SCHETSEN UIT AMERIKA
EN
TAFEREELEN UIT ITALIË,
DOOR
CHARLES DICKENS.
MET ZEVENTIEN HOUTGRAVUREN VAN DALZIEL.
VIJFDE NIEUWE, HERZIENE UITGAVE.
NIJMEGEN--GEBR. E. & M. COHEN.--ARNHEM.
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
SCHETSEN UIT AMERIKA.
I.
MIJN VERTREK.
Nooit zal ik de één kwart ernstige en drie kwart grappige verbazing
vergeten, waarmee ik den derden Januari achttienhonderd twee en
veertig 's morgens de deur opendeed van, en mijn hoofd stak in een
paviljoen of zoogenaamde "Staatsie-hut" aan boord der Brittania,
een stoompacket van twaalfhonderd gemeten tonnen, die bestemd was
voor Halifax en Boston, en Harer Majesteits mail overbracht.
Dat dit paviljoen opzettelijk was afgehuurd geworden voor "Charles
Dickens, Esquire, en Echtgenoote," was zelfs voor mijn alledaagsch
verstand op voldoende wijze begrijpelijk gemaakt door een heel klein
stuksken papier, waarop het feit vermeld stond, welk stuksken papier
aan een nogal luchtige sprei was vastgehecht, die over een nogal dunne
matras hing, waarmee een bijna ontoegankelijke kooi belegd was als een
heelmeesterspleister. Maar dat dit nu het paviljoen was, waar Charles
Dickens, Esquire, en Echtgenoote, ten minste al vier maanden lang dag
en nacht met elkaar over aan 't redekavelen geweest waren,--dat dit nu
met eenige mogelijkheid dat snoeperige kamertje der verbeelding kon
zijn, waarvan, als de geest der profetie maar vaardig over hem was,
Charles Dickens, Esquire, altoos voorspeld had, dat het ten minste
één kleine sofa zou bevatten, maar waarvan zijne vrouw, die een
bescheiden edoch allerprachtigst inzicht in de beperkte afmetingen
van dat snoeperige kamertje der verbeelding had, van den beginne had
vermoed dat er in den een of anderen hoek hoogstens bergplaats zou
wezen voor haar kolossale valiezen (valiezen, die men nu evenmin door
de deur kon krijgen, zelfs niet met horten en stooten, als men een
kameelpardel in een bloempot zou kunnen stoppen),--dat nu deze ten
eenenmale onpractische, door en door hopelooze en allermalste kast
in 't geringste verband stond met die glundere en lieve, om niet te
zeggen met weidsche praal gestoffeerde vertrekjes, zooals die, met
een meesterlijke hand geschetst, op de zwaar verniste steendrukplaat
afgebeeld waren, die men op 't kantoor van den agent te Londen
ziet hangen,--dat nu, om kort te gaan, deze mijne "staatsie-hut"
iets anders kon zijn dan een kluchtige verzinning of aardige grap,
door den kapitein uitgevonden en in practijk gebracht, om zoodoende
zijn passagiers des te grooter verrassing en genot te bereiden met het
werkelijke paviljoen, dat zoo aanstonds geopend zou worden;--zie, dit
waren altemaal waarheden, die mijn verstand voor 't oogenblik inderdaad
te boven gingen. En zoo ging ik zitten op een soort van paardenharen
brits of plank, waarvan er twee zoo in de hut waren, en zonder een
woord te kikken of een spier van mijn gezicht te vertrekken, keek ik
naar een stuk of acht vrienden, die met ons aan boord waren gekomen
en hun tronies op allerhande manieren gestooten en geschaafd hadden,
toen ze door 't smalle deurtje naar binnen probeerden te kruipen.
Voordat we beneden waren, kregen we eerst nog een fikschen schok beet,
die ons, hadden we niet onder de blijgeestige menschen ter wereld
behoord, met de naargeestige voorgevoelens zou vervuld hebben. De aan
verbeelding kennelijk zoo rijke kunstenaar, op wien ik al gezinspeeld
heb, heeft in 't zelfde groote werk een kamer voorgesteld van een
bijna eindeloos perspectief, die, zooals de heer Robins zou zeggen,
met meer dan Oostersche pracht gestoffeerd, en daarbij (maar niet zoo,
dat men er overlast van heeft) met groepjes dames en heeren gevuld
is, die onder elkaar een pret maken dat het een aard heeft. Voor
en aleer wij in de ingewanden van 't schip afdaalden, waren we van
't verdek in een langwerpig smal vertrek gekomen, dat wel iets weg
had van een reusachtige lijkkoets, met ramen aan de kanten. Aan 't
boveneinde stond een sombere kachel, waar een stuk of vier verkleumde
hofmeesters hun handen aan warmden, en langs de geheele lengte
was er aan weerskanten een lange, o, zoo lange tafel neergezet,
met een rek boven iedere tafel, dat opgepropt met glazen en olie-
en azijnstelletjes aan den lagen zolder was vastgemaakt, en, akelig
genoeg, op stortzeeën en stormweer zinspeelde. Tot dusver had ik
het ideale voorgevoel nog niet gehad van al 't genoegen, waarmee de
kamer me naderhand zoo rijkelijk begiftigd heeft, maar ik merkte,
dat een onzer vrienden die er zich mee belast had om datgene, wat
betrekking had op onze reis, in orde te brengen, bleek werd toen hij
binnenkwam, een beetje achteruit trad naar den vriend, die achter
hem stond, zich onwillekeurig voor 't hoofd sloeg, en stotterend bij
zich zelf mompelde: "Onmogelijk! dat kan niet wezen!" of iets van
dien aard. Zich geweld aandoende, kwam hij echter weer zoo'n klein
beetje op zijn verhaal, en na bij wijze van inleiding een paar maal
te hebben gekucht, schreeuwde hij met een spookachtigen lach, die mij
nog altijd bijblijft, terwijl hij meteen naar alle kanten rondkeek:
"Maar, hofmeester, zeg reis, waar is de ontbijtkamer toch?" Allen
voorzagen wij wat het antwoord moest zijn, en begrepen den angst dien
hij uitstond. Dikwijls had hij gesproken van het salon, zich het
denkbeeld, gelijk de kunstenaar dat geïllustreerd had, in 't hoofd
gezet en van lieverlede uitgewerkt,--daarbij ons gewoonlijk thuis aan
't verstand zoeken te brengen, dat wij, wilden we er ons een juiste
voorstelling van vormen, den omvang en het meublement eener gewone
zitkamer met zeven dienden te vermenigvuldigen, als wanneer het er
een beetje op zou gaan gelijken. En toen nu de man hem in antwoord op
zijn vraag de waarheid zei, de plompe, ongenadige, naakte waarheid:
"Dit is 't salon, m'nheer,"--waggelde hij als van den donder getroffen.
Bij personen, die zoo gauw bij elkaar vandaan zouden gaan en tusschen
hun anders dagelijkschen omgang den geduchten grensboom van ettelijke
duizenden mijlen stormachtige ruimte zouden oprichten; die om die
reden den hun nog overblijvenden kortstondigen tijd van gezellig
bijeenzijn niet graag met een andere wolk, zelfs met geen voorbijgaande
schaduw eener oogenblikkelijke teleurstelling of spijtigheid wilden
benevelen,--bij zoo gedisponeerde personen nu ging natuurlijk de
eerste verbazing hierin over, dat men 't uitproestte van lachen; en ik
verklaar u, dat ik zelf ten minste, die nog op de bovenvermelden brits
of plank zat, het uitschaterde dat het schip er van weerklonk. En zoo
werden wij het dan ook in minder dan twee minuten, nadat we de kamer
voor 't eerst betreden hadden, volkomen eens dat deze staatsie-kamer
het gezelligste, aardigste en degelijkste vertrek was, dat men zich met
mogelijkheid kon denken, en het waarlijk onpleizierig en te bejammeren
zou geweest zijn als het maar één duim grooter was geweest. En door
buitendien aan te wijzen--door namelijk de deur op een kier te zetten
en er als slangen door te kruipen naar binnen en naar buiten, en
door het kleine waschplankje tot een tafel te gebruiken--en door nu,
zeg ik, elkaar buitendien aan te wijzen hoe en op welke manier het
ons lukken zou met ons vieren er tegelijk in te kunnen zitten; en
door elkaar verder aan te sporen om toch vooral er op te letten hoe
bijzonder luchtig het was (in 't dok), en hoe'n mooie geschutpoort
er in was, die den ganschen dag open kon blijven (als 't weer het
maar toeliet), en hoe er een groot rond raampje was juist over den
spiegel, zoodat men zich recht op zijn gemak en op de pleizierigste
wijze zou kunnen scheren (als 't schip maar niet al te erg deinde);
door een en ander nu te bedenken en te overdenken, kwamen wij ten
langen leste tot de eenparige gevolgtrekking, dat men geen ruimer
vertrek zou kunnen begeeren, alhoewel ik voor mij geloof dat het,
de beide kooien, die boven elkaar stonden en niet grooter waren dan
een doodkist, er afgerekend, wel zooveel ruimte zal gehad hebben als
van die heerencabrioletten die van achteren opengaan en degenen die er
gebruik van maken, evenals zakken met steenkolen, op de straat loozen.
Eenmaal dit punt tot volkomen genoegen van alle partijen,
belanghebbende en niet-belanghebbende, geregeld zijnde, gingen we om
den haard in de dameskajuit zitten, louter om eens te probeeren of
die wel warmte gaf. Het was er nogal donker, maar er was er een die
zei: "Op zee zal 't hier natuurlijk wel lichter zijn," een voorstel
waar we allen mee instemden, terwijl ieder onzer bij wijze van echo
herhaalde: "natuurlijk, natuurlijk;" ofschoon het erg moeielijk zou
zijn te zeggen, waarom zij zoo dachten. Nog herinner ik me, dat,
toen we een anderen troostgrond ontdekt en afgehandeld hadden in
de omstandigheid dat deze dameskajuit vlak aan onze staatsie-hut
grensde en ons zoodoende het onuitsprekelijk gemak zou verschaffen
om er naar verkiezing bij tijd en ontijd in te gaan zitten, en
daarna in een kortstondig stilzwijgen verdiept, met de hand onder
't hoofd in de vlam zaten te kijken, een uit ons gezelschap op den
plechtstatigen toon van iemand, die een ontdekking gedaan heeft, zei:
"Wat moet het niet prettig zijn, om hier een glas warmen kruidenwijn
te drinken!" welk gezegde den geweldigsten indruk op ons allen scheen
te maken, en geen wonder! want men moet weten, dat er tamelijk wat aan
boord was van al die geurige kruiden, waarmee men zoo'n smakelijken
drank kon bereiden, dat men hem nergens beter vinden kon.
Ook was er een hofmeesteres aan boord, die druk in de weer was om
schoone servetten en tafellakens te halen uit de ingewanden der
sofa's, alsmede uit laden van zoo'n kunstig mechanisme, dat je er
hoofdpijn van kreeg, als je ze haar een voor een open zag trekken en
je dan bespeurde, dat iederen hoek en gat en afzonderlijk meubelstuk
precies iets anders was, dan men wel verwacht zou hebben, ja voor
een echte surprise door kon gaan en voor een geheime bergplaats,
waarvan de schijnbare bedoeling stellig de minst nuttige was.
God zegene die hofmeesteres voor haar vroombedrieglijk verslag van
een reis daarheen in Januari! God zegene haar voor hare duidelijke
herinnering aan den gezelligen overtocht van verleden jaar, toen
niemand zeeziek was en iedereen van 's morgens tot 's avonds danste,
en toen het maar een "uitstapje" van twaalf dagen was, en je louter
voor de pret meegegaan zou zijn! Allerlei soorten van geluk wenschen we
haar toe voor haar vroolijk gezicht en vermakelijk schotschen tongval,
die mijn medereiziger in de ooren klonk dat hij zich onwillekeurig
weer thuis moest verplaatsen. Allerlei soorten van geluk wenschen
we haar toe voor hare voorspellingen van gunstigen wind en mooi weer
(niets kwam er van uit; nu, ik zou anders ook niet zooveel van haar
gehouden hebben) en voor de tienduizend kleine fragmenten van echt
vrouwelijken tact, waardoor ze, zonder ze daarom naarstiglijk aan
elkaar te zetten en er een bepaalden toepasselijken vorm aan te geven,
evenwel nochtans en desalniettemin ten allerduidelijkste bewees, dat
alle jonge moeders aan de eene zijde van den Atlantischen Oceaan haar
aan den anderen kant achtergelaten kleintjes geen oogenblik uit de
gedachten laten gaan; en dat wat den oningewijden een ernstige reis
toescheen, voor hen, die in 't geheim waren, louter een lolletje was,
een lolletje, waarbij braaf gezongen en gefloten werd! Moge zij nog
jarenlang zoo luchthartig blijven, en mogen haar vroolijke oogen nog
jarenlang zoo vroolijk blijven staan!
Onze staatsie-hut was al vrij ruim geworden; maar thans werd ze ons,
hoe zal ik 't uitdrukken? waarlijk al te bakbeestachtig, en ze blufte
bijna op een boograam, waaruit men de zee kon zien. Zoo gingen we
dan met hoog gestemd gevoel weer naar 't dek; daar verkeerde jan
en alleman in zoo'n toestand van bereddering, ja, was iedereen zoo
druk in de weer, dat, hoe koud het dien morgen ook was, het bloed
je onwillekeurig èn sneller èn vroolijker door de aderen liep. Want
ieder zwierig schip voer langzaam op en neer, en iedere kleine boot
plaste gedruischmakend in 't water; en groepjes menschen stonden
met oogen, die van "eerbiedig genoegen" glinsterden, op den steiger
naar de wijd en zijd vermaarde Amerikaansche stoomboot te kijken;
en sommigen van de bemanning waren bezig met het "innemen van de
melk" of, met andere woorden, met het aan boord brengen van de koe;
en sommigen waren er mee bezig, om de kelders aan denzelfden ingang
van versche provisie te voorzien, van vleesch bij voorbeeld en van
groenten, van speenvarkens, kalfskoppen bij de vleet, ossen-, kalfs-
en varkensvleesch en gevogelte van allerlei soort; en sommigen waren
aan 't opschieten van touwen, en bezig met schiemansgaren, en sommigen
waren er mee bezig, om zware balen in 't ruim te brengen; en enkel
het hoofd van den victualie-meester was zichtbaar, zooals het daar, in
een toestand van iemand die wegens verregaande drukte geen raad weet,
te midden van een grooten berg van passagiers-bagage uitstak; en het
scheen wel, of er niets anders gedaan werd en of niemand ergens anders
om dacht, dan om toebereidselen te maken voor deze geduchte reis. Een
en ander nu, gepaard met de heldere koude zon, met de fijne lucht en de
dunne korst morgen-ijs op 't dek, dat met een scherp en niet onaardig
geluid onder den lichtsten voetstap kraakte,--dat alles nu bij elkaar
genomen, was onweerstaanbaar. En toen we weer aan wal gekomen, ons
omdraaiden en aan den mast van 't schip wimpels zagen wapperen van
vroolijke kleuren, waar zijn naam op stond, en daarnaast de schoone
Amerikaansche banier met haar sterren en strepen,--toen verdwenen
de lange drie duizend mijlen en meer, en nog langer, de zes geheele
maanden van afwezigheid, in die mate voor 't oog onzer verbeelding,
dat het precies was alsof het schip vertrokken en weer thuis gekomen
was, en de lente reeds was aangebroken in 't Coburgs-dok te Liverpool.
De kennissen, die ik onder de dokters heb, heb ik er niet naar gevraagd
of schildpadsoep en koude punch, met rijnwijn, champagne en rooden wijn
en al die kleine etcetera's die gewoonlijk in onbeperkten overvloed bij
een goed diner worden aangetroffen--vooral als 't aan mijn feilloozen
vriend den heer Radley, van 't Adelphi-hotel, is overgelaten--wel
bijzonder geschikt zijn om op zee te worden gebruikt, dan of een
eenvoudige schapebout met een paar glazen sherry bij zoo'n gelegenheid
minder voor de spijsvertering deugt. Mijn eigen gevoelen is, dat, als
men kant en klaar staat om een zeereis te doen, het er al bitter weinig
op aankomt, of men te dezen opzichte zwaartillend is, al dan niet,
om de doodeenvoudige reden, dat het, om een dagelijksche spreekwijze
te bezigen, "bij slot van rekening op 't zelfde uitdraait." Ja,
wat hiervan ook zij, ik voor mij weet, dat dien dag het diner niets
hoegenaamd te wenschen overliet; dat er al deze items bij waren,
er nog eene heele zooi meer, en dat we er allen volkomen recht aan
lieten wedervaren. En ook weet ik, dat, met een zekere stilzwijgende
vermijding van de geringste zinspeling op den dag van morgen (zooals
men onderstellen mag, dat er plaats vindt tusschen kiesche cipiers
en een teergevoeligen gevangene die morgen opgeknoopt moet worden),
wij nogal aardig onzen gang gingen en, alle deze dingen in aanmerking
genomen, ons zelfs wel vroolijk genoeg aanstelden.
Toen nu de morgen--de bewuste morgen--aangebroken was en wij elkaar
aan 't ontbijt ontmoetten, was 't curieus om te zien, hoe we er allen
op uit waren, om den geringsten stilstand in 't gesprek te voorkomen,
en hoe verbazend vroolijk iedereen was, zoo verbazend vroolijk zelfs,
dat een spotvogel gerust had kunnen beweren, dat al die vroolijkheid
van ieder lid van 't kleine gezelschap maar gedwongen fraaiigheid was
en net zooveel overeenkomst had met zijn natuurlijke blijmoedigheid,
als de peperdure erwten uit de broeikasten wat geur en smaak betreft
op die erwten gelijken welke aan den dauw en de lucht en den regen des
hemels hun groeikracht ontleenen. Maar toen het zoo zoetjes aan naar
éénen liep, de tijd waarop we aan boord verwacht werden, verdween,
hoeveel geweld zich ieder ook aandeed om dat te verbloemen, deze
radheid van tong van lieverlede, totdat we eindelijk, ten einde raad,
ons masker geheel en al lieten vallen, zonder 't langer onder stoelen
of banken te steken met mekaar nagingen, waar we morgen wel zouden
zijn, en overmorgen, en zoo voorts, en een massa boodschappen meegaven
aan hen die nog dienzelfden avond naar stad meenden terug te keeren,
boodschappen die binnen den kortst mogelijken tijd na de aankomst van
den trein op Easton Square, zonder fout thuis en overal elders moesten
bezorgd worden. En al die boodschappen en al die "Zeg, zal je niet
vergeten" overstelpten iemand op zoo'n tijd zoo geweldig, dat wij er
nog mee in de weer waren, toen we ons als 't ware ineengesmolten vonden
onder een dichte opeenhooping van passagiers en passagiers-vrienden,
en passagiers-bagage, alles door mekaar gesmeten op 't dek eener kleine
boot, die hijgend en snuivend naar de packet stoomde, die gister na
den middag uit het dok gehaald was en nu op de rivier voor anker lag.
En daar ligt het nu! aller oogen zijn gekeerd naar de plaats waar het
schip ligt, dat door den nevel van den 's winters zoo vroeg invallenden
namiddag bezwaarlijk te onderscheiden is; elke vinger wijst in een en
dezelfde richting, en overal hoort men kreten van belangstelling en
bewondering mompelen: "Wat ziet er dat schip mooi uit! Wat 'n slank
schip!" Zelfs de treuzelige heer met zijn hoed op één oor en zijn
handen in den zak, die zooveel troost om zich heen verspreid heeft
door al geeuwende aan een ander heer te vragen of hij ook "naar de
overzij gaat"--alsof 't een veerschuit was--zelfs hij verwaardigt zich,
dien kant eens uit te kijken, en knikt met zijn hoofd alsof hij zeggen
wou: "Ja, dat staat zoo vast als een paal;"--en zelfs de knik van den
wijzen lord Burleigh had niet half zooveel in als de knik van dezen
tragen heer, die zooveel in de melk te brokken heeft en die (gelijk
ieder aan boord, de hemel mag weten hoe! al te weten gekomen is) den
overtocht al zestienmaal gedaan heeft zonder een enkel ongeluk! Er is
nog een ander warmpjes toegestopt passagier die 't bij de overigen
zoo verbruid heeft, dat men hem telt gelijk een groentevrouw een
rotte kool op haar wagen, en dat waarom? Omdat hij zich verstout
heeft met schoorvoetende belangstelling de vraag te opperen, hoelang
het nu al geleden is, dat de arme President is uitgezeild. Hij staat
vlak naast den treuzeligen heer en zegt met een flauwen glimlach,
dat hij gelooft dat het een allersterkst schip is; waarop de trage
heer, na eerst den ondervrager onder de oogen, en daarna strak naar
den wind te hebben gekeken, op eens en onheilspellend ten antwoord
geeft: "ik hoop het om 't schip." Op dit gezegde daalt onze trage
heer oogenblikkelijk nog lager in de algemeene achting, en terwijl de
passagiers hem wantrouwender dan ooit aankijken, fluisteren ze onder
elkaar dat hij een ezel is, en een bedrieger, en er klaarblijkelijk
niet zooveel van af weet als tweemaal de helft van niemendal.
Maar we worden ondertusschen naast de packet vastgelegd, wier hooge
roode schoorsteenpijp zoo dapper aan 't rooken is, dat men niet
behoeft te vragen, of ze 't ook ernstig meent. Pakkisten, valiezen,
reistasschen en koffers zijn al van de eene hand in de andere
overgegaan, en met zoo'n snelheid aan boord geheschen alsof men zich
schier geen tijd gunt om adem te halen. De eenvoudig maar net gekleede
officieren staan aan gangboord om de passagiers een handje te helpen,
en sporen meteen de mannen aan, om zich wat te reppen. In een minuut of
vijf is de kleine stoomboot dan ook geheel en al verlaten, de packet
daarentegen volgepropt met hare laatste lading, die onmiddellijk
het geheele schip overstroomt en in iederen hoek en gat bij dozijnen
aan te treffen is: met hun eigen bagage klimmen zij naar beneden, en
struikelen over die van anderen,--zoo goed en zoo kwaad als het gaat,
beredderen ze al datgene wat er maar eenigszins toe strekken kan, om
hun gemak in hare kajuiten te verhoogen, en veroorzaken door al dat
heen en weer geloop niet weinig verwarring, terwijl al die drukte,
al die herrie nog erger gemaakt wordt door de wilde hofmeesters,
die met hun haar in de war, waar de wind door speelt, de winderige
dekken op en af loopen om dit voor de passagiers na te zien, dat
voor de passagiers mee te brengen. Onder al die bereddering flaneert
onze treuzelige passagier, die geen bagage hoegenaamd ook schijnt te
hebben--nog niet eens zooveel als een kwaker--met een sigaar in den
mond, waar hij af en toe een haaltje aan doet, op zijn doode gemak het
verdek op en neer; en daar hij door die onverschrokken houding weer
rijst in de achting van hen, die den tijd hebben om zijn voetstappen
na te gaan, heeft hij maar eventjes naar den mast of naar 't dek
of over boord heen te kijken, of zij kijken er ook naar, als uit
nieuwsgierigheid of hij hier of daar ook weer iets onheilspellends
bespeurt en in de hoop dat hij, mocht dit werkelijk zoo zijn, wel
zoo goed zal wezen om er gewag van te maken.
Wat is dat? De boot van den kapitein! en daar ginds, de kapitein
zelf. Nu, op mijn woord van eer, dat is juist de man, de man van top
tot teen, zooals we hem gehoopt en gewenscht hadden! Verbeeld je, een
welgeschapen, stevig, pootig kereltje, met een blozend gezicht, dat
een aanbevelingsbrief is, om hem beide handen tegelijk te drukken; en
met een helder blauw eerlijk oog, dat je goeddoet aan je hart, als je
je-zelf er in afgespiegeld ziet. "Lui de bengel! Tingeling, tingeling,
tingeling!" Zelfs de bengel schijnt zich te reppen. "Nu naar wal!--Wie
gaat er mee naar wal?"--Enkele heeren gaan mee. Ze zijn weg, en niemand
hunner heeft ons vaarwel-gezegd. Ha! daar wuiven zij 't ons van uit
het bootje toe. "Goeie reis! Goeie reis!" Drie hoerah's van hun kant,
drie van den onzen, nog eens drie van den hunnen, en.... weg zijn ze.
Op en neer, heen en weer, op en neer, heen en weer, en dat honderdmaal
achter elkaar! Dat wachten op de laatste brievenzakken is 't ergst
van alles. Hadden we onder die laatste ontboezemingen heen kunnen
gaan, kijk, we waren zegevierend vertrokken, maar om nu hier twee
uur en langer in den natten mist te liggen, zonder thuis te zijn en
zonder onder zeil te zijn, dat is verschrikkelijk, ja dat is iets
om je 't land op te jagen, nog zoo. Eindelijk zien we een stipje in
den mist opdagen! Dit is ten minste iets. 't Is de boot, waar we op
wachten! Goddank! dat's één stap tot den vrede! Daar verschijnt de
kapitein met zijn scheepsroeper op de raderkast; de officieren gaan
weer op hun post; alle handen zijn in de weer; de verflauwende hoop
der passagiers herleeft; de koks staken hun geurigen arbeid, en kijken
met oogen waar de grootste belangstelling uit spreekt. De boot gaat
naast de packet liggen; men pakt de zakken aan en smijt ze neer, of
er misdruk in zit. Alweer drie hoerah's: en terwijl het eerste ons in
de ooren klinkt, steunt het schip als een sterke reus, die zoo even
den adem des levens heeft ontvangen; voor 't eerst draaien de twee
groote raderen fier rond; en met een gunstigen wind en gunstig getij
doorklieft het edele schip trotsch de gezweepte en schuimende golven.
II.
DE HEENREIS.
Dien dag dineerden we allen bij elkaar; en 't was waarlijk een
talrijk gezelschap dat toen bijeen was; niet minder dan zes en
tachtig personen. Daar het schip met al zijn steenkolen aan boord
en zooveel passagiers vrij diep ging, en het weer zeer stil was,
was de beweging al heel gering; zoodat, toen we nog niet dachten om
met iets uit te scheiden, zelfs die passagiers, die zich-zelf het
minst vertrouwden, een verbazingwekkenden moed begonnen te scheppen;
en die, welke 's morgens op de algemeene vraag: "kunt u goed tegen de
zee?" een volstrekt ontkennend antwoord hadden gegeven, thans de vraag
òf met de ontwijkende woorden beantwoordden: "Och, ik denk dat ik er
licht zoo goed tegen kan als ieder ander," òf met terzijdestelling
van alle zedelijke verplichting, brutaalweg "Ja" zeiden, en dat
nog wel op zoo'n gebelgden toon, alsof zij er bij wilden voegen:
"Ik zou wel eens willen weten, m'nheer, wat u juist in mij ziet,
dat u recht geeft tot achterdocht!"
Ondanks dien hoogen toon van moed en vertrouwen merkte ik maar al te
goed, dat er maar heel weinigen waren, die rustig en wel achter hun
glas wijn bleven zitten; en dat iedereen ongewoon veel van de open
lucht ging houden; en dat men zonder uitzondering bij voorkeur het
liefst zoo dicht mogelijk bij de deur ging zitten. Ook de theetafel was
in de verste verte niet zoo druk bezocht als de eettafel, en er waren
minder whistpartijen dan men wel verwacht zou hebben. Met uitzondering
van ééne dame, die onder 't eten min of meer gauw was opgerezen,
onmiddellijk nadat men haar de lekkerste snee van een zeer geel
gekookten schapebout met wat heel groene kappers gepresenteerd had,
waren er echter tot dusverre nog geen zieken; met onverflauwde energie
ging men door met wandelen en rooken en brandewijn met water drinken
(maar altijd in de open lucht) totdat het elf uur of daaromtrent was,
en het aan de orde van den nacht kwam om "naar kooi te gaan."--Niemand,
die op zee is en maar een ervaring van zeven uur achter den rug
heeft, zal van "naar bed gaan" spreken.--En nu werd het onophoudelijk
getrappel van laarzenhakken op de dekken vervangen door een diepe
stilte, en werd de geheele lading menschenvleesch beneden opeengepakt,
behalve een stuk of wat achterblijvers, waaronder mijn persoontje,
die er waarschijnlijk, net als ik, tegen opzagen om daar te gaan.
Iemand, die aan zulke tooneelen niet gewoon is, kijkt bij zoo'n
gelegenheid al heel vreemd op. Ook naderhand, toen het nieuwtje er al
lang af was, bleef het in mijn oog belangwekkend en aantrekkelijk. De
duisternis waardoor de groote zwarte klomp zijn koers en zekere
richting houdt; het bruisende water, dat men duidelijk hoort maar niet
dan flauw kan onderscheiden; de breede, witte, blinkende streep, die
den loop van 't schip volgt; de matrozen die van voren op den uitkijk
staan, en bij den donkeren hemel bezwaarlijk zichtbaar zouden zijn,
werden ze niet af en toe door eenige flikkerende sterren beschenen;
de stuurman aan 't rad met de verlichte kaart voor hem, die als een
lichtende stip te midden der duisternis wel wat wegheeft van iets
waarin de zichzelf bewuste geest der Godheid woont; het droefgeestig
gieren van den wind door blok en touw en ketting; het schijnsel
der lichten door iedere reet en spleet en kleine glasruitjes op de
verschillende dekken, alsof het schip de kiemen in zich draagt van
een brand, die zoo aanstonds uit zal barsten en met onweerstaanbaar
geweld dood en verderf om zich heen zal verspreiden. In 't eerst, ja
zelfs dan als het avonduur met al de voorwerpen, waar het verhevener
denkbeelden over inboezemt, u gemeenzaam is geworden, valt het nog
moeielijk, als men alleen aan 't mijmeren is, zijn gedachten haar
eigen vorm en gedaante te doen behouden. Zij veranderen met den loop
der verbeelding, nemen de gelijkenis aan van ver verwijderde dingen;
doen zich voor onder den vorm van levendig voor den geest staande,
innig geliefde plaatsen, ja bevolken ze zelfs met schimmen. Straten,
huizen, kamers, figuren zoo volkomen gelijk aan hen, die er gewoonlijk
gebruik van maakten, dat ze mij geweldig hebben aangegrepen door
hun werkelijkheid, die, zoo scheen 't me toe, al mijn kracht om de
afwezigen op te roepen verreweg te boven ging,--die figuren nu zijn
menigmaal op zoo'n uur plotseling voor den dag gekomen uit voorwerpen,
met wier werkelijke gedaante, gebruik en doel ik evengoed bekend was
als met mijn eigen twee handen.
Daar mijn eigen twee handen, en voeten insgelijks, bij deze bijzondere
gelegenheid echter heel koud waren, kroop ik te middernacht naar
beneden. Ik kan niet zeggen, dat het beneden zoo pleizierig was. Het
was er potjedicht, dat weet ik; en met geen mogelijkheid kon men
onbewust blijven van de aanwezigheid van dat buitengewone mengelmoes
van vreemde luchtjes, zooals men die alleen aan boord van een schip
kan ruiken, luchtjes, die van zoo'n vluchtigen geur zijn, dat ze door
iedere porie der huid schijnen heen te dringen en u den naam van 't
scheepshol schijnen toe te fluisteren. Twee passagiersvrouwen (een
daarvan was de mijne) lagen al sprakeloos van benauwdheid op de sofa,
en een kamenier (die van mijn vrouw) lag als een bundel op den vloer,
haar aanzijn verwenschende en haar papillotten tusschen de hier en
daar neergezette koffers vertrappende. Alles helde den verkeerden
weg op, iets wat op zich zelf de landerigheid niet weinig moest doen
toenemen. Zoo had ik een oogenblik te voren de deur opengelaten in een
zachte helling naar beneden, en toen ik me omdraaide om ze dicht te
doen, zag ik ze op een aanmerkelijke hoogte boven me. Nu eens kraakte
iedere plank en stuk hout, alsof het schip van gevlochten mandewerk
was, dan weer knetterde het als een reusachtig vuur waar men zooveel
droge takken op gegooid had als men maar met mogelijkheid had kunnen
doen. Niets was daartegen te doen dan maar naar bed te gaan; ik ging
dan ook naar bed.
De volgende twee dagen was 't vrijwel één pot nat, met een tamelijk
gunstigen wind en droog weer. Een groot gedeelte daarvan las ik in
bed (maar tot op dit uur weet ik niet wat), en liep af en toe een
oogenblikje op dek te waggelen; dronk kouden brandewijn en water met
een onuitsprekelijken tegenzin, en at harde scheepsbeschuit tegen de
klippen aan: wel nog niet ziek, maar op 't punt van 't te worden.
Het is de derde morgen. Ik word wakker door een vreeselijken
gil van mijn vrouw, die mij vraagt of er ook eenig gevaar is. Ik
rijs op en kijk het bed uit. De waterkruik spat en springt als een
dartele dolfijn; al de kleine voorwerpen liggen te drijven behalve
mijn schoenen, die als een paar koolschuiten hoog en droog op een
reistasch gestrand zijn. Op eens zie ik ze in de lucht springen,
en den spiegel, die aan den muur vastgespijkerd is, bijna tegen den
zolder aan zitten. Meteen verdwijnt de deur, en wordt er een nieuwe
deur geopend in den vloer. Nu begin ik te begrijpen, dat de statiehut
op haar hoofd staat.
Voor en aleer het mogelijk is, het een en ander in orde te brengen,
gelijk dit voor dezen nieuwen staat van zaken vereischt wordt, ligt
het schip weer recht. Voor en aleer men "Goddank!" kan zeggen, ligt
het weer scheef. Voor en aleer men kan zeggen: "het ligt scheef,"
schijnt het vooruitgestoven te zijn en een schepsel te wezen dat druk
in de weer is om met gebroken knieën en te kort schietende beenen
door al wat maar op een gat of kuil gelijkt op zijn eigen houtje heen
te loopen, en op die manier gestadig maar voortstrompelt. Voor en
aleer men zich daarover verwonderen kan, neemt het als 't ware zijn
beenen onder den arm en maakt een bokkensprong in de lucht. Voor en
aleer het dat stuk werk nog geheel en al verricht heeft, duikt het
diep in 't water. Voor en aleer het de oppervlakte bereikt heeft,
maakt het een buitelsprong. Op 't zelfde oogenblik dat het flink
op zijn beenen staat, vliegt het achteruit. En zoo gaat het schip,
al waggelend, rijzend, worstelend, springend, duikend, schokkend,
slingerend, stampend, stootend, krakend voort, en zoo gaan wij door
al deze bewegingen, soms bij beurten en soms allen tegelijk, totdat
men wel op zijn knieën zou willen vallen, en om genade smeeken.
Daar gaat een hofmeester voorbij. "Hofmeester!" "M'nheer?" "Wat is
er toch aan de hand?" "hoe noemt u dit?"
"Och, m'nheer, een zware stortzee, en met den wind op den boeg,
of tegenwind."
Tegenwind! Verbeeld u een menschelijk gezicht aan den voorsteven
van 't schip, met vijftien duizend Simsons die zich als één man
vooroverbuigen om 't terug te duwen en het nauwkeurig in de gaten
houden of 't altemet ook de geringste poging waagt om één duim vooruit
te gaan. Verbeeld u het schip zelf met iederen pols- en slagader van
zijn vervaarlijk lijf gezwollen en barstende onder deze mishandeling,
een eed afgelegd hebbende om vooruit te gaan of te sterven. Verbeeld u
den wind die huilt, de zee die bruist, den regen die klettert: altemaal
in woede tegen hem ontstoken. Schilder den hemel èn donker èn woest,
en de wolken in vreeselijke eensgezindheid met de golven, die een
tweeden oceaan in de lucht maken. Voeg bij dit alles het gekraak en
gekletter boven- en benedendeks; den tred van zich reppende voeten;
het luid en schor geschreeuw van matrozen; het met klokkend geluid in-
en uitstroomen van water door de spijgaten; met nu en dan het neerslaan
van een stortzee op de planken boven, met den diepen, doodschen, zwaren
klank van den donder, zooals die in een gewelf weerklinkt.... en ge
kunt u een denkbeeld vormen van den tegenwind op dien Januari-morgen.
Met stilzwijgen ga ik al datgene voorbij wat men de dienstboden-herrie
van 't schip zou kunnen noemen: bij voorbeeld het breken van glas-
en aardewerk, het neertuimelen van hofmeesters, de bokkesprongen,
hals over kop, van losse vaten, dozijnen gebottelde porter, en dan
de wel zeer hoorbare maar alles behalve opvroolijkende geluiden
die daar oprijzen uit hun verschillende staatsie-hutten, waar de
zeventig passagiers liggen te jeremièren, altemaal te ziek om aan de
ontbijttafel te verschijnen. Nog eens, dat alles ga ik met stilzwijgen
voorbij: waarom? Om de doodeenvoudige reden, dat ik wel een dag of
vier naar dit concert lag te luisteren, maar niet geloof, dat ik
't langer dan 't vierde eener minuut hoorde, na verloop van welken
tijd ik weer doodzeeziek ging liggen.
Niet zeeziek, men versta me wel, in de gewone beteekenis van 't woord:
ik wou dat ik 't geweest was, maar in een vorm dien ik nooit heb
bijgewoond of hooren beschrijven, alhoewel ik er niet aan twijfel
of die vorm is zeer algemeen. Daar lag ik den geheelen dag, niet in
't minst verhit en vrij wel in mijn schik; ik voelde geen zweem van
loomheid en evenmin de geringste begeerte om op te staan, of beter te
worden, of een luchtje te scheppen; ik was niet nieuwsgierig, kende
geen zorg, voelde geen spijt van welken aard of in welken graad ook;
alleen herinner ik me, dat ik onder die volslagen onverschilligheid een
soort van dommelige blijdschap, van duivelsch genoegen smaakte--als men
aan zoo'n slaperigen toestand dien naam mag geven--en dat waarover? Dat
mijn vrouw te ziek was om tegen me te spreken. Als het mij vergund is,
om mijn gemoedsgesteldheid door zoo'n voorbeeld op te helderen, dan zou
ik zeggen dat ik me van A tot Z in den toestand bevond van mijnheer
Willet, den rechter, nadat de muitelingen zijn gestoelte te Chigwell
waren binnengedrongen. Niets zou me verbaasd hebben. Gesteld eens:
door te denken aan huis, was mijn verstand voor een oogenblik door een
enkelen straal verlicht geworden, en nu was er een kaboutermannetje van
een brievenbesteller, met een scharlakenrood vest aan en een schel,
in dat kleine hondenhok voor me verschenen, terwijl ik goed wakker
en het al klaarlichte dag was, en zich nederig verontschuldigde dat
hij nat geworden was doordien hij over de zee gewandeld had, had dat
kaboutermannetje mij een brief ter hand gesteld, aan mij zelven gericht
in welbekende letters,--gesteld nu eens dat zoo iets gebeurd was, o,
ik ben er zeker van, dat ik geen zweem van verwondering zou gevoeld
hebben: integendeel, ik zou het als de natuurlijkste zaak ter wereld
beschouwd hebben. Ja, al was Neptunus, Neptunus in eigen persoon,
bij me binnengekomen met een gebraden haai aan zijn drietand, ik
zou die gebeurtenis beschouwd hebben als een der meest alledaagsche
voorvallen des levens.
Eens--eens vond ik me zelf op dek. Ik weet nog niet hoe, of wat
voor geest me bezielde om daar naar toe te gaan, maar dat ik er was,
dat weet ik; en ik was van top tot teen gekleed ook, met een langen
pijekker aan, en met zoo'n paar laarzen als een zwak man ooit in
zijn hersens zou krijgen om aan te trekken. Ik vond me staande,
toen een flikkering van bewustheid over me kwam, en merkte dat ik me
ergens aan vasthield. Ik weet niet waaraan. Ik denk dat het aan de
bootsman geweest is, of aan de pomp, of misschien aan de koe. Hoelang
ik daar wel geweest was, òf een dag òf een minuut, dat kan ik ook
niet zeggen. Wel herinner ik me, dat ik mijn best deed om aan iets
te denken (aan iets in de geheele wijde wereld, onverschillig wat dan
ook,) doch 't wou maar niet vlotten. Ik kon maar niet uitmaken wat de
zee en wat de lucht was; want de horizont scheen wel dronken en vloog
als een razende Roeland her- en derwaarts. Edoch, hoe bewusteloos ik
ook was, herkende ik toch den treuzeligen heer, die voor me stond: op
zijn zeemans gekleed in een blauw duffels pak en met een zuidwester
op. Maar ik was al te onnoozel, ofschoon ik wist dat hij het was,
hem van zijn kleeding af te scheiden, en zoo herinner ik me dat
ik 't probeerde om hem loods te noemen. Na een tweeden aanval van
volslagen bewusteloosheid merkte ik, dat hij weg was, en herkende
eene andere gedaante in zijn plaats. Het was precies in mijn oog
of ze voor me heen zweefde en golfde alsof ze door een flikkerenden
spiegel weerkaatst werd; maar ik wist dat het de kapitein was, en zoo
sterk was de pleizierige indruk van zijn gezicht, dat ook ik mijn best
deed om te glimlachen: ja, waarachtig, ik deed toen mijn best om te
glimlachen. Ik zag aan zijn gebaren, dat hij het woord richtte tot mij;
dat hij er tegen mopperde, dat ik tot mijn knieën in 't water stond,
iets wat werkelijk het geval was, ofschoon ik natuurlijk niet weet
waarom. Ik probeerde hem te bedanken, maar kon niet. Alleen kon ik
naar mijn laarzen wijzen--of waar ik veronderstelde dat mijn laarzen
waren--en op een erbarmelijken toon zeggen: "kurken zolen," terwijl
ik ondertusschen, zoo heeft hij me naderhand verteld, mijn best deed
om in de plas te gaan zitten. Toen hij merkte, dat ik geheel en al
buiten westen, ja tijdelijk een krankzinnige was, had hij de goedheid
mij naar beneden te brengen.
Daar bleef ik tot ik aan de beterhand was. Telkens als men er bij
me op aandrong om iets te eten, voelde ik zoo'n geweldigen angst,
als alleen te vergelijken is bij den angst dien, naar men zegt, de
drenkeling moet ondervinden als hij van lieverlede weer bijkomt. Een
zeker heer aan boord had een aanbevelingsbrief aan mij van een
wederzijdschen vriend in Londen. Op den morgen toen wij dien geduchten
tegenwind kregen, stuurde hij dien met zijn kaartje naar beneden; en
lang liet het denkbeeld mij geen rust of duur, dat hij op zou wezen,
gezond en wel, en honderdmaal per dag in de verwachting leefde, dat
ik hem in het salon op zou komen zoeken. Ik stelde me hem voor als
een van die gegoten ijzeren beelden (menschen wil ik ze niet noemen)
die met roode aangezichten en vroolijke stemmen vragen, wat zeeziekte
eigenlijk toch inheeft, en of ze werkelijk zoo naar is als men ze
afschildert. Waarlijk dat bracht me niet onzacht op de pijnbank, en
ik geloof niet, dat ik ooit zoo'n volkomen zelfvoldoening smaakte,
ooit zoo innig dankbaar was, als toen ik van een scheepsdokter hoorde,
dat hij verplicht was geweest, een fiksche mosterdpap te leggen op
de maag van dezen zelfden heer. Ik dagteeken mijn herstel van de
ontvangst van dit bericht.
Ik twijfel er niet aan of dit mijn herstel werd, in den materieelen zin
des woords, niet weinig in de hand gewerkt door een hevigen wind, die
bij 't ondergaan der zon langzaam op kwam zetten, toen we zoo wat een
dag of tien onderweg waren; een wind die met trapsgewijze toenemende
woede tot 's morgens doorraasde, behalve dat hij een beetje voor
middernacht een uur lang ging liggen. In de onnatuurlijke rust van
dat weer, en in 't naderhand weer toenemende geweld van den storm,
lag iets zoo onbegrijpelijk akeligs en naars, dat, toen de wind op
zijn hevigst uit begon te barsten, dit bijna een verademing gaf.
Nooit zal ik vergeten hoe het schip gedurende dien nacht op de beroerde
wateren aan 't werken was. "Zal 't ooit wel erger kunnen worden dan
nu?" Ziedaar een vraag die ik dikwijls op had gevangen, als daar alles
om ons heen een leven maakte dat iemand hooren en zien verging, en het
zeker moeielijk scheen te begrijpen, hoe 't mogelijk was, dat iets,
dat eenmaal aan den gang was, meer kon doorgeschud worden zonder over
den kop te gaan, den kelder in. Maar onmogelijk voor de levendigste
verbeelding om te begrijpen wat de beroering is van een stoomschip op
een leelijken winternacht op den woesten Atlantischen oceaan. Als men
zegt, dat het op zijn eene zij in de golven is neergesmakt, dat zijn
masten er in duiken, en dat het, weer opspringend, naar den anderen
kant heenrolt, totdat eene geweldige stortzee met een oorverdoovend
gedruisch, alsof er honderd kanonnen tegelijk worden afgeschoten,
er tegen aan beukt en het terugslaat,--als men zegt, dat het nu eens
stil blijft liggen en wankelt en rilt, alsof het bedwelmd is, en dan
weer met een geweldige hartklopping vooruitschiet als een tot dolheid
geprikkeld monster, om zoo aanstonds door de verbolgene zee te worden
neergesmeten en gebeukt en gekneusd en besprongen,--als men zegt, dat
donder, bliksem, hagel, regen en wind allen hun uiterste best doen, om
de overhand te verkrijgen, en iedere plank haar gekreun, iedere spijker
zijn gil, en iedere druppel waters in den grooten oceaan zijn huilende
stem heeft,--als men dat alles zegt, zegt men nog niets. Kortom, als
men zegt, dat alles grootsch en alles schrikwekkend en geducht is in
den hoogsten graad, dan zegt men nog niets, niets. Woorden kunnen het
niet uitdrukken. Gedachten kunnen er niet bij. Alleen een droom kan
't weer oproepen in al zijn woede, razernij en heftigheid.
En toch, juist toen al deze verschrikkelijke dingen op hun ergst waren,
juist toen bevond ik me in een toestand zoo buitengewoon belachelijk,
dat ik van zijn ongerijmdheid een even duidelijk begrip had als ik
't nu heb, en dat ik mijn lachspieren evenmin in rust kon houden als
ik doen kan bij iedere andere grappige gebeurtenis, die een mensch
maar onder de gunstigste omstandigheden zou kunnen overkomen. Tegen
middernacht werden we onthaald op een stortzee, die zich met geweld
een weg baande door de lantarens, de bovendeur openduwde, en woedend
en bruisend in de dameskajuit te land kwam, tot onuitsprekelijke
ontsteltenis van mijn vrouw en eene kleine Schotsche dame, die, om dit
in 't voorbijgaan te doen opmerken, de voorzorg gebruikt had, om door
tusschenkomst van de hofmeesteres, een boodschap aan den kapitein te
sturen, en wel van dezen inhoud, dat zij hem vriendelijk liet groeten
en niet minder vriendelijk liet verzoeken om er toch vooral zorg voor
te willen dragen, dat er onmiddellijk een bliksemafleider geplaatst
zou worden op den top van iederen mast en op den schoorsteen, opdat
het schip niet door den bliksem mocht getroffen worden. Daar èn zij
èn de hierboven vermelde kamenier zoo door den schrik bevangen waren,
dat ik nauwelijks wist, wat ik met haar beginnen zou, viel 't me
natuurlijk in, om een of ander kalmeerend drankje voor haar klaar te
maken; en daar ik op dat oogenblik niets beters bij de hand had dan
heeten brandewijn en water, zoo maakte ik dan op staanden voet er een
beker tot aan den rand toe vol van klaar. Aangezien het onmogelijk was,
om te staan of te zitten zonder zich ergens aan vast te houden, lagen
ze allen bij elkaar op een hoop in een der hoeken van een canapé--een
ding dat over de lengte der kajuit aan den wand was vastgemaakt--waar
ze als klissen aan elkaar hingen, ieder oogenblik verwachtende dat
ze zouden verdrinken. Toen ik met mijn specifiek geneesmiddel aan
deze plaats kwam, en op 't punt stond om met allerlei vertroostende
uitdrukkingen aan de lijderes toe te dienen, die 't dichtst bij me was,
och, wat werd ik moedeloos toen ik zag, dat ze allemaal langzamerhand
naar den anderen kant heenrolden! En toen ik naar dien kant sukkelde
en het gauw nog eens voorhield, hoe vreeselijk werden mijn goede
bedoelingen alweer in 't aangezicht geslagen doordien het schip alweer
afviel en zij allemaal weer naar de andere zij rolden! Ik veronderstel,
dat ik, om zoo te zeggen, wel minstens een kwartier krijgertje met haar
speelde, zonder ze een enkelen keer te snappen; en toen ik ze eindelijk
en ten laatste snapte, was de brandewijn en water, waar gedurig wat
van weggeloopen was, zoo verminderd, dat het wel op een theelepeltje
kon. Om de groep volledig te maken, is 't noodig dat men zich in hem,
die zoo aardig krijgertje speelde, een doodsbleek individu voorstelle,
die zich te Liverpool voor 't laatst geschoren en 't haar uitgeborsteld
had, en wiens eenige kleedingstukken (linnengoed niet meegerekend) een
kaalversleten broek was, een blauw jacket, dat vroeger de bewondering
wegdroeg op de Theems te Richmond, geen kousen, en één pantoffel.
Van de beleedigende kuren, die het schip den volgenden morgen
uithaalde, waardoor het een bespotting werd om in bed te blijven,
en een onmogelijkheid om op eenige andere wijze op te staan dan door
er uit te tuimelen,--ook daar wil ik liefst het stilzwijgen over
bewaren. Maar nooit, nooit zag ik iets in mijn leven zoo allerakeligst
en naar, als wat mijn oogen ontmoetten, toen ik 's middags letterlijk
op dek tuimelde. De oceaan en de lucht waren van een sombere en
gelijke loodkleur. Zelfs over die vreeselijke wildernis die daar
voor onze oogen lag, kon men zijn blikken niet rond laten weiden,
want de zee stond hoog en de horizont omklemde ons als een groote
zwarte hoepel. Van boven uit de lucht of van den een of anderen
steilen kant aan den oever beschouwd, zal 't ongetwijfeld een even
indrukwekkend als ontzaginboezemend tooneel opgeleverd hebben; maar
van 't natte en heen en weer rollende dek gezien, maakte het alleen
dezen indruk, dat men er duizelig en onpleizierig van werd. Toen
't den vorigen nacht zoo hevig woei, was de reddingboot door één
slag der stortzee uit elkaar geslagen of 't een notedop was; zoo
hing ze daar als een bos losse planken in de lucht te bengelen. De
planken der raderkasten waren dwars door midden geslagen. De raderen
lagen open en bloot; zoodat het schuim her- en derwaarts over 't dek
spatte. De schoorsteen was wit van 't zout dat zich tot een korst had
vastgezet; de bramstengen waren kapot, de stormzeilen beschadigd; al
het want was kletsnat en zat geducht in de war; kortom, een akeliger
schouwspel zou men zich niet voor kunnen stellen.
Dank zij eener hoffelijke uitnoodiging, was ik nu zeer op mijn gemak in
de dameskajuit gevestigd, waar zich behalve ons zelven maar vier andere
passagiers bevonden. Vooreerst de hierboven vermelde kleine Schotsche
dame, wier bestemming New-York was, waar zij zich voor een jaar of
drie neergezet had. Ten tweede en ten derde een fatsoenlijk jonkman
uit Yorkshire die met een Amerikaansch huis in betrekking stond,
in diezelfde stad woonde, en er zijn mooie jonge vrouw heenbracht,
waar hij nog maar veertien dagen geleden mee getrouwd was; een jonge
vrouw zoo bevallig en schoon, dat ik me niet herinner, ooit schooner
en bevalliger onder de Engelsche meisjes uit de provincie te hebben
aangetroffen. Ten vierde en ten vijfde, of ten laatste, nog een paar,
ook onlangs getrouwd, althans te oordeelen naar de bij uitstek lieve
wijze waarop ze met elkaar, omgingen, een paar, waarvan ik alleen dit
weet, dat het een geheimzinnig paar was dat allerwaarschijnlijkst op
den loop was gegaan; dat ook deze jonge vrouw zich door persoonlijke
aantrekkelijkheid onderscheidde, en dat mijnheer meer geweren bij zich
had dan Robinson Crusoe; dat hij een jachtbuis aan had en twee groote
honden aan boord had. Nog valt me in, dat hij als geneesmiddel tegen
zeeziekte heet gebraden varkensvleesch en gebotteld ale probeerde,
en deze geneesmiddelen dag in dag uit (gewoonlijk in bed) met
verwonderlijke volharding gebruikte. Laat mij er, ter wille van hen
die nieuwsgierig naar den uitslag mochten zijn, bijvoegen, dat deze
geneesmiddelen volstrekt niet aan de verwachting beantwoordden.