maar niettemin zekere uitwerking na te gaan, die deze inrichting op de
smalle gemeente van Boston uitoefende; en telkens en telkens weer te
bespeuren hoe die inrichting den smaak en de begeerten veredeld had,
hoe door haar de innigste vriendschap ontstaan was, wat al ijdelheid
en vooroordeel zij uit den weg geruimd had. Het gouden kalf, dat
men in Boston aanbidt, is een dwerg, vergeleken bij de reusachtige
kalverenbeelden, die opgericht zijn in andere deelen van dat groote
handelskantoor, dat daar aan gindsche zij van den Atlantischen Oceaan
ligt, en de almachtige dollar verzinkt tot iets, dat vergelijkenderwijs
onbeduidend mag heeten, onder een geheel Pantheon van betere goden.
Ik geloof dan ook in alle oprechtheid des harten, dat de openbare
inrichtingen van liefdadigheid in deze hoofdplaats van Massachusetts
der volmaaktheid zoo nabij komen als wijsheid, welwillendheid
en menschelijkheid, in haar hoogsten graad van ontwikkeling,
zulke instellingen zou kunnen maken. Nooit in mijn leven trof me de
aanschouwing van geluk, onder omstandigheden van ontbering en ellende,
in die mate als toen ik deze instellingen bezocht.
Het eigenaardige en aantrekkelijke van al dergelijke inrichtingen in
Amerika is, dat de Staat ze òf geheel en al onderhoudt òf bijspringt,
en dat zij (bijaldien ze noch het een noch het ander noodig hebben)
in allen gevalle één lijn trekken met den Staat en zoo in den vollen
nadruk des woords volksinstellingen mogen heeten. Met het oog op
't beginsel en zijn strekking om 't karakter der arbeidende klassen
te verheffen of neer te drukken, ben ik overtuigd dat een openbare
instelling van liefdadigheid oneindig beter is dan een bijzonder
gesticht, met welke rijke fondsen dit laatste ook begiftigd moge
zijn. In ons eigen land, waar 't eerst in den laatsten tijd in
den smaak der besturen is gevallen, om meer dan gewoonlijk acht
te slaan op de groote massa der bevolking of haar bestaan als
voor verbetering vatbare schepsels te erkennen, zijn particuliere
instellingen van liefdadigheid ontstaan, die, zonder voorbeeld in
de geschiedenis der aarde, onder de ellendigen en bedroefden onzer
maatschappij onberekenbaar veel goeds hebben gesticht. Maar aangezien
het burgerlijk bestuur er part noch deel aan heeft, zoo ontvangt het
ook niet het geringste deel der dankbaarheid, die zulke inrichtingen
noodzakelijkerwijze moeten inboezemen; en aangezien het al bitter
weinig bescherming of hulp verleent buiten 't geen van dien aard in
't werkhuis en de gevangenis wordt aangetroffen, zoo is het alles
behalve onnatuurlijk, dat het in 't burgerlijk bestuur eer een streng
meester ziet, die klaarstaat om te kastijden en te straffen, dan een
vriendelijk beschermer, die goedertieren is en waakzaam in het uur
van nood.
De grondstelling dat uit het kwade het goede geboren wordt, wordt ten
sterkste bevestigd door deze inrichtingen thuis, gelijk de verslagen
van 't Prerogatieve Office in Doctors' Commons (college van civilians
of rechtsgeleerden in Londen) in overvloed uit kunnen wijzen. De
een of andere schatrijke oude heer of dame, die dik in behoeftige
bloedverwanten zit, maakt, volgens een matige berekening, iedere
week een nieuw testament. De oude heer of dame, die nooit, zelfs
niet in den besten tijd des levens, bijzonder uitblonk op 't punt
van goedigheid en scheutigheid, is nu van top tot teen vol kwalen en
pijnen; vol inbeeldingen en grillen; vol zwaarmoedigheid, wantrouwen,
achterdocht en landerigheid. Oude testamenten te vernietigen en nieuwe
te verzinnen, is eindelijk en ten laatste de eenige bezigheid van
zoo'n erflater of erflaatster; en bloedverwanten en vrienden (waarvan
sommige klaarblijkelijk zijn grootgebracht geworden om een groot
deel der nalatenschap te erven, en, met het oog daarop, van de wieg
af opzettelijk verleerd hebben om zich op de een of andere nuttige
zaak toe te leggen), deze nu zijn zoo dikwijls en zoo onverwachts
en zoo kort maar bondig van de lijst geschrapt, en er weer opgezet,
en er weer van geschrapt, dat de geheele familie, tot den versten
achterneef toe, bij voortduring in een koortsachtigen toestand wordt
gehouden. Eindelijk wordt het duidelijk dat de oude dame of heer niet
lang meer zal leven; en hoe duidelijker dit wordt, des te duidelijker
bespeurt de oude dame of heer, dat iedereen tegen hun armen ouden
stervenden bloedverwant samenspant; weshalve de oude dame of heer
een anderen laatsten wil maakt--ditmaal stellig den laatsten--dien
in een chineesch porseleinen trekpot wegmoffelt en den volgenden dag
sterft. Dan komt het uit, dat de geheele nalatenschap verdeeld is
onder een half dozijn liefdadige inrichtingen; en dat de overledene
en opgestapte erflater of erflaatster louter uit spijtigheid heel wat
goeds in de hand gewerkt heeft, en dat ten koste van een onmetelijk
bedrag van lagen hartstocht en ellende.
Het Blinden-Instituut te Boston of zooals de officieele titel luidt
"the Perkins Institution and Massachusetts Asylum for the Blind,"
wordt bestuurd door een college van commissarissen die daaromtrent
jaarlijks een verslag uitbrengen aan de corporatie. De behoeftige
blinden van dien Staat worden kosteloos opgenomen. De blinden uit den
naburigen Staat Connecticut, of uit de Staten Maine, Vermont of New
Hampshire, worden alleen toegelaten onder borgstelling van den Staat,
waar zij respectievelijk toe behooren, of, bij gebrek daarvan, dienen
hun vrienden zekerheid te geven aan 't gesticht voor de betaling van
ongeveer twintig pond voor de verpleging en 't onderwijs van 't eerste
jaar, en tien pond voor 't tweede jaar. "Na het eerste jaar," zeggen
de commissarissen, "zal er met iederen pupil een rekening-courant
geopend worden; hij zal gedebiteerd worden voor de kosten zijner
verpleging die een bedrag van twee dollars per week niet zullen te
boven gaan"--ongeveer vijf gulden--"en gecrediteerd zal hij worden
voor 't bedrag dat de Staat of zijne vrienden voor hem betaald hebben;
ook voor hetgeen hij meer verdient dan zijn kostgeld bedraagt, zoodat
al wat hij meer verdient dan één dollar per week, voor hem zelf zal
zijn. Met het derde jaar zal 't bekend zijn of zijn verdiensten meer
bedragen dan 't kostgeld voor zijn verpleging; zoo ja, dan zal 't aan
hem staan, om te blijven en zijn loon te ontvangen, al dan niet. Zij,
die niet in staat blijken te zijn, om de kosten van hun onderhoud te
bedruipen, mogen niet langer blijven; daar 't niet wenschelijk is, de
inrichting in een soort van aalmoezeniershuis te veranderen of andere
dan werkbijen in den korf te houden. Zij, die wegens lichaamsgebreken
of zwakte der zielsvermogens niet werken kunnen, kunnen dan ook geen
leden zijn van een nijvere vereeniging; en kunnen beter verzorgd
worden in gestichten die voor zwakken en zieken opgericht zijn."
Op een zeer mooien wintermorgen ging ik deze plaats opzoeken; ik had
een Italiaanschen hemel boven mij en de lucht was aan alle kanten zoo
helder en klaar, dat zelfs mijn oogen, die niet van de beste zijn,
de kleinste lijnen van afgelegen gebouwen heel goed onderscheiden
konden. Gelijk de meeste andere openbare inrichtingen in Amerika
van dezelfde soort staat ook het Blinden-Instituut een mijl of twee
buiten de stad op een even liefelijke als gezonde plek, en is een
luchtig, ruim en mooi gebouw. Het is gebouwd op een hoogte, die
de haven beheerscht. Toen ik een oogenblik aan de deur stil bleef
staan en merkte hoe frisch en vrij het geheele tooneel was--wat
glinsterende bellen er op de golven tintelden en ieder oogenblik naar
de oppervlakte opborrelden alsof de wereld daar beneden evenals die
daarboven schitterde van 't zonnelicht en de volheid van haar glans
uitstortte,--toen ik, van 't eene zeil naar 't andere kijkende,
ten laatste een schip op zee gewaar werd, een klein wit glinsterend
stipje, het eenige wolkje aan 't stille, diepe en ver zich uitstrekkend
azuur,--en, me omdraaiend, een blinden jongen zag, die zijn gezicht
naar dien kant keerde alsof hij eenig gevoel in zich had van die
heerlijke ruimte,--toen gevoelde ik een soort van smart, dat de plaats
zoo bijzonder licht moest zijn, en rees er een vreemde wensch bij me
op, dat ze om zijnentwille donkerder mocht wezen. Natuurlijk was dat
maar een kortstondige opwelling en louter verbeelding, maar niettemin
gevoelde ik 't diep, o zoo diep.
De kinderen waren aan hun dagelijksche bezigheden in verschillende
kamers, behalve een stuk of wat, die al vrijaf hadden en nu
speelden. Hier draagt men niet eenerlei kleeding zooals in vele
inrichtingen; en om twee redenen was ik daar zeer blij om. Ten eerste,
omdat ik zeker ben dat niets dan onzinnige sleur en gedachteloosheid
ons verzoenen kan met de livreien en kenteekenen, waar we thuis zoo
dol veel van houden. Ten tweede, omdat de bezoeker bij ontstentenis
van deze dingen ieder kind in zijn of haar eigen karakter met zijn of
haar ongeschonden individualiteit kan zien, zonder dat dit karakter
verloren gaat in een sombere, leelijke, eentonige herhaling van 't
zelfde nietsbeteekenende kleedingstuk, iets dat werkelijk een zaak
van hoog gewicht is. De wijsheid om, wat hun voorkomen betreft, zelfs
onder de blinden een beetje onschuldige fierheid aan te moedigen,
of de grillige ongerijmdheid om, gelijk wij, Engelschen, doen,
liefdadigheid en een leeren broek als onafscheidelijke metgezellen
te beschouwen, ziedaar iets dat geen Commentaar van noode heeft.
In iederen hoek van 't gebouw heerschte orde, zindelijkheid en
gemak. De verschillende klassen, die om hun meesters heenstonden,
beantwoordden de hun gedane vragen vlug en met nadenken, terwijl de
aardige wijze waarop ieder zijn best deed, om 't van zijn buurman te
winnen, mij recht veel pleizier deed. Zij, die aan 't spelen waren,
waren opgeruimd en maakten evenveel leven als andere kinderen. Er
scheen veel meer wezenlijke en innige vriendschap onder hen te bestaan,
dan men gewoonlijk onder andere jonge menschen aantreft die geen
gebrek kennen; maar dit verwachtte ik en was daarop voorbereid. Dat
behoort ook al tot het groote raadsbesluit van 's Hemels genadige
zorg voor de ongelukkigen dezer wereld.
In een opzettelijk daarvoor ingericht gedeelte van 't gebouw zijn
werkplaatsen voor blinden, wier opvoeding afgeloopen is en die een
ambacht geleerd hebben, maar het wegens hun organisch gebrek in een
gewonen winkel niet voort kunnen zetten. Hier waren verscheidene
personen aan den gang; ze maakten borstels, matrassen en zoo voorts;
en de vroolijke stemming, bedrijvigheid en orde, die in elk ander
gedeelte van 't gebouw vielen op te merken, ze heerschten ook in
dit departement.
Zoodra er een bengel luidde, begaven al de kweekelingen zich zonder
eenigen gids of leidsman naar een ruime muziekzaal, waar ze in
een voor dat doel opgericht orchest plaats namen, en met kennelijk
genoegen naar een fantasie op 't orgel luisterden, die door een der
hunnen gespeeld werd. Toen dat stuk uit was, werd de uitvoerder, een
jongen van een jaar of twintig, door een meisje vervangen, en door
haar geaccompagneerd zongen zij allen een gezang, en daarna een soort
van koor. Men werd er naar van hen te zien en te hooren, al waren zij
in hun toestand ontegenzeglijk gelukkig; en ik zag dan een zeker blind
meisje (ten gevolge eener ziekte voor 't oogenblik van 't gebruik van
hare ledematen beroofd) vlak naast mij zat met haar gezicht naar hen
toegekeerd, en in stilte schreide terwijl zij luisterde.
Het is vreemd, de gelaatstrekken der blinden waar te nemen en dan
te zien hoe onbewimpeld hun gedachten zich daarop afteekenen;
een waarneming, naar aanleiding waarvan een man met oogen wel
blozen mag over 't masker dat hij draagt. Daargelaten een zweem
van verlegenheid, waar hun voorkomen nooit vrij van is, en die,
we mogen dit gerust veronderstellen, ook uit onze eigen gezichten
spreekt als we probeeren om onzen weg in den donker te gaan voelen,
dat nu daargelaten, wordt elk denkbeeld, zooals het bij hen oprijst,
met de snelheid des lichts en de waarheid der natuur uitgedrukt. Als
het gezelschap op een partij of receptie ten hove maar voor eenigen
tijd even onbewust was van de oogen, die op hen gevestigd zijn als
blinde mannen en vrouwen, wat al geheimen zouden er uitkomen, en wat
een bewerker van huichelarij zou dit gezicht, waarvan wij het gemis
zoozeer betreuren, schijnen te wezen!
Die gedachte schoot me te binnen, toen ik in een andere kamer voor
een blind doofstom meisje zat, dat buitendien beroofd was van 't
zintuig van den reuk, en, wat daarmee zoo nauw in verband staat, van
't zintuig van den smaak: een mooi, jong schepseltje van teeren bouw,
waarin elk menschelijk vermogen en hoop en kracht der goedheid en der
liefde gehuisvest was, doch met slechts één zintuig, één uitwendig
zintuig toegerust--het zintuig van 't gevoel. Daar zag ik ze voor me,
als 't ware gebouwd in een marmeren cel waar geen enkele lichtstraal en
niet het geringste geluid in door kon dringen; met haar magere witte
hand door een spleet in den muur heengestoken, den een of anderen
menschlievenden mensch om hulp wenkende, dat die een Onsterfelijke
ziel mocht wakker maken.
Lang voordat ik naar haar keek, was die hulp gekomen. Haar gezicht
straalde van verstand en genoegen. Door haar eigen hand gevlochten,
was heur haar opgebonden rondom een hoofd, waarvan de verstandelijke
kracht en ontwikkeling op zoo schoone wijze door de gelaatstrekken en
de breede open wenkbrauwen werd uitgedrukt; door haar zelve in orde
gebracht, was hare kleeding een model van netheid en eenvoud; haar
breiwerk lag naast haar; haar schrijfboek op den lessenaar waar ze
op leunde.--Uit den treurigen bouwval van haar rampzalig bestaan was
van lieverlede dit lieve, teedere, arglooze, dankbare wezen verrezen.
Evenals andere bewoners van dat huis, droeg zij een groen lint om
haar oogleden gebonden. Een pop, die zij aangekleed had, lag naast
haar op den vloer. Ik nam die pop op, en zag dat ze een groen lint,
zooals zij zelve droeg, gemaakt en dat voor de nagebootste oogen der
pop gebonden had.
In een kleine afgesloten ruimte, die door schoollessenaars en banken
gemaakt was, zat zij haar dagboek te schrijven. Maar zij maakte
dit werk gauw af en trad in een levendige gebarenwisseling met een
onderwijzeres die naast haar zat. Deze was een lieveling van 't arme
kind. Ik ben er zeker van, dat als zij het gezicht van haar schoone
onderwijzeres had kunnen zien, zij haar niet minder lief zou hebben.
Ik heb eenige losse fragmenten van haar geschiedenis uit een verslag
getrokken, dat geschreven was door dienzelfden man die haar gemaakt
heeft tot wat zij is. Het is een zeer mooi en treffend verhaal,
en ik wenschte dat ik het geheel en al mee kon deelen.
Haar naam is Laura Bridgman. "Ze was den een en twintigsten December
1829 te Hanover, New-Hampshire, geboren. Volgens de beschrijving
moet ze een allerlevendigst en lief kind geweest zijn met heldere
blauwe oogen. Tot aan den leeftijd van anderhalf jaar was ze echter
zoo tenger en zwak, dat haar ouders maar een flauwe hoop hadden,
haar te behouden. Zij leed aan geweldige toevallen, die boven haar
krachten schenen te gaan, en zooals men zegt, hing haar leven aan
een zijden draadje, maar toen ze anderhalf jaar oud was, scheen zij
er bovenop te komen; de gevaarlijke verschijnselen verminderden,
en toen ze twintig maanden oud was, was ze volmaakt wel.
"Snel ontwikkelden zich toen hare zielsvermogens, die tot dusverre in
hun groei tegengehouden waren; en als we het bericht eener moeder,
die dol veel van haar kind hield, mogen gelooven, dan legde zij
gedurende de vier maanden gezondheid, die zij genoot, een hooge mate
van bevattelijkheid aan den dag.
"Maar plotseling werd ze weer ziek; vijf weken lang woedde haar
ziekte allergeweldigst, haar oogen en ooren werden ontstoken, en
veretterden geheel en al. Maar ofschoon zij èn gezicht èn gehoor voor
altijd kwijt was, was het lijden van 't arme kind daarom nog niet
gedaan. Zeven weken lang woedde de koorts; vijf maanden lang moest
ze te bed blijven in een donker gemaakte kamer; een jaar verliep
er voordat ze zonder steun kon loopen, en twee jaar voordat ze den
geheelen dag op kon zitten. Nu kwam men tot de treurige ontdekking,
dat haar reukorgaan bijna geheel en al vernietigd, en bijgevolg haar
smaak erg verstompt was.
"Niet voor haar vierde jaar scheen de lichamelijke gezondheid van 't
arme kind hersteld te zijn, en eerst toen was ze in staat om iets van
't leven en de wereld te leeren kennen.
"Maar in wat voor toestand bevond zij zich! Om haar heen de duisternis
en de stilte, van 't graf; geen moederlijke glimlach lokte een glimlach
op haar gezicht, geen vaderlijke stem leerde haar, om zijn klanken na
te bootsten;--haar broers en zusters waren niet anders dan voorwerpen
die zij kon aanraken; nu ja, maar die overigens alleen in zoover van
de meubelstukken thuis verschilden, dat zij warm waren en zich konden
bewegen; en zelfs in dit tweeërlei opzicht waren ze voor haar niet
van den hond en de kat te onderscheiden.
"Maar de onsterfelijke geest, die haar ingeplant was, kon niet sterven,
noch bedorven of verminkt worden; en ofschoon de meeste zijner
toegangen van gemeenschap met de wereld waren afgesneden, begon hij
zich door de anderen te openbaren. Zoodra zij kon loopen, begon ze de
kamer te onderzoeken; daarna het huis; ze werd gemeenzaam met den vorm,
den omvang, het gewicht, en den warmtegraad van ieder voorwerp, waar
ze haar handen maar op leggen kon. Zij volgde haar moeder en voelde
haar handen en armen, als die met haar huiswerk in de weer was; en
haar neiging om na te bootsen spoorde haar aan, om alles zelve nog
eens over te doen. Ze leerde zelfs een beetje naaien en breien.
"Ik zal den lezer evenwel niet opzettelijk behoeven te doen opmerken,
dat de gelegenheden, om gemeenschap met haar te oefenen, zeer, zeer
beperkt waren; en dat het niet lang duurde, of de zedelijke gevolgen
van haar rampzaligen toestand kwamen voor den dag. Zij, die langs
den zedelijken weg niet verlicht kunnen worden, kunnen alleen door
geweld worden geleid; een omstandigheid die, gepaard met haar groote
ontberingen, haar spoedig in een toestand zou gebracht hebben nog
erger dan die van beesten, ware het niet, dat er bijtijds onverwachte
hulp op kwam dagen.
"Toen der tijd was ik zoo gelukkig van 't kind te hooren, en vertrok
onmiddellijk naar Hanover om 't op te zoeken. Ik vond haar met
een welgevormd uiterlijk; een sterk geteekend, nerveus-sanguinisch
temperament, een breed en schoon gevormd hoofd en 't geheele systeem
in gezonde actie. Het kostte mij niet veel moeite de ouders over te
halen, om hun toestemming te geven, dat het kind te Boston zou komen,
en den 4 October 1837 brachten zij het naar 't Instituut.
"Gedurende eenigen tijd was zij allesbehalve op haar gemak, en nadat
men een paar weken gewacht had, in welken tusschentijd zij met haar
nieuw verblijf bekend werd gemaakt, en ook met de overige bewoners
ietwat gemeenzaam was geworden, probeerde men, haar op de hoogte
te brengen van willekeurige teekens, waarmee zij van gedachte kon
wisselen met anderen.
"Van tweeën één: òf men kon in dit geval een teekentaal bouwen op
den grondslag van de natuurlijke taal die zij zelve al begonnen
had, òf men kon haar de algemeen in gebruik zijnde willekeurige
taal leeren. Met andere woorden: men kon haar òf een teeken geven
voor ieder afzonderlijk voorwerp, òf kennis van letters met behulp
waarvan zij haar denkbeeld van 't bestaan, en de wijze van bestaan,
onverschillig van welk voorwerp, uit zou kunnen drukken. De eerste
methode zou gemakkelijk geweest zijn maar zeer weinig aan 't doel
beantwoord hebben; de tweede scheen zeer moeilijk, maar, eenmaal
voltooid, alleszins doeltreffend. Ik besloot derhalve, hier den
laatsten weg in te slaan.
"De eerste proeven werden genomen met voorwerpen van algemeen gebruik,
zooals messen, vorken, lepels, sleutels enz., waar men een soort van
etiquette op vastplakte met den naam in zoogenaamd opgelegd schrift
er op. Dit schrift bevoelde ze zeer attent, en ze merkte natuurlijk
al heel spoedig, dat de kromme lijnen of teekenen van 't woord lepel
evenveel van die van 't woord sleutel verschilden als de lepel in
vorm verschilde van den sleutel.
"Toen werden haar kleine losse etiquetten. met dezelfde woorden er op
gedrukt, in handen gegeven en merkte ze al heel gauw, dat ze gelijk
waren aan die, welke men op de voorwerpen geplakt had. Dat zij deze
gelijkheid ontdekte, toonde ze hierdoor, dat ze de etiquette sleutel
op den sleutel legde, en de etiquette lepel op den lepel. Hier werd
zij aangemoedigd door 't natuurlijk teeken van goedkeuring, door haar
namelijk op 't hoofd te tikken.
"Hetzelfde werd toen gedaan met al de voorwerpen die zij hanteeren
kon; en zeer gemakkelijk leerde zij er de etiquetten op leggen die er
bij behoorden. Het lag evenwel voor de hand, dat de verstandelijke
oefening niet verder reikte dan tot nabootsen en onthouden. Zoo
herinnerde zij zich dat de etiquette boek op een boek gelegd was, en
herhaalde de handeling eerst uit nabootsing, daarna uit het geheugen,
met geen andere drangredenen dan dat ze graag een pluimpje kreeg,
maar kennelijk zonder zich zelve eenigermate bewust te zijn van
't verband tusschen de dingen.
"Na een poos werden haar in plaats van etiquetten de afzonderlijke
letters gegeven op losse reepjes papier: men legde ze naast elkaar,
dat ze het woord boek, sleutel enz. spellen kon; dan werden die letters
door elkaar geschud en gaf men haar een teeken, dat zij ze zelven zoo
moest rangschikken, dat ze de woorden boek, sleutel enz. uitdrukten,
wat zij dan ook deed.
"Tot nogtoe was alles werktuigelijk gegaan en de uitslag zoo wat even
groot als dat men een vluggen hond een massa kunstjes leert. Het arme
kind had er in stomme verbazing bij gezeten en al wat haar onderwijzer
deed geduldig nagebootst: maar nu begon een flikkering van 't licht der
waarheid in haar ziel door te dringen, nu begon, met andere woorden,
haar verstand te werken: zij bemerkte, dat hier een weg was, langs
welken zij zich een teeken kon maken van elk voorwerp dat in haar
eigen ziel was, en dit aan een andere ziel kon toonen: en zie, op eens
werd haar gezicht door een menschelijke uitdrukking verlicht: niet
langer was 't een hond of papegaai: het was een onsterfelijke geest,
die zich met vurig verlangen vastklemde aan een nieuwe schakel van
vereeniging met andere geesten! Ik kon bijna het oogenblik waarnemen
waarop deze waarheid voor haar ziel aanbrak en haar licht over haar
volkomen verspreidde: ik zag, dat wij nu de grootste zwarigheid te
boven waren en er voortaan slechts geduld en volharding vereischt
werd om volkomen te slagen.
"De tot hiertoe verkregen uitkomst is gauw verteld en kan gemakkelijk
worden nagegaan; maar niet alzoo de gang van zaken zelf; want
verscheidene weken verliepen er, dat men schijnbaar tevergeefs gearbeid
had, voor en aleer men het gewenschte doel bereikte.
"Toen we zoo even van een teeken gewaagden, dat gemaakt werd,
wilden we daarmee dit zeggen, dat de handeling door haar onderwijzer
verricht werd, terwijl zij zijn handen bevoelde en vervolgens de
beweging nadeed.
"De volgende stap bestond hierin, dat men zich een stel metalen
stiften verschafte met de verschillende letters van 't alphabet aan
't end; ook een bord met vierkante gaatjes, waar zij de stiften in
kon zetten, zoodat zij alleen de einden daarvan met de letters boven
de oppervlakte voelen kon.
"Wanneer men haar nu een of ander voorwerp ter hand stelde, bij
voorbeeld een potlood of een horloge, dan moest zij de letters
uitzoeken die er het woord van uitmaakten, welke letters zij dan op
haar bord rangschikte en met blijkbaar genoegen las.
"Ettelijke weken had zij al op deze wijze les gekregen, totdat ze
al vrij wat woorden beethad; en toen ging men tot den gewichtigen
stap over, om haar te leeren hoe zij de verschillende letters met
haar vingers kon maken, in plaats van den omslachtigen toestel van
't bord en de drukletters. Zij leerde dit spoedig en gemakkelijk,
want haar verstand begon reeds haar onderwijzer in de hand te werken.