_Dit hoofdstuk is zeer kort, maar behelst eene daad, waarvoor
de gedachtenis van den Baron dierbaar moet zijn bij iederen
_Engelschman_, bijzonderlijk bij allen die in 't vervolg het
ongeluk zullen hebben van krijgsgevangenen te worden._
Op mijn hertogt van _Gibralter_ naa _Engeland_ reisde ik door
_Frankrijk_, 't welk ik zonder eenigen hinder doen konde, omdat ik
geen engelsche van geboorte was. In de haven van _Calais_ zag ik een
schip binnen loopen, waarop een menigte _Engelsche_ matrozen als
krijgsgevangenen waren. Zoo als ik hen zag, nam ik het onverwijld
besluit, om dezen braven lieden hunne vrijheid weder te bezorgen. Tot
dat einde maakte ik twee vleugels, ieder van welken honderd-en-twintig
voeten lang en twee-en-veertig voeten breed waren: deze vleugels aan
mijn lijf vast gemaakt hebbende vloog ik op, met het aanbreken van den
dag, toen alle menschen, zelfs de wacht op het dek, nog sliepen. Toen
ik boven het schip was, maakte ik met mijn slinger drie ijzeren haken
aan de drie masten vast, en het schip alzoo eenige voeten uit het water
opgeligt hebbende vloog ik het kanaal over na _Dover_, alwaar ik in een
half uur aankwam.
Wat de _Engelsche_ gevangenen en _Fransche_ wachten aanbelangt: zij
waren al twee uuren in _Dover_ geweest, eer zij ontwaakten; wanneer de
_Engelschen_, bemerkende waar zij zig bevonden, hunnen staat met dien
der _Franschen_ veranderden, en wedernamen, het gene dezen hun ontroofd
hadden; _en niet meer_: want zij waren te edelmoedig om wederwrake te
nemen, en de _Franschen_ op hunne beurt te plunderen.
Van deze vleugelen heb ik in den oorlog met _Holland_ nog
eenige keeren gebruik gemaakt, doch zelden. Ik bezocht hunne
scheepstimmerwerven,—waarop, voor ons _Engelschen_, met al te grooten
ijver en voordvarenheid gewerkt wierd—om zoodanige hindernissen daar te
stellen, als geschikt waren om derzelver arbeid te vertraagen; of zo dit
niet gelukte, die schepen voor hen onbruikbaar te maaken; het welk ik
deed door de kielen van sommige schepen aan de helling vast te nagelen,
waardoor ze niet wilden afloopen, of om ver vielen; of door de bouten en
pennen in den boeg los te maaken of die daar uit te haalen, zoodat het
schip zoo spoedig zonk, als het te water kwam. enz. enz.[23]
[23] Hierom heb ik altijd moeten lachen over de _Hollandsche_
Patriotten, als ik hen in hunne nieuwspapieren hoorde klagen over
werkeloosheid—over hunne ongegronde en ongerijmde staatkundige
naarvorschingen naar de oorzaaken—hun ijdel geschreeuw van
verraad en omkoopinge. Ik was geen _Hollander_, deed het
buiten weten van een ieder, en kon daarvoor derhalven geen
geld trekken.—Zoude de Baron met zijne vleugels wel door het
Ministerie gebruikt zijn, om de tijding der vredebreuke en de
instructien aan den Heer RODNEY over te brengen?
Na het einde des oorlogs heb ik deze vleugelen aan den gouverneur van
het Kasteel van _Dover_ geschonken, om aldaar ten eeuwigen dage bewaard,
en aan de nieuwsgierigen vertoond te worden.