XI. HOOFDSTUK.

_Een belangrijk verslag van de voorouders van den Baron.—Een verschil

over de plaats, waar _NOACH_ zijne ark bouwde.—De geschiedenis

van den slinger, en deszelfs hoedanigheden.—Een begunstigd

digter wordt ingeleid, maar op geen roemrijke manier.—Koningin

_ELIZABETH_, en hare gaaf van onthouding.—De vader van den Baron

kruist van _Engeland_ naa _Holland_ op een zeepaard, 't welk hij

voor zeven honderd dukaten verkoopt._

Ja! ik zal aan uw verlangen voldoen, mijne Heeren!—immers zie ik aan

uwe ogen, dat gij begeert te weten, hoe ik in 't bezit van zoo groten

schat, als de bovengemelde slinger is, gekomen ben—onder één beding

echter, dat gij van deze mijne openhartigheid geen misbruik maakt, en

de huistwisten, welken onder mijne voorvaders hebben plaats gehad, en

altijd behooren geheim gehouden te worden, niet verder voord verhaalt.

Weet dan, dat ik in een regte lijn afstamme van MERAB, oudste dogter

van zijne Israëlitische majesteit, Koning SAUL den eersten. Zij was,

gelijk gij weet, eerst aan DAVID verloofd, en, het welk gij noch iemand

wist, kreeg van hem, tot pand zijner minne, dezen slinger. Maar haar

Koninglijke vader, die vrij onbestendig van aard was, trouwde haar daags

daaraan uit aan ADRIËL den MEHOLATHITER; en dewijl hij daarenboven zeer

bijgeloovig was, wilde hij, dat deze wonderbare slinger van DAVID,

waarin hij een meer dan gewoone kragt onderstelde, aan ADRIËL en de

oudste zoons in deszelfs geslagt, ten eeuwigen dage, als een bijzonder

eigendom zoude toebehooren: opdat ADRIËL voornoemd, en zijne kinderen en

kindskinderen na hem, altijd, gelijk ALEXANDER en CAESAR deeden, zouden

kunnen zeggen: ik kwam, ik zag, ik won! 't Gebeurde op zekeren tijd, dat

een zeer hevig huis krakeel tusschen ADRIËL en MERAB ontstond over een

zaak van het alleruiterste gewigt; te weten, waar de plaats was, daar

NOACH zijne ark had gebouwd, en waar deze na den vloed gebleven was. Dit

geschil liep zoo hoog, dat 'er een scheiding van huwelijk op volgde:

maar naardien zij begreep, dat de slinger eigenlijk aan haar en niet aan

haren gewezen' echtgenoot behoorde, maakte zij hem denzelven, s' nachts,

voor dat zij scheiden, afhandig, en beschonk daarmede haren jongsten

zoon, die de zijde van de moeder gekozen had, en haar overal vergezelde.

Dit verwekte in het vervolg wel een groten haat tusschen de broeders en

hunne vrienden, zoodat zij dikwijls handgemeen raakten, maar de partij

van MERABS zoon behield altijd de overhand; zoodat de slinger van dien

tijd af onafgebroken in zijn geslagt gebleven, en alzoo, van vader tot

zoon overervende, in mijne bezitting gekomen zij.

Een van deszelfs eigenaars, mijn bet-oud-over-groot-vader, die voor

omtrend twee honderd en vijftig jaren leefde, reisde naa _Engeland_, en

werd aldaar zeer bekend met een groot digter, die door het stelen van

herten zeer beroemd was: zijn naam was, zoo ik dien wel onthouden heb,

SHAKESPEARE. Deze leende dien gedugten slinger zeer dikwijls[15] en

doodde daarmede zoo veel wild van _Sir_ THOMAS LUZY, dat hij het lot

van mijne twee vrienden te _Gibraltar_, ter nauwernood ontging. De

arme SHAKESPEARE raakte in de gevangenis; en mijn voorvader bezorgde

hem zijne vrijheid op eene zeer zonderlinge wijze. Koningin ELIZABETH,

die toen op den throon zat, verviel, gelijk bekend is, in de grootste

zelfsverveeling; de geringste zaak ontrustte haar, 't zij zij zig

kleedde of ontkleedde, 't zij zij at of dronk; en alle andere

verrigtingen, welken wij verzwijgen zullen, maakten haar het leven

tot een last. Maar hij leerde haar de kunst, om dit alles door een

gemagtigde te verrigten! En welke vergelding, denkt gij, dat die

edelmoedige Vorstin in staat was, hem voor zoo gewigtigen dienst te

doen aannemen?—geene andere, dan SHAKESPEARE in vrijheid te stellen.

Zoo groot was zijne genegenheid voor dezen beroemden schrijver, dat

hij met vermaak zijn eigen leven verkort zoude hebben, om de dagen van

zijnen vriend te verlengen.

[15] Men verwondere zig niet, dat mijn bet-oud-over-groot-vader dezen

slinger op een speeltogtje bij zig had. Volgends den uitersten

wil van MERAB moet ieder eigenaar hem altijd bij zig hebben.

Ik heb nooit gehoord, dat één van hare majesteits onderdanen, en met

naame de _vleescheters_,[16], zoo als zij in dien tijd plegen genoemd te

worden, (hoewel ik weet, dat zij door die tijding zeer getroffen waren,)

afgekeurd hebben, dat zij zoo geheel zonder allen voedsel leefde. Zij

leefde maar zeven en een half jaren, naadat zij zoo matig was geworden.

[16] _Beef-eaters._ Een naam die niet zelden door hen die gaarne

rundvleesch aten, en het uit _oeconomische_ oorzaken moesten

laten, aan de Koninglijke Garde gegeven wierd.

Mijn vader, die de onmiddellijke bezitter van dezen slinger vóór mij

was, en van wien ik hem kort voor mijne reis na _Gibraltar_ erfde, heeft

mij daarvan de volgende bijzonderheid verhaald, welke zijne vrienden

ook dikwijls van hem gehoord hebben, en aan welker waarheid niemand

twijfelt, die den eerlijken ouden man gekend heeft.

Hij wandelde aan het strand bij _Harwich_, met den slinger in zijn zak,

en was nauwlijks eén mijl gevorderd, wanneer hij een stout beest, het

zeepaard genaamd, ontmoette, 't welk met open muil en groote woede op

hem kwam inloopen: een oogenblik stond hij in twijfel wat te doen; maar

om zijnen slinger denkende, ging hij honderd treden agterwaards, nam een

paar kittelsteenen, welke bij menigte aan 't strand liggen, en slingerde

ze beiden zoo behendig naa het dier, dat ieder steen een oog weg nam,

en in de holligheden, die zij gemaakt hadden, bleeven zitten. Hierop

sprong mijn vader op het dier, ging op deszelfs rug zitten, en dreef

het zeewaards in: want met het verlies van het gezigt verloor het ook

zijne wildheid, en was zoo tam als een schaap. Mijn vader gebruikte den

slinger in plaats van een breidel, en alzoo op zijn uiterste gemak dwars

door de zee gevoerd wordende, kwam hij in minder dan drie uuren aan de

overzijde, 't welk een weg is van ten minsten dertig hollandsche mijlen.

De waard in de drie schenkkannen te _Helvoetsluis_ koft het zeepaard

voor zeven honderd ducaten, om daarmede op de jaarmarkten rond te

reizen; en mijn Vader ging den volgenden dag weder met de paketboot na

_Harwich_.

* * * * *

_Mijn vader deed op deze reis vele zeer aanmerkelijke waarnemingen,

welken ik in 't vervolg zal mededeelen._

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 37 / 49 题