X. HOOFDSTUK.

_De Baron geeft zijnen ouden Vriend, den Generaal _Elliot_, een

bezoek in de belegering van _Gibralter_.—Doet een Spaansch

oorlogschip zinken.—Ontwaakt eene oude vrouw op de Afrikaansche

kust.—Vernielt al het geschut van den vijand; maakt den Graaf van

... verschrikt, en jaagt hem naa Parijs.—Verlost twee Engelsche

verspieders, met dienzelfden slinger, waardoor _Goliath_ ter neder

werd geslagen, en doet de belegering van _Gibralter_ opbreken._

Geduurende de laatste belegering van _Gibralter_ ging ik met een

vloot voorraadschepen, onder het bevel van Lord HOWE, een bezoek geven

aan mijnen ouden vriend, den Generaal ELLIOT, die door de roemrijke

verdediging dezer plaatse onverwelklijke laurieren behaald heeft. Nadat

de wederzijdsche blijdschap, die bij eene onverwagtte ontmoeting van

twee oude vrienden altijd pleeg te ontstaan, bedaard was, ging ik den

staat der bezettinge onderzoeken, en de verrigtingen van den vijand

opnemen; ten welken einde de Generaal mij vergezelde. Ik had een

overheerlijken telescoop van DOLLAND bij mij, waardoor ik ontdekte,

dat de vijand juist naa die plaats, alwaar wij ons bevonden, een

vier-en-twintig ponder wilde losbranden. Ik gaf den Generaal te

kennen, wat werk zij onder handen wilden nemen; hij zag daarom ook

door het glas, en vond mijne gissing gegrond. Terstond beval ik, met

verlof van den Generaal, dat aldaar een agt-en-veertig ponder van de

naastgelegene batterije zoude gebragt worden; dit stuk stelde ik zoo

nauwkeurig (ik heb verscheiden jaren als konstapel onder de _Poolsche_

Geconfoedereerden gediend) dat ik geen ogenblik aan eene goede werking

twijfelde.

Ik bleef den vijand gadeslaan, tot dat ik zag, dat hij het lont aan

het stuk aanbragt, waarop ik het sein gaf, dat ons stuk ook zoude

losbranden. De twee kogels ontmoeteden elkander bijna op het midden,

en zij bonsten met een allerverschriklijkst geweld tegen elkander. De

uitwerking was niet minder verbazende. De kogel van den vijand vloog met

zulk een geweld terug, dat hij den kaerel, die het stuk had afgeschoten,

het hoofd afsloeg, benevens nog zestien anderen, welken dezelve in zijn

voordsnellen naa de kust van _Barbarije_ ontmoette; maar hier was zijne

kragt reeds dermate gebroken, dat hij, na nog drie masten van schepen,

die aldaar in een regte lijn agter elkander in de haven lagen, doorboord

te hebben, niets meer konde uitvoeren, dan door het dak eens armen

daglooners hut, staande omtrend vijftig roeden landwaards in, te

vliegen; waarna hij eindelijk smoorde in den mond van eene oude vrouw,

die op haar rug lag te slaapen, en het overschot van hare tanden weg

nam. De man van deze vrouw kort daarna te huis komende wilde den kogel

uit den mond trekken; maar te vergeefsch: hierom beukte hij denzelven

naa binnen met een moker tot in de maag; van waar die goede oude sloof

deze pil volgends den natuurlijken loop naa beneden kwijt raakte. Maar

dit was de eenigste dienst niet, welken wij van onzen kogel hadden:

want hij dreef niet alleen den vijandelijken kogel terug, gelijk ik

beschreven heb, maar volgends het oogmerk, 't welk ik daarmede had, ging

de onze voord, en ligtte dat zelfde stuk van den vijand, 't welk tegen

ons gebruikt was, uit zijn affuit, en wierp het in het ruim van een

schip, dat het door de kiel heen vloog. In één oogenblik was dat schip

vol water, en zonk met meer dan duizend spaansche matrozen, behalven een

zeer aanmerklijk getal soldaten, waarvan niet één gered werd. Dit was

een bij uitstek goed werk; hiervan ben ik verzekerd: evenwel wil ik de

verdiensten daarvan niet aan mij zelven alleen en geheel toeschrijven:

mijn vernuft en oordeel speelden zekerlijk wel de voornaamste rol in

deze beuzelarije (wat betekenen toch eenige duizende menschen tegen een

schonen barren klip!); maar mijn goed geluk stond mij ook hier een

weinig ten dienste: want de man, die onzen agt-en-veertig ponder geladen

had, had bij verzinning een dubbele maat kruid genomen: buiten welken

gelukkigen misslag wij nooit zoo goed, boven alle verwagting, zouden

geslaagd hebben, vooral in het terug kaatsen van s' vijands kogel.

De Generaal ELLIOT wilde mij een aanzienlijken post bij de artillerie

geven, om dezen mijnen bijzonderen en gewigtigen dienst eenigszins te

beloonen; maar ik wees alles van de hand, behalven zijne dankzegging,

welke ik van hem op den avond van denzelfden dag, in tegenwoordigheid

van alle de Officieren van de bezetting, over tafel ontving.

Naardien ik voor de Engelschen, die boven allen twijfel een zeer braaf

volk zijn, zeer vooringenomen ben, wilde ik van deze benauwde plaats

niet vertrekken, voor dat ik een nieuwen en gewigtigeren dienst aan de

bezetting gedaan had; waartoe ik binnen drie weeken gelegenheid kreeg.

Mij als een Priester gekleed hebbende, sloop ik om één uur in den

morgenstond uit de vesting, ging door de voorposten en kwam ongemerkt

in 't midden van het vijandelijk leger. Hier begaf ik mij naa de

tent, waar in de Graaf van A****, benevens den opper-bevelhebber, en

verscheiden andere van de voornaamste Officieren, krijgsraad hielden, en

hun plan, om den volgenden morgen een storm op _Gibraltar_ te waagen,

voor de laatste maal overwogen. Mijne vermomming was hun ongeluk: want

veelen hadden te slaafschen eerbied voor het heilig kleed, 't welk ik

aan had, dan dat zij mij uit hunne vergadering durfden weg jaagen,

gelijk ik verdiend had; evenwel moet ik aan 't gezond verstand van

anderen dit recht doen, dat ik op hun gelaat de duidelijkste blijken

van ongenoegen en wantrouwen bespeurde, en de grootste genegenheid, om

den heer Pastoor eens helder den mantel te laten uitvegen; maar zij

durfden zulks niet openlijk vertoonen, noch daaraan toegeven; uit vrees,

dat zij het blind en bijgelovig gemeen, welks gunst en genegenheid

zij niet door een gewaanden ijver voor den Godsdienst (dien gewonen

kunstgreep van staatkundige en heerschzuchtige deugnieten!) maar door

hunne ervarenis en dapperheid gewonnen hadden, van zig verwijderen

en vervremden zouden. Ik kon derhalven aldaar zeer gerust en veilig

blijven, en hoorde alles, wat 'er omging, tot dat zij scheidden, om

zig nog eenige uuren ter ruste te begeven. Toen ik zag, dat het gehele

leger, zelfs de schildwachten, in den diepsten slaap gedompeld waren,

ging ik zonder toeven aan 't werk; al hun geschut (meer dan drie honderd

stukken van agt-en-veertig tot vier-en-twintig ponden ijzers) ligtte ik

van de affuiten en ging ze meer dan een half uur ver in zee brengen.

Daar ik moederziel alleen was, en zelfs geen kleinen jongen tot mijner

hulpe had, was dit het zwaarste werk, dat ik ooit onder handen heb

gehad; behalven toen ik met het befaamde turksch stuk geschut, door den

Baron de TOTT zoo zwierig beschreven in zijne gedenkschriften, waarvan

straks nader, over de straat van _Constantinopel_ zwom. Daarna stapelde

ik alle de affuiten en legerkarren, in 't midden van het leger, op

elkander, nemende dezelven twee aan twee onder mijne armen; zoo omdat

'er haast bij 't werk was, als omdat ik door het kraaken van de wielen

niet gehoord en ontdekt zoude worden. Dit maakte een schoone vertooning:

want de berg van affuiten en karren was ten minsten zoo hoog, als de

rots van _Gibralter_[13]. Toen ontstak ik een lont, slaande met een stuk

van een agt-en-veertig ponder tegen een vuursteen, welke twintig voeten

boven den grond lag op een wal, door de Mooren bij hunnen inval in

_Spanje_ opgeworpen; en stak daar mede den gantschen boedel in brand. Ik

had haast vergeten te zeggen, dat ik alle de ammunitiewagens boven op

den top van dezen berg had geworpen.

[13] Hoe de Baron in staat was, alle deze karren zoo spoedig en

gemaklijk bij elkander te krijgen, is ligt te begrijpen!! Maar

hoe hij ze zoo hoog heeft kunnen brengen zouden wij nooit hebben

kunnen bezeffen, had hij ons zijne verwonderlijke kunsten,

waarbij van GUSSUM en deszelfs waardige Opvolger, de heer RIDDER

M. I. I. PINETTI, WILLEDALE DE MERCI, Professor en Demonstrator

der Phijsica, maar kinderen zijn, niet medegedeeld in het slot van

dit, en in het XII. hoofdstuk.

Ik had het brandbaarste onder op den grond gelegd, met zoo veel overleg

en oordeel, dat alles in één oogenblik in ligter laaie vlam stond.—Om

alle vermoedens voor te komen, had ik een spaanschen soldaat stillekens

den nek omgedraaid; trok zijne klederen aan, en ging in zijne plaats

schildwacht houden: ook was ik de eerste, die allarm maakte, en de

grootste verbaasdheid toonde. Het geheele leger was verstomd; en het

algemeen besluit was, dat de vijand de schildwachten omgekoft hebbende,

zeven of agt regimenten gebruikt had, om deze ijslijke verwoesting uit

te regten. Mr. DRINKWATER verhaalt, in zijne geschiedenis van deze

beroemde belegering, dat de _Spanjaarden_ een zeer zwaar verlies leeden

door een brand, welke in hun leger ontstond, maar waarvan men de oorzaak

nooit geweten heeft. En hoe zoude hij die hebben kunnen weten? daar ik,

hoe zeer ik door dit werk van weinige uuren in éénen nacht, de eenigste

ben, aan wien de _Engelschen_ het behoud van _Gibraltar_ te danken

hebben, deze zaak echter nooit voor dezen dag aan iemand, zelfs niet aan

den Generaal ELLIOT, heb bekend gemaakt. De Graaf van A**** liep met

zijn gantschen stoet van schrik weg; zij stonden op den gantschen weg

niet ééns stil, hoewel zij te voet waren, tot dat zij _Parijs_ bereikt

hadden, alwaar zij binnen veertien dagen aankwamen. Ja deze akelige

brand had hen dermate ontsteld, dat zij wel drie maanden lang niets ter

hunner herstellinge konden gebruiken, maar gelijk de cameleon van den

wind leefden.

* * * * *

_Zo iemand van 't gezelschap mogte te kennen willen geven, als of hij

twijfelde aan de waarheid van deze gebeurdtenis, dien bekeure ik voor

een stoop brandewijn, om denzelven in één teug uit te drinken; en om de

flesch of de kom waaruit hij gedronken heeft, insgelijks naa binnen te

slaan._

* * * * *

Twee maanden, naadat ik dezen dienst aan de belegerden gedaan had, zat

ik, met mijnen vriend, ELLIOT, te ontbijten; wanneer een bom (want ik

had geen tijd gehad om zoo wel de mortieren, als het kanon van den

vijand weg te brengen) in de kamer viel, daar wij zaten, en zig op de

tafel nederzette. De Generaal verliet, gelijk de meesten doen zouden,

terstond de kamer; maar ik vatte ze op, eer zij barstte, en nam ze mede

naa den top van de rots. Van hier den vijand, op eene hoogte bij de

zeekust gelegerd, beschouwende, ontdekte ik een groote menigte volks,

onder elkander heen en wederloopende; maar met het bloote oog kon ik

niet onderscheidenlijk zien, wat zij eigenlijk uitvoerden. Ik was juist

bezig met mijn teleskoop te stellen, wanneer ik bespeurde, dat twee

van onze Officieren, waarvan de één een Generaal, de ander een Colonel

was, met welken ik den voorgaanden avond had doorgebragt, en die te

middernacht waren uitgegaan, om het vijandelijk leger te bespieden,

gevangen waren genomen, en nu regelregt na de galg gebragt werden, om

opgehangen te worden. Ik had de bom nog in mijne hand, maar de afstand

was te groot, om ze uit de hand weg naa den vijand te werpen; zeer

gelukkig herinnerde ik mij dat ik denzelfden slinger, waarvan DAVID zig

in het slaan van GOLIATH bediende, in mijn zak had; ik legde mijn bom

daarin, en slingerde dezelve, dat zij midden onder het volk nederviel,

en zoo als zij viel, barstte. Zij vernielde allen, die zig aldaar

bevonden, behalven onze twee brave helden, die 'er behouden af kwamen,

door dat zij zoo hoog gehangen waren: want zij waren even afgestoten;

maar een stuk van de bom vloog met zoo grote kragt tegen den voet van

de galg, dat dezelve terstond omver viel. Onze twee vrienden voelden

niet zoodra den vasten grond onder de voeten, of zij zagen rond naa

de oorzaak, waarom zij schier zoo spoedig nedergelaten werden, als

zij waren opgehangen. Oordeelt over hunne verwondering, mijne Heeren!

wanneer zij zagen, dat de wacht, de beul en alle de nieuwsgierige

aanschouwers het in 't hoofd gekregen hadden, om de reis naa de andere

waereld vroeger, dan zij, aantenemen. Zij wisten niet, maar vreesden, of

hier onder wel niet iets anders schuilen mogt; waarom zij hunnen tijd

niet wilden verspillen, gelijk die geleerde, die, een kop van een

hollandschen tabakspijp op den kant van den _Teems_ gevonden hebbende,

drie jaren agter één aanhoudend zijne hersenen[14] versleet, om te

onderzoeken, hoe dezelve daar gekomen ware; en ten laatste besloot, dat

een oud wijf van _Hilversum_, 't welk voor keukenmeid op een zeeuwschen

smokkelaar gevaren had, den geheelen pijp misschien uit den tandeloozen

mond had laten vallen; waarom hij nog zes dagen na den steel zocht, maar

te vergeefsch. Hierom maakten zij, zonder verwijl, elkanders onbeleefde

stroppen los, renden naa het strand en namen een spaansche boot met

zes mannen daarin, door welken zij zig na een van onze schepen lieten

roeien, en behouden daar aan boord kwamen: van waar zij, terwijl ik nog

bezig was om den Generaal ELLIOT te verhaalen, hoe ik met de bom geleefd

had, bij ons kwamen, ons om helsden, en wij met elkander den dag

aangenaam en vrolijk ten einde bragten.

[14] De Baron vergist zig hier: de man had niets in zijn hoofd, 't welk

naar hersenen geleek.

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 36 / 49 题