XVII. HOOFDSTUK.

_Eene reis naa Oost-indien.—De Baron spreekt van een vriend, die

hem nooit misleidde; wint honderd guinees door zijn vertrouwen

op den neus van zijnen vriend.—Wild opgestooten in zee.—Eenige

omstandigheden, welken, zoo men hoopt, den lezer niet weinig zullen

vermaaken._

Op eene reis, die ik naa Oost-indien deed met Kapitein HAMILTON, nam ik

een heel besten vriend, waarvan ik zeer veel hield, mede: ik zoude hem,

om mij van de gemene spreekwijze te bedienen, voor geen goud zoo zwaar

als hij was, hebben willen verkoopen. Het was de beste brak, dien ik

ooit zag. Nooit heeft hij mij bedrogen. Wanneer wij op zekeren dag,

volgends de beste waarneemingen, nog ten minsten drie honderd mijlen

van land af waren, stiet mijn hond aan: hem meer dan een uur lang met

verbaasdheid aangezien hebbende, zeide ik het tegen den Kapitein en

alle de andere Officieren aan boord; hen verzekerende, dat wij naabij

land moesten zijn, naardien mijn hond wild rook. Dit verwekte wel een

algemeen geschater; maar verminderde geenszins de goede gedachten,

welken ik van mijnen vriend had. Na lang voor en tegen sprekens

hierover, zeide ik stout tegen den Kapitein, dat ik op WIM'S neus meer

vertrouwde dan op de oogen van alle de zeelieden aan boord, en dat ik

onbeschroomd mijn vragt 'er onder verwedden wilde, (te weten honderd

guinees) dat wij binnen een half uur wild zouden opdoen. De Kapitein

(een goedhartig man) lachte op nieuw, en begeerde dat Meester CRAWFORD,

de scheeps-chirurgijn mijn pols zoude voelen; het welk hij deed, en

verzekerde, dat ik volmaakt gezond was: hierop geraakten zij met

elkander in het volgend gesprek, het welk, ofschoon zij zeer zagt

spraken, en ik op eenigen afstand ware, ik egter verstaan kon.

_Kapitein._ Het leutert hem zekerlijk in den bol: als een man van eer

kan ik zijne weddingschap niet aannemen.

_Heelmeester._ Ik denk daar anders over: hij is volmaakt gezond en bij

zijn verstand (indien men ooit zeggen kan, dat zulke honden-gekken bij

hun verstand zijn, waaraan ik twijfel); maar hij verlaat zig liever

op de reuktepelen van zijnen hond, dan op het oordeel van alle de

Officieren aan boord! hij wil zijn geld gewis verliezen, en verdient

zulks rijkelijk.

_Kapitein._ Zulk een zotskap, die zoo dwaas wil wedden, kan niet

gezond zijn; en aan mijn kant zoude het niet braaf zijn, hem te

staan.—--Evenwel—als hij met zijn geld nog eens voor den dag komt,

zal ik hem medenemen.

Terwijl dit gesprek duurde bleef WIM al in dezelfde houding staan, en

versterkte mij hoe langer hoe meer in mijn gevoelen. Ik stelde de

weddingschap andermaal voor; en zij werd aangenomen.

Eenigen tijd, nadat ik mijn hond had zien aanstooten, waren sommige

matrozen gaan visschen in de grote sloep, welke agter aan het schip

met een touw vast was (het was schoon en stil weder); maar weinige

oogenblikken na onze weddingschap harpoenden zij een buitengewoon groten

haai, welken zij aan boord bragten. Toen zij dien opsneeden, om de traan

daarvan te bewaaren, ziet, zoo vonden zij in de maag van dit dier niet

minder dan _zes koppels levendige Patrijzen_!

Deze vogels waren zoo lang in die plaats geweest, dat ééne van de

hennen op vier kiekens zat, en juist het vijfde uitpikte, toen de haai

geopend werd.

Deze jonge vogels werden opgekweekt met een nest jonge katten, die maar

weinige minuten te vooren in de waereld waren gekomen! De oude kat was

daar zoo mal mede, als met hare eigen jongen, en niet weinig verlegen,

toen de oude hare zorgen en bestier ontvloog. Wat de andere patrijzen

aangaat, daar waren vier hennen onder; ééne of meer derzelven zaten,

geduurende de reis, aanhoudend te broeden, en alzoo hadden wij in de

kajuit altijd overvloedig wild op tafel. Aan mijn besten WIM gaf ik, uit

dankbaarheid (want hij had honderd guinees voor mij gewonnen) dagelijks

de beenen, en somtijds een gehelen vogel, te kluiven.

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 45 / 49 题