XVIII. HOOFDSTUK.

Een tweede (maar toevallig) bezoek aan de Maan.—--Het schip door een

warrelwind afgenomen tot eene hoogte van duizend _Hollandsche_

mijlen boven het water, daar het een anderen dampkring ontmoet,

en in eene ruime haven in de Maan aankomt.—Eene beschrijving

van de inwoners, en de wijze waarop dezelven aldaar ter waereld

komen.—Dieren, gewoonten, wapens, wijnen, planten, enz. enz. enz.

Ik heb u reeds gesproken van eene reis, die ik naa de Maan gedaan heb,

toen ik naa mijn zilveren bijl zocht: naderhand deed ik nog eene reis

derwaards, maar op een veel aangenamer en vermaaklijker wijze. Ook

vertoefde ik aldaar toen lang genoeg, om het merkwaardigste te zien; 't

welk ik u nu zoo nauwkeurig, als mijn geheugen toelaat, zal beschrijven.

Ik ging op reis om nieuwe ontdekkingen te doen, zijnde daartoe

aangezocht en gedrongen door een verren bloedverwant, die waarlijk

geloofde, dat 'er zoodanig een volk, en van die grootte, als GULLIVER

beschrijft in het rijk van _Brobdingnag_, zoude te vinden zijn. Ik voor

mij hield dat verhaal wel voor een verdigtsel; maar dewijl hij zeer rijk

was, en mij tot zijnen eenigsten erfgenaam verklaard had, wilde ik hem

niet tegenspreken, en ondernam de reis. Wij zeilden met een aanhoudend

gunstigen wind naa de Zuid-zee, daar wij voorspoedig, doch zonder eenige

aanmerklijke ontmoeting, aankwamen, behalven dat wij vliegende mannen en

vrouwen zagen, die in de lucht beurtelings handjeplak speelden en een

menuet dansten.

Ook zeilden wij het Eiland _Otahite_, waarvan Kapitein COOK spreekt, en

waarvan daan hij OMAI mede nam, gelukkig voorbij; maar agttien dagen

daarna ontstond 'er een geweldige orkaan, welke ons schip ten minsten

duizend mijlen boven het water opligtte, en in die hoogte hield, tot dat

een labberkoeltje van alle kanten in onze zeilen woei, en ons op eene

verwonderlijke wijze hooger en hooger op voerde. Zes weeken lang op deze

wijze boven de wolken voort gereisd hebbende, ontdekten wij een groot

land, als een lichtgevend Eiland, rond en helder, alwaar wij in een

zeer goede haven aanlandden, en terstond aan wal gingen. Wij bevonden,

dat het bewoond was. Verre beneden ons zagen wij eene andere waereld,

en daarin steden, bosschen, boomen, bergen, stroomen, zeeën, enz. enz.

welke wij gisten, dat onze aarde was, die wij verlaten hadden. Hier

zagen wij verbazend grote figuren, die drie hoofden hadden, en op gieren

reedden; en om u van de grootte dezer vogelen eenig denkbeeld te geven,

moet ik u zeggen, dat derzelver vleugels zoo breed waren als ons groote

zeil, en wel zesmaal zoo lang (ons schip was van zes honderd tonnen). De

inwooners van de Maan (want wij hoorden nu, dat wij in de Maan waren)

rijden niet, gelijk wij op deze waereld doen, te paerd, maar zij gaan op

deze vogels eens op een pleiziertogtje uit vliegen. Wij vernamen, dat de

Koning van dit Eiland met de ZON in oorlog was. Zijne Majesteit wilde

mij met een gezantschap daarheen vereeren; maar ik bedankte hem daardoor

zeer beleefdelijk.

In _die_ waereld zijn alle dingen van eene buitengewoone grootte; een

gemene vlieg bij voorbeeld, is ten minsten zoo groot als bij ons een

schaap; als zij oorlogen, zijn hunne voornaamste wapens radijzen,

welken zij gebruiken als pijlen; zij die daardoor gewond worden sterven

op het ogenblik, hoezeer die radijzen noch van natuur noch door kunst

vergiftigd maar zeer gezond en smaaklijk zijn om te eten. Als zij

geen radijs meer hebben, maaken zij hunne pijlen van de toppen van de

aspergien, en hunne schilden van paddestoelen, die aldaar altijd te

vinden zijn.

[Illustratie: VII.]

Hier zagen wij ook eenige inboorlingen uit de hondsstar: koophandel deed

hun dit zwervend leven verkiezen. Hunne aangezigten waren gelijk die van

grote doggen, en hunne oogen stonden op het tipje van den neus. Oogleden

hadden zij niet; maar als zij sliepen, bedekten zij hunne ogen met de

tong. Over het algemeen waren zij twintig voeten hoog; maar wat de

inboorlingen van de Maan betreft, de kortste derzelven was meer dan

zes-en-dertig voeten lang; zij werden aldaar niet genoemd menschen,

maar kokende dieren: want zij maakten hunne spijs wel gereed, gelijk

wij doen, met vuur; doch dit kostte hun zoo min als de maaltijd

eenigen tijd: want zij openen hunne regterzijde, en zetten de gantsche

hoeveelheid in ééns in de maag, welke zij dan weder toesluiten, tot op

denzelfden dag in de volgende maand; naardien zij zich niet meer, dan

twaalfmaal in een jaar, of iedere maand maar éénmaal, het innemen van

spijs vergunnen: eene schikking die bij een ieder mensch, behalven bij

vraten en lekkerbekken, moet en zal goedgekeurd worden.

[Illustratie: VIII.]

De vermaaken der liefde zijn in de Maan geheel onbekend: aldaar is, zoo

wel onder de overige als de kokende dieren, maar eene of liever in het

geheel geene kunne: want zij groeijen allen aan bomen van verschillende

grootte en gedaante: die genen, waaraan de kokende dieren, of gelijk wij

zouden zeggen, de menschen, groeijen, zijn de fraaiste van allen; zij

hebben breede, dunne takken, en vleeschkleurige bladen, en brengen

vrugten voord als noten, met harde schellen, ten minsten zes voeten

lang; als zij rijp worden, 't welk men aan het veranderen van de

kleur kan zien, worden ze afgeplukt, met grote zorgvuldigheid bij één

vergaderd en weggelegd, zoo lang, als men dit goed vindt: want zij

bederven nooit; en als zij het zaad van deze noten willen uitbroeden,

werpen zij dezelven in een groten ketel met kokend water, waardoor de

noot in weinige uuren zig opent en een volwassen schepsel daar uit

springt.

De natuur vormt deze schepsels reeds, eer zij in de waereld komen, tot

derzelver verschillende beroepen; uit de eene noot komt een krijgsman,

uit eene andere een wijsgeer, uit een derde een godgeleerde, uit een

vierde een rechtsgeleerde, uit een vijfde een boer, uit een zesde

een lompe kinkel, enz. enz. voord, en een iegelijk hunner begint zig

terstond te voltooien, door dat gene 't welk hij te vooren maar in de

bespiegeling kende, werkstellig te maaken.

Als zij oud worden, sterven zij niet, gelijk wij; maar verdwijnen, als

de rook, in de lucht? Drinken hebben zij niet nodig: want de eenigste

uitwaassemingen, welken zij hebben, zijn ongevoelig en alleen bij de

ademhalinge. Aan iedere hand hebben zij maar éénen vinger, waarmede zij

alles zoo goed kunnen verrigten, als wij, die 'er vier hebben met een

duim. Hunne hoofden dragen zij onder den regterarm; als zij op reis

gaan, of eenige zware bezigheid hebben, laten zij ze meestal te huis:

want zij kunnen dezelven op eenigen afstand gebruiken. Dit ziet men hier

dagelijks; en als lieden van rang of aanzien onder de maanlingen begerig

zijn om te weten, wat 'er bij den gemenen man omga, blijven zij zelve te

huis, dat is, de romp staat in huis, en zenden hunne hoofden derwaards,

welke aldaar ongemerkt kunnen tegenwoordig zijn, en keeren op hun gemak

terug naa huis, met een verhaal van het gene zij gezien en gehoord

hebben.[24]

[24] Dit voorrecht—om zijn hoofd ongemerkt tegenwoordig te laten zijn

in het huis van een ander,—hebben in de Maan alleen de lieden van

rang en aanzien in de huizen hunner minderen: somtijds kunnen zij

in de huizen van huns gelijken insluipen, doch zeldzaam en met zeer

veel moeite en voorzigtigheid.

De pitten van hunne druiven gelijken volmaakt naar hagel; en ik ben

volkomen overtuigd, dat als een storm of harde wind de wijnstokken in de

Maan stuk slaat, en de druiven van de ranken afbreekt, dan die pitten

bij ons op de Aarde vallen, en onze hagelbuien maaken. Hierom zoude

ik de zulken, die hierin met mij van 't zelfde gevoelen zijn, raaden,

dat als het eens weder hagelt, zij dan die hagelstenen verzamelen, om

Maanwijn daarvan te maaken. Zij smaakt zeer veel naar het wit Bergsch

bier.—Eenige gewigtige omstandigheden heb ik nog vergeten te melden.

Zij gebruiken hunne buiken, gelijk wij onze zakken, en dragen daarin

alles wat hun gelieft: want zij kunnen die openen en sluiten, even

gelijk hunne magen, naar welgevallen. Zij zijn niet belast met darmen,

lever, hart of eenig ander ingewand; ook worden zij door klederen niet

belemmerd, gelijk ook geen gedeelte van hun lighaam onzienlijk is, noch

ongevoeglijk om het te vertoonen.

Hunne ogen kunnen zij uit het hoofd nemen, of daar in laten, zoo als

zij willen, en kunnen even goed zien, of zij dezelven in hunne handen

of in hunne hoofden hebben. Gebeurt het, dat zij een oog verliezen of

bezeeren, zij kunnen een ander leenen of koopen, en daarmede zoo goed

zien, als met hunne eigen ogen. Uit dezen hoofde vindt men in alle

landen van de Maan een groot getal winkeliers in ogen; ook zijn de

inwoners in dit stuk, schoon ook hierin alleen, veranderlijk; somtijds

zijn de groene, somtijds de geele ogen in de manier.

Deze dingen zullen u zekerlijk zeer vreemd voorkomen, mijne Heeren?

maar, indien bij iemand uwer nog eenige schaduw van twijfeling mogt

overblijven, weet ik daar niet beter op, dan dat hij zelf eene reis naa

de Maan doe, en dan zal hij weeten, of ik een geloofwaardig reiziger

ben.

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 46 / 49 题