De kook-, wasch- en andere dergelijke inrichtingen zijn vrij wel

gelijk aan die, welke ik thuis gezien heb. De manier waarop zij 's

nachts hun gevangenen bezorgen (die algemeen aangenomen is) verschilt

echter van de onze, en is eenvoudig en doeltreffend tegelijk. Midden is

een groote ruimte, waarvan de vier muren door ramen verlicht worden,

zijn vijf rijen cellen boven elkaar. Voor iedere rij is een lichte

ijzeren galerij, die men langs een trap van dezelfde constructie en

't zelfde materieel bereiken kan, behalve de onderste rij, die zich

gelijkvloers bevind. Achter deze, rug aan rug en gekeerd naar den

tegenovergestelden muur, zijn vijf correspondeerende rijen cellen,

die op dezelfde wijze toegankelijk zijn; zoodat een beambte, die

beneden op den grond met zijn rug naar den muur gekeerd staat, met

één oogopslag een overzicht heeft over de eene helft der opgesloten

gevangenen, terwijl de andere helft insgelijks onder controle staat

van een anderen beambte, die aan den overkant staat; en dat alles in

één groot vertrek. Tenzij deze oppasser omgekocht mocht zijn of op

zijn post mocht slapen, is 't onmogelijk dat er iemand ontsnappe;

want zelfs ingeval hij de ijzeren deur zijner cel zonder gedruisch

open mocht breken (wat bijna aan 't onmogelijke grenst), moet hij op

't zelfde oogenblik dat hij buiten zijn cel verschijnt en een der vijf

galerijen, waar zij zich bevindt, opstapt, geheel en al zichtbaar wezen

voor den oppasser beneden. In ieder dezer cellen is een klein rolbed,

waar één gevangene in slaapt, nooit meer. Natuurlijk is het klein;

en daar de deur niet uit één stuk, maar uit traliewerk bestaat, en

er geen luik of gordijn voor hangt, zoo kan de gevangene ten allen

tijd bespied worden door den eersten den besten suppoost die daar

elk oogenblik van den nacht voorbij kan komen. Alle dag krijgen de

gevangenen ieder afzonderlijk hun middageten door een luikje in den

keukenmuur, en iedere gevangene neemt het naar zijn slaapcel mee,

waar hij geheel alleen een uur lang wordt opgesloten om 't daar op

te kunnen eten. Deze geheele inrichting trof me; en ik vind ze zoo

navolgenswaardig, dat ik hoop dat de eerste de beste gevangenis, die

wij in Engeland mochten bouwen, volgens dit plan zal ingericht worden.

Men maakte mij de opmerking, dat men er in deze gevangenis noch sabel

noch vuurwapenen, ja zelfs geen stokken op nahoudt; en ik voor mij acht

het onwaarschijnlijk, dat, zoolang ze op dezelfde voortreffelijke wijze

ingericht en bestuurd blijft, eenig wapen, hetzij van aanvallenden

of verdedigenden aard, ooit binnen haar muren van noode zal wezen.

Zoo zijn de gestichten te Zuid-Boston! In alle worden de ongelukkige af

verbasterde burgers van den Staat zorgvuldig onderwezen in hun plichten

beide jegens God en den mensch; worden omringd door alle redelijke

middelen van gemak en geluk die hun toestand maar eenigszins toelaat;

worden behandeld als leden van de ééne, groote familie der menschheid,

die wel is waar bedrukt, behoeftig of gevallen zijn, maar met dat al

leden van dat ééne groote huisgezin blijven; worden bestuurd door

't sterke Hart en niet door de sterke (doch onmetelijk zwakker)

Hand. Ik heb ze min of meer breedvoerig beschreven, ten eerste omdat

ze dat wel waard zijn, ten tweede omdat het in mijn bedoeling ligt,

ze tot een voorbeeld te stellen en mij daartoe te bepalen om van

anderen, die we tegen mochten komen en wier bedoelingen dezelfde zijn,

te zeggen, dat ze in dit of in dat opzicht in de practijk te kort

schieten of verschillen.

Ik wensch, dat ik door dit verslag, dat, hoe onvolmaakt het ook

uitgevoerd moge zijn, voorzeker een goede, eerlijke bedoeling heeft,

mijn lezers al was 't maar één honderdste deel kon schenken van 't

genoegen, mij ten deel gevallen door 't bezoek van die instellingen,

welke ik in de vorige bladzijden beschreven heb.

Voor een Engelschman, die aan den zoo geheel en al vrouwelijken opschik

van Westminster Hall gewoon is, levert een Amerikaansch gerechtshof een

even gek gezicht op als, naar ik veronderstel, een Engelsch gerechtshof

dit voor een Amerikaan op zou leveren. Behalve bij het oppergerechtshof

te Washington (waar de rechters een eenvoudige zwarte toga dragen)

vindt men daar niets bij de bediening der justitie wat naar zoo'n

ding als een pruik of vrouwenjapon [3] zweemt. Daar de heeren der

balie tegelijk advocaten en procureurs zijn (want in Amerika bestaat

dienaangaande geen scheiding zooals in Engeland), houden zij zich niet

meer op een afstand van hun cliënten dan procureurs bij ons Hof voor de

rehabilitatie van Insolvente schuldenaars dit ten opzichte der hunnen

doen. De leden der jury doen alsof ze thuis zijn en maken 't zich

zoo gemakkelijk als de omstandigheden maar veroorloven. De getuige

verschilt zoo weinig van 't aanwezige publiek, dat een vreemdeling,

die gedurende een pauze binnenkwam, moeite zou hebben, hem onder de

overigen op te merken. En gold het toevallig een crimineele zaak, dan

zouden zijn oogen in negen gevallen van de tien vruchteloos naar den

gevangene zoeken, want dat heer zou heel aardig aan 't lanterfanten

wezen onder de meest geziene sieraden der balie, om zijn raadsman

nu en dan bedenkingen in te fluisteren of met zijn pennemes een

tandenstoker te maken van een oude ganzenpen.

Toen ik de rechtbanken te Boston bezocht, moest mij dat verschil

natuurlijk in 't oog vallen. Ook keek ik eerst niet weinig vreemd

op, toen ik merkte, dat de raadsman, die den getuige ondervroeg,

dat zittende deed. Maar ziende, dat hij er ook mee bezig was, om de

antwoorden op te teekenen, en mij herinnerende, dat hij alleen was en

geen "junior" had, troostte ik mij spoedig met de overdenking, dat de

wet hier niet zoo'n duur artikel was als t'huis; en dat de afwezigheid

van al die formaliteiten, die wij als onmisbaar beschouwen, zonder

twijfel een allergunstigsten invloed op de rekening der rechtskosten

uitoefent.

In ieder Hof is ruimschoots voor 't gemak der burgers gezorgd. Trouwens

dit treft men overal in Amerika aan. Bij elke openbare instelling wordt

het recht der bevolking, om tegenwoordig te zijn bij de behandeling der

zaken en daarin belang te stellen, volkomen en duidelijk erkend. Daar

vindt men geen grimmige deurwaarders, die hun den slakkengang gaande

beleefdheid voor een fooitje te koop veilen; ook geloof ik oprecht,

dat men daar geen ambtenaar zal vinden, die zich op grond van zijn

ambt de geringste lompheid zou durven veroorloven. Niets wat nationaal

eigendom is laat men voor geld kijken; en geen openbaar ambtenaar stelt

zich aan als de explicateur van een kermistent. In de laatste jaren

zijn ook wij begonnen om dit goede voorbeeld na te volgen. Ik hoop,

dat we daarmee voort zullen gaan; en dat zelfs dekens en kapittels

in de volheid des tijds bekeerd zullen worden.

Voor de burgerlijke rechtbank was een zaak aanhangig over aangevraagde

schadevergoeding wegens een ongeluk op een spoorweg. De getuigen waren

ondervraagd, en de raadsman richtte zich tot de jury. De geleerde

heer (evenals sommige zijner Engelsche broederen) was langdradig

om er wanhopig van te worden, en bezat de opmerkelijke bekwaamheid

om één en dezelfde zaak gedurig te herhalen. Zijn groot thema was:

"Warren de machinist," en in iederen volzin, dien hij uitsprak,

hoorde men maar niets anders dan: "Warren de machinist." Ik luisterde

nagenoeg een kwartier naar hem, en toen ik na verloop van dien tijd

de gerechtzaal verliet, even wijs als ik er in gekomen was, voelde

ik me alsof ik weer thuis was.

In de cel voor de gevangenen zat een jongen, die wegens diefstal

terecht zou staan. In plaats nu dat deze jongen in een gevangenis

zou opgesloten worden, werd hij naar 't asyl te Zuid-Boston gestuurd,

en leerde daar een ambacht; zoodat hij zich na verloop van tijd bij

den een of anderen knappen baas kon verhuren. Zoodoende werd, naar

men redelijkerwijze mag hopen, de ontdekking zijner overtreding niet

het preludeum van een leven der schande en van een ellendigen dood,

maar baande hem integendeel het pad om terug te keeren van den weg

der ondeugd en een waardig lid der maatschappij te worden.

Ik ben in 't geheel niet een onvoorwaardelijk bewonderaar van

onze wettelijke rechtsvormen, waarvan ik vele al heel belachelijk

vind. Vreemd moge het ook schijnen, dit neemt evenwel niet weg, dat

er een zekere mate van bescherming schuilt in de pruik en de japon,

ja, dat die officieele kleeding als 't ware een vrijbrief geeft voor

persoonlijke verantwoordelijkheid, waardoor die onbeschofte houding

en taal, en die schromelijke verbastering van 't ambt, van een

pleiter voor De Waarheid, welke men zoo vaak bij onze gerechtshoven

aantreft, niet weinig in de hand worden gewerkt. Niettemin, ik kan

't niet helpen, maar ik betwijfel of Amerika in zijn begeerte om

de ongerijmdheden en misbruiken van 't oude stelsel af te schudden,

niet in een ander uiterste vervallen is, en vraag mij zelven ernstig

af, of 't niet wenschelijk is, vooral in zoo'n kleine stad als deze,

waar men elkaar zoo van nabij kent, om de rechtspleging van zekere

kunstmatige slagboomen te omringen, waardoor ze althans voor: "dag,

ouwe jongen, altijd wel geweest?" en soortgelijke gemeenzame praatjes

uit het alledaagsche leven gevrijwaard is. Al de hulp die zij èn in

't karakter èn in de bekwaamheid van de leden der rechterlijke macht

kan hebben, niet alleen hier maar overal elders, heeft zij en verdient

dit volkomen; maar ze heeft nog iets meer noodig, en dat niet om indruk

te maken op hen die nadenken en goed op de hoogte zijn, maar op de

onwetenden en de Jan Salies; een klasse waartoe sommige gevangenen en

verscheidene getuigen behooren. Ongetwijfeld waren deze instellingen

op 't beginsel gebaseerd, dat zij, die zoo'n ruim deel hadden in 't

maken der wetten, ze ook zeker zouden eerbiedigen. Maar de ondervinding

heeft bewezen dat deze hoop mank gaat; want niemand weet beter dan de

rechters van Amerika, dat zoodra er maar een opschudding komt onder

't volk van eenigszins noemenswaardige beteekenis, de wet krachteloos

is en tijdelijk haar eigen suprematie niet handhaven kan.

De toon, die in de samenleving heerscht, getuigt van de uiterste

beleefdheid, hoffelijkheid en wellevendheid. De dames zijn

ontegenzeglijk zeer mooi--wat haar gezicht betreft: maar ik ben

verplicht het daarbij te laten. De opvoeding, die zij krijgen,

is zoo wat van 't zelfde allooi als bij ons, noch beter noch

slechter. Men had me daaromtrent allerlei wonderlijke vertelseltjes

op de mouw gespeld, maar daar ik er geen geloof aan sloeg, kon 't mij

natuurlijk niet tegenvallen. "Blauwe" [4] dames zijn er te Boston,

maar gelijk wijsgeeren van die kleur en sexe in de meeste andere

landen, zijn zij er meer op uit, voor iets bijzonders gehouden te

worden dan om werkelijk iets bijzonders te zijn. Zoo zijn er ook

"evangelische" dames, wier gehechtheid aan godsdienstvormen en afschuw

van schouwburg-vermakelijkheden voorbeeldig mogen heeten. Dames,

die er hartstochtelijk veel van houden, om lezingen bij te wonen,

worden onder alle klassen en standen gevonden. Op de min of meer

naar 't buitenleven zweemende wijze van samenleving, die in steden

als deze de overhand heeft, heeft de kansel grooten invloed. Men zou

wel zeggen, dat de kansel in Nieuw-Engeland (altijd met uitzondering

van de leeraren der Unitariërs) het als 't voornaamste doel van zijn

ambt beschouwde, om alle onschuldige en betamelijke uitspanningen te

veroordeelen. De kerk, de kapel, de leeszaal zijn de eenige middelen

van opwekking die geoorloofd zijn, en naar de kerk, de kapel, de

leeszaal stroomen de dames dan ook heen.

Overal waar men zijn toevlucht neemt tot den godsdienst bij wijze

van sterken drank en als een middel om de saaie eentonigheid van

't huiselijk leven af te breken, zullen natuurlijk die leeraren den

meesten loop hebben en 't best bevallen, die de kunst verstaan, om de

toehoorders den hoogsten wil in te peperen. Zij, die het pad naar de

Eeuwigheid met de grootste dosis zwavel bestrooien, en de bloemen en

bladeren, die langs den weg groeien, het ongenadigst vertrappen, ze

zullen voor de rechtzinnigsten doorgaan; en zij, die met de grootste

taaiheid op 't aanbeeld slaan dat men alles behalve op zijn sloffen

de hemelpoort binnentreedt, zullen door alle ware geloovers aangezien

worden als de zoodanigen die er zeker door zullen gaan, alhoewel het

hun zeker nogal wat moeite zou kosten om de vraag te beantwoorden,

op wat voor grond zij tot deze gevolgtrekking gekomen zijn. Zoo

gaat het thuis, zoo gaat het buitenshuis; ja, 't is overal koekoek

één zang. Wat nu die andere uitspanning betreft, de Lezing namelijk,

deze heeft ten minste de verdienste, dat ze altijd nieuw is. De eene

lezing volgt toch de andere zoo gauw op de hielen, dat men er geen

een onthoudt, en veilig zou men de serie van de lezingen der eene

maand in de volgende maand kunnen herhalen, met haar bekoorlijkheid

van ongebroken nieuwheid en haar onverminderde belangrijkheid.

De vruchten der aarde groeien op in verrotting. Uit de verrotting

dezer dingen is te Boston een sekte van wijsgeeren opgekomen, bekend

onder den naam van Transcendentalisten. Toen ik onderzoeken ging wat

deze benaming eigenlijk beteekende, werd mij te verstaan gegeven,

dat al wat onverstaanbaar was zeker transcendentaal was. Daar mij

deze opheldering niet veel troost schonk, zette ik het onderzoek nog

verder voort, en vond dat de Transcendentalisten volgelingen zijn

van mijn vriend den heer Carlyle, of, laat mij liever zeggen, van een

volgeling van dezen heer, den heer Ralph Waldo Emerson. Deze heer heeft

een deel zoogenaamde Essays (Proeven) geschreven, waaronder veel dat

droomerig en hersenschimmig is (als hij 't mij niet kwalijk zal nemen,

dit zóó te betitelen), maar nog meer dat waar en mannelijk, eerlijk en

stout mag heeten. Transcendentalisme heeft nu en dan zijn afdwalingen

(welke school heeft ze niet?) maar desniettegenstaande heeft het

goede gezonde eigenschappen; eigenschappen waarvan de minste zeker

niet is een hartige afschuw van datgene wat wij Engelschen onder den

naam van "Cant" [5] plegen aan te duiden en een geschiktheid om die

walglijke ondeugd in al de ontelbare variëteiten van haar eeuwigdurende

kleerenkast te betrappen. En daarom als ik een Bostonner was, dan

denk ik, dat ik een Transcendentalist zou wezen.

De eenige predikant, dien ik te Boston hoorde, was de heer Taylor,

die zich in 't bijzonder tot zeevolk richtte, en eens zelf een

zeeman was. Ik vond zijn kapel in een van de nauwe oude straten aan

den waterkant met een vroolijke blauwe vlag, die onbelemmerd van

't dak wapperde. Op de galerij vlak tegenover den preekstoel was een

klein koor van mannelijke en vrouwelijke zangers, een violoncel en een

viool. De prediker zat al in den preekstoel, die op pilaren rustte, en

achter hem met een geschilderde draperie versierd was, die er levendig

en ietwat theatraal uitzag. Hij zag er als een echte zeebonk uit van

zes of acht en vijftig jaar; met diepe rimpels, die als 't ware in zijn

gezicht gegroefd waren, donker haar en een stroef, vinnig oog. Over

't geheel genomen maakte zijn uiterlijk echter een pleizierigen indruk.

De dienst begon met een gezang, waar een gebed op volgde, dat voor

de vuist werd uitgesproken. Het had het gebrek van in gedurige

herhalingen te vervallen, dat in den regel met zulke gebeden plaats

vindt; maar was overigens ongekunsteld en begrijpelijk van inhoud,

en ademde een gevoeligen en liefdevollen toon die niet zoo algemeen

een kenmerk is van dit deel der godsdienstoefening als 't wel diende

te wezen. Nadat dit gebed uit was, las hij zijn tekst voor, die aan

Salomo's Hooglied ontleend was en, voordat den dienst begon door een

of ander onbekend lid der vergadering op den lessenaar was neergelegd

geworden. De tekst luidde als volgt: "Wie is zij, die daar opkomt

uit de Woestijn aan den arm van haar Geliefde?"

Hij behandelde dezen tekst op allerlei manieren en knoopte er allerlei

beschouwingen aan vast; maar altijd geestig en met ruwe welsprekendheid

juist berekend voor 't bevattingsvermogen zijner toehoorders. Vergis

ik me niet, dan was hij er meer op uit, om in hun geest te spreken en

door hen begrepen te worden, dan om zijn eigen geleerdheid te laten

luchten. De beelden, waar hij zich af en toe van bediende, waren

allen aan de zee ontleend en aan 't geen in een zeemansleven nu en

dan voor kan komen; dikwijls waren ze van treffende juistheid. Zoo

sprak hij hun van "dien roemrijken man Lord Nelson" en Collingwood,

en sleepte er niets, zooals men dit noemt, bij de haren bij, maar

al wat hij bijbracht behoorde bij 't onderwerp, was natuurlijk en

wel berekend om indruk te maken. Raakte hij echter wat al te zeer

in vuur, dan liep er soms wel een beetje kool onder door--gestoofd

door Bunyan en Balfour van Barley.--Dan namelijk nam hij zijn grooten

quarto bijbel onder den arm, stapte er den preekstoel mee op en neer,

en keek daarbij gestadig naar 't middelpunt der vergadering. Kom, laten

we deze preekmethode van den heer Taylor nog wat nader verklaren. Als

hij nu zijn tekst toepaste op de eerste bijeenkomst zijner hoorders en

de verwondering der Kerk schilderde over hun aanmatigende verwaandheid

om zoo maar op hun eigen houtje een nieuwe gemeente te stichten, zie,

daar hield hij op de manier die ik zoo even beschreven heb, op eens

met zijn bijbel onder zijn arm op en ging daarna in dezer voege voort:

"Wie zijn deze--wie zijn zij--wie zijn deze jongens van Jan de

Wit? Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naar toe? Waar ze vandaan

komen! Wat is hierop het antwoord? (Nu leunt hij over den preekstoel en

wijst met zijne rechterhand naar beneden.) "Waar ze vandaan komen? Van

beneden!" Hier gaat hij weer een beetje achteruit en kijkt de zeelui

aan die voor hem zitten.) "Van beneden broeders. Van onder de luiken

der zonde, die de duivel boven jelui dicht heeft gesmeten. Ziedaar

waar jelui vandaan kwam!" (Nu loopt hij in den preekstoel heen

en weer.) "En waar ga jelui naar toe?" (Hier blijft hij op eens

stilstaan.) "Waar jelui naar toe gaat? Naar boven!" Heel zacht en

in de hoogte wijzende. "Naar boven!" (Luider.) "Naar boven!" (Nog

luider.) "Ja, daar ga jelui naar toe--met 'n gunstigen wind--direct

koers zettende naar de glorie des Hemels, waar men noch storm noch

vuil weer kent; waar de goddeloozen geen kwaad meer kunnen brouwen, de

vermoeiden uitrusten." (Al weer loopt hij heen en weer.) "Ja, daar ga

jelui naar toe, lieve vrienden. Zoo is 't. Dat 's de haven. De echte

haven. 't Is 'n gezegende haven--uit welken hoek de wind ook waait

en wat voor getij we ook hebben, geen nood! daar is 't water altijd

stil, daar drijven we niet naar 't strand en stooten op klippen,

daar laten de kabels niet los en drijven we de zee in... Neen daar

is: Vrede--Vrede--Vrede--niets anders dan Vrede!" (Nog eens de oude

wandeling, en op den bijbel tikkend dien hij onder zijn linkerarm

houdt.) "Maar hoe! komen deze jongens van Jan de Wit uit deze

wildernis, is dat wel zoo? Ja. Uit de akelige, verzengde woestijn

der Ongerechtigheid, wier eenige oogst de Dood is. Maar leunen ze op

iets--óf leunen ze op niets, deze arme zeelui? Drie tikken op den

bijbel.) "O wel zeker.--Wel zeker.--Zij leunen op den arm van hun

Geliefde." (Nog drie tikken.) "Op den arm van hun Geliefde." (Nog drie,

en een wandelingetje.) "Loods, leidster en kompas, alles tegelijk,

voor allemaal--hier is-i." (Nog drie tikken op den bijbel.) "Ja,

hier is-i. Hiermee kunnen ze hun zeemansplicht als mannen vervullen,

en ook zelfs in den uitersten nood kalm van binnen blijven." (Nog

twee tikken.) "Leunende op den arm van hun Geliefde kunnen zij,

ja kunnen zelfs deze armen jongens uit de wildernis vandaan komen,

en opwaarts--opwaarts--opwaarts gaan!" (Telkens als hij dit woord

herhaalt, gaat zijn hand al hooger en hooger, zoodat ze eindelijk

en ten laatste boven zijn hoofd uitsteekt; daarbij kijkt hij zijn

toehoorders vreemd aan en drukt het boek triomfantelijk tegen zijn

borst, totdat hij van lieverlede tot een ander deel zijner preek

overgaat.)

Ik heb dit minder als een bewijs van des predikers verdienstelijkheid

aangehaald dan wel als een staaltje van zijne uitmiddelpuntigheid,

ofschoon zelfs dit, èn in verband met zijne geheele houding en

voorkomen, èn met het karakter zijner toehoorders, onwillekeurig

indruk moest maken. Niettemin, 't kan wel zijn, dat de gunstige indruk,

dien hij op mij maakte, grootendeels ontstaan en versterkt is geworden

door twee bijzonderheden, en die zijn de volgende: ten eerste, drukte

hij zijn hoorders terdege op 't gemoed, dat de trouwe waarneming van

den Godsdienst niet onvereenigbaar is met een beminnelijk gedrag

en een nauwgezette vervulling van de plichten van hun stand, een

vervulling die stipt van hen vereischt wordt; en ten tweede, deed hij

hen opmerken, dat zij zich toch hiervoor moesten wachten, om zich een

monopolie van 't Paradijs en zijn heilgoederen toe te eigenen. Nooit

hoorde ik tot dusverre deze beide punten zoo wijs aanroeren (als ik

ze ooit heb hooren aanroeren) door eenigen prediker van die soort.

Daar ik den tijd dien ik te Boston doorbracht, besteed heb om op

de hoogte te komen van deze dingen, om den loop te bepalen dien

ik op mijn verdere reizen dacht te volgen, en om me voortdurend te

midden van 't maatschappelijk leven aldaar te bewegen, zoo geloof ik

niet, dat ik de gelegenheid heb, om dit hoofdstuk te verlengen. Die

maatschappelijke gebruiken waar ik nog geen gewag van gemaakt heb,

laten zich echter met weinig woorden beschrijven.

Om twee uur wordt gewoonlijk het middagmaal gebruikt. Heeft men

echter gasten bij zich ten eten gevraagd dan dineert men eerst om vijf

uur; en op een avondpartij soupeert men zelden later dan om elf uur,

zoodat men in den regel zelfs van zoo'n partij, voor middernacht naar

huis gaat. Nooit kon ik eenig verschil ontdekken tusschen een partij

te Boston en een partij te Londen, behalve dat op de eerste plaats

de uren van komen en gaan voor alle partijen beter geregeld zijn;

dat de conversatie misschien een beetje luider en pleizieriger is;

dat men gewoonlijk van een gast verwacht dat hij tot boven in de

nok van 't huis klimmen zal om zijn mantel te halen; dat hij zeker

is op ieder diner een ongewonen berg gevogelte op de tafel te zien,

en op ieder souper ten minste twee kolossalen kommen heet gestoofde

oesters, in ieder waarvan een half opgeschoten hertog van Clarence

gemakkelijk gesmoord zou kunnen worden.

In Boston zijn twee schouwburgen, die vrij ruim en goed gebouwd zijn,

maar waar het droevig mee gesteld is, wat de ondersteuning betreft

die zij van 't publiek genieten. De weinige dames, die er gebruik

van maken, zitten, gelijk het trouwens behoort, op de voorste rijen

der loges.

In geen hotel vind men een rookkamer, bijgevolg was er ook geene in de

onze; maar de gelagkamer is een groot vertrek met een steenen vloer

en daar loopen de lui den geheele avond heen en weer, daar loopen ze

in en uit, daar staan ze en rooken ze, zooals hun dit invalt. Daar

wordt de vreemdeling ook ingewijd in de geheimen van Gin-sling,

Cock-tail, Sangaree, Mint Julep, Sherry-cobbler, Timber Doodle en

andere vreemdsoortige dranken. Het huis is vol kostgangers, gehuwde

en eenloopende, waarvan verscheidene een wekelijksch contract sluiten

voor hun kost en logies: de prijs vermindert natuurlijk al naarmate

ze hooger op willen klimmen. Open tafel wordt er gehouden in een zeer

mooie zaal, waar men kan ontbijten, het middagmaal gebruiken en het

avondmaal. Het gezelschap, dat gewoonlijk daarbij aanzit, wisselt van

een- tot tweehonderd, soms meer. Telkens als er zoo'n verschillend

tijdperk van den dag aanbreekt, wordt dit door een ontzaglijken

gong aangekondigd die al de ramen in de kozijnen doet schudden, als

't geluid door 't huis weerklinkt, en zenuwachtige reizigers niet

weinig van streek brengt. Er is ook een ordinaris voor dames en een

ordinaris voor heeren.

Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië · 第 6 / 48 段