_De Baron doet een uitstap door de waereld, na een bezoek aan den
berg _Etna_ gegeven te hebben; hij vindt zig zelven weder in
de zuid-zee; bezoekt _VULKANUS_ op zijne reis; komt bij een
_Hollander_ aan boord, waarmede hij landt aan een Eiland van kaas,
liggende in een zee van melk; beschrijving van eenige zonderlinge
voorwerpen.—Zij verliezen hun compas; hun schip glijdt tusschen
de tanden van een visch, onbekend in dit gedeelte van de waereld;
hunne moeite, om zig uit die plaats te verlossen; zij komen in
de _Kaspische_ zee.—De Baron laat een beer dood hongeren in
zijne handen.—Eenige bijzonderheden van een borstrok.—In dit
hoofdstuk, 't welk het laatste en het langste is, draagt de Baron
zedekundige bedenkingen voor over de deugd van trouw en liefde tot
de waarheid._
De reizen van den heer BRYDONE naa _Sicilie_, welken ik met groot
genoegen gelezen heb, haalden mij over, om den berg _Etna_ te
bezoeken. Mijne reis derwaards, en mijne aankomst aldaar leveren geene
bijzonderheden op, die waardig zijn om verhaald te worden. Op een morgen
vertrok ik zeer tijdig uit eene hut, alwaar ik des nachts geslapen had,
en welke zes mijlen van den voet des bergs gelegen was, met voornemen om
dezen vermaarden berg van binnen te onderzoeken, al ware het, dat ik in
deze onderneming moest omkomen. Na eenen zwaren arbeid van drie uuren
bereikte ik de kruin van den berg, welke toen reeds zederd drie weeken
gewoed had. Deze vertoning is door verschillende reizigers bereids zoo
dikwerf beschreven, dat ik u niet wil ophouden met een verhaal van
zaken, welken u zoo bekend zijn.
Ik wandelde rondom den kelk, welke mij toescheen op zijn minst
vijftienmaal groter te zijn dan de punch-kom van den duivel bij
_Petersfield_, op den weg naa _Portsmouth_, maar zoo breed niet op den
bodem: want aldaar gelijkt dezelve meer naar het naauwste gedeelte
van een trechter, dan naar een punch-kom: kortom, ik had mijn besluit
genomen; ik sprong 'er in, met de voeten vooruit, en vond mij op 't
zelfde ogenblik in een hete trekkas, en mijn lighaam gekneusd en op
verscheiden plaatsen gebrand door de gloeiende koolen, die zig, door
hunne geweldige opbruizing, tegen mijne nederdaling verzetteden; maar
mijne zwaarte bragt mij zeer schielijk op den bodem, daar ik, in het
midden van getier en geschreeuw, vermengd met de verschriklijkste
vloeken, aanlandde, en, na mijne zinnen weder vergaard te hebben en van
de vermoeienis bekomen te zijn, eens begon rond te zien. Oordeelt over
mijne verbaasdheid, Heeren! toen ik zag, dat ik in het gezelschap van
VULCANUS en zijne Cijclopen gekomen was, en ontdekte, dat zij gedurende
de drie laatste weeken met elkander getwist hadden, over het onderhouden
van goede orde en behoorlijke ondergeschiktheid, en dat hierdoor dat
groot geraas op de bovenwaereld gedurende dien tijd ontstaan was; maar
mijne aankomst herstelde den vrede onder hen; zelfs deed VULCANUS mij de
eer aan, om pleisters op mijne wonden te leggen, waardoor zij op staande
voet genezen waren; ook zettede hij mij veelerleie ververschingen voor,
in het bijzonder nectar, en andere fijne wijnen, zulken, tot welken
de goden en godinnen alleen recht hebben. Na dit onthaal gebood
VULCANUS aan VENUS, dat zij mij alle inschiklijkheid, welke mijn staat
vereischte, betoonen zoude. Het is mij onmogelijk, om het vertrek en
het ledikant, waarop ik mij ter rust begaf, naar waarde te beschrijven,
waarom ik dit ook niet zal ondernemen: het is genoeg u te zeggen, dat
geen tong in staat is om daaraan gerechtigheid te laten wedervaren, of
van die goedaardige godin te spreken met woorden, welke maar eenigzins
met hare verdiensten overeenkomen; de gedachte daar aan alleen maakt mij
duiselig.
VULCANUS gaf mij een zeer beknopt berigt van den berg _Etna_; hij
onderrigtte mij, dat dezelve niets anders was, dan eene ophoping van
de assche van zijn fornuis; dat hij dikwijls genoodzaakt was om zijn
volk te kastijden, en dat hij, in zijne drift, de gewoonte had om hun
gloeiende kolen na den kop te smijten, welken zij niet zelden met de
grootste vaardigheid afkaatste, en bovenwaards naa de waereld wierpen,
zoodat dezelve hen niet konden raaken: onze oneenigheden, voegde hij er
bij, duuren somtijds drie of vier maanden, en de verschijnselen daarvan
op de waereld, denke ik, dat gij stervelingen uitbarstingen noemt.
Ook verzekerde hij mij, dat de berg _Vesuvius_ een andere van zijne
werkplaatsen was, naa welken hij een toegang had onder het bed der zee,
van drie honderd en vijftig hollandsche mijlen, en dat gelijke kijvagien
aldaar gelijke uitbarstingen veroorzaakte.
Als een nederig opwagter van Mevrouw VENUS zoude ik hier gebleven
zijn; maar sommige bemoeizugtige snappers, die zig in de ondeugd
vermaaken, luisterden VULCANUS iets in 't oor, 't welk in hem eene
onverzoenlijke jaloersheid verwekte. Op zekeren morgen, wanneer ik,
volgends gewoonte, mijne opwagting bij VENUS maakte, nam hij mij, zonder
eenige voorafgaande kennisgevinge, onder zijnen arm, en droeg mij naa
een vertrek, 't welk ik te vooren nooit gezien had, waarin, naar alle
waarschijnlijkheid, een _wél_ was met een zeer wijde opening: hier
hield hij mij boven met een uitgestrekten arm, en zeide: „_ondankbaar
schepsel, keer weder naa de waereld, van waar gij gekomen zijt_:” en
zonder mij tijd tot andwoord en verdediging te geven, smakte hij mij
in het midden neder. Ik voelde, dat ik met eene verdubbelende snelheid
naa beneden vloog, tot dat de ontsteldtenis mij van allen gevoel en
opmerking beroofde. Naar mijne gissing viel ik in zwijn, waaruit ik
spoedig ontwaakte, door het vallen in een groten kom waters, verlicht
door de stralen van de zon. Van mijne jeugd af heb ik goed kunnen
zwemmen, en aardige grappen in het water uitvoeren. In het eerst
verbeeldde ik mij wel, dat ik in het paradijs was, in aanmerking van
den angst en schrik, waaruit ik maar even bekomen was; doch eenigen tijd
rond gezien hebbende, kon ik niets anders ontdekken dan een zeer ruime
zee, alwaar men van alle zijden niets dan water zag, en begon nu eerst
te gevoelen, dat het hier zeer koud was, en zeer veel verschilde van
de luchtstreek van Meester VULCAAN'S winkel. Op eenigen afstand zag ik
een ijslijk groot gevaarte, naar een steilen rots gelijkende, op mij
aankomen; ras bemerkte ik dat het een druipende ijsberg was, welken ik
rondom zwom, tot dat ik een plaats vond, van waar ik deszelfs top kon
bereiken, gelijk ik deed, hoewel niet zonder eenige moeite; maar hier
nog geen land kunnende zien, begon ik te wanhoopen, dat ik het ooit
weder onder mijne voeten zoude krijgen; doch eer het donker werd, zag ik
een zeil, werwaards wij zeer snel heen dreven; op een korten afstand
riep ik aan het volk van dat schip, het welk mij in 't hollandsch
andwoordde, waarop ik in zee sprong en zij mij een touw toewierpen,
waarmede ik binnen boord gesleept werd. Op mijn onderzoek, waar wij ons
bevonden, werd mij onderrigt, dat wij in den Zuider-oceaan waren, door
welke ontdekking alle mijne twijfeling geheel werd weggenomen. Het was
nu ontegenspreeklijk, dat ik van den berg _Etna_ gevlogen was door het
middenpunt der aarde in de Zuid-zee, 't welk veel korter en beknopter is
dan den halven aardbol om te dwaalen.—Deze reis heeft nog nooit iemand
vóór mij gedaan, zelfs niet ondernomen; en doordien ze zoo onverwagt
opkwam, en zoo snel voordging, heb ik geene waarnemingen kunnen doen;
maar zijt verzekerd, mijne Heeren! dat ik bij eene volgende gelegenheid
daarop meer bedacht en op alle bijzonderheden opmerkzamer zal zijn.
Ik nam eenige ververschingen en begaf mij ter ruste. Maar hoe onbeleefd
zijn toch de _Hollanders!_ want hun mijne ontmoetingen en wedervaren zoo
nauwkeurig verhaald hebbende, als ik nu aan U gedaan heb, scheen het, of
sommigen, waaronder de schipper zig bijzonderlijk onderscheidde, die
zulks door zijne gebaarden en half uitgesproken woorden klaarlijk liet
blijken, aan mijne geloofwaardigheid twijfelden; welke belediging ik wel
moest opkroppen, vooral om dat hij mij zoo gemaklijk aan boord van zijn
schip genomen had, en toen juist bezig was in mij met het nodige te
gerijven.
Ik vroeg hen, werwaards de reis geschikt was? en kreeg hierop ten
andwoord: „om nieuwe landen te ontdekken, en waarnemingen te doen; en
dat, _zoo mijne geschiedenis waar was_, zij niet geheel vrugteloos
zouden te rug keeren.” Wij waren nu juist in de streek van Kapitein
COOK'S eerste reize, en kwamen den volgenden dag in _Botanij-baai_.
Deze plaats zoude ik in geenen deele aan de Engelsche regering als een
verblijf voor schurken, geschikt om hen te straffen, kunnen aanbeveelen;
zij zoude bij mij liever geschikt worden tot eene beloning voor
verdiensten, naardien de natuur hare beste geschenken alhier met eene
zeer milde hand overal gestrooid heeft.
Wij bleven hier maar drie dagen; en vier dagen na ons vertrek kregen
wij een allerhevigsten storm, waardoor wij alle onze zeilen verlooren,
de boegspriet in stukken brak en de top van de grootste mast van boven
neder kwam, welke op het kastje viel, waarin ons compas was, en hetzelve
met het compas geheel verbrijzelde. Allen, die ooit op zee geweest zijn,
weten, welke gevolgen zoodanig een verlies kan hebben. Wij wisten niet,
waarheen wij nu moesten stuuren; maar ten laatste bedaarde de storm, en
werd gevolgd door eene gestadige heldere koude, welke ons geduurende
drie maanden lang bijbleef, zoodat wij daardoor eene verbaazende weg
moeten afgelegd hebben. Eindelijk merkten wij de grootste verandering
op, in alles wat ons omringde; onze adem werd lichtgevende stralen; onze
neuzen werden onthaald op de aangenaamste geuren van specerijen welken
men zig verbeelden kan; zelfs had de zee hare gedaante veranderd, en was
wit in stede van groen!! Weinig tijds na deze zonderlinge verandering
ontdekten wij land, en op eenen kleinen afstand genaderd zijnde, zagen
wij een rivier, welke wij, na die zes mijlen ver opgezeild te hebben,
bevonden dat overal wijd en diep en enkel melk was, van den zuiversten
en aangenaamsten smaak. Hier ankerden wij en ontdekten welhaast, schoon
door het zonderlingste toeval van de waereld, dat het Eiland bestond uit
een zeer grote kaas: want één van de bootsgezellen liep weg, zoodra wij
aan land waren gekomen, maar kwam zeer schielijk wederom, om dat hij
zig verbeeld had, dat hij overal kaas, waarvan hij een onverwinnelijken
afkeer had, onder zijne voeten vond: wij lagchten hem wel helder uit;
maar vrugteloos: want hij bleef stout en sterk staande houden, dat
het gantsche land als met kaas bezaaid was: dit nader onderzoekende,
bevonden wij, dat hij volkomen gelijk had, en dat het geheele Eiland,
gelijk ik te vooren reeds heb opgemerkt, niet anders was dan een kaas
van eene verbazende grootte! De inwoners leefden voornaamlijk van
denzelven, en zoo veel zij daarvan bij dag gebruikten, groeide de kaas
's nachts wederom aan. Hier was een overvloed van wijnstokken met zware
trossen druiven, welken geperst wordende niets dan melk leverden. Wij
zagen ook de inwoners op schaatsen rijden over de room van de melk,
daarop liggende als bij ons het ijs in 't water, schoon zoo dik niet
en in het geheel niet hard; zij gingen zeer regt op, en hadden eene
goede houding; zij waren negen voeten hoog, en hadden drie benen en
eenen arm; over het geheel was hun voorkomen innemend; zij speelden op
een jagthoren, welke bij volwassenen op het midden van het voorhoofd
groeit, met veel bekwaamheid; zij zonken nooit, maar liepen en wandelden
over hunne melk, als wij over onze weiden.
Op dit Eiland, of op deze kaas, groeit zeer veel koorn, welks airen
volkomen toegemaakt brood, als paddestoelen, voordbrengen. Op onze
wandelingen over deze kaas ontdekten wij nog zeven andere stromen van
melk, en twee van wijn.
Zestien dagen voordgereisd hebbende, kwamen wij aan de andere zijde
van het Eiland, en vonden aldaar blaauwe aarde, zoo als de kaaseters
die noemen, welke allerlei fijne vrugten oplevert: want in plaats van
millioenen mijten, welken men natuurlijk uit dezen grond verwagt zoude
hebben, bragt dezelve alle soorten van persiken, abrikozen, en duizend
andere allersmaaklijkste vrugten, welken wij niet kenden, voord.
De bomen, welken van eene verbazende grootte waren, waren vol met
vogelnesten, onder anderen van een ijsvogel, dat boven alle beschrijving
groot was, ten minsten vijfmaal zoo groot in deszelfs omtrek als de
koepel van de _St. Pauluskerk_ te _London_, en gemaakt, gelijk wij dit
op nader onderzoek bevonden, van de grootste bomen, welken ik ooit
gezien heb, die zeer kunstiglijk in elkander gevlogten waren: in dit
nest waren ten minsten, (laat mij wel bedenken, want ik zou niet gaarne
iets vergrooten) vijfhonderd eieren, en ieder ei was zoo groot als
een gemeen oxhoofd; wij konden de jongen er in zien en hooren piepen.
Een dezer eieren met zeer grote moeite opengehakt hebbende, kwam een
nog gantsch vederloos jong daar uit, 't welk egter veel groter was
dan twintig volwassen gieren. Zoo als wij dit jong uit zijnen kerker
verlost hadden, schoot de oude ijsvogel toe, en onzen schipper in één
van zijne klaauwen krijgende, vloog hij met hem wel een mijl hoog in
de lucht, sloeg hem vreeslijk met zijne vlerken, en liet hem toen in zee
vallen.—De inwoners verhaalden ons, dat deze vogels hunne jongen nooit
uitpikken, maar met de eieren, zoo hoog als mogelijk is, in de lucht
vliegen (waartoe het ééne nabuurig paar het ander altijd helpt; sommige
eieren, welken wat groter dan gewone zijn, moeten zelfs door zes vogels
tot die hoogte opgevoerd worden) en dezelven dan laten vallen, wanneer
de dop door de ontvlambaare lucht in den brand en het jong volwassen er
uit vliegt.—Deze is de _Phenix_ der ouden.
Daar alle _Hollanders_ wel kunnen zwemmen, was onze schipper weder
spoedig bij ons, en wij keerden terug naa ons schip, maar langs een
anderen weg, dan wij gekomen waren, op welken wij zeer aardige en
vreemde dingen zagen. Wij schooten twee wilde ossen, hebbende ieder één
horen, welke tusschen de ogen dezer dieren groeit: maar hiervan hadden
wij naderhand grote spijt, toen wij vernamen, dat de inwoners dezelve
temmen, en gebruiken, als wij onze paarden doen, om daarop te rijden of
hunne goederen te vervoeren: ons werd gezegd, dat het vleesch daarvan
uitstekend lekker is, maar niet gebruikt wordt, omdat deze menschen
enkel van kaas en melk leven.
Toen wij tot op drie dagreizen ons schip genaderd waren, zagen wij drie
mannen bij de beenen aan een zeer hogen boom hangen; op ons vraagen naar
de reden dezer strafoefeninge, hoorden wij, dat zij alle drie reizigers
waren geweest, en hunne Vrienden bij hunne terugkomst misleid hadden,
door plaatsen te beschrijven, welken zij nooit gezien hadden, en dingen
te verhaalen, die nooit gebeurd waren. Hoe ongelukkig zouden bijna alle
reizigers van grote en kleine togten, in onze meer bekende en beschaafde
landen, zijn, als dergelijke wet ook bij ons stand greep! Doch ik zou
daarmede, wat mij aangaat, geen medelijden hebben, zoo min als dat deze
wet mij op dit kaas-eiland eenigen kommer gaf, om dat ik mij altijd
stiptelijk tot waaragtige gebeurenissen bepaald heb.
Aan boord komende maakten wij ten eersten zeil, en verlieten dit
zonderling eiland, doch niet zonder nieuwe redenen van verbazinge:
naardien alle de bomen op het strand, welker getal zeer groot was,
en waar onder eene menigte zeer hoog en zwaar waren, ons tweemalen
groeteden op één tempo, en terstond hunne voorige houding, welke zeer
regt was, aannamen.
Na drie dagen zeilens, (waar? wisten wij niet, omdat wij zonder compas
waren) kwamen wij in een zee, welke zig geheel zwart vertoonde; maar
welke wij, die proevende, bevonden zeer goede wijn te zijn, zoodat wij
heel veel moeite hadden, om te beletten, dat het scheepsvolk zig niet
dronken zoop: doch na verloop van weinige uuren zagen wij ons omringd
door walvisschen en andere ontzagchelijke groote dieren, één van welken
zig zoo groot vertoonde voor het oog, dat men daarvan geen begrip konde
krijgen. En daar wij dit verschriklijk dier niet zagen, voor dat wij
digt bij hetzelve gekomen waren, slingerde dit gedrogt ons schip, met
al zijn staande en loopend want in zijnen bek, tusschen zijne tanden,
welken langer waren dan de grote mast van het grootste Oorlogschip. Na
eenigen tijd hier gezeten te hebben, opende het dier den bek zeer wijd,
en nam in één teug eene zoo onmeetlijke hoeveelheid waters in, dat ons
schip, 't welk ten minsten vijfhonderd tonnen groot was, als met den
snelsten vloed naa binnen in zijne maag vloog; alwaar wij zoo stil
lagen, of wij ten anker waren, en in een dodelijke kalmte. De lucht was
hier, gelooft dit vrij, zeer heet en hinderlijk. Hier vonden wij kabels,
ankers, boten, sloepen en een aanmerklijk aantal schepen, welken dit
dier had ingezwolgen, waarvan sommige geladen waren, anderen niet. Hier
moesten wij alles bij het kaarslicht verrigten; zon, maan, noch sterren
konden wij hier zien, om eenige waarnemingen te doen. Onze schepen
dreeven tweemaal daags, en zaten tweemaal daags aan den grond; of met
andere woorden, tweemaal daags hadden wij ebbe en vloed; waarvan de
oorzaak deze was: als het dier dronk, hadden wij hoog, en als het zijn
water maakte, hadden wij laag water; de hoeveelheid van water welk dit
dier iedere keer inzwolg, was, volgends eene zeer gematigde berekening,
meer dan 'er in het meir van _Geneve_ is, schoon dit dertig mijlen in
den omtrek bevat.
Op den tweden dag na onze gevangenis in dit gewest der duisternisse,
ging ik bij laag water, gelijk wij zeelieden plegen te spreken, als ons
schip aan den grond zat, met den schipper en eenige andere Officieren,
hebbende ieder een toorts in de hand, eens wandelen, en ontmoeteden
eene zeer grote menigte menschen van allerleie natien, ten getale van
meer dan tien duizend; zij vergaderden om met elkander te overleggen,
hoe zij hunne vrijheid zouden weder krijgen, hebbende sommigen hunner
reeds verscheiden jaren in de maag van dit beest geleefd. Juist als de
voorzitter dezer vergaderinge ons zoude beginnen te zeggen, tot welk
einde wij bij den anderen waren gekomen, werd onze plaag dorstig, en
dronk op deszelfs gewone manier; het water stortte met zoo veel gewelds
naa binnen, dat wij allen verpligt wierden ons wederom naa onze schepen
te begeven, of gevaar liepen van te verdrinken, zoodat sommigen nog
moesten zwemmen, en naauwlijks hun leven reddeden. Doch weinige uuren
daarna waren wij gelukkiger: want toen kwamen wij bijëen, zoodra het
dier zig ontlast had. Ik werd tot voorzitter verkozen, en stelde voor,
om de twee grootste masten, welken in de vloot waren, aan elkander te
hegten, en als onze plaagbast den bek weder opende, dan gereed te zijn
om dit houtje daarin te rammeien, en hem alzoo te beletten, dat hij dien
niet weder sloot. Deze voorslag werd door de _gantsche vergadering
goedgekeurd_, en tot een besluit gemaakt: het welk een ieder der
aanwezenden met het stellen van zijn merk bekragtigde. Tot dit werk
werden ettelijke der sterkste en onvervaardste kaerels uitgekozen, die
hetzelve nauwlijks in gereedheid hadden, toen onze kerkervoogd den bek
opende; maar onze brave manschap hunnen slag waarnemende, plaatsten op
't zelfde ogenblik het eene einde der masten tegen het verhemelte, en
boorde het ander einde door de tong van dit dier, zoodat het zijnen bek
niet weder konde toedoen. Nu werd het zeer ras hoog water; wij bemanden
met der haast eenige sloepen, en lieten ons op deze wijze in de waereld
boegseeren; wordende, na veertien dagen in deze duisternis gezeten te
hebben, op de aangenaamste wijze door het verkwiklijk daglicht verrast.
Wanneer wij allen van dit veel bevattend dier ons afscheid genomen
hadden, monsterden wij onze vloot, en bevonden ons vijf-en-dertig
zeilen sterk, van alle volken onder den hemel. De twee masten lieten
wij in den bek zitten, om te beletten, dat anderen in denzelfden
afschuwlijken kuil der duisternisse en onreinigheid geen schipbreuk
zouden lijden. Een onderzoek, in welk gedeelte van de waereld wij ons
bevonden, was onze eerste bezigheid, waarmede wij een zeer geruimen
tijd doorbragten; wanneer ik, na lang vergeefsch zoekens, eindelijk uit
eenige waarnemingen ontdekte, dat wij in de _Caspische_ zee waren, welke
een gedeelte van het land der _Kalmucksche Tartaren_ bespoelt. Niemand
kon begrijpen, hoe wij hier gekomen waren, naardien deze zee geene
gemeenschap met andere zeeën heeft: één van de lange inwoners van het
kaas-eiland, welken ik met mij genomen had, gaf 'er deze oplossing van:
dat het gedrogt, in wiens maag wij zoo lang opgesloten waren geweest,
ons hier gebragt had door onderaardsche kanalen; maar ons weinig daar
over bekommerende, stevenden wij naa land, en ik was de eerste die voet
aan wal zettede. Dewijl onze schepen ons hier van geenen dienst waren,
verkogten wij ze allen aan den groten Heer; en ik nam aan om dezelven
met mijn slinger en vleugels uit de _Caspische_ naa de _Oost-zee_ te
brengen, om in eenen volgenden Oorlog tegen _Rusland_ gebruikt te kunnen
worden.—Nauwlijks was ik landwaards in gegaan of 'er kwam een grote
beer op mij aanloopen, en wilde mij te lijf; maar ik greep hem bij zijne
voorpoten, in iedere hand één; kneep hem, dat hij lustig schreeuwde, en
hield hem op deze wijze zoo lang, tot dat hij van honger stierf.
Van hier reisde ik, voor de tweede keer, naa _St. Petersburg_, alwaar
een oud vriend mij een zeer goeden brak, een jong van die berugte teef,
waarvan ik meermalen gesproken heb, welke jongen wierp terwijl zij
een haas naa zettede, vereerde. Ik had het ongeluk hem kort daarna
te verliezen, door een schot van een lompen onbezuisden jager, die op
hem schoot in plaats van op een nest met veldhoenders, welken hij had
opgestoten. Van het vel van dit schepzel heb ik dezen borstrok gemaakt
(welken de _Baron_ na dien tijd altijd droeg, en bij dit verhaal aan
zijne vrienden toonde) welke het vermogen heeft om mij, zelfs tegen
mijnen wil, te brengen, ter plaatse daar wild is, zoo menigmaal ik in
dien tijd op het veld ben. Als ik binnen een snaphaan schot kome, is het
nog nooit anders gebeurd, of _één van de knopen vliegt van mijn borstrok
af, en valt op de plaats, daar het wild is_, het welk, dan opvliegende,
mij nog nooit muslukt is te raaken: want ik ga altijd wandelen met
geladen geweer en overgehaalden haan. Eer de jagttijd aankomt, zal
ik weder een nieuw stel knopen in gereedheid hebben.
Als een nest met patrijzen op deze wijze, door het vallen van een knoop
onder dezelven, gestoord wordt, vliegen ze altijd op in een regte lijn
agter elkander. Op zekeren tijd vergat ik den hagel, en latende mijn
laadstok in den loop, schoot ik denzelven zoo regt door de vogels heen,
als of de kok ze aan 't spit gestoken had; ook had ik vergeten een prop
op het kruid te doen, waardoor de laadstok zoo heet wierd, dat de vogels
volkomen gaar waren, eer ik te huis was.
Zoodra ik in _Engeland_ terug gekeerd was, volvoerde ik dat gene, het
welk mij het naast aan 't hart lag; te weten een bestaan te zoeken voor
den kaas-eilander, welken ik mede gebragt had. Mijn oude vriend, de
Heer WILLEM VAN KAMEREN, die aan mij alle zijne denkbeelden over het
aanleggen van chineesche tuinen, met welker beschrijving hij zoo veel
roems verworven heeft, verschuldigd is, toonde zig in een gesprek, het
welk ik kort na mijne wederkomst met hem hield, zeer verlegen om een
middel, om de nieuwe vierkante lantaarns te ontsteken; hij merkte aan
dat de gewone manier met ladders hier niet gevolgd kon worden; mijn
geboren kaas-eilander kwam mij in 't hoofd, die van negen voeten, welke
zijne lengte was toen ik hem mede nam, tot tien en een halven voet
gegroeid was: ik bragt hem bij dien Heer, die hem met het aanzienlijk
ampt van ontsteker der nieuwe lantaarns begunstigde. Ingevolge hiervan
is hij tegenwoordig bezig, om in zijne zakken onder een groten klok een
lamp te brengen, in plaats van die welken de Heer WILLEM VAN KAMEREN zoo
opzigtelijk in 't midden van een vierkanten lantaarn geplaatst had.
_Drukfouten, dus te verbeteren._
Bladz. 5 reg. 5 horirzontaal _lees_ horizontaal
------ 16 reg. 10 wilde _lees_ wilden
------ 19 reg. 8 _hunner_ lees _deszelfs_
------ 20 reg. 13 zal _lees_ zag
------ 63 reg. 7 _bijen_ lees _beeren_
-------- ----- 2 v. o. _welken_ lees _welke_
------ 86 reg. 3 _schiet_ lees _de Baron schiet_
----- 183 reg. 5 v. o. zij _lees_ zijn
----- 185 reg. 5 linkerzijde _lees_ regterzijde.
* * * * *