uitzicht op haar tegenwoordigen toestand, hoe verwijderd toen ter
tijd dan ook, voor 't eerst de verdonkerde ziel van Laura Bridgman
bestraalde. Zoolang als hij leeft, zal de herinnering aan dat oogenblik
hem een bron zijn van rein, onverstoorbaar geluk; ja zelfs dan wanneer
de avond van zijn edel, nuttig leven aangebroken is, zal diezelfde
herinnering hem niet minder helder bestralen.
De genegenheid, die tusschen deze twee--de onderwijzer en de
leerling--bestaat, is even ver van alle gewone etiquette en ontzag
verwijderd als de omstandigheden, onder welke ze ontstaan en gevoed is,
onderscheiden zijn van de alledaagsche gebeurtenissen des levens. Hij
peinst nu over middelen om haar hooger kennis mee te deelen, en haar
zoodoende eenig denkbeeld te geven van den grooten Schepper van dat
heelal, waar zij zich, hoe donker en stil en reukeloos het voor haar
ook moge zijn, zoo diep en zoo hartelijk in verlustigt.
Gij die oogen hebt en niet ziet, en ooren hebt en niet hoort, gij
die als de huichelaars uw gezichten mismaakt om voor de menschen den
schijn aan te nemen alsof gij vast; leert gij gezonde vroolijkheid en
zachtaardige tevredenheid van deze doofstomme en blinde! Heiligen van
eigen fabrikaat met uw sombere gelaatstrekken, dit kind dat niet zien
en niet hooren en niet spreken kan, het zal u lessen kunnen geven die
gij wel zult doen van op te volgen. Laat haar arm handje zachtjens op
uw harten liggen; want wie weet of er in die heelende aanraking niet
iets ligt dat gelijkt op de aanraking van den Grooten Meester wiens
voorschriften gij verdraait, wiens lessen gij verknoeit, van wiens
liefde en medegevoel met de geheele wereld niet een onder u in zijn
dagelijksch leven zooveel af weet als verscheidene van de slechtsten
onder die gevallen zondaars, tegenover wie gij alleen scheutig zijt
met uw prediking van hel en verdoemenis!
Toen ik opstond om de kamer te verlaten, vloog een allerliefst
kind van een der oppassers naar binnen om zijn vader goedendag te
zeggen. Op dit oogenblik maakte een kind met oogen, onder al die van
't gezicht beroofden, bijna een even pijnlijken indruk op me als de
blinde jongen in 't portaal gedaan had, twee uur geleden. O! hoeveel
helderder en dieper blauw, hoeveel schitterender en rijker dan 't
te voren geweest was, was het schouwspel daarbuiten in tegenstelling
met de duisternis van zoo menig jeugdig leven daarbinnen!
Te Zuid-Boston gelijk het genoemd wordt, vindt men verscheidene
gestichten van liefdadigheid dicht bijeen, waarvan de
inrichting volkomen aan 't doel beantwoordt. Een daarvan is het
krankzinnigen-gesticht van den Staat, dat op bewonderenswaardige wijze
bestuurd wordt volgens die verlichte beginselen van zachtmoedigheid
en vriendelijkheid, welke voor twintig jaar erger dan kettersch
zouden geweest zijn, doch thans met zoo'n gelukkig gevolg in
ons eigen armen-gesticht te Hanwell in toepassing gebracht zijn
geworden. "Openbaar een begeerte om zelfs in krankzinnigen eenig
vertrouwen te stellen," zei de dokter, die in 't gesticht woont,
toen wij de galerijen doorgingen en de patiënten zich vrijelijk om
ons heen bewogen. Van degenen die, na getuige te zijn geweest van
haar gevolgen, de wijsheid dezer grondstelling toch ontkennen of
betwijfelen, gesteld dat er de zoodanigen nog gevonden worden--van
hen nu kan ik alleen dit zeggen, dat ik hoop dat ik nooit opgeroepen
zal worden om als gezworene zitting te nemen in een commissie van
onderzoek, waarin zij betrokken zijn; want louter op grond daarvan
zou ik hen voor krankzinnig durven verklaren.
Elke zaal in dit gesticht heeft den vorm eener lange galerij of zaal,
waarin de slaapvertrekken der patiënten aan weerszijden opengaan. Hier
werken zij, lezen, kegelen en vermaken zich met andere spelen; en als
het weer niet toelaat, dat ze in de open lucht eenige beweging nemen,
dan brengen ze er gezamenlijk den dag door. Doodbedaard, en precies
alsof het zoo behoorde, zaten de doktersvrouw en nog een dame met een
paar kinderen onder al die zwarte en blanke krankzinnige vrouwen. Deze
dames waren beminnelijk en schoon; en 't was niet moeielijk, met een
enkelen oogopslag te bespeuren, dat zelfs haar tegenwoordigheid te
dezer plaatse een allerweldadigsten invloed uitoefende op de patiënten
om haar heen.
Met haar hoofd tegen den schoorsteenmantel zat een oudere dame, met
een zeer deftig voorkomen en van hoogst beschaafde manieren, die zoo
opgeschikt was als Madge Wildfire zelve. Vooral haar hoofd zat zoo
vol stukjes gaas en katoen en papier, en wat niet al meer, dat het
veel weghad van een vogelnest. Zij schitterde van valsche juweelen,
droeg een prachtigen gouden bril, die ontwijfelbaar echt was, en liet,
toen wij nader kwamen, met sierlijken zwaai op haar schoot een oude
smerige krant vallen, waarin zij stellig een verslag moet gelezen
hebben van haar eigen voorstelling aan een of ander buitenlandsch hof.
Met opzet ben ik in deze bijzonderheden getreden, omdat deze dame
ons een staaltje op zal leveren van de wijze waarop de dokter het
vertrouwen zijner patiënten wist te winnen en te behouden.
"Deze dame," zei hij tegen me, terwijl hij me meteen bij de hand nam
en de aangedirkte figuur heel beleefd naderde, zonder haar achterdocht
door den geringsten blik of de geringste fluistering, of wat dan ook,
op te wekken,--"deze dame is de vrouw des huizes, m'nheer. Het is
haar eigendom. Niemand anders heeft hier iets te zeggen. Zooals u
ziet, is 't een groote inrichting, een inrichting die een talrijk
personeel vereischt. Zij leeft, naar u wel merkt, op den deftigsten
voet. Zij is vriendelijk genoeg, mijn bezoeken te ontvangen, en mijn
vrouw en familie hier te laten wonen, waarvoor we, 't is eigenlijk
overbodig dit te doen opmerken, haar ten zeerste verplicht zijn. Zij
is buitengemeen hoffelijk, gelijk u wel bespeurt,"--op dit gezegde
boog zij heel genadig--"en zal me zeker wel het genoegen toestaan,
u aan haar voor te stellen: een heer uit Engeland, mevrouw: pas uit
Engeland aangekomen na een zeer stormachtigen overtocht: m'nheer
Dickens,--de vrouw des huizes!"
Met de grootste deftigheid en onderscheiding wisselden wij de
eerbiedigste complimenten, en gingen toen verder. De overige
krankzinnige vrouwen schenen (niet alleen in dit geval, maar in al
de andere, uitgenomen haar eigen) heel goed te begrijpen, dat hier
comedie gespeeld werd; althans ze hadden er niet weinig schik in. Op
dezelfde wijze werd ik op de hoogte gebracht van den verschillenden
aard hunner krankzinnigheid, en verlieten we iedereen in de beste
luim. Langs dezen weg wordt er met betrekking tot den aard en omvang
hunner hallucinatiën niet alleen het onbepaaldste vertrouwen tusschen
dokter en patiënt tot stand gebracht maar men kan licht nagaan dat
de geneesheer zoodoende de eerste de beste gelegenheid van helderheid
kan aangrepen, om hun de verstandsverbijstering, waar ze onder gebukt
gaan, onder 't ongerijmdste en belachelijkste licht te plaatsen.
In dit gesticht zit ieder patiënt alle dag met een mes en vork
aan tafel; en in hun midden zit de heer, van wien ik zoo even
heb meegedeeld op wat voor menschkundige wijze hij zich van zijn
taak kwijt. Bij elk diner is 't alleen de zedelijke invloed die de
heftigste krankzinnigen weerhoudt, om de rest de strot af te snijden;
maar de uitwerking van dien invloed is tot een volstrekte zekerheid
geworden, en, zelfs als dwangmiddel, laat staan als geneesmiddel,
honderdmaal doeltreffender bevonden dan al de dwangbuizen, kettingen
en handboeien, die de onwetendheid, het vooroordeel en de wreedheid
sinds de schepping der wereld uit hebben gevonden.
In de werkzaal kan ieder patiënt even frank en vrij met zijn
gereedschappen omgaan als was hij goed bij zijn verstand. In den tuin
en aan de boerderij werken zij met schoppen, harken en schoffels. Voor
hun pleizier wandelen, loopen, visschen, schilderen en lezen zij;
ook rijden zij uit in expresselijk voor dat doel gemaakte wagentjes om
een luchtje te scheppen. Zij hebben onderling een naai-vereeniging om
kleeren voor de armen te maken, die vergaderingen houdt, en besluiten
neemt, zonder dat men daarbij zijn vuisten of zakmessen gebruikt,
gelijk dit wel eens op vergaderingen van niet-krankzinnigen plaats
vindt; kortom alles gaat daar ordelijk en fatsoenlijk zijn gang. De
prikkelbaarheid, die zij anders tegen hun eigen vleesch, kleeren en
meubelstukken aan den dag zouden leggen, vindt in deze bezigheden
een behoorlijke afleiding. Ze zijn opgeruimd, bedaard en gezond.
Eens in de week is er bal, waar de dokter en zijn familie, met het
geheele vrouwelijke en mannelijke personeel, een werkzaam deel aan
neemt. Dansen en marschen worden er bij de opwekkende tonen eener
piano afwisselend uitgevoerd; en nu en dan verplicht deze of gene
heer of dame (van wiens geschiktheid men zich vooraf overtuigd heeft)
het gezelschap door iets te zingen; doch dit zingen ontaard nooit,
bij een teedere ontknooping, in een gegil of gejank, waar ik, rond
opgebiecht, wel eenigszins bang voor was. Op een vroegtijdig uur
komen zij allen voor deze festiviteit bijeen; om acht uur worden er
ververschingen rondgediend, en om negen uur stapt men weer op.
Van 't begin tot het einde heerscht daar een hoogst fatsoenlijke en
hoogst beschaafde toon. Dien toon nemen zij allen van den dokter
over; nu, er dient dan ook gezegd te worden, dat hij zich als een
echte lord Chesterfield onder 't gezelschap weert. Evenals dit
met andere bijeenkomsten van dien aard het geval is, leveren ook
deze danspartijtjes dagen lang een vruchtbare stof van conversatie
onder de dames op; en de heeren snakken er zoo erg naar, bij deze
gelegenheden uit te blinken, dat zij soms betrapt zijn geworden, dat
zij in hun eentje hun passen bestudeerden, louter en alleen om onder
't dansen een meer gedistingeerde figuur te slaan.
Het ligt voor de hand, dat een voorname bedoeling van dit stelsel is,
ook zelfs onder zulke ongelukkige personen een betamelijke achting
voor zich zelven in te prenten en aan te moedigen. Iets van denzelfden
geest predomineert bij al de inrichtingen van Zuid-Boston.
"Daar hebt ge bij voorbeeld het Werkhuis. In die afdeeling, welke
gewijd is aan de ontvangst van oude of op andere wijze hulpbehoevende
armen, zijn deze woorden op de muren geschilderd:
/#
Het volgende is wel waard, dat men er notitie van neme:
"ZELFBEHEERSCHING, RUST EN VREDE ZIJN ZEGENINGEN." #/
Er wordt niet als vaste regel aangenomen dat zij, die daar zijn,
slechtgezinde en gemeene menschen moeten wezen, voor wier duivelsche
oogen men noodzakelijkerwijs met dreigementen en strafbepalingen
voor den dag moet komen. Zoodra zij maar een voet over dezen
drempel zetten, komt men hen met dit zacht beroep op hun eergevoel
tegen. Alles binnenshuis is zeer eenvoudig en net, zooals het behoort,
maar niettemin met het oog op rust en gemak ingericht. Het kost
niet meer dan elk ander plan van inrichting, maar veronderstelt
zooveel deelnemende belangstelling in degenen, die door den drang
der omstandigheden verplicht zijn, daar een onderkomen te zoeken,
dat het hen al dadelijk aanspoort, om dankbaar te wezen en zich goed
te gedragen. In plaats van over groote, lange, meer voor vagebonden
dan voor menschen geschikte zalen te zijn versnipperd, waar een
soort van magere ingevallen wezens, die menschen moeten heeten, den
geheelen dag mogen druilen, lamenteeren en bibberen, is het gebouw
in afzonderlijke vertrekken verdeeld, waarvan elk zijn aandeel licht
en lucht heeft. Hierin nu woont de betere soort armen. In de begeerte
om deze kamertjes gemakkelijk en netjes in te richten, hebben zij een
drangreden om hun wilskracht te oefenen en hun eerzucht min of meer te
bevredigen. Ik herinner me niet, dat ik er een gezien heb of 't was
zindelijk en net; daarbij had ieder kamertje een paar bloempotten op
de vensterbank, of wat potten en pannen op de plank, of wat gekleurde
platen achter glas aan den gewitten muur, of misschien, een houten
klok achter de deur.
De weezen en jonge kinderen zijn in een belendend gebouw, dat wel van
't zoo even vermelde is afgescheiden, maar toch tot de Inrichting
zelve behoort. Sommigen zijn zulke kleine schepseltjes, dat de trappen
van lilliputsche afmeting zijn, berekend naar de kleine stappen die
zij kunnen zetten. Dat men hier met piepjonge en zwakke kindertjes
te doen heeft, heeft men insgelijks in acht genomen bij de keuze
der stoelen, die inderdaad als curiositeiten mogen gelden, en er
uitzien als meubelstukken van een armeluitjes poppenhuishouding. Ik
kan mij verbeelden hoe onze Poor Law Commissioners (de Commissarissen
der Armen-wet) zich er vroolijk over zullen maken, als ze merken dat
deze stoelen armen en ruggen hebben; maar daar smalle ruggegraten van
ouder dagteekening zijn dan hun inbezitneming van de vergaderzaal
op Somerset House, zoo vond ik voor mij, dat zelfs deze voorzorg
van een goedhartigheid getuigde, die wel verdiende, opzettelijk te
worden vermeld.
Ook hier deed het me bijzonder veel pleizier, opschriften op den muur
aan te treffen, die als van louter zedekundigen aard, gemakkelijk
onthouden en verstaan konden worden, bij voorbeeld: "Hebt elkander
lief!"--"God herinnert zich het geringste schepsel;" en meer van
dien aard. De boeken en bezigheden dezer kleintjes waren op dezelfde
verstandige wijze naar hun krachten berekend. Toen wij deze lessen
nagekeken hadden, zongen vier kleuters van meisjes (waarvan er een
blind was) een klein liedje over de lieve Meimaand, dat mij evenwel,
zoo allersomberst was de inhoud, doelmatiger zou zijn voorgekomen,
al men 't op onze Engelsche Novembermaand gezongen had. Maar dat
tot daartoe. Zoodra dat liedje uit was, gingen we hun slaapkamers
in oogenschouw nemen op de bovenverdieping, waar alles niet minder
voortreffelijk was ingericht dan beneden. En nadat ik opgemerkt had,
dat de onderwijzers tot een klasse behoorden en zich door een karakter
onderscheidden, alweer in behoorlijke overeenstemming met den geest
der inrichting, nam ik afscheid van de kindertjes met een luchtiger
hart dan ik van arme kindertjes tot dusverre ooit afscheid genomen had.
Met het Werkhuis is ook een gasthuis verbonden, dat in de beste
orde verkeerde, en waar, het doet me pleizier dat ik zeggen kan,
verscheidene bedden onbezet waren. Het had evenwel één gebrek, een
gebrek dat trouwens aan alle Amerikaansche binnenvertrekken gemeen is:
de aanwezigheid namelijk van den eeuwigen, vervloekten, verstikkenden,
rood heeten duivel van een kachel, waarvan de adem de zuiverste lucht
onder den hemel zou bederven.
In deze zelfde buurt zijn er twee inrichtingen, voor jongens. De
eene wordt de Boylston-school genoemd en is een toevluchtsoord voor
verwaarloosde en behoeftige jongens, die geen misdaad begaan hebben,
maar volgens den gewonen loop van zaken al heel gauw deze betrekkelijke
vereerende hoedanigheid zouden verliezen, werden zij niet bijtijds van
de hongerige straten opgenomen en hier naar toe gestuurd. De andere
inrichting is een Verbeterhuis voor jeugdige misdadigers. Beide zijn
onder één en 't zelfde dak, maar de twee klassen van jongens komen
nooit met elkaar in aanraking.
Wat hun persoonlijk voorkomen betreft, zien de Boylston-jongens, gelijk
men licht kan nagaan, er veel voordeeliger uit dan de anderen. Toen
ik ze kwam bezoeken, waren zij in hun schoolkamer, en beantwoordden
nauwkeurig, en zonder boek, vragen als de volgende; waar Engeland
ligt? hoe ver het van Amerika af ligt? hoeveel inwoners het telt? hoe
zijn hoofdstad heet? wat voor regeeringsvorm het heeft? en zoo
voorts. Ook zij zongen een liedje van den boer die zijn zaad zaait,
en zongen ze bij voorbeeld deze woorden: "'t is zoo dat hij zaait,"
of "zoo draait hij zich om," of "zoo klapt hij in zijn handen," dan
voegden zij er de noodige gesticulaties bij, iets wat van den eenen
kant toonde, dat zij er zelf des te meer schik in hadden, en hen van
de andere zij gewende, om te zamen op betamelijke manier werkzaam te
wezen. Zij schenen een voortreffelijk onderwijs te hebben genoten,
en niet minder goed gevoed te worden, want, wat dit laatste betreft,
nooit in mijn leven zag ik een troep jongens met dikker wangen en
gezonder buiken dan zij.
De jeugdige misdadigers hadden voor een groot deel niet zulke
pleizierige gezichten; ook waren er in deze inrichting nogal wat
jonge kleurlingen. Ik zag hen eerst aan hun werk (mandenmaken en
fabriceeren van hoeden van palmbladeren), naderhand in hun school,
waar zij gezamenlijk een loflied op de vrijheid zongen, een dwaas, en,
naar men denken kon, eer verbitterend dan opwekkend onderwerp voor
gevangenen. Deze jongens zijn in vier klassen verdeeld, ieder met
een eigen nommer, dat op hun arm gemerkt is. Komt er een nieuweling,
dan wordt hij in de vierde klasse gezet; het staat dan aan hem, om
zich door vlijt en goed gedrag tot de eerste op te werken. Het doel
van dit gesticht is, den jeugdigen misdadiger door een vastberaden
maar vriendelijke en oordeelkundige behandeling te verbeteren; zijn
gevangenis tot een plaats van loutering en verbetering, niet van
verontzedelijking en bederf te maken; hem dezen indruk te geven,
dat er maar één pad is, het pad van noeste vlijt, dat hem ooit tot
geluk kan leiden; hem te leeren hoe dat pad moet betreden worden,
bijaldien zijn voetstappen tot dusverre nog nooit dien weg hebben
ingeslagen; en hem naar dien weg terug te lokken als zijn voeten
het spoor bijster mochten geraakt zijn; in één woord, hem aan 't
verderf te ontrukken en hem aan de maatschappij terug te geven als
een boetvaardig en nuttig lid. Het gewicht van zulk een inrichting,
in ieder opzicht en ook uit het oogpunt van menschlievendheid en
maatschappelijk nut beschouwd, vereischt geen verder betoog.
Een andere inrichting sluit den catalogus. Het is het Verbeterhuis
van den Staat, waar de gevangenen geen woord mogen spreken, maar
althans dezen troost en deze zedelijke opbeuring smaken, dat ze
elkaar mogen zien en te zamen mogen werken. Dat is het verbeterd
stelsel van gevangenistucht, dat wij in Engeland ingevoerd hebben,
en dat al sinds ettelijke jaren gunstig onder ons werkt.
Als een nieuw en niet onbevolkt land heeft Amerika in al zijn
gevangenissen het eene groote voordeel, dat het in staat is, nuttigen
en winstgevenden arbeid voor de gevangenen te vinden; terwijl bij
ons het vooroordeel tegen gevangeniswerk natuurlijk heel sterk is,
en bijna onoverkomelijk, wanneer eerlijke menschen, die de burgerlijke
wetten niet overtreden hebben, maar al te vaak gedoemd zijn, vergeefs
naar werk te zoeken. Zelfs in de Vereenigde Staten heeft het beginsel,
om den arbeid van veroordeelde misdadigers met den vrijen arbeid te
doen concurreeren, wat natuurlijk ten nadeele van laatstgenoemden uit
moet vallen, al vrij wat tegenstanders gevonden, en 't schijnt niet,
dat deze tegenstand met de jaren verminderen zal.
Juist om deze reden zou men bij den eersten oogopslag de inrichting
van onze beste gevangenissen dan ook voor beter houden, dan die van
Amerika. De tredmolen gaat met weinig of geen gedruisch gepaard;
vijfhonderd menschen kunnen in een en 't zelfde vertrek touw pluizen,
zonder dat men eenig geluid hoort; en beide soorten bezigheid zijn
van dien aard, dat men er zoo scherp en zoo nauwlettend acht op kan
slaan, dat het den gevangenen bijna onmogelijk zal zijn, een enkel
woord met elkaar te wisselen. Aan den anderen kant worden door
't geraas van weefgetouw, aanbeeld, timmermanshamer en steenzaag
die gelegenheid tot praten niet weinig in de hand gewerkt, en nu
moge dat gepraat gauw in zijn werk gaan, en maar kort kunnen duren,
gelegenheden blijven 't niettemin, waartoe dergelijke bezigheden uit
den aard der zaak aanleiding geven, doordien ze immers verscheiden
personen heel dicht in elkaars nabijheid brengen, soms vlak naast
elkaar, zonder dat er zich eenige slagboom of hinderpaal tusschen hen
bevindt. Iemand, die zoo'n Amerikaansche gevangenis bezoekt, dient dan
ook een beetje te redeneeren en na te denken, voor en aleer het gezicht
van een aantal menschen, die met gewoon werk bezig zijn, zooals hij
buitensdeurs gewoon is, maar half zooveel indruk op hem zal maken als
de beschouwing van dezelfde personen op dezelfde plaats en met dezelfde
kleeding, indien zij bezig waren met de een of andere taak, die overal
gebrandmerkt is, als behoorende uitsluitend tot tuchthuisboeven. In
een Amerikaansch tucht- of verbeterhuis vond ik het dan ook moeielijk,
om me te overtuigen, dat ik werkelijk in een gevangenis was: een
plaats van schandvlekkende straf en kastijding, en tot op dit uur
ben ik 't nog niet met mij zelf eens, of de menschelijke pocherij,
dat het zóó iets niet mag zijn, wel wortelt in de echte wijsheid, in
't wijsgeerig inzicht in de zaak.
Ik hoop, dat ik te dezen opzichte niet misverstaan moge worden,
want zoo er een onderwerp is, waar ik 't levendigst belang in
stel, dan is 't dit. Ik voor mij hel even weinig tot het ziekelijk
gevoelen over, 't welk elke femelende logen of dronkemans gewauwel
van een beruchten misdadiger tot stof voor een krant en tot een
reden van algemeene sympathie maakt, als ik overhel tot die goede
oude gewoonte uit die goede oude tijden, die, wat zijn strafwetboek
en gevangenis-verordeningen betreft, Engeland zelfs nog onder de
regeering van George den Derden, dus waarlijk niet zoo heel lang
geleden, tot een der bloeddorstige en meest barbaarsche landen van
de geheele wereld maakten. Kon ik denken, dat het voor 't opkomend
geslacht eenig goed zou doen, o, graag gaf ik mijn toestemming, dat de
beenderen van den een of anderen aardigen struikroover (hoe aardiger,
des te grager ik tusschen twee haakjes mijn toestemming zou geven)
wierden opgegraven en bij stukken en brokken ten toon gesteld aan
dezen of genen mijlpaal, poort of galg, die men maar geschikt mocht
achten, om te dezen aanzien aan 't doel te beantwoorden. Mijn rede is
er evengoed van overtuigd, dat deze heeren onder de alleronwaardigste
en liederlijkste deugnieten behoorden, als ze van den anderen kant
hiervan overtuigd is, dat de wetten en gevangenissen hen in hun kwade
practijken verhardden, of dat hun verwonderlijke ontsnappingen in de
hand werden gewerkt door de cipiers, die in die bewonderenswaardige
dagen zelven altijd misdadigers geweest waren en tot het laatst toe hun
boezemvrienden en drinkeboers waren. Ook weet ik, gelijk allen weten
of althans dienden te weten, dat het onderwerp der gevangenistucht
voor onze menschelijke samenleving van 't uiterste gewicht is, en
dat Amerika voor zijn op dit punt de baan schoonvegende hervorming
en in 't oogloopend voorbeeld voor andere landen, groote wijsheid,
groote goedertierendheid en gezuiverd staatmansbeleid aan den dag
heeft gelegd. Door zijn stelsel te vergelijken met dat, 't welk wij
op zijn leest geschoeid hebben, wil ik alleen dit aantoonen, dat
het onze, met al zijn tekortkomingen, toch nog het een of ander op
't zijne vooruit heeft. [2]
Het Verbeterhuis, dat ons tot deze opmerking aanleiding heeft gegeven,
is niet, gelijk andere gevangenissen, ommuurd, maar in de rondte
met groote ruwe staken gepalissadeerd, in den trant bij voorbeeld
van een ruimte waar olifanten in gehouden worden, zooals men dit op
oostersche platen en schilderijen af ziet gebeeld. De gevangenen dragen
een bonte kleeding; en zij, die tot zwaren arbeid veroordeeld zijn,
moeten spijkers maken of steenen houwen. Toen ik daar was, was de
laatste klasse van werklui bezig met het steenhouwen voor een nieuw
tolhuis, dat te Boston gebouwd wordt. Ik merkte, dat het werk hen
goed en vlug van de hand ging, ofschoon er zeer weinigen bij waren,
(als ze er bij waren), die dat niet in de gevangenis geleerd hadden.
De vrouwen, die zich allen in één groot vertrek bevonden, werden
gebruikt om dunne kleedingstoffen te maken voor New-Orleans in de
Zuidelijke Staten. Evenals de mannen deden zij haar werk stilzwijgend;
en evenals de mannen werden zij nagegaan door den persoon die voor haar
werk in moest staan of door iemand van zijnentwege daartoe aangesteld.