_De Baron geeft zijnen ouden Vriend, den Generaal _Elliot_, een
bezoek in de belegering van _Gibralter_.—Doet een Spaansch
oorlogschip zinken.—Ontwaakt eene oude vrouw op de Afrikaansche
kust.—Vernielt al het geschut van den vijand; maakt den Graaf van
... verschrikt, en jaagt hem naa Parijs.—Verlost twee Engelsche
verspieders, met dienzelfden slinger, waardoor _Goliath_ ter neder
werd geslagen, en doet de belegering van _Gibralter_ opbreken._
Geduurende de laatste belegering van _Gibralter_ ging ik met een
vloot voorraadschepen, onder het bevel van Lord HOWE, een bezoek geven
aan mijnen ouden vriend, den Generaal ELLIOT, die door de roemrijke
verdediging dezer plaatse onverwelklijke laurieren behaald heeft. Nadat
de wederzijdsche blijdschap, die bij eene onverwagtte ontmoeting van
twee oude vrienden altijd pleeg te ontstaan, bedaard was, ging ik den
staat der bezettinge onderzoeken, en de verrigtingen van den vijand
opnemen; ten welken einde de Generaal mij vergezelde. Ik had een
overheerlijken telescoop van DOLLAND bij mij, waardoor ik ontdekte,
dat de vijand juist naa die plaats, alwaar wij ons bevonden, een
vier-en-twintig ponder wilde losbranden. Ik gaf den Generaal te
kennen, wat werk zij onder handen wilden nemen; hij zag daarom ook
door het glas, en vond mijne gissing gegrond. Terstond beval ik, met
verlof van den Generaal, dat aldaar een agt-en-veertig ponder van de
naastgelegene batterije zoude gebragt worden; dit stuk stelde ik zoo
nauwkeurig (ik heb verscheiden jaren als konstapel onder de _Poolsche_
Geconfoedereerden gediend) dat ik geen ogenblik aan eene goede werking
twijfelde.
Ik bleef den vijand gadeslaan, tot dat ik zag, dat hij het lont aan
het stuk aanbragt, waarop ik het sein gaf, dat ons stuk ook zoude
losbranden. De twee kogels ontmoeteden elkander bijna op het midden,
en zij bonsten met een allerverschriklijkst geweld tegen elkander. De
uitwerking was niet minder verbazende. De kogel van den vijand vloog met
zulk een geweld terug, dat hij den kaerel, die het stuk had afgeschoten,
het hoofd afsloeg, benevens nog zestien anderen, welken dezelve in zijn
voordsnellen naa de kust van _Barbarije_ ontmoette; maar hier was zijne
kragt reeds dermate gebroken, dat hij, na nog drie masten van schepen,
die aldaar in een regte lijn agter elkander in de haven lagen, doorboord
te hebben, niets meer konde uitvoeren, dan door het dak eens armen
daglooners hut, staande omtrend vijftig roeden landwaards in, te
vliegen; waarna hij eindelijk smoorde in den mond van eene oude vrouw,
die op haar rug lag te slaapen, en het overschot van hare tanden weg
nam. De man van deze vrouw kort daarna te huis komende wilde den kogel
uit den mond trekken; maar te vergeefsch: hierom beukte hij denzelven
naa binnen met een moker tot in de maag; van waar die goede oude sloof
deze pil volgends den natuurlijken loop naa beneden kwijt raakte. Maar
dit was de eenigste dienst niet, welken wij van onzen kogel hadden:
want hij dreef niet alleen den vijandelijken kogel terug, gelijk ik
beschreven heb, maar volgends het oogmerk, 't welk ik daarmede had, ging
de onze voord, en ligtte dat zelfde stuk van den vijand, 't welk tegen
ons gebruikt was, uit zijn affuit, en wierp het in het ruim van een
schip, dat het door de kiel heen vloog. In één oogenblik was dat schip
vol water, en zonk met meer dan duizend spaansche matrozen, behalven een
zeer aanmerklijk getal soldaten, waarvan niet één gered werd. Dit was
een bij uitstek goed werk; hiervan ben ik verzekerd: evenwel wil ik de
verdiensten daarvan niet aan mij zelven alleen en geheel toeschrijven:
mijn vernuft en oordeel speelden zekerlijk wel de voornaamste rol in
deze beuzelarije (wat betekenen toch eenige duizende menschen tegen een
schonen barren klip!); maar mijn goed geluk stond mij ook hier een
weinig ten dienste: want de man, die onzen agt-en-veertig ponder geladen
had, had bij verzinning een dubbele maat kruid genomen: buiten welken
gelukkigen misslag wij nooit zoo goed, boven alle verwagting, zouden
geslaagd hebben, vooral in het terug kaatsen van s' vijands kogel.
De Generaal ELLIOT wilde mij een aanzienlijken post bij de artillerie
geven, om dezen mijnen bijzonderen en gewigtigen dienst eenigszins te
beloonen; maar ik wees alles van de hand, behalven zijne dankzegging,
welke ik van hem op den avond van denzelfden dag, in tegenwoordigheid
van alle de Officieren van de bezetting, over tafel ontving.
Naardien ik voor de Engelschen, die boven allen twijfel een zeer braaf
volk zijn, zeer vooringenomen ben, wilde ik van deze benauwde plaats
niet vertrekken, voor dat ik een nieuwen en gewigtigeren dienst aan de
bezetting gedaan had; waartoe ik binnen drie weeken gelegenheid kreeg.
Mij als een Priester gekleed hebbende, sloop ik om één uur in den
morgenstond uit de vesting, ging door de voorposten en kwam ongemerkt
in 't midden van het vijandelijk leger. Hier begaf ik mij naa de
tent, waar in de Graaf van A****, benevens den opper-bevelhebber, en
verscheiden andere van de voornaamste Officieren, krijgsraad hielden, en
hun plan, om den volgenden morgen een storm op _Gibraltar_ te waagen,
voor de laatste maal overwogen. Mijne vermomming was hun ongeluk: want
veelen hadden te slaafschen eerbied voor het heilig kleed, 't welk ik
aan had, dan dat zij mij uit hunne vergadering durfden weg jaagen,
gelijk ik verdiend had; evenwel moet ik aan 't gezond verstand van
anderen dit recht doen, dat ik op hun gelaat de duidelijkste blijken
van ongenoegen en wantrouwen bespeurde, en de grootste genegenheid, om
den heer Pastoor eens helder den mantel te laten uitvegen; maar zij
durfden zulks niet openlijk vertoonen, noch daaraan toegeven; uit vrees,
dat zij het blind en bijgelovig gemeen, welks gunst en genegenheid
zij niet door een gewaanden ijver voor den Godsdienst (dien gewonen
kunstgreep van staatkundige en heerschzuchtige deugnieten!) maar door
hunne ervarenis en dapperheid gewonnen hadden, van zig verwijderen
en vervremden zouden. Ik kon derhalven aldaar zeer gerust en veilig
blijven, en hoorde alles, wat 'er omging, tot dat zij scheidden, om
zig nog eenige uuren ter ruste te begeven. Toen ik zag, dat het gehele
leger, zelfs de schildwachten, in den diepsten slaap gedompeld waren,
ging ik zonder toeven aan 't werk; al hun geschut (meer dan drie honderd
stukken van agt-en-veertig tot vier-en-twintig ponden ijzers) ligtte ik
van de affuiten en ging ze meer dan een half uur ver in zee brengen.
Daar ik moederziel alleen was, en zelfs geen kleinen jongen tot mijner
hulpe had, was dit het zwaarste werk, dat ik ooit onder handen heb
gehad; behalven toen ik met het befaamde turksch stuk geschut, door den
Baron de TOTT zoo zwierig beschreven in zijne gedenkschriften, waarvan
straks nader, over de straat van _Constantinopel_ zwom. Daarna stapelde
ik alle de affuiten en legerkarren, in 't midden van het leger, op
elkander, nemende dezelven twee aan twee onder mijne armen; zoo omdat
'er haast bij 't werk was, als omdat ik door het kraaken van de wielen
niet gehoord en ontdekt zoude worden. Dit maakte een schoone vertooning:
want de berg van affuiten en karren was ten minsten zoo hoog, als de
rots van _Gibralter_[13]. Toen ontstak ik een lont, slaande met een stuk
van een agt-en-veertig ponder tegen een vuursteen, welke twintig voeten
boven den grond lag op een wal, door de Mooren bij hunnen inval in
_Spanje_ opgeworpen; en stak daar mede den gantschen boedel in brand. Ik
had haast vergeten te zeggen, dat ik alle de ammunitiewagens boven op
den top van dezen berg had geworpen.
[13] Hoe de Baron in staat was, alle deze karren zoo spoedig en
gemaklijk bij elkander te krijgen, is ligt te begrijpen!! Maar
hoe hij ze zoo hoog heeft kunnen brengen zouden wij nooit hebben
kunnen bezeffen, had hij ons zijne verwonderlijke kunsten,
waarbij van GUSSUM en deszelfs waardige Opvolger, de heer RIDDER
M. I. I. PINETTI, WILLEDALE DE MERCI, Professor en Demonstrator
der Phijsica, maar kinderen zijn, niet medegedeeld in het slot van
dit, en in het XII. hoofdstuk.
Ik had het brandbaarste onder op den grond gelegd, met zoo veel overleg
en oordeel, dat alles in één oogenblik in ligter laaie vlam stond.—Om
alle vermoedens voor te komen, had ik een spaanschen soldaat stillekens
den nek omgedraaid; trok zijne klederen aan, en ging in zijne plaats
schildwacht houden: ook was ik de eerste, die allarm maakte, en de
grootste verbaasdheid toonde. Het geheele leger was verstomd; en het
algemeen besluit was, dat de vijand de schildwachten omgekoft hebbende,
zeven of agt regimenten gebruikt had, om deze ijslijke verwoesting uit
te regten. Mr. DRINKWATER verhaalt, in zijne geschiedenis van deze
beroemde belegering, dat de _Spanjaarden_ een zeer zwaar verlies leeden
door een brand, welke in hun leger ontstond, maar waarvan men de oorzaak
nooit geweten heeft. En hoe zoude hij die hebben kunnen weten? daar ik,
hoe zeer ik door dit werk van weinige uuren in éénen nacht, de eenigste
ben, aan wien de _Engelschen_ het behoud van _Gibraltar_ te danken
hebben, deze zaak echter nooit voor dezen dag aan iemand, zelfs niet aan
den Generaal ELLIOT, heb bekend gemaakt. De Graaf van A**** liep met
zijn gantschen stoet van schrik weg; zij stonden op den gantschen weg
niet ééns stil, hoewel zij te voet waren, tot dat zij _Parijs_ bereikt
hadden, alwaar zij binnen veertien dagen aankwamen. Ja deze akelige
brand had hen dermate ontsteld, dat zij wel drie maanden lang niets ter
hunner herstellinge konden gebruiken, maar gelijk de cameleon van den
wind leefden.
* * * * *
_Zo iemand van 't gezelschap mogte te kennen willen geven, als of hij
twijfelde aan de waarheid van deze gebeurdtenis, dien bekeure ik voor
een stoop brandewijn, om denzelven in één teug uit te drinken; en om de
flesch of de kom waaruit hij gedronken heeft, insgelijks naa binnen te
slaan._
* * * * *
Twee maanden, naadat ik dezen dienst aan de belegerden gedaan had, zat
ik, met mijnen vriend, ELLIOT, te ontbijten; wanneer een bom (want ik
had geen tijd gehad om zoo wel de mortieren, als het kanon van den
vijand weg te brengen) in de kamer viel, daar wij zaten, en zig op de
tafel nederzette. De Generaal verliet, gelijk de meesten doen zouden,
terstond de kamer; maar ik vatte ze op, eer zij barstte, en nam ze mede
naa den top van de rots. Van hier den vijand, op eene hoogte bij de
zeekust gelegerd, beschouwende, ontdekte ik een groote menigte volks,
onder elkander heen en wederloopende; maar met het bloote oog kon ik
niet onderscheidenlijk zien, wat zij eigenlijk uitvoerden. Ik was juist
bezig met mijn teleskoop te stellen, wanneer ik bespeurde, dat twee
van onze Officieren, waarvan de één een Generaal, de ander een Colonel
was, met welken ik den voorgaanden avond had doorgebragt, en die te
middernacht waren uitgegaan, om het vijandelijk leger te bespieden,
gevangen waren genomen, en nu regelregt na de galg gebragt werden, om
opgehangen te worden. Ik had de bom nog in mijne hand, maar de afstand
was te groot, om ze uit de hand weg naa den vijand te werpen; zeer
gelukkig herinnerde ik mij dat ik denzelfden slinger, waarvan DAVID zig
in het slaan van GOLIATH bediende, in mijn zak had; ik legde mijn bom
daarin, en slingerde dezelve, dat zij midden onder het volk nederviel,
en zoo als zij viel, barstte. Zij vernielde allen, die zig aldaar
bevonden, behalven onze twee brave helden, die 'er behouden af kwamen,
door dat zij zoo hoog gehangen waren: want zij waren even afgestoten;
maar een stuk van de bom vloog met zoo grote kragt tegen den voet van
de galg, dat dezelve terstond omver viel. Onze twee vrienden voelden
niet zoodra den vasten grond onder de voeten, of zij zagen rond naa
de oorzaak, waarom zij schier zoo spoedig nedergelaten werden, als
zij waren opgehangen. Oordeelt over hunne verwondering, mijne Heeren!
wanneer zij zagen, dat de wacht, de beul en alle de nieuwsgierige
aanschouwers het in 't hoofd gekregen hadden, om de reis naa de andere
waereld vroeger, dan zij, aantenemen. Zij wisten niet, maar vreesden, of
hier onder wel niet iets anders schuilen mogt; waarom zij hunnen tijd
niet wilden verspillen, gelijk die geleerde, die, een kop van een
hollandschen tabakspijp op den kant van den _Teems_ gevonden hebbende,
drie jaren agter één aanhoudend zijne hersenen[14] versleet, om te
onderzoeken, hoe dezelve daar gekomen ware; en ten laatste besloot, dat
een oud wijf van _Hilversum_, 't welk voor keukenmeid op een zeeuwschen
smokkelaar gevaren had, den geheelen pijp misschien uit den tandeloozen
mond had laten vallen; waarom hij nog zes dagen na den steel zocht, maar
te vergeefsch. Hierom maakten zij, zonder verwijl, elkanders onbeleefde
stroppen los, renden naa het strand en namen een spaansche boot met
zes mannen daarin, door welken zij zig na een van onze schepen lieten
roeien, en behouden daar aan boord kwamen: van waar zij, terwijl ik nog
bezig was om den Generaal ELLIOT te verhaalen, hoe ik met de bom geleefd
had, bij ons kwamen, ons om helsden, en wij met elkander den dag
aangenaam en vrolijk ten einde bragten.
[14] De Baron vergist zig hier: de man had niets in zijn hoofd, 't welk
naar hersenen geleek.