_De Baron zeilt met Kapitein _PHIPPS_—valt twee zwaare beeren aan,
welken hij ter naauwernood ontkomt.—Wint het vertrouwen van deze
dieren, en vernielt duizend van dezelven; laadt het schip met
derzelver hammen en huiden; zendt de eersten overal ten geschenke
rond; en wordt daarvoor op alle feesten van de Stad genodigd.—Een
verschil tusschen den Kapitein en den Baron, waarin de laatste,
beleefdheidshalve, genoodzaakt is toe te geven.—De Baron weigert
de eer van een throon._
Het is u bekend, mijne Heeren! dat Kapitein PHIPPS WILD[17] (naderhand
Lord R*****) eene reis gedaan heeft naa het Noorden om nieuwe
ontdekkingen te doen; en dat ik dezen dapperen en edelmoedigen held,
niet als Officier, maar als goed vriend op dezelve verzelde. Toen wij
op eene hoge Noorderbreedte kwamen, beschouwde ik de voorwerpen, welken
mij omringden, met mijn telescoop, waarmede ik u in mijne ontmoetingen
te _Gibraltar_ heb bekend gemaakt. Onder anderen zag ik, dacht mij,
twee grote witte beeren in een hevig gevegt op een berg van ijs, welks
top veel hoger dan onze mast, en een half uur ver van ons af was. Zoo
met een sprong ik buiten boord, met mijn schietgeweer op mijn rug, en
klonterde dezen ijsberg op; maar om boven op den top daarvan te komen,
was zoo gemakkelijk niet, als ik mij verbeeld had. De oppervlakte van
het ijs was zoo oneffen, dat ik niet dan met de uiterste moeite en
onbeschrijflijke gevaren tot deze dieren konde naderen. Dan eens
ontmoette ik dwars uitstekende punten, tegen welken ik van onderen op
moest op kruipen, om ze te boven te komen, of moest een omweg van ten
minsten één uur lang maaken; dan eens werd ik op het onverwagtst gestuit
door vreeslijke dieptens, over welken ik moest heen springen; en over
het algemeen was het ijs zoo glad als een spiegel, zoo dat ik over dezen
korten weg meer dan tien uuren doorbragt; eindelijk alle zwarigheden
overwonnen en het einde van mijne reis bereikt hebbende, zag ik dat die
twee beeren alleen met elkander speelden. Het eerste, dat ik nu deed,
was eene berekening van de waarde hunner huiden: want zij waren ieder
zoo groot en dik, als vette groninger ossen; het hierover met mij zelven
eens geworden zijnde, meende ik aan te leggen; maar mijn regter voet
gleed uit, ik viel op mijn rug, mijn geweer ging af, en de geweldige
slag beroofde mij voor omtrend een half uur van alle mijne zinnen. Maar
begrijpt hoe verbaasd ik was, toen ik, wederom tot mij zelven gekomen
zijnde, merkte, dat één van deze dieren, die ik zoo even beschreven
heb, mij op mijn buik gelegd had, en mij juist aan den band van mijn
broek, die nieuw en van hartsleder was, in zijn bek vast hield. Het was
zekerlijk voornemens mij elders heen te sleepen, wie weet waar heen!
maar ik haalde dit mes uit mijn zak[18], gaf het eenige houwen in zijn
agterpoot, en hakte drie teenen daar af; waarop hij mij terstond los
liet en allerverschriklijkst bromde. Zoo als hij van mij weg liep, nam
ik mijn roer, en vuurde op hem; waardoor wel deze beer viel, maar ook
eenige duizenden zijner witte broederen, die ongeveer een half uur van
mij op het ijs lagen te slapen, ontwaakten, en zonder dralen kwamen
vliegen naa de plaats, van waar zij het geluid gehoord hadden. Dit zag
'er akelig voor mij uit; en ik was 'er zekerlijk om koud geweest, had
ik geen gelukkigen inval gekregen. Ik vilde den beer, kop en al, in
de helft van den tijd, welken de meeste menschen tot het villen van
een konijn nodig hebben; en stak mij zelven in den huid, mijn hoofd
onder het zijne plaatsende. Spoediger, dan ik het u kan zeggen, had het
gantsche heir van beeren mij omsingeld; en mijne angst en vrees, gelooft
dit vrij, bragten mij in een deerniswaardigen toestand; maar tot mijn
grootst geluk veranderde dezelve welhaast op eene verwonderlijke wijs.
Allen kwamen ze mij berieken, en namen mij oogenschijnelijk voor een'
broeder _Bruno_: dit bemerkende, en ziende, dat onder hen vele jongen
waren, niet veel langer, dan ik, wagtte ik niet lang, maar bootste hun
maaksel zoo goed na als ik kon. Toen zij allen, één voor één, mij, en
het dood lighaam van hunnen broeder, wiens huid nu mijn beschermengel
was, beriekt hadden, leefden wij zeer wel met elkander; en ik ondervond,
dat ik hen in alles, behalven het knorren, brommen en omhelzen, vrij wel
kon naaäapen. Hoe zeer ik nu een beer geleek, was ik echter nog genoeg
mensch, om op middelen bedacht te zijn, hoe ik het algemeen vertrouwen,
't welk ik van deze dieren gewonnen had, tot mijn meeste voordeel zoude
gebruiken.
[17] Of deze PHIPPS WILD, een afstammeling is van dien JONATHAN WILD
_den Groten_, wiens leven en daden zoo nauwkeurig en aardig
beschreven zijn door den geestrijken en vernuftigen Heer H.
FIELDING, meldt de Baron noch de Engelsche uitgever zijner
avonturen: de inwoners en de belanghebbende kooplieden van St.
Eustathius zullen dit misschien willen gelooven.—
[18] De Baron toonde hierop dit vreeslijk werktuig aan zijne vrienden,
die meenden, dat zij een lang en breed, scherp tweesnijdend mes,
zoo als een bakkers biscuit-mes is, zien zouden. Maar ziet, het
was niet anders, dan een tamelijk knipmes.
Ik had van eenen ouden veld-wondheeler hooren zeggen, dat een wond in
de ruggegraat doodelijk is, en dat hij, die ze ontvangt, op 't zelfde
tijdpunt sterft. Hiervan besloot ik nu een proef te nemen, en nam
wederom toevlugt tot mijn knipmes, waarmede ik den zwaarsten van allen
vlak van agteren in den nek tusschen de schouders stak, echter niet
zonder zeer grote vrees en ontroering, als niet twijfelende, of het
schepsel, zoo het den steek overleefde, zoude mij aan duizend stukken
gescheurd hebben. Maar ik was hierin boven alle verwagting zeer
gelukkig: want het beest viel dood aan mijne voeten neder, zonder eenig
geluid te geven, of één droppel bloeds te storten. Dit gaf mij moed en
een voornemen, om ze allen op dezelfde wijze te vernielen, het welk ik
met het grootste gemak van de waereld, in minder dan anderhalf uuren,
verrigtte: want schoon deze dieren hunne gezellen zagen vallen, hadden
zij geen vermoeden hoe genaamd wegens de oorzaak van derzelver dood.
Toen zij allen dood voor mijne voeten lagen, hield ik mij zelven voor
een tweeden SIMSON, die zijne duizenden verslagen had.
Maar ik mag niet gaarn van zulke kleinigheden zoo lang spreken, en zeg
daarom nog alleen: dat ik wederom naa het schip ging, en drie vierde
gedeelte van de manschap met mij nam, om mij te helpen in het villen van
de beeren, en derzelver hammen en huiden aan boord te brengen; 't welk
wij in weinige uuren deeden, en het schip daar mede vol laaden. De
andere stukken van deze dieren wierpen wij in zee; zij zouden zekerlijk
wel even goed geweest zijn tot spijze als de hammen, zoo ze behoorlijk
waren behandeld geworden; daaraan twijfel ik althands niet; maar wij
konden in ons schip niet meer bergen.
Zodra wij te huis gekomen waren, zond ik, uit naam van den Kapitein,
eenige hammen ten geschenke aan de Lords van de Admiraliteit, aan de
Lords van de Thesaurie, aan den Lord-Major en de Gemeenten van London,
aan ieder lid van de verschillende handeldrijvende maatschappijen, en de
overigen vereerde ik aan mijne bijzondere vrienden; van allen kreeg ik
de hartelijkste dankzeggingen; maar bovenal van de stad, welke mij eens
vooral op hare jaarlijksche maaltijd, ter gelegenheid van de verkiezing
van eenen nieuwen Lord-Major, noodigde.
Maar de huiden zond ik aan de _Czarin der Tartaren_, tot winterklederen
voor hare Majesteit en het hof; waarvoor hoogstdezelve mij een brief van
dankzegginge met haar eigen hand schreef, en door een buitengewoonen
gezand zond, mij haare hand en kroon aanbiedende. Doch ik, die nooit
naa Koninglijke waardigheden dong, bedankte hare Majesteit in de
allerbeleefdste woorden voor deze gunst. Denzelfden gezant was bevolen,
op mijn andwoord te wagten, en hetzelve _in persoon_ aan hare Majesteit
over te brengen, waardoor hij drie maanden afwezig was. Het weder
andwoord overtuigde mij ten vollen van de sterkte harer genegenheid
en van hare grootmoedigheid; hare laatste ongesteldheid was alleen
veroorzaakt (zoo als zij, die tedre ziel! zig onlangs in eene geheime
onderhandeling met een der Rijksgroten uitliet) door mijne wreedheid.
Wat schoons de sexe in mij moge zien, kan ik niet begrijpen: maar deze
Vrouw is de eenigste Souvereine Vorstin niet, die mij haare hand heeft
aangeboden.
Sommige onbescheiden menschen hebben, alleen door wangunst, verspreid,
als of Kapitein PHIPPS WILD, op dezen togt, niet zoo diep, als hij had
kunnen doen, in het Noorden ware doorgedrongen. Maar hier moet en zal
ik mij van mijnen plicht ten zijnen opzichte kwijten: ons schip was
in een zeer goeden staat en nette orde, tot dat ik het met eene zoo
verbazende menigte beerenhuiden en hammen geladen had, dat het dwaasheid
zoude geweest zijn om verder te willen gaan; naardien wij nu nauwlijks
tegen een labberkoeltje bestand waren, ik laat staan tegen die hooge
bergen van ijs, welken wij hooger om den noord ontmoet zouden hebben.
Deze Kapitein heeft zig naderhand dikwijls beklaagd, dat hij in de eer
van dezen dag, welken hij met nadruk den _beerenhuids-dag_ pleeg te
noemen, niet gedeeld had[19]. Daar bij benijdt hij mij niet weinig de
eer van deze overwinning, en tracht die op allerlei wijzen te bezwalken,
waardoor wij meer dan eens de hevigste woorden met elkander daarover
gehad hebben, en wij elkander tegenwoordig niet zien of spreken: nu
verzekert hij stoutelijk, dat 'er geen verdienste in gelegen is, dat ik
de beeren misleid heb, omdat ik mij met een beerenhuid overdekte; ja hij
verklaart, dat hij wel zonder deze vermomming onder hen had durven gaan,
en dat zij hem nogthans voor een beer zouden aangezien hebben.
[19] Ik weet met zekerheid, dat hij zig bij de Lords van de Admiraliteit
te meermalen beroemd heeft, dat hij alleen door zijn beleid en
moed alle de beeren gevangen had; waardoor hij zig zoo diep in de
gunst en de goede gedachten van die Heeren heeft ingedrongen, dat
zij hem voor den bekwaamsten man hielden, om een slag van gewigt
te doen in één der laatste oorlogen, waarin hij zig wonder wel
boven alle menschelijkheid en geheel naar beeren aard gedragen
heeft. _Aantekening van den Engelschen uitgever._
Thands is hij een edel Pair van 't rijk; en daar ik te wel bekend ben
met goede manieren, wil ik mij over een zoo teder punt met zijn
Lordschap in geen verschil inlaten.