreft, is 't mijn gewoonte, om de goederen der andere
wereld vrij wel met denzelfden maatstaf te beoordeelen waarmee ik de
goederen dezer wereld pleeg te beoordelen, en zie ik dan ook zoo'n
schacheraar in dergelijke artikelen zijn waar met ijselijk veel bluf
uitstallen, dan rijst bij mij op staanden voet de twijfel op, of 't
met de qualiteit van de waar daar binnen in wel recht pluis zal wezen.
In Hartford staat de vermaarde eik waar het charter van koning
Karel was verborgen. Hij behoort nu tot den tuin van een heer. In 't
Statenhuis is het charter zelf. Ik vond hier de rechtbanken precies
als in Boston; de openbare inrichtingen bijna evengoed. Het Gesticht
voor Krankzinnigen wordt op bewonderenswaardige wijze beheerd; zoo
ook het Doofstommen-Instituut.
Toen ik zoo door 't Krankzinnigen-Gesticht wandelde, vroeg ik mij
zelven gestadig af, of ik de oppassers wel anders van de patiënten
zou onderscheiden hebben dan door de weinige woorden, die er, met
betrekking tot de onder hun opzicht staande personen, tusschen de
eerstgenoemden en den dokter gewisseld werden. Het spreekt vanzelf,
dat deze opmerking enkel op hun uiterlijk slaat; want de conversatie
van 't gekke volkje was gek genoeg.
Er was een gemaakt oud dametje, die er erg opgeruimd uitzag. Zij schoof
me op zij aan 't einde van een lange gang, en deed me met een buiging
van onuitsprekelijke neerbuigende goedheid deze onverklaarbare vraag:
"Bloeit Pontefract nog, m'nheer, op Engelands bodem?"
"Ja, mevrouw," antwoordde ik.
"Toen u hem 't laatst zag mijnheer, was hij--"
"Wel, mevrouw," zei ik, "buitengewoon wel. Hij verzocht me, u zijn
groete te doen. Ik heb nooit gezien, dat hij er beter uitzag."
Op dit antwoord was de oude dame in de wolken van blijdschap. Nadat
zij mij een oogenblik aangekeken had, als om zich te overtuigen dat
ik meende wat ik zei, week zij een stap of wat achteruit; ging weer
naar voren; maakte op eens een sprong (waarop ik gauw een stap of
twee achteruit trad), en zei:
"Ik ben vóór den zondvloed geboren, m'nheer."
Ik dacht, dat het maar 't best was, te zeggen, dat ik dit van den
beginne af vermoed had. Ik zei haar dit dan ook.
"'t Is wel iets waar je niet weinig grootsch op kunt zijn, m'nheer,
en ook iets heel pleizierigs, vóór den zondvloed geboren te zijn,"
zei de oude dame.
"Dat meen ik ook, mevrouw," antwoordde ik.
De oude dame maakte een kushandje, deed nog een sprong, liep op
de vreemdsoortigste manier glimlachend de galerij af, en trad even
bedaard als gracieus haar eigen slaapkamer binnen.
In een ander gedeelte van 't gebouw lag een mannelijk patiënt te bed,
die er zeer bezweet en verhit uitzag.
"Wel!" zei hij en meteen sprong hij overeind en trok zijn slaapmuts
af. "Ten laatste is dan alles in orde. Met koningin Victoria heb ik
de zaak geschikt."
"Wat geschikt?" vroeg de dokter.
"Wat? Wel die zaak"--en hier streek hij met zijn hand over zijn
voorhoofd alsof hij vermoeid was--"die zaak over 't beleg van
New-York."
"Zoo, zoo!" zei ik als iemand voor wien plotseling een licht
opgaat. Want hij verwachtte van mij een antwoord. Dat merkte ik aan
de wijze waarop hij me aankeek.
"Ja, op ieder huis zonder teeken zullen de Britsche troepen
schieten. Aan de andere zal geen letsel gedaan worden. Zij, die veilig
wenschen te zijn, moeten vlaggen ophijschen. Dat's al wat ze te doen
hebben. Zij moeten vlaggen ophijschen."
Onder 't spreken scheen hij, naar 't mij voorkwam, er zelf een flauw
denkbeeld van te hebben, dat hij eigenlijk wartaal uitkraamde. Zoodra
hij deze woorden gezegd had, ging hij weer liggen, maakte een geluid
dat iets van gekreun weghad en trok de lakens over zijn heet hoofd.
Er was er nog een: een jonkman, die krankzinnig was geworden
door verliefdheid en hartstocht voor de muziek. Nadat hij op den
accordeon een door hem zelven gecomponeerden marsch gespeeld had,
gaf hij onstuimig zijn verlangen te kennen, dat ik bij hem op zijn
kamer zou komen, wat ik onmiddellijk deed.
Ik deed nu precies of ik er al alles van wist, schikte me naar zijn
bijzondere neigingen, en liep zoo naar 't raam toe, waar men een
prachtig uitzicht had, terwijl ik met een à plomp, waar ik mij zelven
niet weinig op voor liet staan, de opmerking maakte:
"Wat 'n liefelijke streek heeft u hier om u heen."
"Bah!" zei hij en meteen streek hij onachtzaam over de tonen van zijn
instrument: "Voor zoo'n gesticht als dit, is 't mooi genoeg!"
Ik geloof niet, dat ik ooit in mijn leven zoo beteuterd heb staan
te kijken.
"'t Is maar voor de aardigheid, dat ik hier ben," zei hij
koeltjes. "Dat's alles."
"Zoo! Is dat alles!" zei ik.
"Ja. Dat's alles. De dokter is 'n goeie kerel. Hij merkt 't wel,
dat 't maar 'n grap van me is. Voor 'n enkelen keer hou 'k wel van
zoo'n aardigheid. Je hoeft 't niet over te babbelen, maar aanstaanden
Donderdag denk ik weer heen te gaan."
Ik verzekerde hem, dat er van ons gesprek, als van geheel
vertrouwelijken aard, geen woord uit zou lekken, en zocht daarna
den dokter weer op. Zooals wij een galerij doorgingen kwamen wij een
netgekleede dame van hoogst beschaafde manieren tegen, die mij een
reepje papier en pen aanbood, en mij verzocht, daar iets eigenhandig
op te schrijven.
Ik voldeed aan haar verzoek, en we gingen verder.
"Bedrieg ik me niet, dan heb ik buiten deze muren meermalen zulke
gesprekken gehad met dames. Deze dame is toch niet krankzinnig,
wil ik hopen?"
"Ze is gek."
"Op wat voor punt? Wil ze van iedereen eigenhandig schrift hebben?"
"Neen. Ze hoort stemmen in de lucht."
"Zoo, zoo!" dacht ik, "'t zou niet kwaad wezen, als we een stuk of
wat hedendaagsche profeten, die aan 't zelfde euvel mank gaan, ook
opsloten; en ik zou er niets tegen hebben, als we, om te beginnen,
de proef eens namen op een paar Mormonen."
In dèze plaats vindt men de beste gevangenis ter wereld voor dezulken,
die preventief gevangen zitten. Ook is er een zeer goed ingerichte
Staatsgevangenis, die op dezelfde leest geschoeid is als de gevangenis
te Boston, met dit onderscheid, dat hier altijd een soldaat op
schildwacht staat met een geladen geweer. Toen ter tijd waren er
ongeveer tweehonderd gevangenen in. Er werd me in de slaapzaal een
plek aangewezen, waar eenige jaren geleden een oppasser vermoord was
geworden in 't holle van den nacht door een gevangene die uit zijn
cel was gebroken en daarna een wanhopige poging had gewaagd om te
ontsnappen. Ook wees men mij een vrouw aan, die haar man vermoord
had en nu al zestien jaar moederziel alleen gezeten had.
"Wat dunkt u?" vroeg ik mijn geleider, "zou die vrouw, die nu al zoo
lang gezeten heeft, nog altijd hoop koesteren, dat ze eenmaal weer
op vrije voeten zal komen?"
"Wel wis en zeker," antwoordde hij.
"Maar ik veronderstel, dat ze geen kans heeft, om haar vrijheid terug
te krijgen, niet waar?"
"Ja, dat weet ik niet. Haar vrienden wantrouwen haar."
"Wat hebben die daarmee te maken?" vroeg ik natuurlijk.
"Wel, zij willen geen request voor haar indienen."
"Maar als ze 't nu eens deden, me dunkt, dan kreeg zij nog geen
gratie?"
"In den eersten tijd misschien niet; ook niet bij een tweede request;
maar een aanhouder wint; door dus telkens en telkens op 't zelfde
aanbeeld te kloppen, zouden ze na verloop van jaren hun zin wel
krijgen."
"Gebeurt dat hier meer?"
"Ja, meer dan eens. Staatkundige vrienden zullen 't soms doen; ze doen
't zelfs dikwijls, langs den een of anderen weg."
Aan Hartford zal ik steeds met groot genoegen en dankbaarheid blijven
denken. Het is waarlijk een allerliefste plaats, en ik had er tal van
vrienden, die ik mij nooit met onverschilligheid kan herinneren. In
alles behalve opgeruimde stemming verlieten we dan ook deze stad op
den avond van Vrijdag den 11den, en reisden dien nacht per spoor naar
New Haven. Onderweg werden de conducteur en ik formeel bij elkaar
geïntroduceerd (gelijk zulks bij dergelijke gelegenheden placht
te geschieden), waarna we met elkaar over koetjes en kalfjes gingen
spreken. Na een reis van drie uur bereikten we New Haven tegen achten,
en brachten den nacht in 't beste logement door.
New Haven, ook onder den naam van City of Elms (stad der Olmboomen)
bekend, is een mooie stad. Verscheiden van haar straten zijn (zooals
haar alias genoegzaam te kennen geeft) met rijen groote oude olmen
beplant; en dat zelfde sieraad der natuur omringt Yale College,
een inrichting van 't uiterste gewicht en groote vermaardheid. De
verschillende afdeelingen dezer inrichting zijn in een soort van park
midden in de stad opgericht, waar zij onder de lommerrijke boomen maar
flauw zichtbaar zijn. Het effect staat vrij wel gelijk met het plein
eener oude hoofdkerk in Engeland; en als de boomen, vol in blad staan,
dan kan 't niet anders of dit moet een allerschilderachtigst gezicht
opleveren. Zelfs 's winters bieden deze groepen van goed uitgegroeide
boomen onder de drukke straten en huizen eener bedrijvige stad een
allerkeurigst gezicht aan. Het heeft er toch wel iets van weg, alsof ze
een soort van compromis tusschen stad en land tot stand brengen, door
elkander halverwege te gemoet te gaan en daarna de hand te schudden,
iets wat èn nieuw èn pleizierig is.
Na een nacht te hebben uitgerust, stonden we vroeg op en gingen
bijtijds naar de werf, en aan boord van de packet New-York, naar
New-York. Dit was de eerste Amerikaansche stoomboot van eenigen
omvang, die ik gezien had; en toch geleek ze in een Engelsch oog nog
oneindig minder op een stoomboot dan een groot drijvend bad. Het kwam
mij inderdaad voor, alsof de badinrichting van Westminster Bridge,
die ik verliet, toen ik nog niet recht droog achter de ooren was,
op eens tot een colossalen omvang uitgedijd was; dat ze van huis
weggeloopen was en 't in den vreemde tot een stoomboot had weten te
brengen. Hier in Amerika, waar onze doordraaiers het zoo bijster op
begrepen hebben, kwam mij zoo iets des te waarschijnlijker voor.
Wat het uiterlijk betreft, is het groote verschil tusschen deze
packets en de onze dit, dat zij zoo hoog boven water liggen. Zoo is
het hoofddek rondom besloten en vol vaten en goederen, gelijk een
tweede of derde verdieping in een pakhuis, terwijl het wandeldek er
boven ligt. Een gedeelte der machinerie is altijd boven dit dek,
waar men de verbindingsstang in een sterk en hoog raam kan zien
werken gelijk een zaag in een houtzaagmolen. Zelden is daar iets
dat op een mast of takelage gelijkt: niets anders dan twee groote
zwarte schoorsteenen. De man, die aan 't roer staat, is opgesloten
in een klein huisje aan 't vooreinde der boot (men moet weten, dat
het rad door middel van ijzeren kettingen met het roer verbonden is,
die langs de geheele lengte van 't dek werkt); en gewoonlijk houden
de passagiers zich beneden op, tenzij het weer al heel uitlokkelijk
mocht zijn. Zoodra gij de werf achter den rug hebt, houdt alle drukte
en bereddering op een packet op. Verwonderd vraagt gij u zelven af,
hoe ze toch vooruitgaat, want 't schijnt wel dat niemand zich met haar
bemoeit; en komt een andere logge machine u voorbijspatten, dan voelt
ge u niet weinig verontwaardigd over de nabijheid van zoo'n somberen,
wanstaltigen, op alles behalve op een schip gelijkenden leviathan,
ten eenenmale over 't hoofd ziende, dat het schip, waar gij aan boord
zijt, er gerust een broertje van kon wezen.
Er is altijd een boekhouderskantoortje op 't tweede dek, waar ge
uw vracht betaalt; een dameskajuit; bagagekamers; een kamer van den
machinist; om kort te gaan, 't is een echte warboel, die 't iemand
nogal moeielijk maakt, om de heerenkajuit te vinden. Deze kajuit
beslaat dikwijls de geheele lengte der boot (gelijk ook ditmaal het
geval was) en heeft drie of vier rijen kooien aan weerszijden. Toen ik
voor 't eerst in de kajuit van de New-York kwam, geleek ze in mijne
oogen, die aan zoo iets ongewoon waren, zoo lang als de Burlington
Arcade.
De zeeëngte, die men op deze reis moet oversteken, levert een alles
behalve veiligen of pleizierigen tocht op, en is het tooneel van
menig ongeval geweest. Het was een natte morgen, en zeer mistig,
en wij verloren spoedig het land uit het oog. Over dag hield
het evenwel op met regenen, en tegen den middag klaarde het weer
geheel en al op. Na met behulp van een vriend de provisiekamer en
de bergplaats van 't gebottelde bier terdege te hebben aangesproken,
ging ik naar bed, daar de beslommeringen van gisteren me erg vermoeid
hadden. Maar bijtijds werd ik wakker en repte me om de Hellepoort,
den Zwijnenrug, de Braadpan en andere beruchte plekken te zien, die
voor al de lezers van Diedrich Knickerbocker's vermaarde geschiedenis
zooveel aantrekkelijks hebben. Nu bevonden wij ons in een nauwe vaart
met schuin loopende oevers aan weerskanten, die als bezaaid waren
met keurige villa's, en het gezicht liefelijk aandeden door hun gras
en boomen. Fiks doorstoomende, passeerden we een vuurtoren en een
gekkenhuis (waarvan de ongelukkige bewoners met hun petten zwaaiden
en een leven maakten, als wilden zij het geraas der machines en het
geklots der golven overschreeuwen); daarna voeren we een gevangenis en
andere gebouwen voorbij; en zoo kwamen we eindelijk in een fraaie baai
waarvan het water, door een nu geheel en al onbewolkte zon beschenen,
omhoog spatte gelijk de hemelwaarts gekeerde oogen der Natuur.
Zoo lagen er dan voor ons aan onze rechterhand verwarde hoopen
gebouwen, met hier en daar een spits of toren, die als 't ware op
de kudde daar beneden neerzag; en weer hier en daar een rookwolk die
traag naar boven ging; en op den voorgrond een bosch van scheepsmasten
met vroolijk klapperende zeilen en wapperende vlaggen. Uit hun midden
stormden veerbooten naar den overkant, die beladen waren met menschen,
paarden, wagens, manden en kisten. Andere veerbooten kruisten er
doorheen, kortom alles was in beweging, alles was in de weer. Als
wezens eener hooger orde en die minachtend neerzagen op de nietige
reizen van die anderen, bewogen zich met eene majestueuse bedaardheid
een stuk of drie groote schepen statig onder de rustelooze insecten,
koers zettende naar den grooten oceaan. Eindelijk zag men glinsterende
hoogten en eilanden op de schitterende rivier, en een gezichteinder
nauwelijks minder blauw en helder dan de lucht die hij tegen scheen
te komen. Het stadsrumoer, het klinken van kaapstanders, het gelui
van klokken, het blaffen van honden, het geratel van wielen, dat
alles klonk ons in 't oor. Al dat leven, al dat geraas, dat zich
vermengde met het eigenaardig geluid van 't water, kreeg om zoo te
zeggen nieuw leven, nieuwe geestkracht van dit vrijwillig samenzijn,
en zoo gleed ons schip over de schuimende en spattende golven heen
en bereikte eindelijk de woelige haven, om daar anderen te verwelkomen.
VI.
NEW-YORK.
De prachtige hoofdstad van Amerika is in de verte niet zoo zindelijk
als Boston, maar vele van haar straten onderscheiden zich door dezelfde
eigenaardigheid; behalve dat de huizen niet zoo frisch van kleuren
zijn, de uithangborden niet zoo opzichtig, de vergulde letters niet zoo
zwaar verguld, de baksteen niet zoo rood, de gehouwen steen niet zoo
wit, de blinden en leuningen niet zoo groen, de knoppen en plaatjes aan
de straatdeuren niet zoo helder en zoo blinkend. Er zijn verscheidene
achterstraten die bijna even neutraal zijn in heldere kleuren en
positief in vuile kleuren, als dit met achterstraten in Londen het
geval is; en er is één wijk, gewoonlijk de Vijf Punten genoemd, die,
wat vuiligheid en armzaligheid betreft, gerust vergeleken kan worden
met Seven Dials of eenig ander gedeelte van 't beruchte St. Giles.