_Onze Baron overtreft den Baron _DE TOTT_ in alle opzigten; nogthans
mislukt hem ééne zaak.—Valt in ongenade bij den groten Heer,
die bevel geeft om zijn hoofd te brengen.—Ontkomt dit gevaar,
en gaat aan boord van een schip, waarmede hij na _Venetie_
vertrekt.—Afkomst van den Baron _DE TOTT_, en bijzonderheden van
s' mans voorouders.—Eenige weinig of niet, bekende bijzonderheden
van vroegeren tijd._
De Baron de TOTT maakt van een eenige zaak meer ophefs, dan
vele reizigers, die hun gantsche leven hebben doorgebragt met de
verschillende delen van de waereld door te reizen. Ik voor mij, al was
ik uit den mond van een mortier van _Europa_ na _Asia_ gevlogen, zoude
ik daarvan naderhand niet half zoo veel gesnoefd hebben, als hij doet
van het afschieten van één turksch kanon. Zijn gezegde nopens dit
verwonderlijk stuk komt, naar mijn beste onthoud, hier op neder: _„De
Turken hadden onder het kasteel, nabij de Stad, aan den oever van de
vermaarde rivier de _SIMOIS_, een onzagchelijk groot metalen stuk kanon,
't welk een marmoren bal van _ELF HONDERD PONDEN_ zwaarte schieten
kon. Ik was begeerig, zegt de _TOTT_, om het af te schieten, om dat ik
nieuwsgierig was, welke uitwerksels het doen zoude. Het volk, dat ik bij
mij had, sidderde op dezen voorslag, naardien zij zig verzekerd hielden,
dat het niet alleen het kasteel, maar ook de gantsche Stad verwoesten
zou: doch hunne vrees verminderde op mijne betere onderrigtingen
aanmerklijk, en ik kreeg vrijheid om het aftesteken. Om het te laaden
had ik niet minder dan _DRIE HONDERD EN DERTIG PONDEN KRUID_ noodig, en de
kogel weegde, gelijk gezegd is, _ELF HONDERD PONDEN_. Toen de kanonnier
de kogel aanstampte, liepen de overigen weg, zoo ver als zij konden: ja
het was niet dan met de uiterste moeite, dat ik den _PACHA_, die juist
op slag kwam, konde beduiden, dat 'er geen gevaar was: hij, die het lont
moest aanleggen, beefde als een riet. Ik ging eenige steenworpen agter
hem staan, gaf het sein en voelde een schok, als van eene aardbevinge!
Op den afstand van drie honderd vademen borst de kogel in drie stukken,
welken over de straat heen vloogen, in de bergen aan de overzijde
belandden, en de oppervlakte van het water door de gantsche breedte van
het kanaal deeden op bruischen.”_
Dit is, zoo nauwkeurig als ik het mij kan herinneren, het berigt van den
Baron de TOTT, wegens het grootste stuk geschut in de bekende waereld.
Toen ik aldaar, niet lang daarna, was, werd in het gantsche ottomanische
rijk van niets anders gesproken, en men beschouwde dit afschieten van
dat verschriklijkst geschut als een bewijs van s' Barons buitengewonen
moed.
Voor een Franschman wilde ik niet onder doen: daarom nam ik dit zelfde
kanon op mijne schouders, en na het volmaakt in evenwigt gelegt te
hebben, sprong ik daarmede in zee, en zwom naa de overzijde; van waar
ik het ongelukkiglijk wederom wilde brengen op zijne voorige plaats.
Ongelukkiglijk, zegge ik: want toen ik het in de hand nam, om het
over te werpen, gleed het een weinig te vroeg uit, en viel daardoor
in het midden van de straat, alwaar het nu in zee ligt, zonder eenig
vooruitzigt om het ooit weder van daar te krijgen. De grote Heer
nam dit betoon van mijnen moed en mijne kragten zoo euvel op, dat,
niettegenstaande de grote gunst, waarin ik, gelijk ik reeds gezegd heb,
(niettegenstaande de schathistorie, die ik u verhaald, en die hij mij
vergeven had,) bij zijne Hoogheid stond, die wreede Turk bevel gaf om
mij het hoofd af te slaan, en dit alleen, om dat ik een nutteloos stuk
van ijdelen pragt in 't water had laten vallen. Eene van zijne Sultanes,
welker grote gunsteling ik was, liet mij met den meesten spoed hiervan
kennis geven, en tevens berigten, dat ik mij bij haar kon verbergen,
terwijl men naar mij zocht; van welke en andere gunsten ik het gereedste
gebruikt maakte.
Maar den zelfden nacht begaf ik mij aan boord van een schip, 't welk
gereed lag om naa _Venetie_ te stevenen: wij ligtten het anker en waren
binnen drie tellens uit het gezicht van _Constantinopel_.
Deze laatste gebeurdtenis, welke mij zoo gantsch mislukte, en waarbij ik
het leven bijkans inschoot, had ik misschien niet behooren te verhaalen;
maar daar dezelve niet strekt tot mijne oneer, wilde ik ze niet
agterhouden.
Dewijl ik het geluk heb, mijne Heeren! bij u bekend te zijn, als een
allergeloofwaardigst man, die om al de logens van de waereld niet ééne
onwaarheid zou willen voordbrengen, moet ik u waarschouwen, dat ik voor
het volgend verhaal wegens de afkomst van den Baron niet kan instaan,
maar het u mededeele, zoo als ik het te _Venetie_ van verscheiden
menschen zeer dikwijls heb hooren verhaalen.
Een van zijne voorvaderen was geboortig van _Bern_ in _Zwitzerland_, en
een waterdrager te _Parijs_. Deze man maakte op eene zeer toevallige
en koddige wijze kennis met de schoonheid, welke hij om eene zeer
zonderlinge rede trouwde, en waarmede hij maar éénen dag in het huwelijk
leefde. Deze vrouw was geboren in het gebergte van _Savoie_, en had,
volgends den aard van dat land, op beide Sexen zoo grillig werkende,
een zeer fraaijen groten wen in haren nek. Zij verliet het huis haarer
ouderen, nog zeer jong zijnde. Te _Parijs_, werwaards zij gegaan was, om
haar fortuin te zoeken, leefde zij eenigen tijd van de giften, welken
eenige jonge Heeren aan haar uit liefde besteedden. Op zekeren nacht
ontmoeteden deze twee vremdelingen elkander op straat, en kwamen in
één punt samen; (zij hadden beiden een weinig te veel gedronken; ook
brandden toen in _Parijs_ des avonds nog geen lantaernen; waardoor men
elkander in den donker minder ontwijken konde); in dezen stand werden
zij door de ronde gevat, naa de wacht, en 's anderen daags na 't
spinhuis gebragt. Beiden verdroot dit opgeslooten en eenvormig leven;
beiden dachten op hun ontslag; beiden bedachten hetzelfde middel, en
beiden gaven het op denzelfden tijd aan hunne bewaarders te kennen;
beiden ontschuldigden hun gedrag door hunne jeugd; beiden zochten het
goed te maaken door te zeggen, dat zij aan elkander verloofd waren, en
den volgenden dag met elkander in den echt zouden getreeden zijn. Beiden
kwamen alzoo volmaakt met elkander overeen; beiden werden zij ontslagen,
en door den aartsbisschop van _Parijs_ door den band des huwelijks
vereenigd. Maar de jong getrouwde vrouw, die waande van adelijke
herkomste te zijn, wilde nooit met een zwitzerschen burger te doen
hebben: welke, op zijne beurt, begrijpende, dat hij overal te regt konde
raaken, zijne preutsche verliet, met welke hij alleen getrouwd was, om
zijne vrijheid weder te krijgen! Deze kiesche vrouw verbond zig kort
daarna met een Koning, (wel te verstaan van een poppenspel) reisde met
hem op alle kermissen, en kwam eindelijk te _Rome_. Hier viel zij in
de ongenade van haren Vorst, werd uit zijn gebied gebannen en huurde
een Oesterkelder digt bij het _Vaticaan_.—CÆSAR BORGIA, die veel van
Oesters hield, kwam haar dikwijls bezoeken, en bleef wel eens een
nachtje over. In één van dezelven ontving de bet-out-over-grootvader van
onzen held het eerste bestaan, wiens moeder den volgenden morgen, voor
het aanbreken van den dag, _Rome_ verliet.
_Die dit verhaal gelooven wil, moge het doen, of een ander vertelsel
volgen, waarvan het ééne mij te _Constantinopel_ gegeven is, het andere
te _Rome_. Volgends het laatste zoude hij de zoon zijn van zijns Vaders
Vrouw en _GANGANELLI_, ook bekend onder den naam van paus _CLEMENS_ de
XIVde, die hem naa Frankrijk zond, eene goede opvoeding bezorgde, en een
goed vermogen naliet: naar luid van het eerste was hij de bekende zoon
van mevrouw _MARIA WORTHLEIJ MONTAGUE_, door haar bij den groten Heer
overgewonnen in, haar bezoek van het serail[20]._
[20] Over dezen zoon van MYLADY MONTAGUE kan de nederduitsche lezer
eenige bijzonderheden vinden in de voorrede van den eerwaardigen
Heer G. KUIPERS, geplaatst voor de door zijn Eerw. vertaalde reis
van d' ARVIEUX naa den groten EMIR, gedrukt te _Utrecht_ bij H.
VAN OTTERLOO 1780.