XIV. HOOFDSTUK.

_Onze Baron overtreft den Baron _DE TOTT_ in alle opzigten; nogthans

mislukt hem ééne zaak.—Valt in ongenade bij den groten Heer,

die bevel geeft om zijn hoofd te brengen.—Ontkomt dit gevaar,

en gaat aan boord van een schip, waarmede hij na _Venetie_

vertrekt.—Afkomst van den Baron _DE TOTT_, en bijzonderheden van

s' mans voorouders.—Eenige weinig of niet, bekende bijzonderheden

van vroegeren tijd._

De Baron de TOTT maakt van een eenige zaak meer ophefs, dan

vele reizigers, die hun gantsche leven hebben doorgebragt met de

verschillende delen van de waereld door te reizen. Ik voor mij, al was

ik uit den mond van een mortier van _Europa_ na _Asia_ gevlogen, zoude

ik daarvan naderhand niet half zoo veel gesnoefd hebben, als hij doet

van het afschieten van één turksch kanon. Zijn gezegde nopens dit

verwonderlijk stuk komt, naar mijn beste onthoud, hier op neder: _„De

Turken hadden onder het kasteel, nabij de Stad, aan den oever van de

vermaarde rivier de _SIMOIS_, een onzagchelijk groot metalen stuk kanon,

't welk een marmoren bal van _ELF HONDERD PONDEN_ zwaarte schieten

kon. Ik was begeerig, zegt de _TOTT_, om het af te schieten, om dat ik

nieuwsgierig was, welke uitwerksels het doen zoude. Het volk, dat ik bij

mij had, sidderde op dezen voorslag, naardien zij zig verzekerd hielden,

dat het niet alleen het kasteel, maar ook de gantsche Stad verwoesten

zou: doch hunne vrees verminderde op mijne betere onderrigtingen

aanmerklijk, en ik kreeg vrijheid om het aftesteken. Om het te laaden

had ik niet minder dan _DRIE HONDERD EN DERTIG PONDEN KRUID_ noodig, en de

kogel weegde, gelijk gezegd is, _ELF HONDERD PONDEN_. Toen de kanonnier

de kogel aanstampte, liepen de overigen weg, zoo ver als zij konden: ja

het was niet dan met de uiterste moeite, dat ik den _PACHA_, die juist

op slag kwam, konde beduiden, dat 'er geen gevaar was: hij, die het lont

moest aanleggen, beefde als een riet. Ik ging eenige steenworpen agter

hem staan, gaf het sein en voelde een schok, als van eene aardbevinge!

Op den afstand van drie honderd vademen borst de kogel in drie stukken,

welken over de straat heen vloogen, in de bergen aan de overzijde

belandden, en de oppervlakte van het water door de gantsche breedte van

het kanaal deeden op bruischen.”_

Dit is, zoo nauwkeurig als ik het mij kan herinneren, het berigt van den

Baron de TOTT, wegens het grootste stuk geschut in de bekende waereld.

Toen ik aldaar, niet lang daarna, was, werd in het gantsche ottomanische

rijk van niets anders gesproken, en men beschouwde dit afschieten van

dat verschriklijkst geschut als een bewijs van s' Barons buitengewonen

moed.

Voor een Franschman wilde ik niet onder doen: daarom nam ik dit zelfde

kanon op mijne schouders, en na het volmaakt in evenwigt gelegt te

hebben, sprong ik daarmede in zee, en zwom naa de overzijde; van waar

ik het ongelukkiglijk wederom wilde brengen op zijne voorige plaats.

Ongelukkiglijk, zegge ik: want toen ik het in de hand nam, om het

over te werpen, gleed het een weinig te vroeg uit, en viel daardoor

in het midden van de straat, alwaar het nu in zee ligt, zonder eenig

vooruitzigt om het ooit weder van daar te krijgen. De grote Heer

nam dit betoon van mijnen moed en mijne kragten zoo euvel op, dat,

niettegenstaande de grote gunst, waarin ik, gelijk ik reeds gezegd heb,

(niettegenstaande de schathistorie, die ik u verhaald, en die hij mij

vergeven had,) bij zijne Hoogheid stond, die wreede Turk bevel gaf om

mij het hoofd af te slaan, en dit alleen, om dat ik een nutteloos stuk

van ijdelen pragt in 't water had laten vallen. Eene van zijne Sultanes,

welker grote gunsteling ik was, liet mij met den meesten spoed hiervan

kennis geven, en tevens berigten, dat ik mij bij haar kon verbergen,

terwijl men naar mij zocht; van welke en andere gunsten ik het gereedste

gebruikt maakte.

Maar den zelfden nacht begaf ik mij aan boord van een schip, 't welk

gereed lag om naa _Venetie_ te stevenen: wij ligtten het anker en waren

binnen drie tellens uit het gezicht van _Constantinopel_.

Deze laatste gebeurdtenis, welke mij zoo gantsch mislukte, en waarbij ik

het leven bijkans inschoot, had ik misschien niet behooren te verhaalen;

maar daar dezelve niet strekt tot mijne oneer, wilde ik ze niet

agterhouden.

Dewijl ik het geluk heb, mijne Heeren! bij u bekend te zijn, als een

allergeloofwaardigst man, die om al de logens van de waereld niet ééne

onwaarheid zou willen voordbrengen, moet ik u waarschouwen, dat ik voor

het volgend verhaal wegens de afkomst van den Baron niet kan instaan,

maar het u mededeele, zoo als ik het te _Venetie_ van verscheiden

menschen zeer dikwijls heb hooren verhaalen.

Een van zijne voorvaderen was geboortig van _Bern_ in _Zwitzerland_, en

een waterdrager te _Parijs_. Deze man maakte op eene zeer toevallige

en koddige wijze kennis met de schoonheid, welke hij om eene zeer

zonderlinge rede trouwde, en waarmede hij maar éénen dag in het huwelijk

leefde. Deze vrouw was geboren in het gebergte van _Savoie_, en had,

volgends den aard van dat land, op beide Sexen zoo grillig werkende,

een zeer fraaijen groten wen in haren nek. Zij verliet het huis haarer

ouderen, nog zeer jong zijnde. Te _Parijs_, werwaards zij gegaan was, om

haar fortuin te zoeken, leefde zij eenigen tijd van de giften, welken

eenige jonge Heeren aan haar uit liefde besteedden. Op zekeren nacht

ontmoeteden deze twee vremdelingen elkander op straat, en kwamen in

één punt samen; (zij hadden beiden een weinig te veel gedronken; ook

brandden toen in _Parijs_ des avonds nog geen lantaernen; waardoor men

elkander in den donker minder ontwijken konde); in dezen stand werden

zij door de ronde gevat, naa de wacht, en 's anderen daags na 't

spinhuis gebragt. Beiden verdroot dit opgeslooten en eenvormig leven;

beiden dachten op hun ontslag; beiden bedachten hetzelfde middel, en

beiden gaven het op denzelfden tijd aan hunne bewaarders te kennen;

beiden ontschuldigden hun gedrag door hunne jeugd; beiden zochten het

goed te maaken door te zeggen, dat zij aan elkander verloofd waren, en

den volgenden dag met elkander in den echt zouden getreeden zijn. Beiden

kwamen alzoo volmaakt met elkander overeen; beiden werden zij ontslagen,

en door den aartsbisschop van _Parijs_ door den band des huwelijks

vereenigd. Maar de jong getrouwde vrouw, die waande van adelijke

herkomste te zijn, wilde nooit met een zwitzerschen burger te doen

hebben: welke, op zijne beurt, begrijpende, dat hij overal te regt konde

raaken, zijne preutsche verliet, met welke hij alleen getrouwd was, om

zijne vrijheid weder te krijgen! Deze kiesche vrouw verbond zig kort

daarna met een Koning, (wel te verstaan van een poppenspel) reisde met

hem op alle kermissen, en kwam eindelijk te _Rome_. Hier viel zij in

de ongenade van haren Vorst, werd uit zijn gebied gebannen en huurde

een Oesterkelder digt bij het _Vaticaan_.—CÆSAR BORGIA, die veel van

Oesters hield, kwam haar dikwijls bezoeken, en bleef wel eens een

nachtje over. In één van dezelven ontving de bet-out-over-grootvader van

onzen held het eerste bestaan, wiens moeder den volgenden morgen, voor

het aanbreken van den dag, _Rome_ verliet.

_Die dit verhaal gelooven wil, moge het doen, of een ander vertelsel

volgen, waarvan het ééne mij te _Constantinopel_ gegeven is, het andere

te _Rome_. Volgends het laatste zoude hij de zoon zijn van zijns Vaders

Vrouw en _GANGANELLI_, ook bekend onder den naam van paus _CLEMENS_ de

XIVde, die hem naa Frankrijk zond, eene goede opvoeding bezorgde, en een

goed vermogen naliet: naar luid van het eerste was hij de bekende zoon

van mevrouw _MARIA WORTHLEIJ MONTAGUE_, door haar bij den groten Heer

overgewonnen in, haar bezoek van het serail[20]._

[20] Over dezen zoon van MYLADY MONTAGUE kan de nederduitsche lezer

eenige bijzonderheden vinden in de voorrede van den eerwaardigen

Heer G. KUIPERS, geplaatst voor de door zijn Eerw. vertaalde reis

van d' ARVIEUX naa den groten EMIR, gedrukt te _Utrecht_ bij H.

VAN OTTERLOO 1780.

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 42 / 49 题