sukkelden we, min of meer zwak en akelig, gewoonlijk zoo wat een uur
voor den eten deze kajuit binnen, en gingen dan op sofa's liggen om
een beetje op ons verhaal te komen; in welken tusschentijd de kapitein
bij ons placht binnen te komen, om ons te zeggen hoe de wind was,
en dat hij de zedelijke zekerheid had, dat de wind morgen wel uit
een anderen hoek zou waaien (op zee zal het weer altijd morgen wel
beter zijn), dat het schip zooveel en zooveel knoopen per uur liep,
en wat dies meer zij. Waarnemingen waren er in 't geheel niet mee te
deelen, want er was geen zon te zien. Maar een beschrijving van één
dag moge voor al de overige gelden. Dies volge ze.
Als nu de kapitein weg is, maken we ons gereed om te lezen als 't
daartoe licht genoeg is, en zoo niet, dan gaan we beurtelings wat
dutten en praten. Om één uur gaat er een bel en komt de hofmeesteres
beneden met een dampenden schotel gebakken aardappelen en een
anderen schotel gebraden appelen, met schalen krabbetjes, koude ham
en pekelvleesch; of misschien met een rookenden schotel ongewoon heete
lapjes. Op al die lekkernijen vallen we aan, eten er zooveel mogelijk
van (we hebben nu ergen trek) en houden er ons zoo lang mogelijk
mee bezig. Als 't vuur wil branden (soms wil het), dan zijn we vrij
wel in onzen schik. Zoo niet, dan maken we elkaar de opmerking, dat
het erg koud is, wrijven in onze handen, bedekken ons met jassen en
mantels, en gaan weer liggen om te dutten en te praten en (op de zoo
even aangeduide voorwaarden) te lezen totdat het etenstijd is. Om vijf
uur luidt er nog een bel, en alweer verschijnt de hofmeesteres met nog
een schaal--ditmaal gekookte--aardappelen en een overvloed van allerlei
heete vleeschsoorten: om niet te vergeten het gebraden varkensvleesch,
voor geneeskundig gebruik. En weer gaan we aan tafel zitten (in ietwat
pleizieriger stemming dan den eersten keer), verlengen het maal met een
min of meer beschimmeld dessert van appelen, druiven en sinaasappelen,
drinken ouden wijn en brandewijn met water. De flesschen en glazen
staan nog op tafel, maar de sinaasappelen en zoo voorts rollen naar
verkiezing en naar den gang van 't schip; daar komt de dokter op
een bijzondere uitnoodiging beneden, om een avondje bij ons door te
brengen, en onmiddellijk na zijn komst spelen we een partij whist, en
daar 't dien avond ruw weertje is en de kaarten niet op 't tafelkleed
willen blijven liggen, zoo steekt ieder de slagen, die hij maakt,
in zijn zak. Met voorbeeldige deftigheid blijven we doorwhisten (met
uitzondering van een korten tijd dien we ons gunnen om thee te drinken
en wat geroosterd brood te nuttigen) tot elf uur of daaromtrent; daar
komt onze kapitein weer beneden, met een zuidwester op, die onder
zijn kin is vastgemaakt, en een pijekker aan,--den grond nat makende
overal waar hij maar staat. Nu scheidt men met kaartspelen uit, en weer
worden de flesschen en glazen op tafel gezet; en na een uur gezelligen
kout over 't schip en de passagiers, over koetjes en kalfjes, zet
de kapitein (die nooit naar bed gaat en nooit uit zijn humeur is)
den kraag van zijn jas weer op--want hij moet weer naar boven--schudt
iedereen de hand, en gaat lachend naar boven, hoe ongunstig het weer
ook zij, ja zoo vroolijk, als ging hij naar een verjaarpartij.
Wat dagelijksche nieuwtjes betreft, o daar is geen gebrek aan. Van
dezen passagier vertelt men, dat hij gister in het salon veertien
pond verloren heeft met Vingt-et-un; en van dien passagier vertelt
men, dat hij dagelijks zijn flesch champagne leeg drinkt; en hoe hij
dat doet (want 't is maar een kantoorbediende), dat weet niemand. De
eerste machinist heeft duidelijk gezegd, dat er nooit zulke tijden
waren--hij bedoelt er het weer mee--en vier goeie handen zijn ziek
en hebben 't op moeten geven om nog langer te werken. Verscheiden
hutten staan vol water en al de kajuiten zijn lek. De kok, die
beschadigde whiskey wat al te druk in 't geniep heeft toegesproken,
is dronken gevonden en heeft nu kennis gemaakt met de brandspuit,
totdat hij weer nuchter was. Al de hofmeesters zijn herhaaldelijk,
als 't etenstijd was, van de trappen gevallen en loopen er nu bij
met pleisters op verschillende plaatsen van hun lichaam. De bakker
is ziek, de banketbakker insgelijks. Een nieuweling, die vreeselijk
ongesteld is, is gerequireerd geworden om de plaats te vervullen van
laatstgenoemden beambte en is met een hoop leege vaten in een klein
huisje op 't dek gebarricadeerd geworden met order om pasteikorst uit
te rollen, waartegen hij aanvoert (hij heeft, moet men weten, erg veel
last van de gal) dat het zijn dood is om er naar te kijken. En dan
zou men altemet durven vragen of er nieuws was aan boord! Nieuws! Een
dozijn moorden aan wal zouden minder belang inboezemen dan deze
kinderachtige voorvalletjes op zee.
Onzen tijd tusschen onze "avondjes" en dergelijke ongevalletjes
verdeelende, liepen we, naar we meenden, den vijftienden avond
onder een labberkoelte en bij lichte maan de haven van Halifax
binnen--we waren inderdaad den vuurtoren al voorbij en hadden de
loodsen aan 't werk gesteld--daar stiet het schip op eens op een
modderbank. Natuurlijk was alles op dek terstond in rep en roer;
in een oogenblik stroomden allen naar de kanten van 't schip toe; en
gedurende een paar minuten verkeerden we in zoo'n staat van verwarring
als de grootste minnaar van wanorde maar zou kunnen begeeren. Daar
echter de passagiers en kanonnen, en watervaten en andere zware dingen,
naar achteren gestuwd werden, om 't schip van voren lichter te maken,
raakte het gauw weer vlot; en na een tijdlang naar een onpleizierige
streep van voorwerpen gedreven te zijn (waarvan de nabijheid ons
al heel gauw in ons ongeluk was aangekondigd geworden door een luid
geschreeuw van "Branding aan den boeg!") en nadat het dieplood hoe
langer hoe minder diepte van water aanwees, lieten we eindelijk het
anker vallen in een allervreemdsten hoek, die er zeer buitenlandsch
uitzag, en dien niemand aan boord kon herkennen, alhoewel er overal
land om ons heen was, en zelfs zoo dicht in onze nabijheid, dat we
de op- en neergaande takken der boomen duidelijk konden zien.
Waarlijk een vreemd schouwspel al die tronies te zien, waar de
verbazing zoo onbewimpeld op geteekend stond, toen men daar, in dat
stille uur van middernacht en bij de doodsche stilte, die in 't leven
scheen geroepen te zijn door 't even plotselinge als onverwachte
stilstaan van diezelfde machines, die zooveel dagen onophoudelijk
in onze ooren geklonken hadden: beginnende met de officieren, wier
verbazing als 't ware door al de passagiers heen liep en neerdaalde
tot op de machinisten en stokers incluis, die, een voor een, van
beneden op kwamen dagen, en bij de trap der machinekamer in een
rookerig groepje bij elkaar hokten en daar fluisterend met elkaar
stonden te praten. Nadat we een stuk of wat vuurpijlen opgelaten
en seinschoten gedaan hadden in de hoop van eenige assistentie van
land te zullen krijgen--waar echter taal noch teeken op volgde--werd
er besloten om een boot aan wal te sturen. 't Was aardig om aan te
zien hoe gedienstig sommige passagiers waren, om vrijwillig aan wal
te gaan met deze zelfde boot, natuurlijk ten algemeenen nutte, in de
verste verte niet omdat ze dachten, dat het met het schip niet recht
pluis was, of de mogelijkheid vooruitzagen, dat het op zij zou kunnen
vallen, als 't begon te ebben. Niet minder vermakelijk was 't, om op
te merken, hoe vreeselijk onpopulair de arme loods in één oogenblik
werd. Hij was van Liverpool meegegaan, en gedurende de geheele reis
was hij niet weinig in tel geweest als iemand die de kunst verstond om
anekdotes aan den man te brengen, en uien te tappen. En kijk, dezelfde
personen die 't luidst om zijn aardigheden gelachen hadden, balden
nu de vuist in zijn gezicht, verwenschten hem tot in den afgrond,
en scholden hem uit voor al wat maar leelijk is.
Het duurde niet lang of de boot voer weg met een lantaren en
verschillende blauwe lichten aan boord; en in minder dan een uur
keerde ze terug; terwijl de commandeerende officier een nogal groot
jong boompje meebracht, dat hij met wortel en tak uit den grond
getrokken had, ter geruststelling van zekere wantrouwige passagiers,
die zich maar niet anders verbeeldden of ze waren bij den neus genomen
en zouden stellig schipbreuk lijden, en die op geen andere voorwaarden
wilden gelooven dat hij aan wal geweest was, en niet maar voor de leus
een beetje rond had geroeid in den mist, expres om hen om den tuin te
leiden en hun dood te beramen. Van den beginne af had onze kapitein
ingezien, dat we op een plaats moesten zijn, die de Oostelijke Passage
genoemd werd, en zoo was het ook. Wel is waar was het de laatste plaats
ter wereld, waar we iets hadden uit te voeren of de geringste reden
hadden om te wezen, maar een plotseling opgekomen mist of een kleine
vergissing van den loods waren er de oorzaak van. Wij waren omringd
van zandbanken en klippen en ondiepten van allerlei aard, maar toch,
naar 't scheen, gelukkig terecht gekomen op de eenige veilige plek,
die daar in de buurt te vinden was. En door dit verslag, en door
de verzekering dat de tijd van de eb voorbij was, meer op ons gemak
gekomen, gingen we om drie uur 's morgens weer naar beneden.
Den volgenden dag stond ik me tegen half negen aan te kleeden; daar
maakte de herrie boven, dat ik gauw naar 't dek vloog. Toen ik 't 's
nachts verlaten had, was 't donker, mistig en nat, en overal zagen we
witachtige heuvels om ons heen. Nu gleden we langs een effen, breeden
stroom, en legden elf mijlen per uur af. Vroolijk wapperde onze vlag;
ons scheepsvolk was zoo mooi mogelijk aangedirkt; onze officieren
weer in uniform; de zon scheen als op een schitterenden Aprildag in
Engeland; als met lichte moesjes van sneeuw bedekt, strekte zich het
land aan weerszijden uit; het volk stond aan hun deur; telegrafen
werkten; vlaggen opgeheschen; werven kwamen voor den dag; schepen;
kaaien die van menschen krioelden; geluid dat niet veraf kon zijn;
hoera's; mannen en jongens die de steenen glooiingen afliepen naar
't havenhoofd: en dat alles helderder en vroolijker en frisscher voor
onze, aan zoo'n schouwspel sinds zoo lang ongewone oogen, dan woorden
't zouden kunnen afschilderen. Wij kwamen aan een landingsplaats, die
als met aangapende tronies geplaveid scheen; gingen er aan den kant
liggen, en werden, na 't vieren en spannen van eenige kabeltouwen,
vastgemaakt; nauwelijks was de trap uitgestoken om ons te gemoet te
komen, of we vlogen er naar toe, voordat ze nog op 't schip lag,--en
zie, daar sprongen we weer op den vasten, veiligen grond!
Ik veronderstel, dat men dit Halifax ook zelfs dan als een Elysium zou
aangezien hebben, al was het een plaats geweest, die zich door haar
nare somberheid onderscheiden had. Maar ik nam een allerpleizierigsten
indruk mee zoowel van de stad als van haar inwoners, een indruk die
mij tot op dezen stond is bijgebleven. Het was dan ook niet zonder
leedwezen, dat ik thuis kwam zonder een gelegenheid te hebben gevonden,
om er nog eens aan te gaan, en nog eens de handen te schudden van hen,
wier vriend ik dien dag geworden was.
Toevallig was 't de opening van den Wetgevenden Raad en Algemeene
Vergadering, waarvan het ceremonieel zóó van A tot Z geleek op de
plechtigheden, die bij de opening eener nieuwe Parlementszitting
plaats vinden, en zoo stiptelijk werd in acht genomen, natuurlijk op
verkleinde schaal, dat het precies was alsof men Westminster door 't
verkeerde end van een verrekijker bekeek. Als vertegenwoordiger van
Hare Majesteit sprak de gouverneur dat uit wat men de Troonrede mag
noemen; en wat hij te zeggen had, dat zei hij mannelijk en fiksch. Het
militaire muziekkorps, dat buiten 't gebouw stond, speelde het "God
save the queen" met veel vuur, voordat Zijne Excellentie ternauwernood
gedaan had; het volk riep hoerrah!; die binnen waren, wreven in hun
handen; die buiten waren schudden hun hoofden; de regeeringspartij
zei, dat er nooit zoo'n goede redevoering werd gehouden; de oppositie
verklaarde, dat er nooit zoo'n slechte redevoering gehouden was;
de president en leden van 't Huis stapten op, om veel te wauwelen en
weinig uit te voeren; kortom alles liep daar van stapel, en beloofde
van stapel te loopen, precies als 't bij zulke gelegenheden bij ons
thuis gebeurt.
De stad is gebouwd aan den kant van een heuvel, waarvan het hoogste
punt beheerscht wordt door een sterk fort, dat nog niet geheel en
al af is. Verscheidene straten, die vrij breed zijn en er ook vrij
goed uitzien, loopen van dien top af tot aan den waterkant, en worden
door dwarsstraten doorsneden die parallel met de rivier loopen. De
huizen zijn grootendeels uit hout opgetrokken. De markt is overvloedig
voorzien; en de levensmiddelen zijn buitengewoon goedkoop. Daar het
weer toen ongewoon zacht voor 't seizoen was, werd er niet geard;
maar er waren tal van die voertuigen in tuinen en plaatsen, waarvan
sommige zoo prachtig opgetuigd waren, dat men ze, zooals ze daar
reilden en zeilden, gerust als zegekarren had kunnen gebruiken in
een melodrama in den schouwburg. Het was een dag uit honderden: de
lucht frisch en gezond; het geheele gezicht, dat de stad opleverde,
pleizierig, druk en bedrijvig.
We lagen daar zeven uur, om de brieven af te geven en mee te
nemen. Nadat eindelijk al onze bagage en al onze passagiers weer bijeen
waren (een stuk of drie uitgezochte geesten incluis, die de oesters
en champagne wat al te familiaar aangesproken hadden en derhalve als
lijken gevonden werden op hun rug in onbezochte straten), nadat nu,
zeg ik, alles en allen bijeen waren, werden de machines weer in
beweging gebracht, en stoomden we naar Boston.
Daar we alweer onstuimig weer troffen in de Fundy Baai, was het
dien geheelen nacht en den geheelen volgenden dag weer het oude doen:
tuimelen en rollen dat het een aard had. Den daarop volgenden namiddag,
dat is te zeggen op Zaterdag den twee en twintigsten Januari, kwam
ons een Amerikaansche loodsboot op zij, en spoedig daarna werd de
stoompacket van Liverpool, die achttien dagen onderweg was geweest,
naar Boston getelegrapheerd.
Met welk een belangstelling ik mijn oogen inspande, zoodra de eerste
stukken Amerikaanschen grond als molshoopen uit de groene zee oprezen,
en ze volgden, zooals ze, langzamerhand en schier onmerkbaar al grooter
en grooter wordende, één doorloopende kustlijn vormden, ziedaar iets
dat zich niet laat beschrijven. Een allerscherpste wind woei ons vlak
in 't gezicht; aan wal vroor het dat het kraakte, en vinnig was de
kou. Niettemin, de lucht was zoo helder en klaar, en daarbij zoo droog,
dat de temperatuur niet alleen dragelijk maar zelfs liefelijk was.
Hoe ik op dek bleef, altijd maar in de rondte kijkende totdat we aan
't dok kwamen, en hoe ik, al had ik zooveel oogen als Argus gehad,
die allen wagewijd opengezet en ze allen gebruikt zou hebben om nieuwe
voorwerpen op te nemen,--dat zijn altemaal van die koomenijspraatjes,
waarmee ik dit hoofdstuk niet noodeloos wil verlengen. Ook wil ik er
maar evenals in 't voorbijgaan gewag van maken, dat ik me namelijk
op zijn vreemdelings deerlijk vergiste, toen ik veronderstelde, dat
een troep allerbedrijvigste personen, die met levensgevaar tegen 't
boord opklauterden zoodra wij de kaai naderden, nieuwsboden waren,
van die mannen die aan die nijvere klasse van menschen bij ons
thuis beantwoordden; terwijl ze, ondanks de leeren brieventasschen
die sommigen hunner om den hals droegen en ondanks de breede
vellen in aller handen, uitgevers waren, die de schepen in eigen
persoon bezochten (als een zeker heer met een wollen bouffante om,
me meedeelde) omdat zij er van hielden, het zelf te ondervinden,
als er op die manier een beetje leven in de brouwerij kwam. Laat
me eenvoudig bij deze gelegenheid nog dit vertellen, dat een dezer
indringers, met een prompte hoffelijkheid waarvoor ik hem bij deze
mijn innigsten dank betuig, vooruit liep om kamers in 't logement te
bestellen; en dat toen ik hem volgde, wat ik gauw deed, ik merkte dat
ik de lange passages doorrolde met een onwillekeurige nabootsing van
den tred des heeren T. P. Cooke in een nieuw zee-melodrama.
"Een diner, als 't u belieft," zei ik tot den kellner.
"Wanneer?" zei de kellner.
"Zoo gauw mogelijk," zei ik.
"Rechtuit?" zei de kellner.
Na me een oogenblik te hebben bedacht, zei ik op goed geluk: "Neen."
"Niet rechtuit?" riep de kellner op zoo'n toon van verbazing, dat ik
er van ontstelde.
Ik keek hem vragend aan en herhaalde: "neen, ik wou 't liever in
mijn eentje gebruiken op deze kamer. Ik hou er nogal van, om alleen
te dineeren."
Hierop dacht ik werkelijk, dat de kellner buiten westen zou geraken,
iets wat, naar ik geloof, stellig zou gebeurd zijn, was hier geen ander
tusschen beide getreden, die hem in 't oor fluisterde: "dadelijk."
"Wel, dat spreekt vanzelf!" zei de kellner, mij medelijdend
aankijkende: "rechtuit."
Nu merkte ik, dat "rechtuit" en "dadelijk" woorden van één en dezelfde
beteekenis waren. Ik veranderde dan ook mijn voorafgaand antwoord, en
tien minuten later zat ik te dineeren; en 't was een kapitaal diner,
ja, dat mag gezegd worden.
Het logement (een zeer voortreffelijk logement, tusschen twee haakjes)
heet the Tremont House. Het heeft meer galerijen, colonades, piazza's
en passages dan ik mij herinneren kan en de lezer zou gelooven;
en is een beetje kleiner dan Bedford Square.
III.
BOSTON.
In al de openbare inrichtingen van Amerika heerscht de uiterste
hoffelijkheid. De meeste onzer departementen zijn in dit opzicht voor
aanmerkelijke verbetering vatbaar, maar het Tolkantoor vooral zou wèl
doen als het een voorbeeld nam aan de Vereenigde Staten en zich wat
minder hatelijk maakte jegens de vreemdelingen. De slaafsche roofzucht
der Fransche ambtenaren is verachtelijk genoeg; maar onder de onzen
heerscht een norsche, vlegelachtige onbeleefdheid, even stuitend voor
al de personen die in hun handen vallen, als onteerend voor de natie
die er zulke ongelikte beren op nahoudt, om de vreemdelingen aan haar
poorten af te grauwen.
Toen ik in Amerika aankwam, maakte dit contrast onwillekeurig den
sterksten indruk op me, en trof het me, zoo beleefd, zoo vriendelijk,
zoo innemend als de verschillende ambtenaren van 't Tolkantoor zich
van hun plicht kweten.
Aangezien we, ten gevolge van een of ander oponthoud aan de
landingsplaats, niet voor den donker te Boston aan land gingen,
ontving ik mijn eerste indrukken van de stad, toen ik den eersten
morgen na onze aankomst, die op een Zondag viel, naar 't Tolkantoor
kuierde. Ik durf niet zeggen, hoeveel schriftelijke aanbiedingen van
banken en stoelen ik wel ontving, om de godsdienstoefening bij te
wonen, voordat we nog maar half ons eerste diner in Amerika ophadden,
maar als 't mij vergund mocht zijn, dienaangaande een matige gissing
te maken, zonder 't nu daarom op een haar uit te rekenen, dan zou ik
zeggen, dat er ons ten minste zooveel zitplaatsen werden aangeboden,
dat een stuk of veertig volwassen huisgezinnen het er voorloopig mee
konden stellen. Het aantal geloofsbelijdenissen en religiën, die het
genoegen van ons bijzijn verzochten, was naar evenredigheid vrij groot.
Daar we wegens gebrek aan behoorlijke kleeren dien dag niet naar de
kerk konden gaan, waren we wel genoodzaakt, voor al die vriendelijke
aanbiedingen zonder onderscheid te bedanken, en moest ik tegen wil en
dank het genoegen derven om dr. Channing te hooren, die toevallig
dien morgen weer voor 't eerst na een zeer langen tusschentijd
zou preeken. Ik vermeld den naam van dezen gedistingeerden en
hoogst beschaafden man (met wien ik kort daarna het plezier had,
persoonlijk kennis te maken) opdat ik de zelfvoldoening moge smaken,
mijn nederige schatting van bewondering en eerbied op te brengen voor
zijn uitstekende talenten en voortreffelijk karakter, en voor de koene
menschlievendheid waarmee hij zich steeds heeft aangekant, tegen die
afzichtelijke vlek, die groote schande der menschheid: de slavernij.
Maar om weer naar Boston terug te keeren. Toen ik nu op dien
Zondagmorgen de straten opkuierde, was de lucht zoo helder, waren de
huizen zoo glunder en zoo vroolijk, waren de uithangborden met zulke
levendige kleuren geverfd; waren de vergulde letters zoo schitterend;
waren de baksteenen zoo rood, waren de gehouwen steenen zoo wit, waren
de blinden en balustraden zoo mooi groen, de knoppen en plaatjes aan de
straatdeuren zoo allerglinsterend; en was alles schijnbaar zoo licht en
luchtig, kortom zoo onstoffelijk,--dat het overal, waar men in de stad
passeerde, er precies als een tooneel uit een ballet uitzag. Zelden
gebeurt het in de winkelstraten, dat een winkelier, als ik 't mag
wagen om iemand een winkelier te noemen, waar ieder een koopman is,
boven zijn magazijn woont; zoodat er dikwijls verscheiden zaken in
een en 't zelfde huis gedreven worden, en de geheele voorgevel met
borden en opschriften bedekt is. Toen ik daar langs kuierde, hield
ik deze goed in 't oog, daar ik er stellig op rekende, dat ik ze nog
eens in iets zou zien veranderen; en nooit sloeg ik plotseling een
hoek om zonder dat ik naar den Clown en Pantalon omkeek, die zich,
o ik twijfelde er volstrekt niet aan, in een of ander portaal of
achter den een of anderen pilaar verscholen hadden, en heel dicht
bij de hand waren. Wat Harlekijn en Colombine betreft, ontdekte ik
onmiddellijk dat ze in een erg klein klokkenmakerswinkeltje van één
verdieping naast het logement woonden (in een ballet zien ze immers
altijd naar logies om); een winkeltje, waar, behalve dat de geheele
voorgevel vol van allerlei zinnebeelden en zinspreuken zat, een groote
zonnewijzer uitging--waar men wel doorheen kon springen, natuurlijk.
Zoo mogelijk zien de voorsteden er nog luchtiger, nog onstoffelijker
uit dan de stad zelve. De witte houten huizen (zoo wit, dat men er
onwillekeurig van knipoogt als men er naar kijkt) met hun groene
zonneschermen zijn zoo naar alle kanten verspreid, zonder dat ze
den geringsten wortel in den grond hebben; en de kleine kerken en
kapellen zijn zoo nufferig netjes en glunder, en zoo zwaar vernist,
dat ik bijna geloofde, dat alles, zooals 't daar reilde en zeilde,
als speelgoed van een kind uit elkaar genomen en in een doosje kon
gestopt worden.
Het is een mooie stad, en 't kan niet missen, zoo komt het mij althans
voor, of ze moet op alle vreemdelingen een gunstigen indruk maken. De
woonhuizen zijn meerendeels groot en sierlijk; de winkels buitengewoon
goed; en de openbare gebouwen fraai. Het State-house (het gebouw
waar de staten bijeenkomen) is gebouwd op den top van een heuvel,
die bijna van den waterkant af, eerst trapsgewijze, en daarna zeer
steil boven den grond uitsteekt. Van verre vindt men een groen veld,
de Common genaamd. De ligging is mooi, en van den top af gezien, levert
de geheele stad met haar omstreken een bekoorlijk panorama op. Behalve
tal van gemakkelijke kamers bevat het gebouw twee fraaie zalen, in een
waarvan het Huis der Vertegenwoordigers van den Staat, in de andere
de Senaat zijn zitting houdt. De zaken, die ik hier zag behandelen,
worden met onberispelijken ernst behandeld en met het grootste decorum,
en waren zeker wel berekend om aandacht en ontzag in te boezemen.
Er valt niet aan te twijfelen of de verstandelijke ontwikkeling en
meerderheid van Boston is te danken aan den krachtdadigen invloed
der hoogeschool van Cambridge, die maar een mijl of vier van de
stad afligt. De hoogleeraren dier universiteit zijn geleerde en
veelzijdig begaafde heeren; ja zijn, zonder dat ik een enkele
uitzondering zou weten op te noemen, van die mannen welke iedere
maatschappij in de beschaafde wereld tot sieraad en tot eer zouden
verstrekken. Verscheidene deftige burgers, die in Boston en in de
omstreken wonen, en ik geloof, dat ik hier zonder vrees voor vergissing
gerust mag bijvoegen, de meesten van hen die daar aan de een of
andere fatsoenlijke betrekking verbonden zijn, hebben op deze zelfde
school hun opvoeding genoten. Welke de gebreken van Amerikaansche
hoogescholen ook mogen zijn, ze verspreiden geen vooroordeelen;
fokken geen domperianen of fiemelaars; laten er zich niet mee in om
de begraven asch van oude bijgeloovigheden op te delven; steken nooit
een staak tusschen het volk en zijn vooruitgang; sluiten niemand om
zijn godsdienstige meeningen uit; en toonen vooral, uit hun geheelen
cursus van studie en onderwijs, dat zij een wereld erkennen, en een
wijde wijde wereld ook, die buiten de muren der college-zalen ligt.