wereld de tafel dekken zonder een grooten glazen schotel bramen
midden op tafel te zetten; en het ontbijt zou geen ontbijt geweest
zijn tenzij de voornaamste schotel een homp ossevleesch ware met een
groot plat been in 't midden, zwemmende in heete boter en bestrooid
met de allerzwartste peper die er met mogelijkheid te krijgen is. Onze
slaapkamer was ruim en luchtig, maar (gelijk iedere slaapkamer aan
dezen kant van den Atlantischen Oceaan) armzalig gestoffeerd; zelfs om
't ledekant noch voor de ramen hangen er gordijnen. Ze had evenwel
één buitengewone weelde in den vorm van een geschilderde houten
kleerenkast, iets kleiner dan een Engelsche staanklok; of bijaldien
deze vergelijking onvoldoende mocht zijn om den lezer een juist
denkbeeld van haar afmetingen te geven, dan zal men dienaangaande
eenigszins beter op de hoogte komen, als ik zeg, dat ik veertien
dagen en veertien nachten in 't vaste geloof verkeerd heb, dat die
kast een stortbad was.
VI.
LOWELL.
EEN AMERIKAANSCHE SPOORWEG. LOWELL EN ZIJN FABRIEKEN.
Alvorens Boston te verlaten, wijdde ik één dag aan een uitstapje naar
Lowell. Voor dit bezoek bestem ik een afzonderlijk hoofdstuk, niet om
dat ik van plan ben, het in al zijn bijzonderheden te beschrijven,
maar omdat ik 't mij herinner als iets dat op zichzelf staat, en
niets minder begeer dan dat mijn lezers 't zelfde zullen doen.
Bij deze gelegenheid maakte ik voor 't eerst kennis met een
Amerikaanschen spoorweg. Daar deze werken in alle staten vrij wel op
elkaar gelijken, zoo laten zich hun algemeene kenmerken gemakkelijk
beschrijven.
Er zijn wagens eerste en tweede klasse zooals bij ons; maar er is
een heeren-waggon en een dames-waggon: het eenige verschil is, dat in
den eersten wagen iedereen rookt en in den tweeden niemand. Daar een
zwarte nooit met een blanke reist, zoo is er ook een neger-waggon, een
bakbeestachtige kast in den trant bij voorbeeld als waarmee Gulliver
uit het koninkrijk Brobdignac in zee stak. De trein onderscheidt zich
verder door veel gehots, veel gedruisch, veel paneelen, niet al te
veel ramen, een locomotief, een gillend gefluit en een bengel.
De waggons gelijken op gemeene omnibussen, maar zijn grooter: dertig,
veertig, vijftig menschen gaan er in. In plaats dat de zitplaatsen
van 't eene eind naar 't andere loopen, zijn ze kruiselings
aangebracht. Aan weerszijden is er zoo'n lange rij, met een nauwen
doorloop in 't midden en aan beide einden een portier. Midden in den
wagen staat gewoonlijk een kachel, die, met houtskool of anthraciet
gestookt, meestentijds gloeiend is. De wagen is zoo potdicht, dat het
niet is om uit te houden, en tusschen u zelven en het een of andere
voorwerp waar ge toevallig naar kijkt, ziet ge de heete lucht tintelen
of het de geest van den rook was.
In den dames-waggon bevinden zich tal van heeren, die dames bij zich
hebben. Er zijn ook tal van dames, die niemand bij zich hebben:
want laat een dame alleen reizen van 't eene eind der Vereenigde
Staten naar 't andere, ze kan er zeker van zijn, dat ze overal met
de meeste hoffelijkheid en onderscheiding zal behandeld worden. De
conducteur of hij die de kaartjes ophaalt, of oppasser of wat hij
ook moge zijn, draagt geen uniform. Hij loopt den wagen op en neer,
in en uit, al naar 't hem invalt; leunt tegen de deur met zijn handen
in zijn zakken en gaapt u aan als ge bijgeval een vreemdeling zijt,
of knoopt met de passagiers om hem heen een gesprek aan. Tal van
nieuwsbladen worden voor den dag gehaald, waarvan echter maar weinige
gelezen worden. Iedereen spreekt met u, of met dezen en genen, al naar
't hem in zijn hoofd komt. Zijt ge een Engelschman, dan verwacht hij,
dat die spoorweg erg gelijkt op een Engelschen spoorweg. Zegt gij:
"neen," dan zegt hij (vragenderwijs); "ja!" en vraagt in wat voor
opzicht ze dan verschillen. Een voor een telt ge de voornaamste punten
van verschil op, en bij ieder punt zegt hij (altijd vragenderwijs):
"ja?" Dan spreekt hij zijn vermoeden uit, dat ge in Engeland niet
gauw reist, en op uw antwoord dat dit wèl het geval is, zegt hij
alweer (en altijd vragenderwijs): "Ja?" en, men kan 't hem aanzien,
gelooft u niet. Na een lange pauseering maakt hij gedeeltelijk tot
u en gedeeltelijk tot "den knop van zijn wandelstok de opmerking,
dat ook Yankees voor een voortvarend volk doorgaan;" waarop gij "ja"
zegt en hij (maar ditmaal bevestigenderwijs) insgelijks "ja" zegt,
en als ge dan het raampje uitkijkt, vertelt hij u, dat er achter dien
heuvel en een mijl of drie van 't volgende station een net stadje
is, waarvan de ligging allerliefst is, meteen zijn verwachting te
kennen gevende, dat ge wel van plan zult zijn, daar op te houden. Het
ontkennend antwoord geeft natuurlijk aanleiding tot meer vragen met
betrekking tot uw voorgenomen route (welk woord de Yankee niet roet
maar altijd raut uitspreekt); en waar ge ook naar toe moogt gaan,
altijd en eeuwig wordt u aan 't verstand gebracht, dat ge zonder
onmetelijke moeielijkheid en gevaar daar nooit kunt komen, en al de
grootsche gezichten overal behalve daar zijn.
Krijgt een dame zin in de zitplaats van den een of anderen mannelijken
passagier, dan brengt de heer, die haar vergezelt, hem daarvan in
kennis, waarop hij onmiddellijk en heel beleefd opstaat. De politiek
wordt druk besproken, insgelijks de banken en 't katoen. Bedaarde lui
vermijden de quaestie van 't Presidentschap, want over vier d'half jaar
zal er een nieuwe verkiezing plaats vinden en men is al druk in de
weer om zijn gevoelen omtrent deze of gene partij lucht te geven. De
groote constitutioneele eigenaardigheid dezer instelling bestaat toch
hierin, dat zoodra de heftige strijd van de laatste verkiezing achter
den rug is, de heftige strijd voor de volgende begint; iets wat een
onuitsprekelijke troost voor alle mannetjes van gewicht onder de
staatkundige en echte patriotten is: dat is te zeggen voor negen en
negentig mannen en jongens van iedere negen en negentig en een kwart.
Behalve daar waar een zijtak zich bij den hoofdweg aansluit, is er
zelden meer dan één spoor, zoodat de weg erg smal is, en 't uitzicht,
overal waar een diepe overloop is, alles behalve uitgestrekt; waar
zoo'n overloop niet is, ziet het tooneel er altijd op een en dezelfde
wijze uit. Mijlen achtereen in hun groei belemmerde boomen; sommige
door de bijl geveld, sommige door den wind omvergeworpen, sommige half
gevallen en leunende op hun buren, verscheidene waarvan de stronken
alleen zijn blijven staan, die halverwege in 't moeras zijn verborgen,
andere tot sponsachtige snippers vermolmd. Tot zelfs de grond
bestaat er uit zulke brokstukken; iedere poel van stilstaand water
heeft zijn korst van verrot hout; aan iederen kant zijn de takken en
stammen en stronken van boomen, in iedere mogelijke phase van verval,
ontbinding en verwaarloozing. Nu eens komt ge voor een minuut of wat
in een open streek voor den dag, waar ge 't een of andere heldere
meer of poel ziet glinsteren. zoo groot als menige Engelsche rivier,
maar zoo klein hier, dat het bijna geen naam heeft; dan weer snapt
ge een vluchtig gezicht van een naburige stad, met haar heldere witte
huizen en koele piazza's, haar stijve kerk en school, altemaal in Nieuw
Engelands trant, daar... wir-r-r-r! bijna voordat gij ze gezien hebt,
komt hetzelfde donkere scherm: die in hun groei belemmerde boomen,
de stronken, de stammen, het stilstaande water--alles zoo precies
gelijkende op 't laatste tooneel, dat ge gezien hebt, dat ge zoudt
denken als met een tooverslag verplaatst te zijn.
De trein houdt op in de bosschen, waar de onmogelijkheid, dat iemand
de geringste reden zou hebben om uit te stappen, alleen geëvenaard
kan worden door de kennelijk wanhopige hopeloosheid dat daar iemand
zou zijn om in te stappen. Hij stuift door den slagboom heen den weg
over, waar men noch poort, noch politieagent, noch signaal vindt;
niets dan een ruwe houten plank waar deze letters op geschilderd zijn:
"ALS DE BENGEL LUIDT, KIJK DAN UIT NAAR DE LOCOMOTIEF." En alweer
snort hij hals over kop voort, alweer duikt hij door de bosschen,
ziet het daglicht, ratelt over de onsterke bogen heen, rommelt over
den zwaren grond, vliegt onder een houten brug door, die het licht
in een ommezien voor een seconde onderschept, maakt plotseling al
de sluimerende echo's in de hoofdstraat eener groote stad wakker, en
stuift op de "bonnefooi" door elkaar, er op of er onder, tot midden
op den weg voort. Daar--terwijl fabrieken aan den gang zijn en lieden
tegen hun deuren en ramen leunen, en jongens vliegers oplaten en
knikkeren, en mannen rooken, en vrouwen babbelen, kinderen kruipen
en varkens aan 't wroeten zijn, en ongewone paarden achteruitslaan
en steigeren, dicht in de nabijheid der rails--daar--on, on, on--daar
raast de dolle draak van een locomotief met zijn trein van wagens met
een stortbui van vonken om hem heen; gillende, sissende, krijschende,
hijgende; totdat het dorstig monster onder een overdekten weg stopt
om te drinken, het volk er zich omheen verzamelt, en ge tijd hebt om
weer adem te halen.
Aan 't station te Lowell werd ik opgewacht door een heer, die
volkomen op de hoogte was van 't fabriekwezen daar ter plaatse, en
mij met genoegen aan zijn geleide overgevende, ging ik dadelijk die
wijk der stad opzoeken, waar de fabrieken, het doel van mijn bezoek,
stonden. Alhoewel van jonge dagteekening--want bedriegt mijn geheugen
me niet, dan is 't een fabrieksstad die nog maar een en twintig jaar
oud is--is Lowell een groote, volkrijke en welvarende plaats. Die
aanwijzingen van haar jeugd, die eerst iets aantrekkelijks voor 't
oog hebben, zetten er echter op den duur iets gemaakts, iets vreemds,
aan bij, dat voor een bezoeker uit oude streken nogal een grappigen
indruk maakt. Het was een allersmerigste winterdag, en niets in
de geheele stad zag er in mijn oog oud uit, behalve de modder, die
op sommige plaatsen een knie hoog lag, dat men onwillekeurig in de
verzoeking kwam om aan te nemen, dat ze daar gelegen had sinds de
wateren van den Zondvloed tot hun gewone peil gezakt waren. Hier zag
men een nieuwe houten kerk, die, daar ze geen toren had en nog niet
geschilderd was, er uitzag als een monsterachtige pakkist zonder adres
er op. Daar zag men een groot hotel, waarvan de muren en collonades
zoo licht en dicht waren, dat het er precies uitzag alsof het van
speelkaarten was gebouwd. Toen we dat gebouw voorbijgingen, zorgde
ik er voor, mijn adem in te houden, en begon ik te trillen toen
ik een werkman op het dak zag komen, uit vrees dat hij, mocht hij
onattent genoeg zijn wat hard met zijn voet te stampen, het geheele
gebouw in elkaar zou kunnen trappen, dat het krakend naar beneden
viel. Zelfs de rivier, die de machines in de fabrieken in beweging
brengt (want bij allen is water de beweegkracht) schijnt een nieuw
aanzien te krijgen van de frissche gebouwen van helder rooden steen
en geverfd hout, waartusschen zij heenloopt, en in haar gemurmel
en geklots zoo'n lichtzinnige, onbedachtzame en dartele rivier te
zijn als men met mogelijkheid zou kunnen begeeren. Men zou zweren,
dat elke "bakkerij," "kruidenierswinkel" en "boekbinderij" en andere
soortgelijke magazijnen gisteren voor 't eerst de affaire begonnen
hadden. De vergulde vijzels en stampers, die op de lijsten der
zonneblinden buiten de drogistwinkels bij wijze van uithangbord
vastgemaakt waren, zagen er uit alsof ze zoo even de Munt der
Vereenigde Staten verlaten hadden; en toen ik een zuigeling van een
paar weken in de armen van een vrouw om den hoek eener straat zag,
vroeg ik mij zelven met onwillekeurige verwondering af waar het kind
vandaan kwam, daar ik zelfs geen oogenblik veronderstelde, dat het
in zoo'n jonge stad als Lowell kon geboren zijn.
Er zijn tal van fabrieken in Lowell, die allen tot datgene behooren wat
wij een Vennootschap zouden noemen, maar in Amerika een Corporatie
genoemd wordt. Verscheidene daarvan bezocht ik, bij voorbeeld
een wolspinnerij, een tapijtfabriek en een katoenfabriek; nam ze
nauwkeurig op, en zag ze zooals ze op een gewonen werkdag er altijd
uitzien. Laat mij er bijvoegen, dat ik ook goed bekend ben met onze
fabriekssteden in Engeland, en verscheiden fabrieken in Manchester
en elders op dezelfde wijze bezocht heb.
Toevallig kwam ik aan de eerste fabriek juist toen 't etensuur om
was en de meisjes weer aan 't werk gingen; de trap wemelde er dan
ook van toen ik naar boven ging. Zij waren goed gekleed, maar naar
mijn gevoelen niet boven haar stand, want ik voor mij zie graag,
dat de lagere klassen der maatschappij netjes voor den dag komen,
ja zelfs dat ze, voor zooverre dit onder 't bereik hunner beperkte
geldmiddelen valt, zich een beetje opschikken. Altijd aannemende,
dat dit binnen behoorlijke perken zal blijven, zou ik in ieder
persoon, dien ik in mijn dienst nam, deze soort van trots als een
niet onwaardig element van achting voor zich zelf zooveel mogelijk
aanmoedigen, en al mocht nu de een of andere ondeugende vrouw haar
val aan pronkzucht toeschrijven, ik zou me daarvan evenmin af laten
brengen, als dat ik mijn gevoelen van de wezenlijke nuttige strekking
van den Sabbat op zou geven, omdat de nogal twijfelachtige autoriteit
van een moordenaar in Newgate de goedgezinden op dat punt aan 't
twijfelen trachtte te brengen door te doen opmerken, dat hij juist
op dien dag zijn slechtste streken uitgevoerd had.
Zooals gezegd, waren deze meisjes allen behoorlijk gekleed; daar
ligt natuurlijk in opgesloten dat ze de zindelijkheid in eigen
persoon waren. Zij hadden doelmatige hoeden, goede warme mantels en
omslagdoeken, en waren niet te trotsch om met slecht weer overschoenen
of klompen aan te trekken. Daarenboven waren er plaatsen in de
fabriek waar ze haar kleeren gerust neer konden leggen; ook bestond
er gelegenheid om zich te wasschen. Zij zagen er gezond uit, sommigen
zelfs zóó, dat het in 't oog liep; terwijl ze, wat manieren en houding
betreft, niet op stomme lastdieren maar op fatsoenlijke jonge vrouwen
geleken. Had ik in een van die fabrieken het lispendste, in spraak
en houding geaffecteerdste en bespottelijkste schepseltje gezien, dat
ik mij met mogelijkheid voor kon stellen (maar ik heb 't niet gezien,
ofschoon ik met een scherp oog naar zoo'n exemplaartje uitkeek), dan
zou ik gedacht hebben om dat andere uiterste (dat ik wèl gezien heb),
om de zorgelooze, droomerige, vuile slons, en.... met pleizier zou
ik naar dat eerste specimen gekeken hebben.
De kamers, waar zij in werkten, waren even goed onderhouden als zij
zelven. In de ramen van sommigen stonden groene planten, zoo kreeg
men wat schaduw: terwijl in alle kamers zooveel frissche lucht,
zindelijkheid en gemak werd aangetroffen als de plaats zelve en de
aard harer bezigheden maar eenigszins toeliet. Het vermoeden ligt
natuurlijk voor de hand, dat er onder zooveel vrouwelijke personen,
waarvan verscheidene zelfs volwassen waren, sommige er teer en min
uitzagen,--nu, dat was dan ook werkelijk het geval. Maar plechtig
verklaar ik, dat ik in de groote massa, die ik dien dag in de
verschillende werkplaatsen zag, mij geen enkel gezicht kan herinneren,
dat een pijnlijken indruk op me maakte; geen enkel meisje, dat,
gedoemd om door handenarbeid aan den kost te komen, ik, bijaldien ik
daartoe de macht had gehad, daar vandaan gehaald en in een anderen
werkkring zou gebracht hebben.
Zij wonen in verschillende kosthuizen, die dicht bij de hand
zijn. De eigenaars der fabrieken dragen er terdege zorg voor,
dat zij geen personen toelaten, om deze huizen in bezit te nemen,
wier karakters niet vooraf het nauwlettendst en volkomenst onderzoek
hebben ondergaan. Iedere klacht, die door de kostgangsters of door
iemand anders tegen hen ingeleverd wordt, wordt behoorlijk onderzocht;
en bijaldien de aanklacht gegrond wordt bevonden, worden zij afgezet
en hun plaats aan waardiger personen toevertrouwd. In deze fabrieken
gebruikt men eenige kinderen, maar niet veel. De wetten van den
Staat verbieden, dat ze langer dan negen maanden per jaar werken,
en vorderen, dat zij gedurende de drie overige behoorlijk onderwijs
krijgen. Te dien einde zijn er scholen te Lowell; ook zijn er kerken
en kapellen van allerlei gezindten, waar de jonge vrouwen dien vorm van
godsdienst uit kunnen oefenen, waarin ze groot zijn gebracht geworden.
Op eenigen afstand van de fabrieken, en op den hoogsten en
aangenaamsten grond in de buurt, staat hun hospitaal of kosthuis voor
de zieken: het is het beste huis in die streek, en dat een vermogend
koopman daar voor zijn eigen verblijf had laten zetten. Evenals
die inrichting te Boston, die ik vroeger beschreven heb, is ook dit
huis niet in zalen verdeeld, maar in nette kamers, die allen zonder
onderscheid al die gemakken opleveren, welke men in een fatsoenlijk
burgerhuis aantreft. De eerste geneesheer woont onder 't zelfde dak,
en waren de patiënten leden zijner eigen familie, ze konden niet
zorgvuldiger, niet kiescher, kortom niet beter verpleegd worden. Elke
vrouwelijke patiënt, die in deze inrichting wordt opgenomen, moet
wekelijks drie dollars betalen, maar geen een meisje, dat in dienst is
van een dezer corporatiën, wordt ooit afgewezen omdat ze deze kosten
niet bestrijden kan. Dat het waarlijk niet heel dikwijls voorvalt,
dat zij deze kosten uit eigen middelen niet kunnen bestrijden, kan
hieruit worden afgeleid, dat in Juli 1841 niet minder dan negenhonderd
zeven en tachtig van deze meisjes geld belegd hadden in de spaarbank
van Lowell, ten gezamenlijke bedrage van honderdduizend dollars.
Ik zal nu drie feiten vermelden, waarover een groote klasse van lezers
aan deze zij van den Atlantischen Oceaan niet weinig vreemd zal staan
op te kijken.
Ten eerste: in zeer veel kosthuizen vindt men een piano tot
gemeenschappelijk gebruik. Ten tweede: bijna al die jonge meisjes
behooren tot een leesgezelschap. Ten derde: ze hebben onder elkaar
een tijdschrift opgericht onder den naam van THE LOWELL OFFERING (De
offerande van Lowell): "Een verzameling van oorspronkelijke stukken,
uitsluitend geschreven door vrouwelijke personen die op de fabrieken
werkzaam zijn."--Van dit tijdschrift, dat behoorlijk gedrukt,
uitgegeven en verkocht wordt, heb ik vierhonderd fiks geschreven
bladzijden mee naar huis gebracht, die ik van 't begin tot 't einde
gelezen heb.
Al die lezers of lezeressen nu, waar ik zoo even op zinspeelde, zullen
in hun verbazing over deze feiten als uit één mond uitroepen: "Maar dat
's toch al te gek om los te loopen!" En als ik dan, heel onderdanig
natuurlijk, hun de vraag voorleg: Waarom? dan staan zij al klaar met
hun antwoord: "Wel, al die dingen zijn boven haar stand." In antwoord
op welke tegenwerping ik wel eens zou willen vragen wat haar stand is.
Het is haar stand om te werken. Welnu, dat doen zij ook: Zij
werken. Zij werken in deze fabrieken gemiddeld twaalf uur per
dag; me dunkt, dat kan men toch wel werken noemen, en fiks werken
ook. Misschien is 't boven haar stand, zich met zulke uitspanningen in
te laten, onverschillig op welke voorwaarde. Zijn ze wel zeker, dat
wij in Engeland niet onze denkbeelden gevormd hebben van den "stand"
van 't werkvolk, door er ons aan gewend te hebben om die klasse te
beschouwen zooals ze zijn, en niet zooals ze behoorde te wezen? Ik
voor mij geloof, dat, indien wij onze eigen gevoelens raadplegen, wij
bevinden zullen, dat de piano's en de leesgezelschappen, ja zelfs het
Tijdschrift ons door hun nieuwheid een gat in de lucht doen slaan,
door hun nieuwheid, zeg ik, en niet omdat het hier de afgetrokken
quaestie geldt, of al dergelijke dingen goed zijn of verkeerd.
Als men de bezigheid van heden met pleizier heeft afgedaan en die
van morgen met pleizier te gemoet ziet, dan ken ik voor mij geen
stand, waar al soortgelijke uitspanningen niet uit den aard der
zaak beschavend moeten werken en bijgevolg eer goed- dan afkeuring
verdienen. Ik toch ken ik geen stand, die duurzamer zou zijn voor den
persoon die er toe behoort, en veiliger voor den persoon die er buiten
staat, omdat de onwetendheid er vanzelve aan verbonden is. Ook ken
ik geen stand, die het recht heeft om de middelen van wederkeerige
opvoeding, beschaving en behoorlijke uitspanning te monopoliseeren,
of die ooit op den duur in stand gebleven is bijaldien hij zich dat
recht werkelijk aanmatigde.
Wat de verdiensten van 't zoo even vermelde tijdschrift als
letterkundig product betreft, wil ik alleen doen opmerken, dat men
't gerust naast tal van soortgelijke Engelsche tijdschriften mag
leggen; dan laat ik nog geheel en al het feit buiten aanmerking,
dat de artikels door deze meisjes zijn geschreven geworden na de
vermoeiende bezigheden van den dag. 't Is aardig als men merkt,
dat verscheidene van de Vertellingen in 't bewuste Tijdschrift op
de fabrieken betrekking hebben en op haar, die daar werkzaam zijn;
dat ze den lezer aansporen tot zelfverloochening en tevredenheid,
en goede beginselen van alzijdige menschenmin verspreiden. Een diep
gevoel voor de schoonheden der natuur, zooals die ten toon gespreid
worden in de eenzaamheden die de schrijfsters thuis achtergelaten
hebben, ademt door al zijn bladen evenals de gezonde dorpslucht; en
ofschoon een leesgezelschap een gunstige school is voor de studie
van zulke koffiepraatjes, vindt men al bitter weinig zinspelingen
op mooie kleeren, rijke huwelijken, prachtige huizen of een lui en
lekker leven. Sommigen zouden de aanmerking kunnen maken, dat de
bladen nu en dan met zulke mooie namen onderteekend zijn, maar dat
is nu eenmaal smaak in Amerika. Het behoort mede tot de taak van de
Wetgevende vergadering van Massachusetts om leelijke namen in lieve
namen te veranderen, als de kinderen in dit opzicht den smaak hunner
ouders willen verbeteren. Daar deze veranderingen weinig of niets
kosten, worden er gedurende iedere zitting Marianne's bij de vleet
in Bevelina's veranderd.
Men vertelt, dat bij gelegenheid van een bezoek van generaal Jackson
of generaal Harrison aan deze stad (wie van beiden het geweest is ben
ik vergeten, maar dat doet er niet toe), hij vierd'half mijl lang door
een rij van deze jonge meisjes heen wandelde, die altemaal parasols en
zijden kousen droegen. Maar daar ik niet vernomen heb, dat dit eenig
ander kwaad gevolg heeft gehad dan een plotselinge rijzing van al de
parasols en zijden kousen op de markt, en misschien het bankroet van
een of anderen speculant uit Nieuw Engeland, die ze allen à tout prix
opkocht in afwachting van een navraag, die nooit kwam, zoo hechtte
ik niet veel gewicht aan deze omstandigheid.
In dit beknopt verslag van Lowell, alsmede in de zwakke maar oprechte
uitdrukking van 't genoegen dat het mij verschafte, en stellig
verschaffen moet aan ieder vreemdeling, wien de toestand van zulk volk
thuis een onderwerp is van belangstelling en deelnemende zorg, heb ik
mij er zorgvuldig van onthouden, een vergelijking te maken tusschen
deze fabrieken en die van ons eigen land. Vele van de omstandigheden,
waarvan de krachtige invloed zich jaren lang in onze fabriekssteden
heeft doen gevoelen, hebben hier geen plaats gevonden; en om zoo te
zeggen is er in Lowell geen fabrieksvolk, want deze meisjes (dikwijls
de dochters van kleine pachters) komen uit andere staten, blijven
een jaar of wat aan de fabrieken en gaan dan voorgoed naar huis.
De tegenstelling zou al heel sterk zijn, want ze zou niets meer
of minder wezen dan tusschen het Goede en het Kwade, tusschen het
helderste licht, en de donkerste schaduw. Ik onthoud mij daarvan,
omdat ik dit oorbaar acht, maar bezweer al degenen, wier oogen op
deze bladzijden mogen rusten, des te ernstiger, hierbij stil te staan
en eens rijpelijk na te denken over 't verschil tusschen deze stad
en die groote holen van wanhopige ellende; zich daarna, als zij dat
te midden van 't partijgekijf nog kunnen doen, de pogingen voor den
geest te roepen die in 't werk dienen gesteld te worden om die holen
van hun ellende en gevaar te zuiveren,--en ten laatste en allermeest
zich te herinneren hoe snel de kostbare tijd voorbij vliegt.