_Vervolg van het reisverhaal van _Harwich_ naa _Helvoet_.—Beschrijving
van sommige zeedieren en andere voorwerpen, nooit bij eenig
reiziger gezien.—Rotsen, op dezen togt liggende, zoo groot
als de Alpische bergen; kreeften, krabben van eene buitengewone
grootte.—Eene vrouw in het leven behouden.—Hoe zij in zee
viel.—De manier van de Amsterdamsche Maatschappij met een goeden
uitslag gevolgd._
In het verhaal van mijns vaders reis over het britsch kanaal naa
_Holland_ heb ik verscheiden zeer gewigtige zaken overgeslagen, welken
wel waardig zijn der vergetelheid ontrukt te worden; waarom ik dezelve
hier zal voordragen met zijne eigen woorden, zoo als ik ze hem menigmaal
aan zijne vrienden heb hooren verhaalen.
„Toen ik op _Helvoetsluis_ kwam,” zeide mijn Vader, „merkte men op,
dat ik zeer bezwaarlijk adem haalde. Door de bewoonders naar de reden
gevraagd zijnde, andwoordde ik: het dier, waarop ik van _Harwich_
gereden heb door de Noord-zee, zwemt nooit! dit is de bijzondere
eigenschap en gesteldheid van het zeepaard, dat het niet kan drijven of
zig bewegen op de oppervlakte van het water. Het liep ongelooflijk snel
met mij, van het ééne strand tot het ander over den bodem van de zee,
drijvende de visschen in millioenen voor zig heen. Veelen derzelven
waren zeer verschillende van alle visschen, welken ik ooit gezien
heb; sommigen hadden zelfs het hoofd aan het uiterste puntje van den
staart.—Ik kruistte, dus vervolgde hij, een ontzagchelijken reeks van
klippen, zoo hoog als het Alpische gebergte, over[21]; aan de voeten
van deze bergen zag ik een grote menigte hoge, fraaie bomen, beladen
met zeegewassen, als kreeften, krabben, oesters, mosselen, alikrieken,
enz. enz. sommige van de welken een karrenvragt, en de minste een goede
kruiersvragt uitmaakten! Alle visschen van deze soorten, die bij ons aan
strand komen, en op de markten verkogt worden, zijn een veel kleiner
dwergagtig soort, of liever spoelvrugten, dat is, zulke vrugten, welken
door den slag des waters van de takken der bomen, waaraan zij groeijen,
afgespoeld worden, gelijk de vrugten in onze tuinen door den wind worden
afgeslagen van de bomen! De kreeftenbomen waren de fraaiste, maar de
krabben- en oesterbomen de langste. De Paerlboom is een soort van
heestergewas, en groeit aan den wortel van den oesterboom, om welken
het zig heen slingert, gelijk de klimop om den eik.—Ik zag ook, welke
uitwerksels verscheiden schipbreuken hier gehad hadden; in 't bijzonder
van een schip, 't welk verongelukt was door te stooten tegen een zeeberg
of rots, welks top maar drie vademen beneden de oppervlakte van het
water was. Toen dit schip zonk, viel het op zijde, en drong een zeer
groten oesterboom uit zijne plaats. Het was in den rijtijd, wanneer
de oesters zeer groen zijn; veelen werden door den geweldigen stoot
gescheiden, en vielen op een krabbenboom, welke daar naast aan stond:
zij vereenigden zig en hebben een tweesoortigen visch voordgebragt.
Ik deed eenige moeite om 'er één op te grijpen en mede te nemen;
maar dit gelukte niet; omdat mijn zoutwaterige pegasus altijd veel
tegenspartelde, zoo dikwijls ik hem in zijnen loop wilde sluiten:
daarenboven was ik toen in een vollen galop op één der rotsen, die in
't midden van mijn weg waren, ten minsten vijf honderd vademen onder de
oppervlakte der zee, en het gemis van lucht begon mij zeer hinderlijk te
worden; waarom ik ook geen lust had, om mijn tijd te rekken: voegt hier
bij, dat mijn toestand in andere opzigten zeer ongenoeglijk was; want
ik ontmoette veele groote visschen, die, om naar derzelver open kaaken
te oordeelen, niet alleen in staat waren, maar ook groten lust scheenen
te hebben om ons te verslinden. Daar nu mijn rosinant blind was, moest
ik alleen de wacht houden tegen deze hongerige heeren, 't welk mijne
moeilijkheden niet weinig vermeerderde.
[21] De toppen van deze zee-bergen strekken zig, van den onpeilbaren
bodem der zee naa boven, uit, tot op een diepte van honderd
vademen beneden de oppervlakte van het water.
„Toen wij de hollandsche kust naderden, en wij niet meer dan twintig
vademen water boven ons hoofd hadden, meende ik een menschelijke
gedaante in vrouwen klederen, gevende nog eenige tekenen van leven,
voor mij op den grond te zien liggen; en daar digt bij zijnde zag ik
dat zij haare hand beweegde, welke gevat hebbende bragt ik haar als een
lijk aan het strand. Een kruidmenger, die pas te vooren door Dr. HAUWES
te _Londen_ onderwezen was, volgends de manier van de Maatschappij der
drenkelingen te _Amsterdam_, behandelde haar zeer wel naar de kunst, en
zij bekwam weder. Zij was de niet geliefde wederhelft van een man, die
als schipper op den hollandschen paketboot op _Londen_ voer, en had, zoo
als hij de haven uitzeilde, gehoord, dat hij een hoer bij zig aan boord
had. Zij volgde hem in een open boot naa; en nauwlijks had haar man haar
aan boord geholpen, of zij wilde hem met zoo veel drifts aanvliegen, dat
hij het raadzaamst oordeelde na stuurboord te wijken, en alzoo liever te
zien, dat zij hare vingers in de golven dan op zijn aangezigt tekende.
Zoo als hij dacht, gebeurde het ook: want geen tegenstand ontmoetende
viel zij aan den anderen kant van het schip weder in het water; waardoor
het mijn ongelukkig lot werd, om den eersten grond te leggen tot de
wedervereeninge dezer twee echtgenoten.
„Ik kan mij zeer natuurlijk verbeelden, welke vervloekingen deze man
op mij uitgespogen zal hebben, toen hij bij zijne terugkomst zag, dat
dat lievertje hem opwagtte, en van haar vernam, hoe zij wederom in de
waereld was gekomen. Dan, hoe groot het ongeluk moge zijn, 't welk ik
dezen armen drommel gedaan heb, hoope ik, dat hij het mij bij zijn dood
in liefde zal vergeven hebben, naardien mijn oogmerk goed was, hoe zeer
de gevolgen, dit moet ik bekennen, allerverschriklijkst geweest zijn.”
Van _Holland_ sprekende, kan ik niet nalaten bij deze gelegenheid hier
eene opheldering nopens den laatsten oorlog met _Engeland_ medetedeelen.
Mij op de vloot van den admiraal PARKER bevindende barstede ik met alle
de schepelingen van spijt, dat die laffe, weeke _Hollanders_, na ons zoo
schandelijk in onze hoop en verwagting bedrogen te hebben, nog victorij
durfden kraaien, door op de plaats van het gevegt te blijven liggen,
terwijl wij, Meesters van de zee! met allen spoed een goed heen komen
moesten zoeken. Terwijl de andere Officieren, zig aan hunnen spijt
overgevende, het hoofd lieten hangen als een bies, begon ik op middelen
bedacht te zijn, om de schande van dien dag door eene of andere
schijnbare uitwerkselen en vrugten van onzen heldenmoed eenigzins te
verminderen. Het middel was allerheerlijkst; doch gelukte mij maar ten
deele. Ik liet naamlijk terstond al het stukkend glas en porcelein, 't
welk op de vloot was, brengen aan boord van den admiraal, smolt het en
blaasde een glazen duikerklok, naar de beschrijving van _Desaguliers_,
zoo groot, dat twaalf mannen onder denzelven konden zitten en op den
bodem van de zee wandelen. Zoo dra was alles niet vervaardigd, of ik
begaf mij met zes timmerlieden en de nodige gereedschappen op reis, met
voornemen, om de gehele _Hollandsche_ vloot te vernielen. Dit gelukte
ons naar wensch met het eerste schip, in welks boeg wij een gat hakten,
zoo laag en zoo groot, dat het noch gevonden noch gestopt konde worden.
Hierop begaven wij ons naa de andere schepen; maar het opkomend onweder
sloeg de boot, welke onze luchtbuizen bestierde, om ver, en wij moesten,
tot onze innerlijkste smert, ons voornemen laten vaaren, om zelve
behouden te blijven. Den Officier met de vier roeiers van de boot namen
wij bij ons in de klok, welken wij omkeerden, en kwamen op deze wijs
gelukkig bij den admiraal aan boord; die zig egter wel gewagt heeft, om
in zijn berigt aan de LORDS van de admiraliteit de ware oorzaak van het
zinken van _Holland_[22] optegeven.
[22] Deze was de naam van dit vijandelijk schip.
* * * * *
_De vertaler verwagt, dat de nederlandsche lezer, dien de ware oorzaak
van dit verongelukken niet onbekend is, weinig geloof aan dit verhaal
zal geven._