Een tweede (maar toevallig) bezoek aan de Maan.—--Het schip door een
warrelwind afgenomen tot eene hoogte van duizend _Hollandsche_
mijlen boven het water, daar het een anderen dampkring ontmoet,
en in eene ruime haven in de Maan aankomt.—Eene beschrijving
van de inwoners, en de wijze waarop dezelven aldaar ter waereld
komen.—Dieren, gewoonten, wapens, wijnen, planten, enz. enz. enz.
Ik heb u reeds gesproken van eene reis, die ik naa de Maan gedaan heb,
toen ik naa mijn zilveren bijl zocht: naderhand deed ik nog eene reis
derwaards, maar op een veel aangenamer en vermaaklijker wijze. Ook
vertoefde ik aldaar toen lang genoeg, om het merkwaardigste te zien; 't
welk ik u nu zoo nauwkeurig, als mijn geheugen toelaat, zal beschrijven.
Ik ging op reis om nieuwe ontdekkingen te doen, zijnde daartoe
aangezocht en gedrongen door een verren bloedverwant, die waarlijk
geloofde, dat 'er zoodanig een volk, en van die grootte, als GULLIVER
beschrijft in het rijk van _Brobdingnag_, zoude te vinden zijn. Ik voor
mij hield dat verhaal wel voor een verdigtsel; maar dewijl hij zeer rijk
was, en mij tot zijnen eenigsten erfgenaam verklaard had, wilde ik hem
niet tegenspreken, en ondernam de reis. Wij zeilden met een aanhoudend
gunstigen wind naa de Zuid-zee, daar wij voorspoedig, doch zonder eenige
aanmerklijke ontmoeting, aankwamen, behalven dat wij vliegende mannen en
vrouwen zagen, die in de lucht beurtelings handjeplak speelden en een
menuet dansten.
Ook zeilden wij het Eiland _Otahite_, waarvan Kapitein COOK spreekt, en
waarvan daan hij OMAI mede nam, gelukkig voorbij; maar agttien dagen
daarna ontstond 'er een geweldige orkaan, welke ons schip ten minsten
duizend mijlen boven het water opligtte, en in die hoogte hield, tot dat
een labberkoeltje van alle kanten in onze zeilen woei, en ons op eene
verwonderlijke wijze hooger en hooger op voerde. Zes weeken lang op deze
wijze boven de wolken voort gereisd hebbende, ontdekten wij een groot
land, als een lichtgevend Eiland, rond en helder, alwaar wij in een
zeer goede haven aanlandden, en terstond aan wal gingen. Wij bevonden,
dat het bewoond was. Verre beneden ons zagen wij eene andere waereld,
en daarin steden, bosschen, boomen, bergen, stroomen, zeeën, enz. enz.
welke wij gisten, dat onze aarde was, die wij verlaten hadden. Hier
zagen wij verbazend grote figuren, die drie hoofden hadden, en op gieren
reedden; en om u van de grootte dezer vogelen eenig denkbeeld te geven,
moet ik u zeggen, dat derzelver vleugels zoo breed waren als ons groote
zeil, en wel zesmaal zoo lang (ons schip was van zes honderd tonnen). De
inwooners van de Maan (want wij hoorden nu, dat wij in de Maan waren)
rijden niet, gelijk wij op deze waereld doen, te paerd, maar zij gaan op
deze vogels eens op een pleiziertogtje uit vliegen. Wij vernamen, dat de
Koning van dit Eiland met de ZON in oorlog was. Zijne Majesteit wilde
mij met een gezantschap daarheen vereeren; maar ik bedankte hem daardoor
zeer beleefdelijk.
In _die_ waereld zijn alle dingen van eene buitengewoone grootte; een
gemene vlieg bij voorbeeld, is ten minsten zoo groot als bij ons een
schaap; als zij oorlogen, zijn hunne voornaamste wapens radijzen,
welken zij gebruiken als pijlen; zij die daardoor gewond worden sterven
op het ogenblik, hoezeer die radijzen noch van natuur noch door kunst
vergiftigd maar zeer gezond en smaaklijk zijn om te eten. Als zij
geen radijs meer hebben, maaken zij hunne pijlen van de toppen van de
aspergien, en hunne schilden van paddestoelen, die aldaar altijd te
vinden zijn.
[Illustratie: VII.]
Hier zagen wij ook eenige inboorlingen uit de hondsstar: koophandel deed
hun dit zwervend leven verkiezen. Hunne aangezigten waren gelijk die van
grote doggen, en hunne oogen stonden op het tipje van den neus. Oogleden
hadden zij niet; maar als zij sliepen, bedekten zij hunne ogen met de
tong. Over het algemeen waren zij twintig voeten hoog; maar wat de
inboorlingen van de Maan betreft, de kortste derzelven was meer dan
zes-en-dertig voeten lang; zij werden aldaar niet genoemd menschen,
maar kokende dieren: want zij maakten hunne spijs wel gereed, gelijk
wij doen, met vuur; doch dit kostte hun zoo min als de maaltijd
eenigen tijd: want zij openen hunne regterzijde, en zetten de gantsche
hoeveelheid in ééns in de maag, welke zij dan weder toesluiten, tot op
denzelfden dag in de volgende maand; naardien zij zich niet meer, dan
twaalfmaal in een jaar, of iedere maand maar éénmaal, het innemen van
spijs vergunnen: eene schikking die bij een ieder mensch, behalven bij
vraten en lekkerbekken, moet en zal goedgekeurd worden.
[Illustratie: VIII.]
De vermaaken der liefde zijn in de Maan geheel onbekend: aldaar is, zoo
wel onder de overige als de kokende dieren, maar eene of liever in het
geheel geene kunne: want zij groeijen allen aan bomen van verschillende
grootte en gedaante: die genen, waaraan de kokende dieren, of gelijk wij
zouden zeggen, de menschen, groeijen, zijn de fraaiste van allen; zij
hebben breede, dunne takken, en vleeschkleurige bladen, en brengen
vrugten voord als noten, met harde schellen, ten minsten zes voeten
lang; als zij rijp worden, 't welk men aan het veranderen van de
kleur kan zien, worden ze afgeplukt, met grote zorgvuldigheid bij één
vergaderd en weggelegd, zoo lang, als men dit goed vindt: want zij
bederven nooit; en als zij het zaad van deze noten willen uitbroeden,
werpen zij dezelven in een groten ketel met kokend water, waardoor de
noot in weinige uuren zig opent en een volwassen schepsel daar uit
springt.
De natuur vormt deze schepsels reeds, eer zij in de waereld komen, tot
derzelver verschillende beroepen; uit de eene noot komt een krijgsman,
uit eene andere een wijsgeer, uit een derde een godgeleerde, uit een
vierde een rechtsgeleerde, uit een vijfde een boer, uit een zesde
een lompe kinkel, enz. enz. voord, en een iegelijk hunner begint zig
terstond te voltooien, door dat gene 't welk hij te vooren maar in de
bespiegeling kende, werkstellig te maaken.
Als zij oud worden, sterven zij niet, gelijk wij; maar verdwijnen, als
de rook, in de lucht? Drinken hebben zij niet nodig: want de eenigste
uitwaassemingen, welken zij hebben, zijn ongevoelig en alleen bij de
ademhalinge. Aan iedere hand hebben zij maar éénen vinger, waarmede zij
alles zoo goed kunnen verrigten, als wij, die 'er vier hebben met een
duim. Hunne hoofden dragen zij onder den regterarm; als zij op reis
gaan, of eenige zware bezigheid hebben, laten zij ze meestal te huis:
want zij kunnen dezelven op eenigen afstand gebruiken. Dit ziet men hier
dagelijks; en als lieden van rang of aanzien onder de maanlingen begerig
zijn om te weten, wat 'er bij den gemenen man omga, blijven zij zelve te
huis, dat is, de romp staat in huis, en zenden hunne hoofden derwaards,
welke aldaar ongemerkt kunnen tegenwoordig zijn, en keeren op hun gemak
terug naa huis, met een verhaal van het gene zij gezien en gehoord
hebben.[24]
[24] Dit voorrecht—om zijn hoofd ongemerkt tegenwoordig te laten zijn
in het huis van een ander,—hebben in de Maan alleen de lieden van
rang en aanzien in de huizen hunner minderen: somtijds kunnen zij
in de huizen van huns gelijken insluipen, doch zeldzaam en met zeer
veel moeite en voorzigtigheid.
De pitten van hunne druiven gelijken volmaakt naar hagel; en ik ben
volkomen overtuigd, dat als een storm of harde wind de wijnstokken in de
Maan stuk slaat, en de druiven van de ranken afbreekt, dan die pitten
bij ons op de Aarde vallen, en onze hagelbuien maaken. Hierom zoude
ik de zulken, die hierin met mij van 't zelfde gevoelen zijn, raaden,
dat als het eens weder hagelt, zij dan die hagelstenen verzamelen, om
Maanwijn daarvan te maaken. Zij smaakt zeer veel naar het wit Bergsch
bier.—Eenige gewigtige omstandigheden heb ik nog vergeten te melden.
Zij gebruiken hunne buiken, gelijk wij onze zakken, en dragen daarin
alles wat hun gelieft: want zij kunnen die openen en sluiten, even
gelijk hunne magen, naar welgevallen. Zij zijn niet belast met darmen,
lever, hart of eenig ander ingewand; ook worden zij door klederen niet
belemmerd, gelijk ook geen gedeelte van hun lighaam onzienlijk is, noch
ongevoeglijk om het te vertoonen.
Hunne ogen kunnen zij uit het hoofd nemen, of daar in laten, zoo als
zij willen, en kunnen even goed zien, of zij dezelven in hunne handen
of in hunne hoofden hebben. Gebeurt het, dat zij een oog verliezen of
bezeeren, zij kunnen een ander leenen of koopen, en daarmede zoo goed
zien, als met hunne eigen ogen. Uit dezen hoofde vindt men in alle
landen van de Maan een groot getal winkeliers in ogen; ook zijn de
inwoners in dit stuk, schoon ook hierin alleen, veranderlijk; somtijds
zijn de groene, somtijds de geele ogen in de manier.
Deze dingen zullen u zekerlijk zeer vreemd voorkomen, mijne Heeren?
maar, indien bij iemand uwer nog eenige schaduw van twijfeling mogt
overblijven, weet ik daar niet beter op, dan dat hij zelf eene reis naa
de Maan doe, en dan zal hij weeten, of ik een geloofwaardig reiziger
ben.